Openingsrede van mr. F. KEULENEER uitgesproken op de Plechtige opening van
het 105e werkingsjaar van het Vlaams Pleitgenootschap bij de balie te Brussel,
op 10 november 1995
Deze rede werd gevolgd door een repliek van
de Voorzitter van het Vlaams Pleitgenootschap
1. Een der kenmerken van het bewogen einde van dit millenium is ongetwijfeld
de verrechtelijking van alle sferen van onze samenleving. Steeds meer menselijke
onvolmaaktheden worden juridische problemen, steeds meer verzuchtingen worden
aanspraken, en steeds meer verantwoordelijkheden worden aansprakelijkheden.
De samenleving lijkt wat over-spannen, verwikkeld in een constante strijd
met zichzelf. Alleen voor de besten lijkt er nog plaats te zijn, terwijl
David Ricardo en de vaders van het klassieke liberalisme bewezen dat precies
het tegendeel het geval is, namelijk dat er voor iedereen, welke ook zijn
of haar talenten, een plaats is onder de zon, èn in de markt. Een
zekere vredigheid, tolerantie en rustige kwaliteit van het leven zijn ver
te zoeken. De samenleving wordt complexer, zo luidt vaak de diagnose, en
meer regels en meer recht zijn het natuurlijk en onvermijdelijk uitvloeisel
van deze grotere complexiteit. Dit lijkt op het eerste gezicht een plausibele
stelling. Wie zou ontkennen dat het leven alles behalve eenvoudiger wordt?
Dat conflicten verscherpen? Dat een gesofisticeerder spel om meer geraffineerde
spelregels vraagt?
2. Ik heb vandaag de aangename gelegenheid om deze zo goed als algemeen
aanvaarde wijsheid in vraag te stellen, ja te betwisten. Ik wil u de stelling
voorleggen dat er géén oorzakelijk verband bestaat tussen
de complexiteit van de samenleving en de inflatie van rechten, maar dat
deze inflatie zichzelf voedt en de complexiteit in grote mate zelf veroorzaakt.
De voortdurende creatie van allerhande nieuwe rechten verandert niet alleen
het volume en het uitzicht, maar ook de kern van het Recht, m.a.w. zijn
natuur zelf. Ik wil onderzoeken welke motor deze ontwikkeling aandrijft
en waar de brandstof vandaan komt. Ik wil aantonen dat dit proces, indien
het zich doorzet, niet alleen de legitimiteit van het politiek systeem,
maar ook de maatschappelijke aanvaarding van de rechtsorde aantast, en uitmondt
in de balkanisering van de samenleving, de opsplitsing in groepen en clans
die in het beste geval in koude vrede, of is het koude oorlog, naast - maar
niet langer met -elkaar leven.
De inflatie-index
3. Ooit, en héél ver in de geschiedenis hoeven we daarvoor
echt niet terug te gaan, was het Recht een systeem van algemene gedragsnormen
voor de civitas, de polis. Vandaag de dag vormen algemene gedragsnormen
nog slechts een beperkt onderdeel van het recht. Veel talrijker zijn de
regels die een onmiddellijk en specifiek resultaat beogen - het toekennen
van een voordeel of het opleggen van een verplichting in een of andere vorm.
Zo is de herverdeling van inkomen en welvaart, tussen de staat en de burgers
en - door toedoen van de staat - tussen de burgers onderling, een blijkbaar
onuitputtelijke bron van nieuwe regels en rechten. En als de herverdeling
haar grenzen bereikt, zorgt de ademnood van het systeem voor nieuwe inspiratie.
Konden we onlangs niet vernemen dat overwogen wordt om de kinderbijslag
om te vormen van een instrument van gezins-beleid in een zgn. recht van
het kind? Nieuwe rechten invoeren om te besparen: is het voorbeeld niet
illustratief voor de diepzinnige overwegingen die de staat tot rechten-schepping
brengen? De opname in de Grondwet van economische, sociale en culturele
rechten biedt de mogelijkheid om bestaande subjectieve rechten a.h.w. juridisch
te betonneren door ze een directe grondwettelijke en grondrechtelijke grondslag
te bezorgen, en levert quasi onbeperkte grondwettelijke munitie om nieuwe
rechten te creëren. Fout zijn derhalve zij die volhouden dat de bepalingen
terzake slechts een politieke programmaverklaring zonder enige verbindende
kracht zouden zijn en zonder juridisch effect zullen blijven. Inderdaad,
zoals een rechter niet aanvaardt dat een Richtlijn van de Europese Gemeenschappen
op om het even welke wijze in nationaal recht wordt omgezet, zo hoeft en
zal hij ook niet aanvaarden dat de nieuwe grondrechten geïnterpreteerd
moeten worden als intentieverklaringen die de wetgever naar godsvrucht en
vermogen kan invullen. Het is bijgevolg zeer waarschijnlijk dat het nieuwe
grondrecht op een gezond leefmilieu - bij wijze van voorbeeld - een tot
op heden onbestaand absoluut karakter zal verlenen aan milieuvorderingen
en drastisch de juridische ruimte zal verminderen die beschikbaar is voor
een afweging tussen milieubelang en andere legitieme belangen en doelstellingen.
Deze ver-grondrechtelijking roept haar eigen dynamiek in het leven. Ze vormt
de basis waarop belang-hebbende individuen kunnen steunen om steeds verderstrekkende
juridisch gesanctioneerde aanspraken te doen gelden, niet enkel qua voorwerp
en inhoud, maar ook met betrekking tot de kring van personen en instellingen
van wie deze aanspraken afdwingbaar zijn. Wat belet er mij de negatieve
godsdienstvrijheid in te roepen om te eisen dat religieuze symbolen langs
de openbare weg verwijderd worden; of het recht op de eerbiediging van het
privé-leven om er een zgn. subjectief zelfbeschikkingsrecht uit af
te leiden, of een afgeleid recht op bijstand om ieder toe te laten zijn
leven te beëindigen op het ogenblik dat hem het meest geschikt lijkt.
