door
Matthias E. Storme
buitengewoon hoogleraar KU Leuven & Universiteit Antwerpen
lid van de Commission
on European contract law.
© Commission on European contract law, København
De tekst mag kosteloos verspreid worden met uitsluitend niet-commerciële
oogmerken
De tekst is in het Engels en Frans verschenen:
- met volledige commentaar in het Engels bij Kluwer Law International 2002:2003
- met volledige commentaar in het Frans bij de Société de législation comparée in 2003.
HOOFDSTUK 1 : Algemene bepalingen
Afdeling 1: Reikwijdte van de Beginselen
Artikel 1:101: Toepassing van de Beginselen
(1) Deze Beginselen zijn bestemd om te worden toegepast als algemene regels van overeenkomstenrecht in de Europese Unie.
(2) Zij vinden toepassing op een overeenkomst indien de partijen overeengekomen zijn ze in hun overeenkomst op te nemen of ze op hun overeenkomst toe te passen.
(3) Zij kunnen worden toegepast indien de partijen :
(a) zijn overeengekomen dat op hun overeenkomst "algemene rechtsbeginselen", de "lex mercatoria" of dergelijke van toepassing zijn; of
(b) geen rechtsstelsel noch rechtsregels hebben gekozen die op hun overeenkomst van toepassing zijn.
(4) Deze Beginselen kunnen een oplossing bieden voor vragen waarvoor het toepasselijke rechtsstelsel of de toepasselijke rechtsregels deze niet bieden.
Artikel 1:102: Contractsvrijheid
(1) Partijen zijn vrij een overeenkomst te sluiten en de inhoud daarvan te bepalen, onverminderd de eisen van de goede trouw ("redelijkheid en billijkheid") en de dwingende bepalingen van deze Beginselen.
(2) Partijen kunnen de toepassing van elk van deze beginselen uitsluiten, ervan afwijken, of de rechtsgevolgen ervan wijzigen, tenzij deze Beginselen anders bepalen.
Artikel 1:103: Dwingend recht
(1) Indien het recht dat anders van toepassing zou zijn dit mogelijk maakt, kunnen de partijen de Beginselen kiezen als het recht dat van toepassing is op hun overeenkomst, zodat dwingende nationale bepalingen buiten toepassing blijven.
(2) Niettemin moet gevolg worden gegeven aan die dwingende bepalingen van nationaal, supranationaal en internationaal recht, die krachtens de relevante bepalingen van internationaal privaatrecht van toepassing zijn ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht.
Artikel 1:104: Toepassing op vragen van toestemming
(1) Het bestaan en de geldigheid van de overeenkomst van partijen om deze Beginselen aan te nemen of op te nemen, wordt door deze Beginselen beheerst.
(2) Niettemin kan een partij zich erop beroepen dat zij krachtens het recht van het land waar zij haar gewone verblijfplaats heeft, niet heeft toegestemd, indien het in de gegeven omstandigheden niet redelijk zou zijn de gevolgen van haar gedraging overeenkomstig deze Beginselen te bepalen.
Artikel 1:105: Gewoonten en handelwijzen
(1) Partijen zijn gebonden door elke gewoonte waarmee zij hebben ingestemd en door elke handelwijze die tussen hen gebruikelijk is.
(2) Partijen zijn gebonden door een gewoonte die door personen in dezelfde toestand als zijzelf algemeen van toepassing wordt geacht, tenzij de toepassing van een dergelijke gewoonte onredelijk zou zijn.
Artikel 1:106: Uitleg en aanvulling
(1) Deze Beginselen dienen te worden uitgelegd en ontwikkeld in overeenstemming met hun doelstellingen. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met de noodzaak om de naleving van de eisen van de goede trouw, zekerheid in contractuele verhoudingen en eenvormigheid in de toepassing ervan te bevorderen.
(2) Vragen die binnen de reikwijdte van deze Beginselen vallen maar hierin niet uitdrukkelijk zijn beslist, dienen zoveel mogelijk te worden opgelost in overeenstemming met de algemene beginselen die eraan ten grondslag liggen. Bij gebreke van dergelijke oplossing dient het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht te worden toegepast.
Artikel 1:107 : Analogische toepassing van de Beginselen
Deze Beginselen zijn van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten om een overeenkomst te wijzigen of te beëindigen, op eenzijdige beloften en op andere verklaringen en gedragingen die een wil aangeven.
Afdeling 2: Algemene verplichtingen
Artikel 1:201: Goede trouw.
(1) Iedere partij dient zich te gedragen overeenkomstig de eisen van de goede trouw.
(2) Partijen kunnen deze verplichting niet uitsluiten of beperken.
Artikel 1:202: Samenwerkingsplicht
Iedere partij heeft jegens de andere de verplichting medewerking te verlenen opdat de overeenkomst zijn volle werking zou hebben.
Afdeling 3: Terminologie en andere bepalingen
Artikel 1:301: Betekenis van de begrippen
In deze Beginselen geldt, tenzij de samenhang een andere uitleg vereist, dat
(1) ‘handeling’ ook nalaten omvat;
(2) ‘rechter’ ook een scheidsrechter omvat;
(3) een ‘opzettelijke’ handeling ook een roekeloze handeling omvat;
(4) ‘tekortkoming’ elke niet-nakoming van een verbintenis uit de overeenkomst omvat, al dan niet toerekenbaar, onder meer niet-tijdige nakoming, gebrekkige nakoming en tekortschieten in de medewerking die vereist is opdat de overeenkomst zijn volle werking zou hebben;
(5) iets ‘beduidend’ is indien een redelijke persoon in dezelfde toestand behoorde te weten dat het van invloed zou zijn op de beslissing van de andere partij om de overeenkomst te sluiten onder de voorgestelde bepalingen dan wel ze al dan niet te sluiten;
(6) ‘schriftelijke’ verklaringen mededelingen omvatten per telegram, telex, telefax, elektronische post en andere communicatiemiddelen die aan beide zijden een leesbare weergave van de mededeling kunnen verschaffen.
Artikel 1:302: Redelijkheid
Als redelijk in de zin van deze Beginselen dient te worden beschouwd wat te goeder trouw handelende personen in dezelfde toestand als partijen redelijk zouden achten. In het bijzonder dient gelet te worden op de aard en strekking van de overeenkomst, de omstandigheden van het geval en de gewoonten en handelwijzen in de betrokken bedrijfstak of het betrokken beroep.
Artikel 1:303: Kennisgeving
(1) Een kennisgeving kan geschieden op elke in de omstandigheden passende wijze, al dan niet schriftelijk.
2) Onverminderd lid (4) en (5) heeft een kennisgeving haar werking wanneer zij de persoon heeft bereikt aan wie ze is gericht.
(3) Een kennisgeving bereikt een persoon wanneer zij aan die persoon wordt bezorgd dan wel op zijn plaats van vestiging of postadres, dan wel, indien hij geen vestiging of postadres heeft, op diens gewone verblijfplaats.
