U bent hier: Home / nieuwsbrieven / Nieuwsbrief2016 / Nieuwsbrief arbeidsrecht

Nieuwsbrief arbeidsrecht

Instituut voor Arbeidsrecht
KU Leuven

Nr. 2016/5

Deze nieuwsbrief beoogt de lezer binnen een kort bestek een overzicht te geven van de arbeidsrechtelijke actualiteit van de afgelopen maand, desgevallend voorzien van een beknopte duiding. De nieuwsbrief arbeidsrecht is gratis en wordt tien maal per jaar aan de ingeschreven leden verzonden.

Schrijf zonder enige verdere verplichting in via dit formulier.

 

  

Blikvanger

Verbod op terbeschikkingstelling van openbare orde. Ongeldige oorzaak

Lees meer


 


Inhoud nieuwsbrief nr. 2016/5

  1. Europa
  2. Regelgeving België
  3. Hof van Cassatie en Grondwettelijk Hof
  4. Lagere (niet-gepubliceerde) rechtspraak
  5. Rechtsleer
  6. Ander nieuws
  7. Mededelingen

1. Europa


Raad van Europa - EHRM 24 mei 2016, nrs. 37273/10, 38958/10, 38963/10, 38968/10, 38973/10, 38980/10, 38991/10, 38997/10, 39004/10, 39030/10, 39032/10, 39034/10, 39037/10, 39038/10, 39042/10, 39049/10, 39052/10 en 45052/10, Süleyman Çelebi e.a./Turkije

1 meibetoging Turkse vakbonden – gewelddadig optreden veiligheidsdiensten – schending verbod op foltering (artikel 3 EVRM) – schending vrijheid van vergadering en vereniging (artikel 11 EVRM)   

In een arrest van 24 mei heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een gemeenschappelijke uitspraak gedaan in meerdere zaken waarin 19 leden van verschillende Turkse vakbonden zich beroepen op het verbod op foltering (art. 3 EVRM), het recht op vrije meningsuiting (art. 10 EVRM) en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging (art. 11 EVRM) om het gewelddadig optreden van de Turkse veiligheidsdiensten tijdens een demonstratie aan te vechten. De feiten deden zich voor tijdens een demonstratie van de drie voornaamste Turkse vakbonden (DISK, KESK en TURK-IS) en de vakbond van de Turkse geneesheren (TBB) in Istanbul op 1 mei 2008 ter gelegenheid van het 1 meifeest. Uiteindelijk mondde deze demonstratie uit in verschillende conflicten tussen de demonstranten en de politiemachten, waarbij onder andere waterkanonnen en traangas werden ingezet. 19 van deze demonstranten hebben dan ook klacht neergelegd tegen de toenmalige eerste Minister, Tayyip Erdoǧan, drie regeringsministers, de burgermeester van Istanbul, het hoofd van de Veiligheid van Istanbul en ander veiligheidsinstanties. De klachten werden een voor een verworpen. Steunend op artikel 3 EVRM, voeren de verzoekers voor het EHRM aan dat de politieofficieren een disproportionele macht hebben gebruikt om de menigte uit elkaar te halen. Daarnaast beroepen ze zich ook op artikel 10 en artikel 11 EVRM omdat zij door de tussenkomst van de veiligheidsdiensten verhinderd werden hun recht om te demonstreren uit te oefenen.

Het Hof oordeelde in de zaken dat vooraleer er sprake is van een schending van artikel 3 er een dermate slechte behandeling moet plaatsgevonden hebben die een minimum aan ernst vertoont. Dit minimum wordt in het licht van de concrete omstandigheden door het Hof beoordeeld, zoals de duur en de fysieke en psychologische effecten van de behandeling. Het louter uiteendrijven van een manifestatie vormt bijgevolg niet automatisch een schending van artikel 3 EVRM. In de bovenstaande zaken heeft het Hof echter vastgesteld dat er geen vorm van agressiviteit bij de demonstranten te bespeuren was voor het ingrijpen van de veiligheidsdiensten en heeft het geoordeeld dat de macht uitgeoefend op de demonstranten niet noodzakelijk en zo excessief en ongerechtvaardigd was dat er wel degelijk een schending plaatsvond van artikel 3 EVRM. Bovendien stelt het Hof dat het feit dat tegen de verantwoordelijken van de politiediensten geen juridische stappen werden genomen, ook een schending uitmaakt van artikel 3 EVRM.