En wordt in ons nabije buitenland, Nederland, niet reeds een discussie gevoerd
over het subjectief recht tot geslachtskeuze van een kind verwekt in de
"Gender-kliniek"? Ik laat buiten beschouwing de lijsten van nieuwe
rechten die opgenomen zijn in de aanbevelingen van respectabele conferenties
van internationale lobbygroepen zoals de bevolkingsconferentie van Kairo
en de conferentie over de vrouw in Beijing. Omdat de nieuwe grondrechten
vooral nieuwe aanspraken bevatten, die het certificaat van fundamenteel
geachte aanspraken toegekend krijgen, rust op ieder in de samenleving een
mede-werkingsverplichting bij de realisatie ervan. Dit vloeit voort uit
ieders recht op een menswaardig leven, eveneens een nieuw grondrecht. Hoe
zou immers een leven menswaardig zijn zonder realisatie van de grondrechten?
4. In het nu quasi-algemeen aanvaarde rechtsdenken staat er dus geen beperking
op de proliferatie van grondrechten en afgeleide individuele rechten. Die
proliferatie is de motor van de inflatie. De combinatie van de nieuwe grondrechten
met een algemeen anti-discriminatiebeginsel, voedt die met krachtige brandstof.
Anti-discriminatieregels betreffen de toepassing van een grondrecht; ze
maken het mogelijk om, naast het grondrecht zelf, ook de wijze van toepassing
ervan in te roepen om aanspraken te formuleren; bijgevolg veroorzaken ze
inflatie in het kwadraat. Wat geldt voor de nieuwe grondrechten, geldt ook
voor de anti-discriminatieregels: hun voorwerp en inhoud, zowel als de kring
van beschermden, zijn voor onbeperkte uitbreiding vatbaar. Terwijl grondrechten
individuele rechten creëren, vormt anti-discriminatiereglementering
het instrument bij uitstek voor de creatie van subjectieve groepsrechten.
Het proces verloopt als volgt. Eerst worden rechten toegekend aan individuen
op grond van een aspect van hun persoonlijkheid dat de regelgever uitdrukkelijk
tegen discriminatie wenst te beschermen, het weze geslacht, ras, cultuur,
nationaliteit, sexuele voorkeur of wat ook. Onvermijdelijk geeft dit aanleiding
tot de creatie van een groep van beschermden met een specifiek kenmerk.
Een anti-discriminatiereglementering maakt een groep dus juridisch zichtbaar
als groep. Een juridisch zichtbare groep zal in alle mogelijke maatschappelijk
zichtbare gebieden een gewaarborgde en evenredige vertegenwoordiging opeisen;
dit zal worden toegestaan omdat een minder dan evenredige vertegenwoordiging
uitgelegd wordt als een aanwijzing van discriminatie. Als discriminatie
op basis van leeftijd onwettelijk is, en een bedrijf stelt een lager percentage
werknemers in een bepaalde leeftijdsgroep te werk dan het percentage dat
deze leeftijdsgroep vertegenwoordigt in de streek waar het bedrijf gevestigd
is, zal dit een aanwijzing zijn dat het bedrijf mogelijkerwijze discrimineert.
Om de evenredige vertegenwoordiging te bereiken zullen vaak maatregelen
van positieve discriminatie nodig zijn, hetzij om een achterstand in te
halen, hetzij om de juridische fictie van gelijkheid op alle vlakken op
te leggen aan een werkelijkheid waarin de gelijke geschiktheid van alle
individuen en groepen op alle gebieden eenvoudigweg niet bestaat, hetzij
om af te rekenen met ongewenst geachte sympathieën en antipathieën
die in de samenleving aanwezig zijn. Daartoe volgen dan vaak nieuwe maatregelen
die verder in het maatschappelijk weefsel ingrijpen. Het is evenwel ook
mogelijk dat de aanpassing spontaan volgt ten einde geschillen en de kost
van geschillen te vermijden. Immers, bij minder dan evenredige vertegenwoordiging
van een beschermde groep wordt de bewijslast in een geschil gedeeltelijk
verlegd. Om de kost van het geschil en van de verzwaarde bewijslast te vermijden
is een vrijwillige invoering van quota's de aangewezen weg. Quota's creëren
benadeelden, slachtoffers en ressentiment. Maar kan men het iemand ten kwade
duiden op deze wijze geschillen en procedures te willen vermijden?
5. Juristen zijn goed geplaatst om te weten dat het aanbod zijn eigen vraag
creëert. Niets zal door onze confraters onverlet worden gelaten om
zich op een nieuw grondrecht te beroepen of voor het bestaan van een afgeleid
recht te pleiten. Niets zal belangengroepen ervan weerhouden om aan te tonen
dat ze achteruitgesteld en gediscrimineerd worden, dat dit onaanvaardbaar
en immoreel is, dat er moet worden opgetreden, en dat om de feitelijke gelijkheid
tot stand te brengen een actief beleid van positieve discriminatie of minstens
een financieel helpende hand van de overheid nodig zijn. Ik lees in de persnota
van Minister Van Asbroeck over het Vlaams Gelijke Kansenbeleid dat zij de
"uitdrukkelijke opdracht heeft erop toe te zien dat iedereen gelijke
kansen krijgt en dat alle vormen van discriminatie in de Vlaamse samenleving
weggewerkt worden". Een wettelijk verzekerde gelijkheid leidt,
aldus de Minister, in de praktijk niet automatisch tot gelijkwaardige behandeling.
De Minister is van mening dat er in Vlaanderen, naast een Gelijke Kansenbeleid
voor vrouwen, ook een doelgroepenbeleid gevoerd dient te worden. Ik citeer
verder: "Met doelgroepen bedoel ik in de eerste plaats die bevolkingsgroepen
die minderheden vormen in onze maatschappij. Ik zal mij in mijn beleid richten
tot deze minderheden die reeds een begin van zelforganisatie gerealiseerd
hebben. Migranten, homo's en lesbiennes, en personen met een handicap zijn
de prioritair beoogde doelgroepen. Deze opsomming is zeker niet limitatief.
Andere doelgroepen kunnen in aanmerking genomen worden als de behoefte of
opportuniteit zich voordoet." Doelgroepenbeleid moet de discriminatie
van beschermde groepen in en door de samenleving ongedaan maken. Voor het
beleid er kwam was er discriminatie, en zonder beleid zou er nog altijd
discriminatie zijn. De discriminerende samenleving handelt dus fout tegenover
de groep, en is in de ogen van de groep bijgevolg verantwoordelijk voor
zijn achterstelling, zijn uitsluiting, zijn frustraties. Is het in een dergelijke
geestesgesteldheid abnormaal dat overheidssteun in de ogen van de ontvangers
het karakter van herstelbetalingen aanneemt, en dat er een mentaal separatisme
volgt? Is het anderzijds abnormaal dat andere groepen dit niet altijd kunnen
waarderen? Bevinden we ons aldus niet op de kortste en zekerste weg naar
een samenleving van slachtoffers en verongelijkten, op zichzelf teruggeplooid,
afhankelijk van overheidsprogramma's en hulpverleners wiens groepsbelang
erin bestaat om steeds nieuwe problemen op te delven en vooral te voorkomen
dat ze zouden verdwijnen? Verrechtelijking, Dames en Heren, gaat hand in
hand met psychologisering en therapeutisering. En met toenemende conflicten
en agressiviteit in de sociale verhoudingen. Juridisch interventionisme
en veralgemeende rechtsstrijd zijn wellicht geschikte middelen tot maatschappelijke
omwenteling, maar geen goede behoeders van sociale samenhang.
