Ontslag Buttiglione illustreert machtsgreep Europese tegenreligie

Deze bijdrage verscheen sterk ingekort in de TIJD 8 november 2004 onder deze titel en licht ingekort in 't Pallieterke 9 november 2004 onder de titel "De dictatuur van de eureligie. Of : hoe de nimf Europa door de nieuwe hogepriesters wordt verkracht".


De laatste week van oktober was één van de droevigste uit de geschiedenis van Europa, hoofdzakelijk om twee redenen, die niet losstaan van elkaar. Allereerst werd de krachtens de geldende Europese rechtsregels aangeduide commissaris Rocco Buttiglione tot ontslag gedwongen gedwongen omdat een meerderheid van dat Parlement weigert nog een onderscheid te maken tussen de domeinen van het recht en van de moraal. En vervolgens werd te Rome een Europese Grondwet ondertekend. Het tweede houdt een verregaande uitholling in van de democratie, het eerste houdt een frontale aanval in tegen de fundamenten van de Europese orde, met name de scheiding van kerk en staat en de fundamentele vrijheden, en illustreert hoe een nieuwe intolerante religie de politieke instellingen heeft veroverd.

Brengen we immers de grondslagen van de moderne Westerse samenleving en de op grondvrijheden gebouwde burgerlijk-politieke rechtsorde in herinnering. Zij hebben diepe wortels in een ver verleden, met name de scheiding en wederzijdse erkenning van kerk en staat in de late oudheid - het Romeinse Rijk en de Rooms-Katholieke kerk -. Deze dualistische leer of "leer van de twee zwaarden" vinden we al in de brief die Paus Gelasius I in 494 n.C. in zond aan keizer Anastasius. Natuurlijk is de voorbije 15 eeuwen heel vaak gestreden over de vraag wat dan wel tot het domein van het politieke gezag behoort en wat tot dat van het spirituele gezag. En natuurlijk was er binnen elk van die vaak twee een streven naar monopolie. Zowel het ene als het andere domein waren vaak het terrein van imperiale strevingen: koningen en keizers die hun politieke macht over heel Europa wilden vestigen en een kerk die een monopolie op spiritualiteit en moraal probeerde te hebben.

Uit de godsdienstoorlogen leerde men dat plaats geven aan religieuze en morele opvattingen die men verwerpt een groter goed is dan ze te bestrijden. Zijn moderne vorm kreeg de fundamentele Europese waardenconstitutie dan ook in de 18e en 19e eeuw door de verlichting en de romantiek. Essentiële bouwstenen daarin waren de ontwikkeling van de religieuze tolerantie die uitgroeide tot de vrijheid van godsdienst, geweten en meningsuiting, en van de democratie of inspraak van het volk, die uitmondde in het uiteenvallen van multinationale rijken in vrije en democratische naties.

In deze bijdrage wil ik het vooral over het eerste aspect hebben, over de erfenis van de Verlichting, en de miskenning daarvan door de Europese politici in de zaak-Buttiglione.

De combinatie van scheiding van kerk en staat en vrijheid van godsdienst en geweten die sindsdien het fundament is van onze maatschappelijke orde, houdt een wederzijdse erkenning in. De scheiding van kerk en staat houdt enerzijds de erkenning in, ook door de kerk, van de burgerlijke overheid en het rechtssysteem als legitiem óók wanneer dit afwijkt van de eigen morele opvattingen, anderzijds de erkenning door de burgerlijke overheid van de fundamentele vrijheden en het overlaten van levensbeschouwelijke en morele opvattingen aan de burgerlijke samenleving, waarvan de kerken deel uitmaken. Dit laatste werd in het 1e artikel van de Bill of Rights van de Amerikaanse grondwet (het beroemde 1st Amendment) op kernachtige wijze uitgedrukt in de zinsnede "no establishment of religion".

De fundamentele Europese constitutie gegroeid uit de Verlichting houdt dus in dat de overheid binnen bepaalde grenzen de maatschappelijke verhoudingen mag reguleren, gedragingen mag straffen, de materiële goederen mag controleren en belastingen mag heffen. De overheid dient daarbij de gelijkheid van eenieder voor de wet te respecteren. Tegelijk mag de overheid het geweten niet bevelen, geen religieuze noch morele overtuigingen opleggen, en moet zij de vrijheid van meningsuiting en meer in het algemeen de fundamentele keuzevrijheid in private verhoudingen garanderen. Gelijkheid voor de wet op het domein van de overheid, vrijheid op het domein van de burgerlijke samenleving, en het respecteren van het onderscheid tussen beide, zijn dan ook basiskenmerken van dit Europese waardensysteem. Daartoe hoort ook dat het domein van de overheid en de rechtsorde zo wordt ingericht dat personen van uiteenlopende levensbeschouwingen daarin aan hun trekken kunnen komen.