Met betrekking tot de artikelen 10 en 11 oordeelde het Hof rekening houdend met bovenstaande vaststellingen dat de autoriteiten een totale afwezigheid van tolerantie getoond hebben tegenover de manifestanten door hen met geweld het recht op vrijheid van vreedzaam vergaderen te ontnemen. Bovendien kan er geen enkele dwingende maatschappelijke behoefte aangetoond worden die de interventie zou kunnen rechtvaardigen. Het Hof stelde ook een schending vast van artikel 11 EVRM, dat volgens het Hof ook moet gelezen worden in het licht van artikel 10 (het recht op vrije meningsuiting). (Miet Vanhegen)

Volledige tekst van het arrest 

 

 

Top

 

2. Regelgeving België


Economische werkloosheid voor bedienden uitgebreid

Wet 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, BS 23 mei 2016   

Economische werkloosheid voor bedienden is sinds 1 januari 2012 opgenomen in de Arbeidsovereenkomstenwet en schorst de arbeidsovereenkomst van bedienden van ondernemingen in moeilijkheden. Voor deze nieuwe wet van 16 mei 2016 werden de volgende criteria gehanteerd om te beoordelen of een onderneming al dan niet in moeilijkheden is: substantiële daling van de omzet of productie; tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen voor werklieden en substantiële daling van de bestellingen.

Vanaf 2 juni 2016 (10 dagen na publicatie van de wet van 16 mei 2016) worden deze criteria uitgebreid met een vierde mogelijkheid: de onderneming die door de minister van Werk wordt erkend als onderneming in moeilijkheden op basis van onvoorziene omstandigheden die op korte termijn een substantiële daling van de omzet, de productie of het aantal bestellingen tot gevolg hebben. (Annemarie Vanderpoorten)

 
Minimumloonbedrag betaalde sportbeoefenaars

KB 13 mei 2016 tot vaststelling van het minimumbedrag van het loon dat men moet genieten om als een betaalde sportbeoefenaar te worden beschouwd, BS 25 mei 2016   

Jaarlijks wordt bij KB het loonbedrag bepaald dat een sportbeoefenaar op jaarbasis moet genieten om beschouwd te worden als betaalde sportbeoefenaar in het kader van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (artikel 2, § 1 van deze wet). Voor de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017  wordt dit loonbedrag vastgesteld op 9.800 euro. (Annemarie Vanderpoorten)

 
Samenstelling Adviesraad van het sociaal strafrecht gewijzigd

KB 23 mei 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juni 2011 tot vaststelling van de samenstelling en de werking van de Adviesraad van het sociaal strafrecht en betreffende de datum van inwerkingtreding van de artikelen 96, 97 en 98 van het Sociaal Strafwetboek, BS 31 mei 2016

KB 23 mei 2016 houdende benoeming van de leden van de Adviesraad van het sociaal strafrecht, BS 31 mei 2016

MB 28 mei 2016 houdende aanwijzing van de deskundigen van de Adviesraad van het sociaal strafrecht, BS 31 mei 2016  

De Adviesraad voor het Sociaal Strafrecht waakt over het sociale strafrecht en doet zo nodig wetgevende aanbevelingen. De regels voor de aanstelling zijn neergelegd in het KB van 7 juni 2011. Dat bepaalt dat de Adviesraad bestaat uit 18 leden die de FOD WASO, de FOD Justitie, de FOD Sociale Zekerheid, de RVA, de RSZ, het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, de SIOD, de Rechtelijke Orde en de academische wereld vertegenwoordigen. Het oude art. 6 stelde dat de Adviesraad zich kan laten bijstaan door deskundigen die niet behoren tot de leden van de Adviesraad. Het KB van 23 mei past dit artikel aan. Voortaan bestaat de Adviesraad naast de voornoemde 18 leden ook verplicht uit deskundigen aangewezen door de bevoegde ministers. Daarnaast kan de Adviesraad voortaan ook externe deskundigen uitnodigen indien het onderwerp van de vergadering dit verantwoord.