6. Het correlaat van de nieuwe rechten zijn de nieuwe aansprakelijkheden,
verplichtingen en misdrijven. Uit het recht op een gezond leefmilieu volgt
een verplichting om wat niet gezond is opnieuw gezond te maken. In dit domein,
zoals in andere, worden steeds meer verplichtingen en aansprakelijkheden
geschapen die in hoofde van de aansprakelijke niet het gevolg zijn van het
overtreden van een juridische norm, maar van een recht dat door toedoen
van de staat als het ware uit het niets tot bestaan werd gewekt en gul werd
verdeeld. Het is bovendien niet uitzonderlijk dat de niet-naleving van een
wet die dergelijke nieuwe aansprakelijkheden invoert strafrechtelijk gesanctioneerd
wordt. Zo komt men, weliswaar onrechtstreeks, tot de retroactieve toepassing
van strafwetten.
7. Andere landen zijn ons voorgegaan in deze, onder meer de Verenigde Staten,
waar momenteel de zgn. "rights revolution" volop ter discussie
staat. Uit het E Pluribus Unum werd het E Pluribus Victim (SYKES C.J., A
Nation of Victims, New York, 1992). Het litigieus karakter van de Amerikaanse
samenleving is bekend uit de verhalen over jury's die, bijvoorbeeld bij
foutloze aansprakelijkheid van de producent voor schade veroorzaakt door
het gebruik van een produkt, onwaarschijnlijk hoge vergoedingen toekennen,
vaak ter compensatie van emotionele of morele schade (pain and suffering).
Die bekendheid beperkt zich nochtans vaak tot het anecdotische, en de blaam
wordt nogal vaak bij de jury gelegd. De kern van het probleem zit echter
elders en veel dieper. Een: gaat er om het even wat verkeerd, dan is dit
steeds de fout van iemand. Acts of God, tegenslagen, bestaan nog
amper, en de fout, de nalatigheid of de verantwoordelijkheid liggen vrijwel
nooit bij het slachtoffer. Twee: het procedureel mechanisme van de class
action maakt het mogelijk om een vordering in te stellen namens een ganse
klasse van benadeelden. Deze klassen organiseren zich en de vorderingen
verliezen hun individueel karakter. Drie: advocaten, psychologen en welzijnswerkers,
ontdekken constant nieuwe vormen van "schade" en nieuwe groepen
van "slachtoffers". Elke creatie van een nieuwe groep is een goudmijn
van nieuwe aanspraken en processen. Advocaten die erin slagen om de foutloze
aansprakelijkheid van anderen te koppelen met de creatie van steeds nieuwe
types van slachtoffers, beschikken over een wapen met dubbele kracht. In
een opmerkelijk boek, The Closest of Strangers, waarin auteur Jim Sleeper
de evolutie van de rassenverhoudingen in de Verenigde Staten analyseert,
lezen we: In twenty-five years, government moved from ensuring that people were
not formally categorized on the basis of race to ensuring that they are
so categorized, whether they want to be or not... The shift increasingly
constrains individuals to think of themselves primarily as members of persecuted
groups as defined by color. (SLEEPER J., The Closest of Strangers,
New York, 1990, p. 165).
De geruisloze revolutie
8. Tot hiertoe hebben we ons in deze uiteenzetting geconcentreerd op de
beschrijving van het inflatiefenomeen in de rechtssfeer, op een analyse
van de inflatoire mechanismen die steeds prominenter op de voorgrond treden,
en op de sociologische veranderingen die er het gevolg van zijn. Maar dat
is niet het hele verhaal. Zoals inflatie in de economie niet alleen een
invloed heeft op de uiterlijkheden van die economie, maar de kern van de
economische structuur zelf aantast, zo tast het hier beschreven fenomeen
op een ingrijpende wijze de grondslagen van onze maatschappelijke orde aan.
Inflatie van rechten leidt inderdaad, via een geruisloze revolutie, naar
een radicaal verschillend maatschappijmodel.
9. De meest onmiddellijke en zichtbare gevolgen op het structurele vlak
zijn (i) een verzwakking van de politieke en een versterking van de gerechtelijke
instanties, (ii) een evolutie van rechts-staat naar rechters-staat, en (iii)
een radicale transformatie van wat ooit de private sfeer was.
10. Het domein waarop het politiek gezag zelf nog vat heeft wordt inderdaad
smaller en smaller naarmate de verrechtelijking toeneemt. Dit is paradoxaal,
want stellen we op hetzelfde ogenblik niet de politisering van de samenleving
vast? Hoe valt dit te rijmen? Zou het niet kunnen dat door de proliferatie
van rechten steeds minder typisch politieke beslissingen tot stand komen
in de verkozen organen, en steeds meer in rechtbanken. Wat smaller wordt
is het domein waarop verkozen instellingen hun stempel kunnen drukken. Voor
verkozen politici wordt het zo goed als onmogelijk een beleid te voeren
dat indruist tegen de opvattingen van de gerechtelijke instanties over de
nieuwe grondrechten, ook op gebieden die traditioneel tot het eigen domein
van de democratische politiek, d.i. van de verkozen meerderheid, gerekend
werden. De uitoefening van politieke macht wordt dus meer diffuus. De invloed
van de burger op de politieke machtsuitoefening neemt af. Wie politieke
macht wil verwerven kan zich niet langer tot de verkozen politieke instellingen
beperken. Het is niet zonder reden dat de benoeming van rechters in de Verenigde
Staten, van het hoogste echelon - de Supreme Court - tot de lagere, politieke
beslissingen van groot belang zijn. Vergeet dus de depolitisering van de
magistratuur.