De Katholieke Kerk heeft deze scheiding van kerk en staat aanvaard, zij het niet zonder horten en stoten, en allicht pas volmondig en met heel haar hart sinds het Tweede Vaticaans Concilie. Het hedendaagse katholicisme en de christen-democratie zijn dan ook wezenlijk gebaseerd op tolerantie: het - op basis van wederkerigheid - aanvaarden van verschillende morele en religieuze opvattingen op het domein van de samenleving. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat personen van de ene of de andere levensbeschouwing er niet naar zouden streven om op het domein van de overheid die regels en instellingen uit te bouwen die zij het meest geschikt achten voor het algemeen welzijn. Maar het houdt wel in dat men een duidelijk onderscheid maakt tussen recht en moraal: men kan van iedereen eisen dat hij de rechtsregels respecteert, maar daarvan afwijkende morele opvattingen van eenieder worden getolereerd.

Een moderne katholiek en/of een christen-democraat aanvaardt dat de overheid regels uitvaardigt die verschillen van zijn morele opvattingen, omdat er nu eenmaal nood is aan een burgerlijke overheid, die een eigen legitimiteit heeft. Zolang die op zijn domein blijft, ook wanneer die daar van de moraal afwijkende rechtsregels uitvaardigt, is het belangrijker om het recht te respecteren en de rechtsstaat in stand te houden eerder dan deze door burgerlijke ongehoorzaamheid omwille van de eigen morele opvattingen ten ondergraven.

De moderne katholiek Rocco Buttiglione is dan ook een perfecte vertegenwoordiger van deze moderne Europese waarden: onderscheiding van recht en moraal, vrijheid van godsdienst en geweten, gelijkheid van eenieder voor de wet, vrijheid in de private verhoudingen.

Zijn uitspraken zijn door sommige media op een groteske manier verdraaid geworden. Hij werd gecriminaliseerd als "homofoob" omdat hij de volkomen met het bovenstaande conforme opvatting heeft verdedigd dat op juridisch vlak iedereen gelijke rechten moet hebben (en dus geen "aparte" rechten voor homo's) en dat daarnaast iedereen de vrijheid heeft op moreel en religieus vlak hun gedragingen al dan niet als een zonde te beschouwen (een religieuze term met een religieuze betekenis). Hij werd uitgespuwd als sexist omdat hij stelde dat vrouwen die dat wensen recht hebben op een gezin, d.i. om kinderen te hebben en een man die haar en zijn kinderen beschermt, en dat er nood is aan een politiek die de familie beter beschermt, zodat vrouwen kinderen en beroep beter kunnen combineren. Een betere commissaris voor de rechten en vrijheden kan men zich dus niet voorstellen.

Maar zo heeft de radicale linkerzijde, die jammer genoeg in de meerderheid is in het Europees zowel als het Belgisch parlement, het niet begrepen. In tegenstelling tot de moderne katholieken, de meeste stromingen in het jodendom en het protestantisme, sommige stromingen van de islam (zoals bv. de Ismaëlieten), de klassieke liberalen én de klassieke sociaal-democraten, hebben de radicalen van links - net zoals de orthodoxe moslims, katholieke "integristen" en sommige protestantse stromingen - de genoemde scheiding en onderscheiding nooit aanvaard.

Klassieke liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten hebben natuurlijk steeds gestreden over de vraag wat er door de staat moet worden verzorgd en wat aan de civiele samenleving moet worden overgelaten, maar zij hebben allebei steeds aanvaard dat er een neutrale overheid moet zijn zowel als een door fundamentele vrijheden beschermde burgerlijke samenleving, waarbinnen verschillende levensbeschouwingen aan bod kunnen komen.

De radicalen van links daarentegen hebben in de loop van de 19e en 20e eeuw gebouwd aan een nieuwe religie, een tegenreligie, die zich spiegelde aan de zwartste bladzijden van de katholieke kerk (of andere kerken). Zij verwerpen het dualisme van recht en moraal, de scheiding van kerk en staat, het onderscheid tussen gelijkheid voor de wet en vrijheid in private verhoudingen. Onder het mom van tolerantie hebben zij een anti-tolerantie ontwikkeld, een tolerantie die - naar het woord van A. Finkielkraut - enkel noch zichzelf tolereert (zie hierover mijn essay "Tolerantie").