Het benoemingsbesluit van 23 mei 2016 stelt de leden van de Adviesraad aan voor de komende vier jaar en het MB van 28 mei 2016 benoemt de deskundigen van de Adviesraad.

Het wijzigings-KB van 23 mei 2016 trad in werking op de datum van publicatie in het Staatsblad. (Pieter Pecinovsky)

 

 

Top

 

3. Hof van Cassatie en Grondwettelijk Hof


Cass. 15 februari 2016, nr. C.14.0448.F

Tijdelijke arbeid – gezagsdelegatie – verboden terbeschikkingstelling – facturen niet opeisbaar   

Het Hof van Beroep te Brussel had in deze zaak geoordeeld dat de facturen in het kader van een verboden terbeschikkingstelling niet opeisbaar zijn en dat ook geen beroep kon worden gedaan op de verrijking zonder oorzaak. Het Hof van Cassatie wijst de voorziening in cassatie af.

Artikel 31, § 1 van de Wet van 24 juli 1987 stelt dat terbeschikkingstelling van personeel met gezagsdelegatie in principe verboden is. Volgens het Hof van Cassatie is dit verbod van openbare orde. Bijgevolg is  een overeenkomst die deze verbodsbepaling schendt, absoluut nietig. Uit artikel 1131 BW volgt ook dat een verbintenis aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg kan hebben. Er kan volgens het Hof van Cassatie bijgevolg geen ‘verrijking’ zijn op basis van dergelijke overeenkomst, maar de rechter kan evenwel de vordering van de ‘verarmde’ afwijzen wanneer hij, zo stelt het Hof van Cassatie, oordeelt dat dit de preventieve werking van de sanctie de overeenkomst zonder geldige oorzaak in het gedrang zou brengen of wanneer de sociale orde vereist dat de verarmde zwaarder wordt gesanctioneerd”. Het Hof van Beroep te Brussel kon dus de eis tot betaling van de facturen van de terbeschikkingsteller afwijzen om redenen dat dit de doelmatigheid van de sanctie voorzien in de wet zou verminderen en manifest tegen de doelstelling van het beschermen van terbeschikkinggestelde werknemers zou ingaan. (Alex Franchimont en Sarah De Groof)

Volledige tekst van het arrest

 

 

Top

 

4. Lagere (niet-gepubliceerde) rechtspraak


Arbh. Brussel 12 januari 2016, AR 2014/AB/1065

Beëindigingsovereenkomst – werknemer-CEO – “onrechtmatig bekomen en besteden van de aan de vennootschap toekomende bedragen” – werknemer is door hoge functie gewend belangrijke contracten te evalueren en ondertekenen – geen dwang of dwaling – definitief willen afhandelen van aansprakelijkheid en schade – geoorloofde oorzaak   

Een werknemer-CEO kwam in opspraak omdat hij de overeengekomen en toegelaten limieten van sponsoring eigenmachtig verhoogde. De werknemer ondertekende namens zijn werkgever een sponsoringsovereenkomst met een voetbalclub, waardoor voor een periode van 5 jaar telkens 200.000 EUR aan sponsorgeld aan de club zou betaald worden. Deze tussenkomst werd door de raad van bestuur van de werkgever goedgekeurd. Nadien kwam de voetbalclub echter  “in moeilijk sportief en financieel vaarwater“ tot zij in vereffening werd gesteld. Met de doorstart die zij vervolgens maakte, werden tal van financiële herschikkingen en engagementen gedaan waarbij de werknemer-CEO volgens zijn werkgever op eigen houtje handelde. Hij werd uiteindelijk ook voorzitter van de voetbalclub. Na een intern onderzoek, waarop de werknemer-CEO ook had gerepliceerd, werd een raad van bestuur bijeengeroepen met als agendapunt het ontslag van de werknemer-CEO. De werknemer-CEO was als lid van de raad van bestuur ook op de hoogte van dit agendapunt, al was hij niet aanwezig. Onmiddellijk na de vergadering tekende de werknemer-CEO een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord waarbij hij zich ertoe verbond een schadevergoeding aan de werkgever te betalen voor de “op onrechtmatige wijze verkregen en bestede bedragen”.