11. Wat ooit de private sfeer was, wordt radicaal getransformeerd en in
de publieke sfeer ingelijfd. Steeds meer private handelingen krijgen een
publiek karakter. Ofwel worden ze behandeld alsof het in de publieke sfeer
gestelde handelingen betrof, zoals de bedoeling lijkt te zijn van het voorstel
tot de invoering van het misdrijf corruptie in de private sfeer, ofwel wordt
een correct geacht resultaat afgedwongen door een publieke sanctie, vaak
met een strafrechtelijk karakter, op te leggen bij afwijking van de correcte
publieke norm. Typerend voor de laatstgenoemde techniek zijn het verbod
op niet-gemengd (gesubsidieerd) onderwijs, waartoe momenteel in de Vlaamse
Raad een voorstel van decreet voorbereid wordt, en het voorstel om door
een wijziging van de bezoldigingscriteria de beslissing over wie in aanmerking
komt als voorganger in de katholieke eredienst aan de Kerk te ontnemen en
aan de staat toe te vertrouwen. Nog zo'n voorbeeld is het verbod op contractsweigering
tussen private partijen wegens ongeoorloofd geachte discriminatie. Als gevolg
van deze trend richten steeds meer juridisch gesanctioneerde aanspraken
zich tegen het echte pluralisme, nl. de autonome ruimte voor de vrije instellingen
en de burger. Het recht zorgt niet langer voor een kader; het wordt minder
algemeen, meer interventionistisch en minder voorspelbaar. Het samenleven
wordt ondergeschikt gemaakt aan de heersende politieke opvattingen -of de
budgettaire noodwendigheden van het ogenblik - die aan de nieuwe aanspraken
ten gronde liggen. De sfeer van de vrijheid, de private sfeer, niet alleen
deze van individuen maar ook van die van de natuurlijke en vrijwillige samenwerkingsverbanden,
verdwijnt. De juridische norm wordt de eerste norm, de juridische strijd
van aanspraak tegen aanspraak wordt het summum van de creativiteit en de
juridische voorzorg bij al wat men doet wordt een voorschrift van elementaire
voorzichtigheid. Alles wat men doet moet gedocumenteerd worden om te kunnen
worden ingeroepen ter verdediging tegen latere aanspraken. Het fundamentele
vertrouwen dat moet kunnen heersen tussen leden van eenzelfde gemeenschap
wordt omgezet in fundamenteel wantrouwen en defensief gedrag. Laat ik nog
even verwijzen naar het voorstel om het misdrijf van corruptie in de privé-sfeer
in te voeren. De bevoegdheid om te beoordelen wat binnen een bedrijf corruptie
is of niet, zou niet langer aan het bedrijf zelf worden overgelaten, maar
aan de strafrechter. Dit betekent dat een werknemer zich niet enkel ten
aanzien van zijn werkgever moet verantwoorden, maar blootgesteld wordt aan
strafrechtelijke klachten en aangiftes door collega's en rivalen. En men
kan zich uiteraard niet voorstellen dat een werkgever het recht zou hebben
een werknemer te ontslaan omdat de betrokkene jacht maakt op corrupte praktijken,
een activiteit die ten slotte het algemeen belang dient. Leven we niet in
heerlijke tijden?
12. Er zijn nochtans gebieden die op opvallende wijze ontsnappen aan deze
drang naar nieuwe reglementering. De kwaliteit van het geestelijk en cultureel
leefklimaat, en vooral de aspecten ervan die verband houden met publieke
moraliteit in traditionele zin worden hoe langer hoe meer beschouwd als
gebieden waarvoor elk individu exclusief bevoegd is; smaak en moraal kunnen
niet worden opgelegd, heet het. Hoe meer maatschappelijke aandacht gaat
naar de vraag welke stoffen in de voeding schadelijk zouden kunnen zijn,
hoe schadelijk, en in welke hoeveelheden; hoe gedetailleerder de lijsten
worden van substanties die slechts met mondjesmaat in lucht of water mogen
worden geloosd omdat ze de gezondheid zouden kunnen schaden; hoe meer bureaucratische
procedures er gevolgd moeten worden om een reeds grondig getest geneesmiddel
op de markt te mogen brengen; des te minder wordt de vervuiling van ons
geestelijk en cultureel leefklimaat als een maatschappelijk probleem beschouwd.
De cultus van het geweld op televisie en video, de explosieve cocktail van
geweld en harde pornografie, wekten niet in dezelfde mate de reglementeringsdrift
van de overheid op. Voor de bescherming van de ongerepte natuur en de lichamelijke
gezondheid wordt naar maximale regels gestreefd - zo mag er bijna niet meer
gerookt worden op private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek,
ook al stoort het mij niet dat anderen in mijn aanwezigheid roken - maar
de idee dat ook geestelijk vervuilende activiteit schade aan derden kan
berokkenen lijkt wel afkomstig van een buitenaards wezen. Zijn de regelgevers
van mening dat geestelijke vervuiling minder belangrijk of schadelijk is,
zijn ze van mening dat het individu hier maar zijn eigen voorzorgen moet
nemen, of wordt dit gebied niet langer beschouwd als een domein dat voor
juridische normering in aanmerking komt? Of wordt, in onze tijd van absolute
gelijkheid van smaken, de mogelijkheid zelf van culturele vervuiling wellicht
per definitie uitgesloten?
13. Terwijl de private sfeer hoe langer hoe meer een publiek karakter krijgt,
heeft er ook een beweging in de omgekeerde richting plaats. Daartoe wordt
de stelling geponeerd dat in domeinen die traditioneel buiten de private
sfeer vallen, de gemeenschap slechts een zgn. minimum-ethiek mag opleggen
en zich verder van regelgeving moet onthouden. Zijn volle draagwijdte krijgt
deze stelling in het debat over het zelfbeschikkingsrecht. Voorstanders
voeren aan dat elk individu zijn eigen ethisch systeem moet kunnen kiezen
daar waar het ethische beslissingen aangaande zijn eigen persoon betreft.
Het recht invoeren om te beschikken over zichzelf laat toe dat het leven
zelf het voorwerp van controle, beschikking en verhandeling wordt, waaruit
eenieder onder meer het subjectief recht kan putten om zijn eigen leven
vroegtijdig te beëindigen, en vervolgens alle mindere, bijhorende en
afgeleide rechten kan opeisen. Zo verdwijnt de kern zelf van het onderscheid
tussen publieke en private sfeer: wat publiek was wordt privaat ("hoe
bescherm ik mijn leven tegen hen die er in mijn naam over willen beschikken?")
en wat privaat is wordt publiek ("mijn wil is wet"). Als niets
in een gemeenschap een individuele beslissing met betrekking tot het leven
zelf in de weg staat, moet men zich echter vooral de vraag stellen waartoe
een concept als "maatschappelijke orde" gereduceerd is.