(4) Doet een partij de andere een kennisgeving omwille van een tekortkoming van de andere partij of omdat zij in redelijkheid op zulke tekortkoming vooruitloopt, en is deze kennisgeving naar behoren gedaan of verzonden, dan doet een vertraging of fout bij het overbrengen of het niet aankomen ervan, geen afbreuk aan de werking van deze kennisgeving. Zij heeft haar werking op het tijdstip waarop ze onder normale omstandigheden zou zijn aangekomen.
(5) Een kennisgeving heeft geen werking indien de intrekking ervan de persoon aan wie ze is gericht eerder dan of gelijktijdig met de kennisgeving bereikt.
(6) In deze bepaling omvat “kennisgeving” de mededeling van een belofte, een standpunt, een aanbod, een aanvaarding, een eis, een verzoek of andere verklaring.
Artikel 1:304: Berekening van termijnen
(1) Een in een geschrift aan de geadresseerde gestelde termijn om te antwoorden of een bepaalde handeling te verrichten, gaat in op de dag waarop het geschrift is gedateerd. Ontbreekt een datering, dan gaat de termijn in op het tijdstip waarop het geschrift de wederpartij bereikt.
(2) Officiële feestdagen en officiële vrije dagen die binnen de termijn vallen, zijn bij de berekening van deze termijn inbegrepen. Verstrijkt de termijn evenwel op een dag die op het adres van de geadresseerde of de plaats waar de voorgeschreven handeling moet worden verricht een officiële feestdag of een officiële vrije dag is, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag die op die plaats een werkdag is.
(3) Een termijn uitgedrukt in dagen, weken, maanden of jaren, loopt vanaf 0 uur op de daaropvolgende dag en verstrijkt om 24 uur op de laatste dag van de termijn. Moet evenwel binnen de termijn een antwoord de partij die de termijn heeft gesteld bereiken, dan wel een andere handeling geschieden, dan moet dit antwoord aankomen c.q. deze handeling geschieden voor het normale sluitingsuur van de laatste dag van de termijn op de relevante plaats.
Artikel 1:305: Toerekening van kennis en bedoeling
Indien een persoon die met de instemming van een partij betrokken was bij het sluiten van een overeenkomst, of aan wie de nakoming door een partij was toevertrouwd of die met de instemming van een partij is nagekomen:
(a) een feit kende of voorzag, of behoorde te weten of te voorzien; of
(b) met opzet of grof nalatig of in strijd met de eisen van de goede trouw handelde,
dan wordt deze kennis, dit voorzien of dit gedraging aan die partij zelf toegerekend.
HOOFDSTUK 2 : Totstandkoming
Afdeling 1 : Algemene bepalingen
Artikel 2:101: Vereisten voor het sluiten van een overeenkomst
(1) Een overeenkomst is gesloten indien :
(a) de partijen de wil hebben rechtens gebonden te zijn, en
(b) voldoende overeenstemming bereiken,
zonder enig ander vereiste.
(2) Een overeenkomst behoeft niet schriftelijk te worden gesloten of door geschrift te worden bewezen en is aan geen enkel ander vormvereiste onderworpen. Zij kan worden bewezen door alle bewijsmiddelen, getuigen inbegrepen.
Artikel 2:102: Wil
De wil van een partij om rechtens gebonden te zijn bij overeenkomst, dient te worden bepaald op grond van de verklaringen en de gedraging van die partij, zoals deze door de andere partij redelijkerwijs zijn begrepen.
Artikel 2:103: Voldoende overeenstemming
(1) Er is voldoende overeenstemming indien de bepalingen van een overeenkomst:
(a) door partijen voldoende zijn bepaald om tenuitvoerlegging van de overeenkomst mogelijk te maken, of
(b) op grond van deze Beginselen kunnen worden bepaald.
(2) Weigert evenwel een van de partijen een overeenkomst te sluiten zolang er geen overeenstemming is over een bepaalde zaak, is er geen overeenkomst gesloten voordat er overeenstemming is over deze zaak.
Artikel 2:104: Niet afzonderlijk onderhandelde bepalingen
(1) Op bepalingen van een overeenkomst die niet afzonderlijk zijn onderhandeld, kan een partij tegen een andere partij die deze niet kende slechts een beroep doen indien zij redelijke maatregelen heeft genomen om ze vóór of bij het sluiten van de overeenkomst onder de aandacht van de andere partij te brengen.
(2) Een bepaling wordt niet passend onder de aandacht van een partij gebracht door loutere verwijzing ernaar in een contractueel stuk, zelfs niet indien die partij het stuk ondertekent.
Artikel 2:105: Vierhoekenbeding
(1) Bevat een schriftelijke overeenkomst een afzonderlijk onderhandeld beding dat bepaalt dat het geschrift de volledige voorwaarden van de overeenkomst bevat (vierhoekenbeding), dan maken eerdere verklaringen, verbintenissen of overeenstemmingen die niet in het geschrift zijn opgenomen geen deel uit van de overeenkomst.
(2) Een vierhoekenbeding dat niet afzonderlijk is onderhandeld levert slechts een vermoeden op dat partijen bedoelden dat eerdere verklaringen, verbintenissen of overeenstemmingen geen deel uit zouden maken van de overeenkomst. Deze regel kan niet worden uitgesloten of beperkt.
(3) De eerdere verklaringen van partijen kunnen worden gebruikt om de overeenkomst uit te leggen. Deze regel kan niet worden uitgesloten of beperkt, tenzij door middel van een afzonderlijk onderhandeld beding.
(4) Een partij kan door zijn verklaringen of gedraging het recht verwerken een beroep te doen op een vierhoekenbeding, voor zover de wederpartij redelijkerwijs op die verklaringen of gedraging heeft vertrouwd.
Artikel 2:106: Bedingen van uitsluitend schriftelijke wijziging
(1) Een beding in een schriftelijke overeenkomst dat bepaalt dat iedere wijziging of beëindiging door wilsovereenstemming schriftelijk dient te geschieden, levert slechts een vermoeden op dat een overeenkomst tot wijziging of beëindiging niet bedoeld is om rechtens verbindend te zijn tenzij ze op schrift is gesteld.
(2) Een partij kan door zijn verklaringen of gedraging, het recht verwerken een beroep te doen op een dergelijk beding, voor zover de wederpartij redelijkerwijs op die verklaringen of gedraging heeft vertrouwd.
Artikel 2:107: Beloften die verbinden zonder aanvaarding
Een belofte die bedoeld is om ook zonder aanvaarding rechtens te verbinden, is bindend.
Afdeling 2 : Aanbod en aanvaarding
Artikel 2:201: Aanbod
(1) Een voorstel is een aanbod indien :
(a) het bedoeld is om tot een overeenkomst te leiden indien de andere partij het aanvaardt, en
(b) het voldoende bepaalde bepalingen bevat om een overeenkomst te vormen.
(2) Een aanbod kan tot één of meer bepaalde personen worden gericht of een openbaar aanbod vormen.
(3) Een aanbod om goederen of diensten te leveren tegen een vooropgestelde prijs, dat door een beroepsmatige leverancier in publiciteit, in een catalogus, of door de uitstalling van goederen wordt gedaan, wordt beschouwd als een aanbod om te leveren aan die prijs tot uitputting van de voorraad van die goederen c.q. de capaciteit van de dienstverlener om die dienst te leveren.