Het arbeidshof te Brussel oordeelt dat de werknemer-CEO niet kan voorhouden dat de overeenkomst nietig was omwille van dwang of dwaling onder meer omdat hij het gezien zijn hoge functie gewoon was om belangrijke contracten te evalueren en te ondertekenen. De werknemer-CEO kon zich ook adequaat verdedigen en werd niet verrast. De redenen die hij nu wil aanvoeren om een dwaling te staven, kende hij ook reeds op het ogenblik dat hij de overeenkomst ondertekende en maakten deel uit van zijn evaluatie om de overeenkomst te ondertekenen. Volgens het arbeidshof is er ook een geldige oorzaak van de overeenkomst. De werknemer wilde door het tekenen van de dading immers zijn aansprakelijkheid en schadeafhandeling definitief regelen. (Sarah De Groof)

Volledige tekst van het arrest

 
Arbh. Brussel 2 februari 2016, AR 2015/AB/441

Handelsvertegenwoordiger – uitwinningsvergoeding – verdeling bewijslast – geloofwaardige lijst moet concreet en ad nominatim worden weerlegd – afwezigheid van nadeel blijkt niet op zich uit arbeidsongeschiktheid  

De discussie in deze zaak betreft een uitwinningsvergoeding voor een handelsvertegenwoordiger na ontslag door de werkgever. De arbeidsrechtbank kende de uitwinningsvergoeding toe, waarna de zaak voor het arbeidshof komt. Maar ook het arbeidshof kent de uitwinningsvergoeding toe en wijst het beroep af.

Het arbeidshof te Brussel herinnert eraan dat de werknemer de aanbreng van cliënteel moet bewijzen (de arbeidsovereenkomst bevatte immers geen niet-concurrentiebeding). Maar wanneer de werknemer een geloofwaardige lijst met nieuwe klanten voorlegt, kan de werkgever deze lijst niet afwijzen op algemene en onduidelijke gronden. Dergelijke afwijzing brengt de geloofwaardigheid van de lijst van de handelsvertegenwoordiger niet in het gedrang wanneer de werkgever nalaat concreet en per klant de juistheid van de lijst te betwisten. Volgens het arbeidshof is de lijst aangebracht door de handelsvertegenwoordiger wel degelijk geloofwaardig, onder meer omdat de handelsvertegenwoordiger verklaringen bijbrengt van enkele namen op de lijst dat zij effectief nieuwe klanten waren. Ook het argument dat de handelsvertegenwoordiger geen nadeel leed door het ontslag omdat alle cliënteel omwille van zijn ‘langdurige ziekte’ al was verloren gegaan, overtuigt het arbeidshof niet. Op het ogenblik van de opzegging was de handelsvertegenwoordiger immers nog maar vier maanden arbeidsongeschikt. De langdurige arbeidsongeschiktheid impliceert op zich ook niet  dat het voor de handelsvertegenwoordiger onmogelijk was om verder zijn cliënteel te bewerken waardoor geen nadeel zou worden geleden. De preventieadviseur-arbeidsgeneesheer van de werkgever stelde immers zelf dat de handelsvertegenwoordiger zijn werkzaamheden kon voortzetten mits enkele aanpassingen. (Sarah De Groof)

Volledige tekst van het arrest

 
Arbh. Gent, afd. Gent 13 mei 2016, AR 2015/AG/133

Twee opeenvolgende periodes schorsing arbeidsovereenkomst gedurende uitoefenen ambt van schepen – anciënniteit voor berekening opzeggingsvergoeding loopt verder tijdens periodes van schorsing – geen bescherming op grond van Wet Politiek Verlof, wel als gemeenteraadslid – geen belemmering door afwezigheid van kennisgeving door de werknemer – reden ontslag vreemd aan uitoefening politiek mandaat    

Een werknemer stelt zich bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 kandidaat en wordt als gemeenteraadslid en schepen verkozen. Hij vraagt om loopbaanonderbreking waarna de partijen een onderlinge overeenkomst tekenen krachtens dewelke de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gedurende de ganse periode dat de werknemer zijn verkozen politiek mandaat opneemt volledig wordt geschorst, zonder recht op loon. Bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen stelt de werknemer zich opnieuw kandidaat en wordt hij opnieuw als gemeenteraadslid en als schepen verkozen. De partijen tekenen een gelijkaardige onderlinge overeenkomst tot schorsing van de arbeidsovereenkomst gedurende de periode dat de werknemer zijn mandaat opneemt. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012 wordt de werknemer niet opnieuw verkozen. In december 2012 stelt de werkgever met betaling van een opzeggingsvergoeding een einde aan de arbeidsovereenkomst.