14. We moeten ons nu inderdaad bezinnen over de vraag hoe deze gang van
zaken zich verhoudt tot de klassieke opvattingen over een maatschappelijke
orde. Maatschappelijke orde kan omschreven worden als het geheel van waarden
en instituties die de basis vormen voor het samenleven in een gemeenschap.
Door de kennis van die waarden en instituties, door te weten dat er algemene
regels zijn die voor coherentie en voorspelbaarheid zorgen en instrumenten
om die regels te doen respecteren, kunnen de leden van die gemeenschap in
vrede leven, vrij van arbitraire en willekeurige machtsuitoefening. Door
de basiswaarden en -instituties te verankeren in de universele morele wet,
en ze te laten aansluiten bij de morele logica die in elk menselijk leven
is ingebouwd (naar het woord van Paus Johannes-Paulus II tijdens zijn toespraak
tot de Verenigde Naties op 5 okober ll.) wordt niet enkel voor een vreedzaam
maar ook voor een rechtvaardig samenleven gezorgd. Maatschappelijke orde
heeft steeds met moraliteit te maken, omdat het vreedzaam samenleven uiteindelijk
afhankelijk is van de overtuiging dat de maatschappelijke orde rechtvaardig
is. Moraliteit geeft aanduidingen over wat goed en kwaad is, welk handelen
ethisch juist is en welk niet. Hoe zou dan een rechtsorde, een zo fundamenteel
onderdeel van de maatschappelijke orde, kunnen gescheiden worden van de
telkens weer opduikende morele vraag? Nochtans gebeurt uitgerekend dit.
15. We kunnen en mogen er niet aan voorbij gaan dat net zoals de moderne
staat weinig gelijkenis vertoont met de gelijknamige waardevolle instelling
uit het westerse cultuurgoed, het moderne recht steeds minder gelijkenis
dreigt te vertonen met Recht in de klassieke zin. Traditioneel werd Recht
in verband gebracht met Orde, en met Rechtvaardigheid. In onze moderne,
zogenaamd complexe maatschappij, is het recht instrumenteel geworden. Het
recht heeft gediend om een welbepaald politiek model, namelijk de verzorgingsstaat
zoals we die kennen, gestalte te geven. Nu wordt het een noodzakelijke stutbalk
die datzelfde politiek model, nu in vermolmde staat, moet ondersteunen,
en voor sommigen wordt het een stootbalk in de afbraak van het gebouw en
de afstraffing van een politieke klasse of generatie. Bovendien dient het
als hefboom tot verandering van toestanden en patronen in overeenstemming
met de politieke opvattingen van het ogenblik. Ten slotte wordt het steeds
meer een wapen waarvan belangen zich bedienen om met andere belangen slag
te leveren om invloed en economisch voordeel. Recht wordt functioneel, pragmatisch,
een efficiënt instrument. Het legt de sancties op die het meest geschikt
lijken om het concrete objectief te bereiken. Aldus zijn aan heel wat nieuwe
rechtsregels strafsancties gekoppeld, niet omwille van het belang van de
regel voor de maatschappelijke orde, maar enkel omdat de invoering van een
nieuw misdrijf als een geschikt middel wordt beschouwd om een zo groot mogelijke
naleving van de regel te waarborgen.
16. Een inflatie van rechten kan van een relatief onschuldige aard zijn:
het is theoretisch mogelijk dat nieuwe rechten in een logische en harmonische
verhouding staan tot het geheel van waarden en instituties die de kern van
de maatschappelijke orde vormen. In dat geval vinden zij hun voedingsbron
en inhoud in de gemeenschappelijke waarden en instituties; zij zijn een
concretisering en toepassing van de algemene normen die de vrede en rechtvaardigheid
in een geïntegreerde gemeenschap waarborgen. Men kan dan oordelen dat
te veel positief Recht geschapen wordt waardoor het zijn eigen regelende
en organiserende functie niet langer goed vervult, of men kan vinden dat
het niet goed is om binnen het Rechtssysteem een te grote rol aan rechtbanken
toe te vertrouwen. Maar de inhoudelijke coherentie van de maatschappelijke
orde wordt er niet noodzakelijk door aangetast. Van een heel andere aard
is de inflatie van rechten die elementen importeert die niet deze logische
en harmonische verhouding hebben tot de kern, de nucleus, de waarden en
instituties van de maatschappelijke orde. Omdat zij niet vanuit die kern
vertrekken, maar er van buitenaf op inwerken, bedreigen zij datgene wat
door die orde tot stand gebracht wordt: de algemeenheid van de normen, de
afwezigheid van willekeurige machtsuitoefening, de coherentie, de voorspelbaarheid,
en dus ook de vrede en rechtvaardigheid. Dit type inflatie vertrekt expliciet
of impliciet vanuit het relativisme, dat uitgaat van de gelijkheid of de
gelijkwaardigheid van alle waarden, culturen en denksystemen. Wie zich op
het standpunt van de gelijkheid stelt, impliceert de verwerping van hiërarchie.
Wie hiërarchie vervangt door loutere nevenschikking, verlaat het geordend
denken en de rationele afweging. Wie ten slotte multiculturalisme tot staatsideologie
verheft, geeft elk criterium op om aan een norm uit cultuur A de voorkeur
te geven boven een norm uit cultuur B. Multiculturalisme, de ideologie van
de gelijkwaardigheid van alle culturen, kan daarom niet bestaan zonder relativisme.
Als dusdanig is multiculturalisme, naast andere varianten van het relativisme,
onverenigbaar met de idee zelf van een maatschappelijke orde. In een commentaar
op de nieuwe prominentie van Louis Farrakhan, de leider van de zwarte beweging
Nation of Islam in de Verenigde Staten, die door zeer velen als virulent
racist en anti-semiet beschouwd wordt, schreef Leon Wieseltier in The New
Republic de volgende lijnen: Everywhere we read that whites and blacks are not seeing the same things,
owing to their different "life experiences". Race, in America,
has become epistemology: there are white truths and black truths, but there
is no truth. The philosopher Richard Rorty, who writes in the name of "we
liberals", has made "perspectivism" popular in recent years,
and proliferated the view that there is no objectivity, there is only solidarity.