Artikel 2:202: Herroeping van een aanbod
(1) Een aanbod kan worden herroepen indien de herroeping de wederpartij bereikt voordat deze een aanvaarding heeft verzonden of, in geval van aanvaarding door gedraging, voordat de overeenkomst is gesloten ingevolge lid (2) of (3) van Artikel 2:205.
(2) Een openbaar aanbod kan worden herroepen op de wijze waarop het werd gedaan.
(3) Een aanbod kan echter niet worden herroepen indien :
(a) het aangeeft dat het onherroepelijk is; of
(b) het een vaste termijn voor aanvaarding inhoudt; of
(c) het redelijk was voor de wederpartij erop te vertrouwen dat het aanbod onherroepelijk was en zij in vertrouwen op het aanbod heeft gehandeld.
Artikel 2:203: Verwerping van een aanbod
Een aanbod vervalt wanneer een verwerping de aanbieder bereikt.
Artikel 2:204: Aanvaarding
(1) Een verklaring door of een andere gedraging van de wederpartij waaruit de instemming met een aanbod blijkt, is een aanvaarding.
(2) Stilzwijgen of stilzitten geldt op zichzelf niet als aanvaarding.
Artikel 2:205: Tijdstip van het sluiten van de overeenkomst
(1) Heeft de wederpartij een aanvaarding verzonden, dan is de overeenkomst gesloten wanneer deze aanvaarding de aanbieder bereikt.
(2) Bij aanvaarding door gedraging is de overeenkomst gesloten wanneer de gedraging ter kennis is gebracht van de aanbieder.
(3) Kan de wederpartij krachtens het aanbod, de tussen partijen gebruikelijke handelwijze of de gewoonte, het aanbod aanvaarden door het verrichten van een handeling zonder kennisgeving aan de aanbieder, dan is de overeenkomst gesloten op het tijdstip waarop de handeling wordt aangevat.
Artikel 2:206: Termijn voor aanvaarding
(1) Om haar werking te hebben moet de aanvaarding van een aanbod de aanbieder bereiken binnen de door hem gestelde termijn.
(2) Heeft de aanbieder geen termijn gesteld, dan moet aanvaarding hem bereiken binnen een redelijke termijn.
(3) Geschiedt de aanvaarding door het aanvatten van een handeling zoals bepaald in Artikel 2:205 lid (3), dan moet dit geschieden binnen de door de aanbieder gestelde termijn of, indien geen termijn is gesteld, binnen een redelijke termijn.
Artikel 2:207: Verlate aanvaarding
(1) Een te late aanvaarding geldt niettemin als aanvaarding indien de aanbieder dit de wederpartij onverwijld meedeelt.
(2) Blijkt uit een brief of een ander geschrift dat een te late aanvaarding bevat, dat het is verzonden onder zodanige omstandigheden dat bij normale overbrenging het de aanbieder tijdig zou hebben bereikt, dan geldt de te late aanvaarding als aanvaarding, tenzij de aanbieder de wederpartij onverwijld meedeelt dat hij het aanbod als vervallen beschouwt.
Artikel 2:208: Gewijzigde aanvaarding
(1) Een antwoord op een aanbod dat aanvullingen of afwijkingen stelt of inhoudt die de bepalingen van het aanbod beduidend wijzigen, is een verwerping van het aanbod en een tegenaanbod.
(2) Een antwoord dat een vaste instemming met een aanbod inhoudt, geldt als aanvaarding, zelfs indien het aanvullingen of afwijkingen stelt of inhoudt, indien deze de bepalingen van het aanbod niet beduidend wijzigen. De aanvullingen of afwijkingen maken deel uit van de overeenkomst.
(3) Een dergelijk antwoord geldt evenwel als een verwerping van het aanbod indien :
(a) het aanbod de aanvaarding uitdrukkelijk beperkt tot de bepalingen van het aanbod; of
(b) de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de aanvullingen of afwijkingen; of
(c) de wederpartij zijn aanvaarding afhankelijk maakt van de instemming van de aanbieder met de aanvullingen of afwijkingen, en deze instemming de wederpartij niet bereikt binnen een redelijke termijn.
Artikel 2:209: Strijdige standaardbedingen
(1) Hebben partijen overeenstemming bereikt behoudens het feit dat aanbod en aanvaarding naar strijdige standaardbedingenverwijzen, dan is er niettemin een overeenkomst tot stand gekomen. De standaardbedingen maken deel uit van de overeenkomst voor zover zij in wezen overeenstemmen.
(2) Evenwel is er geen overeenkomst tot stand gekomen indien een partij:
(a) vooraf uitdrukkelijk, en niet door middel van standaardbedingen, aangeeft dat zij niet wil gebonden zijn door een overeenkomst op grond van lid (1); of
(b) onverwijld de wederpartij meedeelt dat zij niet wil gebonden zijn door een zodanige overeenkomst.
(3) standaardbedingenvan een overeenkomst zijn de bepalingen die op voorhand zijn verwoord voor een onbepaald aantal overeenkomsten van een zekere aard, en die niet afzonderlijk zijn onderhandeld tussen partijen.
Artikel 2:210: Bevestigingsschrijven door een professioneel
Hebben partijen beroepsmatig een overeenkomst gesloten zonder deze in een afsluitend stuk te hebben opgenomen, en zendt de ene de andere onverwijld een geschrift dat tot bevestiging van de overeenkomst strekt, maar aanvullende of afwijkende bepalingen bevat, dan maken deze bepalingen deel uit van de overeenkomst, tenzij :
(a) zij de bepalingen van de overeenkomst beduidend wijzigen, of
(b) de wederpartij er onverwijld bezwaar tegen maakt.
Artikel 2:211: Overeenkomsten niet gesloten door aanbod en aanvaarding
De regels van deze Afdeling zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de totstandkoming van een overeenkomst niet kan worden ontleed in aanbod en aanvaarding.
Afdeling 3: Aansprakelijkheid wegens onderhandelingen
Artikel 2:301: Onderhandelingen in strijd met de goede trouw
(1) Partijen zijn vrij om te onderhandelen en zijn niet aansprakelijk voor het niet bereiken van overeenstemming.
(2) Een partij die evenwel in strijd met de eisen van de goede trouw onderhandelt of onderhandelingen afbreekt is aansprakelijk voor de schade die de andere partij dientengevolge lijdt.
(3) Het is in het bijzonder in strijd met de eisen van de goede trouw om onderhandelingen te beginnen of voort te zetten zonder daadwerkelijke bedoeling om met de wederpartij overeenstemming te bereiken.
Artikel 2:302: Schending van de geheimhoudingsplicht
Wordt tijdens onderhandelingen door een partij vertrouwelijke informatie gegeven, dan heeft de wederpartij de verplichting deze informatie niet openbaar te maken of voor eigen doeleinden te gebruiken, ongeacht of er vervolgens al dan niet een overeenkomst wordt gesloten. Bij overtreding van deze verplichting kan schadevergoeding worden toegekend voor het geleden verlies en afdracht van de winst die de wederpartij daardoor heeft genoten.