De werknemer vordert in eerste instantie een aanvullende opzeggingsvergoeding. Bij de berekening van de opzeggingsvergoeding had de werkgever geen rekening gehouden met de periodes van volledige schorsing van de arbeidsovereenkomst gedurende dewelke de werknemer zijn politiek mandaat had opgenomen. De werkgever stelt dat deze periodes niet als diensttijd kunnen worden beschouwd. De Wet Politiek Verlof schrijft een schorsing van maximaal 1 ambtsperiode voor. De eerste schorsingsperiode van 6 jaar kadert in deze wet, waar de werkgever zich dient bij neer te leggen. De tweede periode van volledige schorsing daarentegen betreft een louter conventionele schorsing. Zoals de arbeidsrechtbank oordeelt ook het arbeidshof dat de periode tot aan het ontslag voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in rekening moet worden genomen. De factor anciënniteit heeft in de eerste plaats tot doel om de trouw aan de onderneming te belonen. Aan deze trouw is gedurende de twaalfjarige ambtsperiode als schepen geen einde gekomen. Bovendien diende, in tegenstelling tot de eerste schorsingsperiode, de werkgever zich met een schorsing gedurende de tweede ambtsperiode niet neer te leggen, hetgeen ze vrijwillig wel heeft gedaan en zij geacht moet worden met volle kennis van zaken te hebben gehandeld, ook wat de gevolgen bij een van haar uitgaand ontslag betreft.

Daarnaast vordert de werknemer op grond van de Wet Politiek Verlof een bijzondere ontslagvergoeding. Vooreerst stelt het arbeidshof dat de tweede schorsingsperiode geen schorsing in het kader van de regeling van het politiek verlof betreft doch slechts een gewone conventionele schorsing. De werknemer genoot aldus geen bijzondere bescherming tegen ontslag meer waarin de Wet Politiek Verlof voorziet. Wel bleef de werknemer de bijzondere bescherming tegen ontslag omwille van zijn hoedanigheid als gemeenteraadslid genieten. Het arbeidshof volgt het verweer van de werkgever niet dat er geen bescherming was omdat de werknemer haar nooit van zijn kandidatuur bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen had ingelicht. De regel die de werknemer oplegt de werkgever van zijn kandidatuur te verwittigen, heeft enkel tot doel de bescherming al vanaf deze verwittiging te laten ingaan, niet om afbreuk te doen aan de bescherming vanaf de verkiezing, op voorwaarde dat de werkgever van deze verkiezing op de hoogte is, hetgeen in casu zeker het geval is. Evenwel komt het arbeidshof zoals de arbeidsrechtbank tot het oordeel dat de werkgever het bewijs levert dat de werknemer om een reden vreemd aan de uitoefening van een politiek mandaat – alcoholprobleem van de werknemer – werd ontslagen. Ze kent geen bijkomende vergoeding toe. (Karlien Clerebaut)

Volledige tekst van het arrest

 

 

Top

 

5. Rechtsleer


Tijdschriften – overzicht recente rechtsleer

DE REY, S., “Schadeherstel in natura wegens contractuele wanprestatie: over miskenning van de tewerkstellingsverbintenis in arbeidsovereenkomsten” (noot onder Arbh. Brussel 18 mei 2015), TBBR 2016, afl. 5, 259-268.

DIEU, K., “La durée du travail: chronique de jurisprudence 2010-2014”, Ors. 2016, afl. 4, 2-23.

DORSSEMONT, F., “(Wanneer) Mogen luchtverkeersleiders staken?”, Juristenkrant 2016, afl. 329, 12-13.