Well, welcome to perspectivist America. Lovely, isn't it? (...) Instead
of solidarity, objectivity. Otherwise the new America will be no America
at all. (WIESELTIER L., Brothers, The New Republic, November
6, 1995)
17. Laat mij de consequenties hiervan opnieuw illustreren aan de hand van
het zelfbeschikkingsrecht. Zoals reeds aangestipt privatiseert het zelfbeschikkingsrecht
de kern van wat tot de publieke sfeer van een beschaving behoort, namelijk
de beschikking over het leven. Het gaat echter niet alleen om een verschuiving
van bevoegdheid van gemeenschap naar individu. Het individu kan en mag immers
overal zijn inspiratie zoeken voor zijn keuzen: in de islam, in de New Age,
bij de sekte van de Zonnetempel. Gedachten zijn vrij. Het allerindividueelste
"Ik wil" is het eerste en het laatste woord. Via het subjectieve
recht van zelfbeschikking ontbinden we onze beschaving, want een beschaving
die slechts één optie is onder vele, houdt op de taal te zijn
van een gemeenschap. Dit is niet langer de geleidelijke uitholling van de
substantie van de maatschappelijke orde, maar de ontbinding ervan. Zonder
maatschappelijke orde kan er evenmin Recht, met hoofdletter, bestaan.
18. De band tussen positief recht en maatschappelijke orde, tussen positief
recht en moraliteit, tussen positief recht en rechtvaardigheid wordt aldus
verbroken. Recht en orde evolueren tot louter opportunistische concepten
voor het regelen van de toevallige en van machtsverhoudingen afhankelijke
goede orde in het "hier en nu". Als "zelfbeschikking",
"zelfrealisatie" en "zelfontplooiing" van individuen
en groepen, ieder volgens zijn eigen inzichten, de ultieme doelstellingen
van het recht worden, evolueren we in sneltreinvaart naar de gebalkaniseerde
samenleving, een conglomeraat van autonome individuen en groepen die zich
tot anderen verhouden, maar er niet langer mee samenleven. Als het recht
niet langer de moraal dient, wat dient het dan wel? Als de band tussen recht
en moraal verbroken wordt, kan men zich ook niet langer beroepen op een
morele verplichting om het recht te doen naleven. Alles wordt dan een kwestie
van machtsverhoudingen, met louter opportunistische spelregels die perfect
opzij kunnen worden gezet als de machtigste dit goed vindt. Zo belanden
we van een rechtsstaat, via een rechtersstaat, in de machtsstaat.
19. Bij dat eindpunt zijn we gelukkig nog niet beland, maar de glijbaan
wordt des te glibberiger naarmate recht, orde en rechtvaardigheid zich verder
van elkaar verwijderen. De instrumentalisering van het recht, die ik zonet
beschreven heb, is in dit opzicht erg problematisch. Omdat het lot van het
recht zo nauw verbonden wordt met dat van zijn meesters, onder wie de machthebbers
in een politiek bestel, is de verankering in de morele wet steeds vaker
ver te zoeken. Wat is de moraliteit van een belasting die burger X verplicht
wordt te betalen om de staat toe te laten rente uit te keren aan buurman
Y die zijn zwarte spaarcenten belegd heeft in een Luxemburgse SICAV die
in staatspapier belegt, als het voor burger X tezelfdertijd onmogelijk wordt
zijn bejaarde ouders te onderhouden die van een bescheiden pensioenuitkering
moet leven? Wat is de moraliteit van een strafsanctie op de weigering om
een huurovereenkomst te sluiten met leden van een speciaal beschermde groep?
In een gedesintegreerde, gebalkaniseerde samenleving zonder algemene normen
volstaat vaak de vaststelling dat een individu of groep zich gediscrimineerd
voelen om tot discriminatie te besluiten en de vaststelling dat er discriminatie
is om er een juridische aansprakelijkheid uit af te leiden. Dit is een soort
van objectieve aansprakelijkheid waarbij het bestaan en de omvang van de
schade unilateraal door de zgn. benadeelde worden vastgesteld. Zoals de
nieuwe rechten als het ware uit het niets geschapen worden, zo wordt ook
uit het niets bepaald wat schade uitmaakt en hoe die begroot wordt. Schadebepaling,
vooral dan de bepaling van de zo belangrijke emotionele en morele schade,
wordt een erg subjectivistische aangelegenheid. Er is schade omdat een slachtoffer,
individu of groep, schade voelt vanuit zijn of haar perspectief. Uit een
recent vonnis van een Vlaamse rechtbank konden we zelfs vernemen dat de
rimpelloze geboorte van een kind, door de mislukking van een poging tot
abortus, een schadeverwekkend feit is dat tot vergoeding voor de meest uiteenlopende
schadeposten aanleiding geeft.
20. Een kleine parenthesis. Inflatie van rechten - ontwaarding van het Recht.
Inflatie en ontwaarding zijn eigenlijk monetaire fenomenen, en de gelijkenis
met de monetaire ontwikkelingen is inderdaad treffend. Zoals een te grote
geldmassa, d.i. niets anders dan te veel aanspraken op de produkten van
de economie, tot ontwaarding van de munt leidt, zo leidt een teveel aan
rechten tot de ontwaarding van het Recht. Maar de gelijkenis gaat nog verder.
De remmen op de monetaire inflatie werden losgegooid door het verbreken
van de band tussen geld en goud. Het monetair systeem had niet langer een
externe standaard die het verankerde in de reële economie, kreeg politieke
doelstellingen als enig referentiepunt, en werd volledig afhankelijk van
de arbitraire beslissingen van politieke machthebbers. Het resultaat krijgt
soms het etiket casino-kapitalisme opgeplakt, zij het dat degenen die het
casino-etiket plakken, de politici, tezelfdertijd de jetons fabriceren,
namelijk de deficits. Als het juridisch systeem zijn externe standaard verliest,
is het resultaat identiek. Ook rechten worden artificieel uit het niets
tot bestaan gewekt, eveneens zonder binding met de reële wereld, de
wereld van de orde, de coherentie en de rationaliteit. Ook hier is de staat
de voornaamste leverancier van jetons.
Verdere ontwaarding of nieuwe verankering?