HOOFDSTUK 3: Vertegenwoordiging
Afdeling 1 : Algemene bepalingen
Artikel 3:101 : Reikwijdte van dit Hoofdstuk
(1) Dit Hoofdstuk regelt de macht van een vertegenwoordiger of andere tussenpersoon om een vertegenwoordigde door middel van een overeenkomst jegens een derde te verbinden.
(2) Dit Hoofdstuk handelt niet over de vertegenwoordiging krachtens de wet of ingevolge aanstelling door een bestuurlijke of rechterlijke overheid.
(3) Dit Hoofdstuk handelt niet over de inwendige verhouding tussen de vertegenwoordiger of tussenpersoon en de vertegenwoordigde.
Artikel 3:102: Soorten vertegenwoordiging
(1) Handelt een vertegenwoordiger in de naam van een vertegenwoordigde, dan zijn de regels inzake onmiddellijke vertegenwoordiging van toepassing (Afdeling 2). Het is zonder belang of de naam van de vertegenwoordigde genoemd wordt op het tijdstip waarop de vertegenwoordiger handelt dan wel nader te noemen is.
(2) Handelt een vertegenwoordiger in opdracht en voor rekening, maar niet in naam van een vertegenwoordigde, of weet de derde er niet van, en heeft hij evenmin reden tot weten, dat de tussenpersoon als vertegenwoordiger handelt, dan zijn de regels inzake middellijke vertegenwoordiging van toepassing (Afdeling 3).
Afdeling 2 : Onmiddellijke vertegenwoordiging
Artikel 3:201: Uitdrukkelijke, impliciete en schijnbaar verleende volmacht
(1) De verlening, door de vertegenwoordigde, van de macht om in zijn naam te handelen (volmacht) kan uitdrukkelijk geschieden of afgeleid worden uit de omstandigheden.
(2) De volmacht strekt zich uit tot alle handelingen die in de gegeven omstandigheden vereist zijn om de opdracht te vervullen waartoe ze is verleend.
(3) Een schijnbare vertegenwoordiger heeft volmacht als was ze hem verleend door de vertegenwoordigde indien diens verklaringen of gedraging de derde ertoe brengen redelijkerwijs en te goeder trouw aan te nemen dat aan de schijnbare vertegenwoordiger volmacht was verleend voor de door hem verrichtte handeling.
Artikel 3:202: Vertegenwoordiger handelend binnen de grenzen van zijn volmacht
Handelt een vertegenwoordiger binnen de grenzen van zijn volmacht als bepaald door Artikel 3:201, verbinden zijn handelingen de vertegenwoordigde en de derde rechtstreeks jegens elkaar, en is hij zelf niet verbonden jegens de derde.
Artikel 3:203: Nader te noemen vertegenwoordigde
Handelt een vertegenwoordiger in naam van een nader te noemen vertegenwoordigde, en noemt hij diens naam niet binnen een redelijke termijn na een daartoe strekkend verzoek van de derde, dan is hij zelf verbonden door de overeenkomst.
Artikel 3:204: Vertegenwoordiger handelend zonder volmacht of buiten de grenzen ervan
(1) Handelt een persoon als gevolmachtigde, maar zonder daartoe strekkende volmacht of buiten de grenzen van zijn volmacht, dan verbinden zijn handelingen de vertegenwoordigde en de derde niet jegens elkaar.
(2) Bij gebreke van bekrachtiging door de vertegenwoordigde overeenkomstig Artikel 3:207, is de vertegenwoordiger verplicht de schadevergoeding te betalen die de derde in de toestand brengt in welke hij had verkeerd indien de vertegenwoordiger binnen de grenzen van een volmacht had gehandeld. Deze regel geldt niet wanneer de derde het ontbreken van volmacht van de vertegenwoordiger kende of er niet onkundig van kon zijn.
Art. 3.205: Strijdigheid van belangen
(1) Indien een door een vertegenwoordiger gesloten overeenkomst hem in een belangenconflict verwikkelt dat de derde kende of waarvan hij niet onkundig kon zijn, kan de vertegenwoordigde de overeenkomst vernietigen overeenkomstig de bepalingen van Artikel 4:112 tot 4:116.
(2) Een belangenconflict wordt vermoed wanneer de vertegenwoordiger:
(a) ook als vertegenwoordiger voor de derde optrad; of
(b) de overeenkomst met zichzelf voor eigen rekening heeft gesloten.
(3) De vertegenwoordigde kan de overeenkomst evenwel niet vernietigen indien:
(a) hij heeft toegestemd in het optreden van de vertegenwoordiger of er niet onkundig van kon zijn; of
(b) de vertegenwoordiger hem het belangenconflict heeft geopenbaard en hij er niet binnen een redelijke termijn bezwaar tegen heeft gemaakt.
Artikel 3:206: Indeplaatsstelling van vertegenwoordiger
Volmacht houdt de macht in voor de vertegenwoordiger om een ander als vertegenwoordiger in zijn plaats te stellen om taken te vervullen die niet van persoonlijke aard zijn en waarvan het niet redelijk is te verwachten dat de vertegenwoordiger ze zelf zou uitvoeren. De regels van deze Afdeling gelden voor de vertegenwoordiging ingevolge indeplaatsstelling; handelt de in de plaats gestelde vertegenwoordiger binnen de grenzen van zijn volmacht zowel als de oorspronkelijke volmacht, dan verbinden zijn handelingen de vertegenwoordigde en de derde rechtstreeks jegens elkaar.
Artikel 3:207: Bekrachtiging door de vertegenwoordigde
(1) Handelt een persoon als gevolmachtigde, maar zonder daartoe strekkende volmacht of buiten de grenzen van zijn volmacht, dan kan de vertegenwoordigde de handelingen van de vertegenwoordiger bekrachtigen.
(2) Ingevolge bekrachtiging gelden de handelingen van de vertegenwoordiger als was er volmacht voor verleend, onverminderd de rechten van andere personen.
Artikel 3:208: Recht van de derde tot bevestiging van volmacht
Geven de verklaringen of gedraging van de vertegenwoordigde de derde reden om aan te nemen dat voor een handeling van de vertegenwoordiger volmacht is verleend, maar twijfelt hij aan de volmachtverlening, dan kan hij de vertegenwoordigde een schriftelijke bevestiging zenden of hem om bekrachtiging verzoeken. Indien de vertegenwoordigde niet onverwijld bezwaar maakt of het verzoek beantwoordt, geldt de handeling als was er volmacht voor verleend.
Artikel 3:209: Voortduren van de volmacht
(1) Een volmacht blijft gelden tot de derde weet of behoort te weten dat:
(a) de volmacht door de vertegenwoordigde, de vertegenwoordiger of beiden is beëindigd; of
(b) de handelingen waarvoor de volmacht was verleend voltooid zijn, of de termijn waarvoor de volmacht was verleend verstreken is; of
(c) de vertegenwoordiger insolvabel is geworden of, in geval van een natuurlijke persoon, gestorven is of handelingsonbekwaam is geworden; of
(d) de vertegenwoordigde insolvabel is geworden.