DUMONT, D., “Les titres-services: développement des emplois de proximité ou redistribution à rebours? Un état des lieux à l’heure de la régionalisation”, JTT 2016, afl. 10, 145-150.

ELIAERTS, L., “Terbeschikkingstelling van werknemers in vennootschapsgroepen”, Soc.Kron. 2015, afl. 8, 349-360.

FRANQUET, V., “L’instrumentalisation abusive du statut social des travailleurs indépendants: Cheval de Troie pour de nouvelle fraudes?”, Ors. 2016, afl. 4, 24-31.

GOSSERIES, P., noot onder Cass. (3de k.) 15 februari 2016, JTT 2016, afl. 10, 157.

GOSSERIES, P., noot onder Cass. (3de k.) 15 februari 2016, JTT 2016, afl. 10, 160.

JACQMAIN, J., noot onder Arbh. Bergen (1ste k.), 20 oktober 2014, Soc.Kron. 2015, afl. 8, 387.

LAMINE, A., “Sort des conventions collectives en cas de transfert d’entreprise: réflexions autour de l’ârret Ôsterreichischer Gewerkschaftsbund (affaire C-328/13), Soc.Kron. 2015, afl. 8, 360-363.

LENAERTS, L. “Rijmen autonome arbeidsgerechten met de autonomie van het sociaal recht?”, Or. 2016, afl. 4, 105-111.

PATERNOSTRE, B., “Verlof zonder wedde en ontslag met opzeggingstermijn: de werkgever mag geen gebruik maken van deze wijze van beëindiging” (noot onder Arbh. Brussel 30 juni 2015), Or. 2016, afl. 4, 114-116.

PLETS, I., “Début du délai de 3 jours en cas de certitude suffisante quant au motif grave” (noot onder Cass. 15 juni 2015), Ors. 2016, afl. 4, 32.

PLETS, I., “Geen ontslagmotivering en voorafgaande hoorplicht in publieke sector” (noot onder Cass. 12 oktober 2015), Or. 2016, afl. 4, 112.

PLETS, I., “Verslag privédetective geweerd uit debatten” (noot onder Arbh. Antwerpen 29 december 2015), Or. 2016, afl. 4, 112-113.

PLETS, I., “Nietigheid van Engelstalige documenten kan niet worden ingeroepen in Vlaanderen” (noot onder Arbh. Brussel 22 januari 2016), Or. 2016, afl. 4, 113-114.

TILMANNE, N., “Rechtspraak”, Nieuwsbrief Ontslag 2016, afl. 5, 1-6.

VANACHTER, O., “Sociale verkiezingen in onderneming die de personeelsdrempel niet bereikt”, Nieuwsbrief Arbeidsveiligheid 2016, afl. 9, 1-3.

VANACHTER, O., “Betwisting over het begin van de beschermingsperiode”, Nieuwsbrief Arbeidsveiligheid 2016, afl. 10, 1-2.

 
Boeken en verzamelwerken – overzicht nieuwigheden

STENUICK, S., De bonussen in Tewerkstellen topics, nr. 2016/2, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, 132 p.

VAN SPRUNDEL, M., VAN REGENMORTEL, A. en MUYLAERT K., Arbeid en gezondheid: een delicaat evenwicht in Cahier Gevormd Welzijn, vol. 4, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, X+196 p.

 

 

Top

 

6. Ander nieuws


Adviezen NAR

Op 4 mei 2016 bracht de Nationale Arbeidsraad (NAR) een advies en een rapport uit met relevantie op arbeidsrechtelijk vlak. Het gaat om:

  • advies nr. 1982 met betrekking tot de detachering van werknemers – Omzetting van richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt (“de IMI-verordening”);
  • rapport nr. 96 over het tijdvak 1 juni 2013 - 31 mei 2016, uitgebracht door de Belgische regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, betreffende de maatregelen die zijn genomen om uitvoering te geven aan het verdrag over de tripartiete raadplegingen betreffende de internationale arbeidsnormen, 1976.