21. Om opnieuw ernstig over Recht na te denken, in de hoop opnieuw een nieuwe
externe standaard te vinden, vertrekken we best vanuit de klassieke Grieks-Romeins-Joods-christelijke
moraal. Enkele overwegingen. De ontsporing die we beschrijven, is rechten-gedreven.
Rechten geven aanleiding tot aanspraken en aansprakelijkheid; aansprakelijkheid
leidt tot financiële compensatie en ieders streven naar een billijk
aandeel in deze geldstroom doet nieuwe aanspraken en rechten ontstaan. Het
uitgangspunt in de moraal ligt bij de plicht. Een moreel recht sensu stricto
bestaat niet; het is enkel de keerzijde van een morele verplichting in hoofde
van een tegenpartij. In de (traditionele) moraal kan een recht niet bestaan
zonder verplichting, en een verplichting bestaat slechts in relatie tot
een norm, een algemene norm. Het morele karakter van een handeling wordt
niet bepaald vanuit het effect van deze handeling op anderen, behalve wanneer
dit effect door de steller van de handeling gekend was of moest zijn en
het van die aard was dat hij er op grond van de morele norm rekening moest
mee houden. De geïnformeerde intentie weegt dus zwaarder dan het resultaat.
Het is niet omdat iemand zich beledigd weet door mijn uitspraken, dat mijn
uitspraken per se moreel laakbaar zouden zijn. Om tot een morele fout te
besluiten, zijn er bijkomende elementen nodig, die aantonen dat mijn uitspraken
de morele norm schonden. Het is dus ook niet omdat een groep zich gediscrimineerd
weet door mijn handelen dat ik per se een moreel laakbare handeling gesteld
zou hebben. Die is er enkel indien ik door discriminerend op te treden een
morele norm zou schenden. Kortom, het gaat hier om de vraag of de klassieke
opvatting over persoonlijke schuld in onze maatschappelijke organisatie
nog enige rol speelt. Zij behoort tot de morele beginselen die in het positief
recht hoe langer hoe minder terug te vinden zijn. Recht en moraal zijn inderdaad
niet identiek, en het positieve recht heeft zijn eigen functie, maar dat
betekent niet dat een rechtssysteem, het geheel van rechtsbeginselen en
rechtsregels, aan een morele beoordeling zou ontsnappen. Als de rechtsorde
zich van de moraal verwijdert, verliezen haar voorschriften morele legitimiteit.
Dit is nefast. Het recht bepaalt mee hoe een cultuur zich ontwikkelt, en
is een belangrijke component van een beschaving, die altijd het hier en
nu overstijgt. Een aangetast rechtssysteem blijft niet zonder gevolg voor
de toekomst van een gemeenschap.
22. Soms wordt gesteld dat het recht de naleving van een minimum-ethiek
in het maatschappelijk handelen moet waarborgen. De verdedigers van deze
stelling lijken ervan uit te gaan dat het ethisch optimum erin bestaat dat
alle regels en normen van de moraal in rechten vertaald zouden moeten worden.
Zij impliceren dat men vanuit moreel standpunt eigenlijk moet verkiezen
dat rechtsregels en morele regels mekaar volledig dekken. Is zulks niet
het geval, dan is, nog steeds volgens de impliciete logica van deze stelling,
het moreel gehalte van het rechtssysteem lager; en het mag zakken tot op
het niveau van een ethisch minimum. Dit is niet de klassieke opvatting over
recht en moraal in de joods-christelijke traditie. Recht dient in overeenstemming
te zijn met de morele wet, maar dit betekent geenszins dat zoveel mogelijk
regels uit de moraal in rechten moeten of kunnen worden omgezet. De aanhangers
van de minimum-ethiek in het recht stellen eigenlijk dat recht en moraal
tot op zekere hoogte samenvallen, maar voorbij dat punt losgekoppeld worden
en als twee systemen naast elkaar staan, zonder verbinding. De moraal sluit
als het ware de ogen en knijpt de neus dicht. In de traditionele opvatting
daarentegen houdt de moraal ogen en neus wijdopen. Zij gaat uit van de specifieke
aard en functie van het positieve recht en apprecieert ten volle de autonomie
ervan ten aanzien van de moraal. Het ethisch optimum is niet een rechtssysteem
identiek aan het moreel systeem, maar integendeel een rechtssysteem dat
zijn eigen functies vervult in dienst van vrede en rechtvaardigheid binnen
een gemeenschap, en dat slechts Recht kan zijn en zijn eigen specifieke
rol kan vervullen als het zich voortdurend laaft aan de bronnen van de maatschappelijke
orde.
Tot besluit
23. Het is al zo vaak gezegd dat de uitdrukking banaal geworden is, en ik
besef het - maar niettemin: ons samenlevingsmodel staat op een kruispunt.
Eigenlijk is keerpunt een betere term dan kruispunt. Wij moeten inderdaad
een bocht nemen, en er zijn geen drie mogelijke richtingen. Ofwel kiezen
we voor het model van de samenleving van verongelijkten, waar de staat rechten
rondstrooit alsof het subsidies waren, en dat zijn ze natuurlijk ook, blanco-cheques
nog wel, te betalen door een steeds ruimere kring van burgers bij wie ze
onder een of ander voorwendsel ter incassering kunnen aangeboden worden,
al dan niet door rechterlijke tussenkomst. Het is een soort taktiek van
de verschroeide aarde. Het failliete systeem moet het bezette gebied ontruimen,
maar doet dit niet zonder een slagveld van allen tegen allen achter zich
te laten. Welk een moraliteit! Welk een moreel voorbeeld, heren en dames
politici! Recht wordt opzettelijk verward met macht. Het is een gevaarlijk
spel. Wie groepen in de samenleving bewapent, en daardoor de taal van dialoog
en compromis vervangt door de retoriek van strijd en overwinning, mag er
zich niet over verbazen dat dit reactie uitlokt bij hen die zich verslagen
weten. Die reactie is soms gerechtvaardigd, soms niet, maar een noodzakelijk
kenmerk van het relativisme, het vervangen van geordende en rationele dialoog
door lege en zin-loze zgn. gelijke rechten, is dat ieder zonder uitzondering
in het drijfzand meegezogen wordt. In een samenleving van strijd moet eenieder
zich bewapenen om te overleven. Het lijkt mij vrij farizeïsch dat de
generatie van 68, die het zaad van het relativisme zo welig hebben rondgestrooid,
zich erover verwondert, laat staan opwindt, dat er nu ook ter rechterzijde
relativistische ideologieën opduiken. Waarom zou nihilisme het monopolie
van zgn. links moeten blijven? Als algemene normen hoe langer hoe minder
levensrecht hebben, als de band tussen recht en moraal wordt doorgeknipt,
als de democratische discussie over maatschappelijke orde en algemeen belang
niet meer kan gevoerd worden, moet men aanvaarden dat algemeenheid en universaliteit
van alle kanten in vraag worden gesteld. En als men het niet wil aanvaarden,
dan wordt het volgens de eigen relativistische logica een kwestie van macht.