(2) De derde wordt geacht te weten dat de volmacht van de vertegenwoordiger beëindigd is overeenkomstig lid (1)(a) wanneer dit is medegedeeld of geopenbaard op de wijze waarop de volmacht oorspronkelijk was medegedeeld of geopenbaard.
(3) De vertegenwoordiger blijft evenwel gedurende een redelijke termijn gevolmachtigd om de handelingen te stellen die noodzakelijk zijn om de belangen van de vertegenwoordigde of zijn rechtsopvolgers te beschermen.
Afdeling 3: Middellijke vertegenwoordiging
Artikel 3:301: Tussenpersoon die niet handelt in de naam van een vertegenwoordigde
(1) Handelt een tussenpersoon:
(a) in opdracht en voor rekening, maar niet in naam van een vertegenwoordigde, of
(b) in opdracht van een vertegenwoordigde zonder dat de derde dit weet of reden heeft dit te weten,
dan verbinden zijn handelingen de tussenpersoon en de derde jegens elkaar.
(2) De vertegenwoordigde en de derde zijn slechts jegens elkaar verbonden onder de voorwaarden bepaald in Artikel 3:302 tot 3:304.
Artikel 3:302: Insolventie of wezenlijke tekortkoming van de tussenpersoon jegens de opdrachtgever
Wordt een tussenpersoon insolvabel of begaat hij een wezenlijke tekortkoming jegens de opdrachtgever, of staat het voor de dag waarop nakoming verschuldigd is vast dat de tussenpersoon wezenlijk zal tekortschieten, dan:
(a) moet de tussenpersoon de opdrachtgever op diens verzoek de naam en het adres van de derde mededelen; en
(b) kan de opdrachtgever jegens de derde de rechten uitoefenen die voor zijn rekening door de tussenpersoon zijn verkregen, onverminderd de verweermiddelen die de derde kan tegenwerpen aan de tussenpersoon.
Artikel 3:303: Insolventie of wezenlijke tekortkoming van de tussenpersoon jegens de derde
Wordt een tussenpersoon insolvabel of begaat hij een wezenlijke tekortkoming jegens de derde, of staat het voor de dag waarop nakoming verschuldigd is vast dat de tussenpersoon wezenlijk zal tekortschieten, dan:
(a) moet de tussenpersoon de derde op diens verzoek de naam en het adres van de opdrachtgever mededelen; en
(b) kan de derde jegens de opdrachtgever de rechten uitoefenen die hij jegens de tussenpersoon heeft, onverminderd de verweermiddelen die de tussenpersoon kan tegenwerpen aan de derde en de verweermiddelen die de opdrachtgever kan tegenwerpen aan de tussenpersoon.
Artikel 3:304: Vereiste kennisgeving
De rechten toegekend door de Artikelen 3:302 en 3:303 kunnen slechts uitgeoefend worden na kennisgeving van de bedoeling daartoe aan de tussenpersoon en aan de derde c.q. de opdrachtgever. Vanaf de ontvangst van de kennisgeving is de derde c.q. de opdrachtgever niet meer gerechtigd om aan de tussenpersoon na te komen.
HOOFDSTUK 4 : Geldigheid
Artikel 4:101: Niet geregelde onderwerpen
Dit Hoofdstuk heeft geen betrekking op de ongeldigheid ten gevolge van onwettigheid of strijd met de goede zeden van de overeenkomsten of onbekwaamheid van een partij.
Artikel 4:102: Aanvankelijke onmogelijkheid
Een overeenkomst is niet ongeldig louter omdat de nakoming van de aangegane verbintenis onmogelijk is op het tijdstip waarop ze gesloten wordt, of omdat een partij niet bevoegd was te beschikken over de goederen waarop de overeenkomst betrekking heeft.
Artikel 4:103: Dwaling
(1) Een partij kan een overeenkomst vernietigen wegens dwaling met betrekking tot feiten of het recht ten tijde van het sluiten van de overeenkomst indien:
(a) (i) de dwaling veroorzaakt is door inlichtingen gegeven door de wederpartij; of
(ii) de wederpartij wist of behoorde te weten van de dwaling en het in strijd was met de eisen van goede trouw om de dwalende in dwaling te laten; of
(iii) de wederpartij in dezelfde dwaling verkeerde, en
(b) de wederpartij wist of behoorde te weten dat de dwalende, indien hij de juiste toedracht had gekend, de overeenkomst niet had gesloten of slechts onder wezenlijk andere voorwaarden.
(2) Een partij kan een overeenkomst echter niet vernietigen indien:
(a) de dwaling in de gegeven omstandigheden onverschoonbaar was; of
(b) zij het risico van dwaling had aanvaard of het gezien de omstandigheden, voor haar rekening behoort te blijven.
Artikel 4:104: Fout in de mededeling
Een fout in een verklaring of in de overbrenging daarvan wordt beschouwd als een dwaling van de partij die de verklaring deed of verzond, en Artikel 4:103 is van toepassing.
Artikel 4:105: Aanpassing van de overeenkomst
(1) Is een partij bevoegd de overeenkomst wegens dwaling te vernietigen, maar geeft de wederpartij aan dat ze bereid is de overeenkomst na te komen, of komt ze deze na, zoals ze was begrepen door de partij die tot vernietiging bevoegd is, dan wordt de overeenkomst geacht te zijn gesloten zoals de dwalende partij ze begreep. De wederpartij moet zijn bereidheid om na te komen aangeven c.q. nakomen onmiddellijk nadat zij is ingelicht over de wijze waarop de tot vernietiging bevoegde partij de overeenkomst heeft begrepen en voordat die partij in vertrouwen op een verklaring tot vernietiging heeft gehandeld.
(2) Na dit aangeven of deze nakoming vervalt de bevoegdheid tot vernietiging en heeft een eerdere verklaring tot vernietiging geen werking .
(3) Verkeerden beide partijen in dezelfde dwaling, kan de rechter op verzoek van één van hen de overeenkomst in overeenstemming brengen met wat in redelijkheid zou kunnen zijn overeengekomen indien de dwaling niet had plaatsgevonden.
Artikel 4:106: Onjuiste inlichtingen
Een partij die op grond van onjuiste inlichtingen gegeven door de wederpartij een overeenkomst heeft gesloten, kan schadevergoeding vorderen overeenkomstig Artikel 4:117(2) en (3), zelfs indien de onjuiste inlichtingen geen grond vormen om de overeenkomst wegens dwaling te vernietigen overeenkomstig Artikel 4:103, tenzij de partij die de inlichtingen heeft gegeven, reden had om aan te nemen dat ze correct waren.
Artikel 4:107: Bedrog
(1) Een partij kan een overeenkomst vernietigen indien zij door de wederpartij tot het sluiten ervan is bewogen door een bedrieglijke voorstelling van zaken, zij het door woorden of door gedraging, of een bedrieglijke verzwijging van enige inlichting die de wederpartij overeenkomstig de eisen van goede trouw diende mee te delen.
(2) Een voorstelling van zaken of een verzwijging is bedrieglijk indien ze bedoeld is om te misleiden.