Weliswaar is het systeem dat deze links-radicalen hebben uitgebouwd in de tweede Franse revolutie (de Terreur van Robespierre) van korte duur geweest en datgene dat zij in Rusland hebben uitgebouwd in 1989 in elkaar gestort. Maar in heel West-Europa hebben zij sinds mei 1968 een stille revolutie gevoerd, en de resultaten daarvan worden steeds duidelijker zichtbaar. De zaak-Buttiglione symboliseert nu de machtsgreep van die radicale tegenreligie, die voldoende machtig geworden is om de fundamentele vrijheden opzij te schuiven en een einde te maken aan de scheiding van kerk en staat. Ze zijn erin geslaagd de nieuwe religie in het Handvest van de Europese Unie in te schrijven door de Unie de macht te geven de keuzevrijheid in private verhoudingen af te schaffen en de fundamentele vrijheden te beperken wanneer het om "afwijkende" meningen gaat.

Wie voldoende luistert en leest, hoort en ziet dagelijks hoe ze vanuit hun politieke machtspositie deze "Eureligie "opleggen aan de burgerlijke maatschappij en de vrijheid van geweten en godsdienst verkrachten. Elke andere religieuze of morele overtuiging dan die van de Eureligie wordt als "onaanvaardbaar" bestempeld. Personen met "afwijkende" religieuze of morele opvattingen, zoals normale verlichte katholieken of joden of verlichte moslims, komen niet meer in aanmerking voor overheidsfuncties, en krijgen om hun overtuiging Berufsverbot, zoals de zaak-Buttiglione overduidelijk heeft aangetoond. Het volstaat immers duidelijk niet meer voor aanhangers van een andere religie dan de hunne om tolerant te zijn, d.w.z. te aanvaarden dat anderen de vrijheid hebben andere religieuze en morele opvattingen te hebben; neen, zij moeten zich tot de Eureligie bekeren en publiekelijk haar dogmata aanhangen om nog openbare functies te mogen uitoefenen.

De inquisitie tegen Buttiglione geschiedde op basis van een door de gay lobby zorgvuldig voorbereid dossier, dat aan de leden van de desbetreffende parlementaire commissie was bezorgd door Riccardo Gottardi, voorzitter van ILGA Europe (International Lesbian and Gay Association) (en ten dele op http://www.gaynews.it of op http://www.ilga.org). Zoals de kerkelijke inquisitie in duistere tijden ging het er niet meer om hoe de kandidaat zich zou gedragen en welk beleid hij zou voeren, maar of hij in zijn innerlijke overtuiging geen afwijkende opvattingen koesterde. Daarmee wordt de repressie van de nieuwe hogepriesters opgetild naar een nog hoger niveau, nadat eerder reeds de keuzevrijheid in private verhoudingen werd afgeschaft door antidiscriminatiewetten en de vrijheid van meningsuiting ingeperkt door antiracismewetten.

Europa werd inderdaad door de nieuwe hogepriesters verkracht en heeft haar ziel verloren.

Matthias E. Storme

NB. Zie ook "Het geval Buttiglione zoals Buttiglione dat ziet" op http://victacausa.blogspot.com/2005/02/het-geval-buttiglione-zoals.html

Aanvulling. N.a.v. een door mij over deze tekst uitgelokte discussie op http://forum.politics.be/showthread.php?t=29634 heb ik volgende aanvulling aangebracht op 17-2-2005:

Het probleem met de uitdrukking "scheiding van kerk en staat" is dat sommigen dit in een totaal verkeerde betekenis gebruiken. Zij bedoelen daarmee: de godsdienst uit het maatschappelijk leven verbannen naar de "privé-sfeer", waarbij men privé in een bijzonder enge betenis gebruikt (binnen het eigen huis); terwijl de scheiding van kerk en staat eigenlijk betekent een scheiding tussen staat en burgerlijke samenleving: de staat mag zich niet moeien met het domein van de zingeving in ruime zin, dat is een zaak van de samenleving zelf, waarbinnen mensen zich op vrijwillige basis organiseren in verenigingen, kerken of andere. Staat enerzijds en verenigingen en kerken anderzijds staan dus op gelijke voet, de ene niet ondergeschikt aan de andere.
Een ander verkeerd gebruikt begrip is primaat van de politiek. Dit betekent dat binnen de overheid de democratisch gelegitimeerde organen het laatste woord hebben, doch enkel binnen de overheid. Niet binnen de samenleving natuurlijk. Daar mag niet het primaat van de politiek gelden, maar enkel het primaat van de vrijwillig gekozen verbanden enerzijds en de natuurlijke verbanden (familie) anderzijds. Daar moet de politiek buiten blijven, terwijl ze zich vandaag met alles moeit binnen die burgerlijke samenleving en deze bovendien ook financieel leegzuigt (zodat de vrije organisaties meestal niet meer voor zichzelf kunnen instaan en dus financieel afhankelijk worden van de overheid, zoals het vrij onderwijs).