Zoals ik heb pogen aan te tonen is deze ontwikkeling nefast en gevaarlijk.
Maar ze zal niet kunnen gekeerd worden zonder een fundamentele bezinning
over staat, samenleving en individu, en de rol van recht en moraal in die
samenhang. Verdraagzaamheid kan niet voor de rechtbank afgedwongen worden.
Zonder universele morele wet en een private sfeer waar andere normen dan
subjectieve rechten gedragbepalend zijn en andere instituties dan de staat
met zijn rechtbanken de sociale samenhang waarborgen, kunnen we over verdraagzaamheid
wel een kruis maken!
24. Een staat onderscheidt zich van een min of meer goed geleide roversbende
door het morele karakter van zijn structuur en zijn acties, getoetst aan
een norm. Als deze norm door louter pragmatische criteria bepaald wordt,
hebben we te maken met een groep die zich uitsluitend organiseert in functie
van zijn doelstellingen -militaire macht, economisch gewin, de privileges
van enkelen - wat precies het kenmerk is van een gestructureerde bende (RATZINGER
J., Turning Point for Europe ?, San Francisco, 1994, p. 132). Naar
het woord van Seneca zijn staten zonder rechtvaardigheid niets anders dan
uit hun kleren gegroeide roversbenden. Toen Keizer Commodus de vraag stelde
waarom hem het goddelijk karakter van zijn keizerschap ontzegd werd dat
bij Marcus Aurelius, Commodus' vader, was erkend, antwoordde een stoïcijns
wijsgeer: "Dat was gerechtvaardigd voor ... uw vader die een wijs en
volmaakt man was, maar niet voor u, want u bent een tiran en chef van een
roversbende" (von IVANKA E., Römerreich und Gottesvolk,
Freiburg, 1968, 17). Ik beschreef daarstraks hoe het Recht door een verregaande
instrumentalisering de stutbalk werd van het politiek systeem en hoe het
door sommigen gebruikt wordt als stootbalk tegen datzelfde systeem. De resultaten
van die instrumentalisering zijn - helaas misschien - niet van die aard
dat ze de legitimiteit van ons politiek systeem versterken. Met name wekken
de banalisering en de instrumentalisering van het strafrecht een groot onbehagen.
Hoe meer strafrecht, hoe meer misdaad, zo lijkt het wel. De burger begrijpt
dit niet. De burger begrijpt verder evenmin hoe dat strafrecht wordt toegepast.
Hij stelt vast dat er betreffende een onderzoek naar bijzonder zware criminele
feiten openlijk over sabotage wordt gesproken, zonder dat op deze beschuldigingen
met uiterst vèrstrekkende implicaties een afdoende repliek volgt.
Hij verneemt dat men het niet de moeite waard lijkt te vinden bepaalde dossiers
nog verder te onderzoeken. Hij wordt tezelfdertijd geconfronteerd met een
evenement waarover men hem zegt dat het met strafrecht verband houdt en
waarbij hij zich afvraagt waarom dan de normale regels van de strafprocedure
niet gevolgd worden? Hij merkt dat diezelfde zaak eminente juristen inspireert
tot persbijdragen die titels dragen als "Raadkamer of radeloze kamer?"
en "Overleeft de rechtsstaat Wetstraat-spektakel?". Er wordt hem
gezegd dat er daarbij een dusdanige accumulatie van procedurefouten vast
te stellen is dat het nooit tot een debat over het voorwerp van de beschuldigingen
zal komen. Neen, de burger is niet trots op zijn instellingen, niet op zijn
politieke, en niet op zijn gerechtelijke. En hij graaft zich nog wat dieper
in achter een der talrijke scheidingsmuurtjes van de multiculturele verzorgingsstaat
waar hij zich steeds vaker afvraagt waarin het verschil ligt tussen de roversbenden
van Seneca en de staat waarin hij leeft.
BEKNOPTE BIBLIOGRAFIE
ADAM Konrad, Die Ohnmacht der Macht, Berlin: Siedler Verlag,
1994
BORK Robert H., The Tempting of America, New York: The Free
Press, 1990
CALABRESI Guido, Ideals, Beliefs, Attitudes and the Law, Syracuse:
Syracuse University Press, 1985
D'SOUZA Dinesh, The End of Racism, New York: The Free Press,
1995
FEST Joachim, Die Schwierige Freiheit, Berlin: Siedler Verlag,
1993
GLENDON Mary Ann, Rights Talk, New York: The Free Press, 1991
GLENDON Mary Ann, A Nation under Lawyers, New York: Farrar,
Straus and Giroux, 1994
HAYEK Friedrich A., Law, Legislation and Liberty, Vol. 3: The Political
Order of a Free People, London: Routledge & Kegan Paul, 1979
HIMMELFARB Gertrude, On Looking into the Abyss, New York: Alfred
A. Knopf, 1994
HOWARD Philip K., The Death of Common Sense, New York: Random
House, 1994
HUBER Peter W., Liability, New York: Basic Books, 1988
HUNTER James Davison, Culture Wars, BasicBooks, 1991
NEUHAUS Richard John, The Naked Public Square, Grand Rapids:
Wm. B. Eerdmans, 1984
OLSON Walter K., The Litigation Explosion, New York: Truman
Talley Books-Dutton, 1991
RATZINGER Joseph Cardinal, Turning Point for Europe?, San Francisco:
Ignatius Press, 1994
SELBOURNE David, The Principle of Duty, London: Sinclair-Stevenson,
1994
ST. THOMAS AQUINAS, Treatise on Law (Summa Theologica, Questions
90-97), Washington, D.C.: Regnery Gateway, 1992
SYKES Charles J., A Nation of Victims, New York: St. Martin's
Press, 1992
VILLEY Michel, Questions de saint Thomas sur le droit et la politique,
Paris: Presses Universitaires de France, 1987
Disclaimer: Information provided here does not reflect official UA
viewpoints nor gives rise to any claim against the author