(3) Bij de beoordeling of de goede trouw vereist dat een partij een welbepaalde inlichting meedeelt, dient te worden gelet op alle omstandigheden, waaronder:
(a) of de partij een bijzondere deskundigheid had;
(b) de kosten voor de partij om de relevante inlichting te verkrijgen;
(c) of de wederpartij redelijkerwijs de inlichting voor zichzelf kon verkrijgen; en
(d) het belang dat de inlichting schijnbaar voor de wederpartij had.
Artikel 4:108: Bedreiging
Een partij kan een overeenkomst vernietigen indien zij door de wederpartij tot het sluiten van de overeenkomst is bewogen door een onmiddellijke en ernstige bedreiging die:
(a) op zichzelf onrechtmatig is; of
(b) onrechtmatig om te gebruiken als middel om het sluiten van een overeenkomst te bewerkstelligen, tenzij de eerste partij in redelijkheid een andere keuze had.
Artikel 4:109: Misbruik van omstandigheden of buitensporig voordeel
(1) Een partij kan een overeenkomst vernietigen indien, bij het sluiten van de overeenkomst:
(a) zij afhankelijk was van de wederpartij of in een vertrouwensrelatie tot de wederpartij stond, zich in een economische noodtoestand bevond of dringende behoeften had, lichtzinnig, onwetend of onervaren was, of gebrek aan vaardigheid in het onderhandelen had, en
(b) de wederpartij daarvan kennis had of behoorde te hebben en, gelet op de omstandigheden en de strekking van de overeenkomst, grovelijk misbruik maakte van de toestand van de eerste partij of er een buitensporig voordeel uit haalde.
(2) Op verzoek van de partij die bevoegd is tot vernieti-ging, kan de rechter, indien dit passend is, de overeenkomst aanpassen om ze in overeenstemming te brengen met wat zou kunnen zijn overeengekomen indien de eisen van de goede trouw nageleefd waren.
(3) De rechter kan de overeenkomst ook aanpassen op verzoek van een partij die een verkla-ring tot vernietiging wegens grovelijk misbruik of buitensporig voordeel heeft ontvangen, mits deze dit aan de weder-partij die de kennisgeving deed, onmiddellijk na ontvangst ervan, en voordat die partij in vertrouwen daarop heeft gehandeld, meedeelt.
Artikel 4:110: Niet afzonderlijk onderhandelde oneerlijke bedingen
(1) Een partij kan een niet afzonderlijk onderhandeld beding vernietigen indien het in strijd met de eisen van de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van die partij aanzienlijk verstoort, gelet op de aard van de verschuldigde prestatie, alle andere bepalingen van de overeenkomst en de omstandigheden bij het sluiten van de overeenkomst.
(2) Deze bepaling heeft geen betrekking op:
(a) een beding dat het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst bepaalt, voor zover het duidelijk en begrijpelijk is verwoord; of op
(b) de gelijkheid in waarde van de verbintenissen van de ene partij vergeleken met die van de andere partij.
Artikel 4:111: Derden
(1) Wanneer een derde voor wiens handelen een partij aansprakelijk is, of die met de instemming van een partij betrokken is bij het sluiten van een overeenkomst
(a) een dwaling veroorzaakt door het geven van inlichtingen, of wist of behoorde te weten van een dwaling,
(b) onjuiste inlichtingen geeft,
(c) bedrog pleegt,
(d) een bedreiging uit, of
(e) misbruik maakt van omstandigheden of er een buitensporig voordeel uit trekt,
dan beschikt de wederpartij over de uit dit Hoofdstuk voortvloeiende rechten onder dezelfde voorwaarden als wanneer het gaat om de gedragingen of kennis van de eerste partij zelf.
(2) Wanneer een andere derde:
(a) onjuiste inlichtingen geeft,
(b) bedrog pleegt
(c) een bedreiging uit, of
(d) misbruik maakt van omstandigheden of er een buitensporig voordeel uit trekt,
dan beschikt de wederpartij over de uit dit Hoofdstuk voortvloeiende rechten indien de eerste partij de relevante feiten kende of behoorde te kennen dan wel ten tijde van de vernietiging nog niet in vertrouwen op de overeenkomst heeft gehandeld.
Artikel 4.112: Vernietiging door kennisgeving
Vernietiging geschiedt door een kennisgeving aan de wederpartij.
Artikel 4:113: Termijnen
(1) Vernietiging dient te geschieden binnen een gelet op de omstandigheden redelijke termijn nadat de tot vernietiging bevoegde partij de relevante feiten kende of behoorde te kennen of in staat is geworden om in vrijheid te handelen.
(2) Vernietiging van een afzonderlijk beding overeenkomstig Artikel 4:110 kan evenwel gebeuren binnen een redelijke termijn nadat de wederpartij op dat beding een beroep doet.
Artikel 4:114: Bevestiging
Vernietiging van de overeenkomst is uitgesloten indien de daartoe bevoegde partij deze uitdrukkelijk of stilzwijgend bevestigt nadat zij de vernietigingsgrond kende of in staat is geworden om in vrijheid te handelen.
Artikel 4:115: Gevolgen van de vernietiging
Na vernietiging kan iedere partij terugvorderen wat zij op grond van de overeenkomst heeft gepresteerd, mits zij gelijktijdig teruggeeft wat zij heeft ontvangen. Is teruggave in natura om welke reden ook niet mogelijk, dient een redelijke vergoeding te worden betaald voor wat ontvangen werd.
Artikel 4:116: Gedeeltelijke vernietiging
Heeft een grond voor vernietiging alleen betrekking op afzonderlijke bedingen van een overeenkomst, dan is de vernietiging daartoe beperkt, tenzij het gelet op alle omstandigheden van het geval onredelijk is de overeenkomst voor het overige in stand te laten.
Artikel 4:117: Schadevergoeding
(1) Een partij die op grond van dit Hoofdstuk een overeenkomst vernietigt, kan van de wederpartij de schadevergoeding vorderen die haar zo dicht mogelijk in de toestand brengt in welke zij had verkeerd indien zij de overeenkomst niet had gesloten, mits de wederpartij kennis had of behoorde te hebben van de dwaling, het bedrog, de bedreiging of het misbruik van omstandigheden of buitensporig voordeel.
(2) Heeft een partij de bevoegdheid een overeenkomst te vernietigen op grond van dit Hoofdstuk, maar oefent ze die niet uit of heeft ze die verloren krachtens Artikel 4:113 of 4:114, kan zij onder de voorwaarden van lid (1) vergoeding vorderen van de schade die zij geleden heeft door de dwaling, het bedrog, de bedreiging of het misbruik van omstandigheden of buitensporig voordeel. Dezelfde maatstaf voor schadevergoeding geldt wanneer een partij misleid is door onjuiste inlichtingen in de zin van Artikel 4:106.
(3) Voor het overige zijn de relevante bepalingen van Hoofdstuk 9, Afdeling 5 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:118: Beperking of uitsluiting van rechten
(1) Rechten wegens bedrog, bedreiging en misbruik van omstandigheden of buitensporig voordeel en de bevoegdheid een niet afzonderlijk onderhandeld oneerlijk beding te vernietigen, kunnen niet worden uitgesloten of beperkt.