 

 

Top

 

7. Mededelingen


Frank Hendrickx verkozen tot voorzitter Begasoz

Op woensdag 25 mei 2016 werd professor Frank Hendrickx verkozen tot voorzitter van het Belgisch Genootschap voor Arbeids- en Socialezekerheidsrecht (Begasoz). Professor Valérie Flohimont (Université de Namur) werd verkozen als covoorzitter. BEGASOZ heeft als doel de academische contacten tussen de professoren sociaal recht te bevorderen.

BEGASOZ wil voor hen een forum vormen door bij te dragen tot publicaties, door gemeenschappelijk opgezet wetenschappelijk onderzoek te bevorderen en door gemeenschappelijke studiedagen te organiseren. Op die manier wil BEGASOZ de emanatie zijn van de Belgische academische sociaalrechtelijke gemeenschap op internationaal vlak. Het voorzitterschap geldt voor een periode van twee jaar.

 
Adviesraad van het sociaal strafrecht

Pieter Pecinovsky, medewerker van de Nieuwsbrief en doctoraatsonderzoeker aan het Instituut voor Arbeidsrecht werd aangewezen als deskundige in de Adviesraad van het sociaal strafrecht. Johan Put, gewoon hoogleraar aan het instituut voor Sociaal Recht werd als  vertegenwoordiger van de academische wereld benoemd. Hun benoeming werd vastgelegd in het MB van 28 mei 2016 en het KB van 23 mei 2016.

 
Oproep tot meedelen van niet-gepubliceerde rechtspraak

Indien u over interessante, nog niet gepubliceerde rechtspraak in het kader van een arbeidsrechtelijk geschil beschikt, kan u deze steeds ter opname in deze nieuwsbrief voorleggen aan de samenstellers ervan.

Gelieve daarvoor contact op te nemen met Sarah De Groof. Dat kan telefonisch (016/325125) of per e-mail: arbeidsrecht.

 

 

Top

 

 

Bent u nog niet ingeschreven op deze gratis nieuwsbrief?

Schrijf u gratis en zonder verdere verplichting in op de Nieuwsbrief arbeidsrecht via dit formulier. Bij wijze van bevestiging van uw inschrijving krijgt u zo spoedig mogelijk de meest recente Nieuwsbrief arbeidsrecht in uw mailbox.

Bescherming van de privacy / disclaimer

Het Instituut voor arbeidsrecht bewaart de bij de inschrijving meegedeelde persoonsgegevens in een afzonderlijk bestand. Deze gegevens worden uitsluitend gebruikt in het kader van het verzenden en het beheer van de nieuwsbrief. De gegevens worden vertrouwelijk behandeld en, behoudens de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, niet aan derden doorgegeven. Toegang tot en verbetering van deze persoonsgegevens zijn mogelijk na een individueel, gedagtekend en ondertekend verzoek.
De in de Nieuwsbrief arbeidsrecht vervatte informatie wordt louter ter kennisgeving meegedeeld en mag niet beschouwd worden als een juridisch advies.
De samenstellers van de Nieuwsbrief arbeidsrecht doen al het mogelijke om de complexiteit van de behandelde onderwerpen op een correcte en bevattelijke manier weer te geven. Niettemin kunnen zij niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele onjuistheden en onnauwkeurigheden.

Verkorte citeerwijze: NB Arbeidsrecht 2010, afl. 1, www.instituutvoorarbeidsrecht.be

Uitschrijven

Om uit te schrijven, volstaat het een e-mail te zenden naar arbeidsrecht met vermelding van uw naam en voornaam en de mededeling dat u wenst uit te schrijven. De uitschrijving gebeurt binnen de vijf werkdagen. Binnen deze termijn ontvangt u een bevestiging van de uitschrijving.

 

  


www.instituutvoorarbeidsrecht.be
o.l.v. prof. dr. Frank Hendrickx
hoofd- en eindredactie: Sarah De Groof
auteurs: Karlien Clerebaut, Sarah De Groof, Alex Franchimont,
Pieter Pecinovsky, Annemarie Vanderpoorten en Miet Vanhegen
vragen, bedenkingen of suggesties: Josephine Van Rymenant

In de kijker

Contact

Instituut voor arbeidsrecht
Blijde-Inkomststraat 17
bus 3423
3000 Leuven
tel. +32-16-325202
fax +32-16-325250
e-mail:
Josephine Van Rymenant

IARnet