(2) Rechten wegens dwaling en onjuiste inlichtingen kunnen worden uitgesloten of beperkt, tenzij de uitsluiting of beperking in strijd komt met de eisen van de goede trouw.
Artikel 4:119: Rechten wegens tekortkoming
Heeft een partij een recht op grond van dit Hoofdstuk in omstandigheden die haar ook een recht wegens tekortkoming opleveren, dan heeft zij de keuze tussen beiden.
HOOFDSTUK 5 : Uitleg
Artikel 5:101: Algemene uitlegregels
(1) Een overeenkomst dient te worden uitgelegd overeenkomstig de gemeenschappelijke wil van partijen, ook indien deze verschilt van de letterlijk betekenis van de woorden.
(2) Is aangetoond dat de ene partij de overeenkomst in een bepaalde zin begreep en de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet onkundig kon zijn van de wil van de eerste partij, dan dient de overeenkomst te worden uitgelegd zoals begrepen door de eerste partij.
(3) Kan geen wil worden aangetoond overeenkomstig lid (1) en (2), dan dient de overeenkomst te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die redelijke personen van dezelfde hoedanigheid als partijen daaraan in dezelfde omstandigheden zouden geven.
Artikel 5:102: Relevante omstandigheden
Bij de uitlegging van de overeenkomst dient in het bijzonder te worden gelet op:
(a) de omstandigheden waarin ze werd gesloten, inbegrepen de voorafgaande onderhandelingen;
(b) de gedragingen van partijen, ook na het sluiten van de overeenkomst;
(c) de aard en de strekking van de overeenkomst;
(d) de betekenis die partijen reeds aan gelijkaardige bedingen hebben gegeven en de tussen hen gebruikelijke handelwijzen;
(e) de betekenis die in de betrokken bedrijfstak gewoonlijk aan de bepalingen wordt gegeven, en de uitleg die gelijkaardige bedingen reeds eerder hebben gekregen;
(f) gewoonten; en
(g) de eisen van de goede trouw.
Artikel 5:103: Uitleg Contra Proferentem
In geval van twijfel over de betekenis van een niet afzonderlijk onderhandelde bepaling dient deze bij voorkeur te worden uitgelegd in het nadeel van de partij die ze heeft aangebracht.
Artikel 5:104: Voorrang voor afzonderlijk onderhandelde bedingen
Bepalingen waarover afzonderlijk onderhandeld is, gaan voor op niet afzonderlijk onderhandelde bepalingen.
Artikel 5:105: Uitleg met inachtneming van de overeenkomst als geheel
Bepalingen dienen te worden uitgelegd met inachtneming van de gehele overeenkomst waarin ze voorkomen.
Artikel 5:106: Gevolg geven aan alle bepalingen
Bepalingen dienen bij voorkeur te worden uitgelegd in een zin waarin zij wettig zijn of gevolg hebben, eerder dan in een zin waarin dit niet zo is.
Artikel 5:107: Verschil tussen talen
Is een overeenkomst opgesteld in twee of meer talen zonder dat bepaald is dat een van de versies gezaghebbend is, dan heeft, in geval van verschil tussen hen, de uitleg overeenkomstig de oorspronkelijke versie de voorkeur.
HOOFDSTUK 6 : Inhoud en gevolgen
Artikel 6:101: Mededelingen die verbintenissen uit overeenkomst inhouden
(1) Een mededeling door een partij gedaan vóór of bij het sluiten van een overeenkomst houdt een verbintenis uit overeenkomst in indien de wederpartij ze in de gegeven omstandigheden in redelijkheid zo heeft begrepen, gelet op:
(a) het belang dat de mededeling schijnbaar voor de wederpartij had;
(b) het feit of de mededeling in het handelsverkeer werd gedaan; en
(c) de onderscheiden deskundigheid van partijen.
(2) Gaat het om een beroepsmatige leverancier die voor het sluiten van een overeenkomst voor diensten, waren of andere goederen, bij het in de handel brengen of adverteren ervan of op een andere wijze, inlichtingen geeft over de hoedanigheid of het gebruik ervan, dan houdt de mededeling een verbintenis uit overeenkomst in, tenzij is aangetoond dat de wederpartij wist of er niet onkundig van kon zijn dat de mededeling onjuist was.
(3) Gaat het om dergelijke inlichtingen of andere verbintenissen vanwege een persoon die voor de beroepsmatige leverancier diensten, waren of andere goederen in de handel brengt of adverteert, of vanwege een persoon in een eerdere schakel van de distributieketen, dan houden zij een verbintenis uit overeenkomst in van de beroepsmatige leverancier zelf, tenzij deze niet wist van de inlichting of verbintenis en evenmin reden had ervan te weten.
Artikel 6:102: Stilzwijgende bepalingen
Naast uitdrukkelijke bepalingen kan een overeenkomst stilzwijgend aangegane bepalingen bevatten die voortvloeien uit :
(a) de wil van de partijen;
(b) de aard en strekking van de overeenkomst;
(c) de eisen van de goede trouw.
Artikel 6:103: Simulatie
Hebben partijen een schijnbare overeenkomst gesloten die niet bedoeld is om hun werkelijke overeenstemming uit te drukken, dan geldt tussen hen de niet geveinsde overeenkomst.
Artikel 6:104: Prijsbepaling
Bepaalt de overeenkomst noch de prijs, noch de wijze van vaststelling daarvan, dan worden de partijen geacht een redelijke prijs te zijn overeengekomen.
Artikel 6:105: Partijbeslissing
Dient de prijs of enige andere bepaling van een overeenkomst te worden vastgesteld door een van de partijen, en is de door deze vastgestelde prijs kennelijk onredelijk, dan treedt, niettegenstaande elk strijdig beding, een redelijke prijs of andere bepaling daarvoor in de plaats.
Artikel 6:106. Derdenbeslissing
(1) Dient de prijs of enige andere bepaling van een overeenkomst te worden vastgesteld door een derde, en kan deze niet of weigert deze de prijs vast te stellen, dan worden partijen geacht de rechter de bevoegdheid te hebben gegeven een andere derde aan te duiden voor de bepaling.
(2) Is de door een derde vastgestelde prijs of enige andere bepaling van een overeenkomst kennelijk onredelijk, dan treedt een redelijke prijs of andere bepaling daarvoor in de plaats.
Artikel 6:107: Verwijzing naar een onbestaande maatstaf
Dient de prijs of enige andere bepaling van een overeenkomst te worden vastgesteld aan de hand van een gegeven dat niet of niet meer bestaat of niet kenbaar is, dan treedt het meest vergelijkbare gegeven daarvoor in de plaats.
Artikel 6:108: Kwaliteit van nakoming
Is de kwaliteit van de verschuldigde prestatie niet in de overeenkomst bepaald, dient de schuldenaar een prestatie van minstens gemiddelde kwaliteit aan te bieden.
Artikel 6:109: Overeenkomst voor onbepaalde tijd
Een overeenkomst voor onbepaalde tijd kan door iedere partij worden opgezegd door een kennisgeving met een redelijke opzeggingstermijn.
Artikel 6:110: Beding ten gunste van een derde
(1) Een derde kan nakoming vorderen van een verbintenis uit overeenkomst indien dit recht uitdrukkelijk is overeengekomen tussen de belover en de bedinger, of dergelijke overeenkomst dient te worden afgeleid uit de strekking van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Het is niet vereist dat de derde genoemd wordt bij het sluiten van deze overeenkomst.
(2) Doet de derde afstand van zijn recht op de prestatie, dan wordt hij geacht het nooit te hebben verkregen.
(3) De bedinger kan het recht van de derde op de prestatie herroepen door kennisgeving aan de belover, tenzij:
(a) de bedinger reeds meegedeeld had aan de derde dat het recht onherroepelijk was geworden; of
(b) de derde reeds meegedeeld had aan de belover of de bedinger dat hij het recht aanvaardt.
Artikel 6:111: Gewijzigde omstandigheden
(1) Een partij blijft verplicht tot nakoming van haar verbintenissen, ook indien deze bezwarender is geworden, hetzij doordat de kosten van nakoming zijn vermeerderd, hetzij doordat de waarde van de tegenprestatie die zij ontvangt is verminderd.
(2) Wordt de nakoming echter buitensporig bezwarend door een wijziging van omstandigheden:
(a) die plaatsvond na het sluiten van de overeenkomst;
(b) die niet van een dergelijke aard is dat er bij het sluiten van de overeenkomst redelijkerwijs rekening mee kon worden gehouden; en
(c) waarvoor de bezwaarde partij niet krachtens de overeenkomst het risico dient te dragen,
dan zijn partijen verplicht in onderhandeling te treden met het oog op een aanpassing of ontbinding van de overeenkomst.
(3) Komen partijen niet binnen een redelijke termijn tot overeenstemming, dan kan de rechter:
(a) de overeenkomst ontbinden op de datum en onder de voorwaarden die hij bepaalt; of
(b) de overeenkomst wijzigen ten einde de uit de wijziging van omstandigheden voortvloeiende winst en verlies billijk over de partijen te verdelen.
In beide gevallen kan de rechter een vergoeding toekennen voor het verlies dat geleden wordt doordat een partij weigert te onderhandelen of de onderhandelingen in strijd met de eisen van de goede trouw afbreekt.
HOOFDSTUK 7 : Nakoming
Artikel 7:101: Plaats van nakoming
(1) Is de plaats van nakoming niet in de overeenkomst bepaald, noch op grond daarvan te bepalen, dan moet nakoming geschieden:
(a) bij een verbintenis tot betaling van een geldsom, op de plaats van vestiging van de schuldeiser bij het sluiten van de overeenkomst;
(b) bij een andere verbintenis, op de plaats van vestiging van de schuldenaar bij het sluiten van de overeenkomst;
(2) Heeft een partij meer dan één plaats van vestiging, dan geldt voor de toepassing van lid (1) de vestiging die, gelet op de omstandigheden die partijen bij het sluiten van de overeenkomst kenden of op het oog hadden, het nauwst met de overeenkomst is verbonden.
(3) Heeft een partij geen plaats van vestiging, dan geldt zijn gewone verblijfplaats als zodanig.
Artikel 7:102: Tijdstip van nakoming
Een partij moet nakomen:
(a) indien een tijdstip in de overeenkomst is bepaald of op grond daarvan kan worden bepaald, op dat tijdstip;
(b) indien een termijn in de overeenkomst is bepaald of op grond daarvan kan worden bepaald, op enig tijdstip binnen die termijn, tenzij uit de omstandigheden van het geval blijkt dat de andere partij een tijdstip kan kiezen;
(c) in de overige gevallen, binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst.
Artikel 7:103: Vroegtijdige nakoming
(1) De schuldeiser kan een aanbod om de verbintenis na te komen vooraleer ze opeisbaar is afwijzen, tenzij de aanvaarding ervan zijn belang niet onredelijk zou aantasten.
(2) Aanvaarding door een partij van een eerdere nakoming doet geen afbreuk aan het tijdstip dat bepaald is voor de nakoming van haar eigen verbintenissen.
Artikel 7:104: Volgorde van nakoming
Voor zover de door de partijen verschuldigde prestaties gelijktijdig kunnen worden geleverd, zijn partijen verplicht gelijktijdig na te komen, tenzij uit de omstandigheden anders volgt.
Artikel 7:105: Alternatieve verbintenissen
(1) Kan een schuldenaar een verbintenis nakomen door één uit verschillende alternatieve prestaties te leveren, komt de keuze aan hem toe, tenzij uit de omstandigheden het tegendeel blijkt.
(2) Verzuimt de partij die de keuze heeft, deze te maken binnen de door de overeenkomst bepaalde termijn, en:
(a) is de vertraging in de keuze wezenlijk, dan gaat het keuzerecht over naar de wederpartij;
(b) is de vertraging in de keuze niet wezenlijk, dan kan de wederpartij door een kennisgeving een aanvullende termijn van redelijke duur bepalen, waarbinnen de eerste partij de keuze moet maken. Verzuimt deze dit, dan gaat het keuzerecht over naar de wederpartij.
Artikel 7:106: Nakoming door een derde
(1) Tenzij de overeenkomst persoonlijke nakoming vereist, kan de schuldeiser nakoming door een derde niet weigeren indien deze:
(a) met de instemming van de schuldenaar handelt; of
(b) een rechtmatig belang heeft bij de nakoming en de schuldenaar tekortschiet dan wel het vaststaat dat hij zal tekortschieten wanneer nakoming opeisbaar wordt.
(2) Nakoming door een derde in overeenstemming met lid (1) bevrijdt de schuldenaar jegens de schuldeiser.
Artikel 7:107: Wijze van betaling van een geldsom
(1) Betaling van een geldsom kan geschieden op iedere wijze die in het handelsverkeer gebruikelijk is.
(2) Een schuldeiser die ingevolge de overeenkomst of vrijwillig een cheque, een andere betalingsopdracht of een belofte tot betaling aanvaardt, wordt vermoed dit slechts te doen onder voorbehoud van goede afloop. De schuldeiser mag de nakoming van de oorspronkelijke verbintenis niet vervolgen, tenzij de betalingsopdracht of belofte niet wordt nagekomen.
Artikel 7:108: Betaalvaluta
(1) Partijen kunnen overeenkomen dat betaling van een geldsom slechts in een bepaalde munt mag geschieden.
(2) Bij gebreke van dergelijke overeenkomst, kan de schuldenaar een geldsom uitgedrukt in een andere munt dan gangbaar op de plaats van betaling, betalen in de daar gangbare munt aan de op het tijdstip waarop de betaling is verschuldigd geldende wisselkoers.
(3) Heeft de schuldenaar in het geval van lid (2) niet tijdig betaald, dan kan de schuldeiser betaling vorderen in de munt gangbaar op de plaats van betaling aan de wisselkoers die geldt op het tijdstip waarop de betaling is verschuldigd, dan wel die op het tijdstip waarop de betaling is geschied.
Artikel 7:109: Toerekening van betalingen
(1) Is een partij meer dan één prestatie van dezelfde aard verschuldigd en is de aangeboden prestatie onvoldoende om alle schulden te voldoen, dan kan zij, onverminderd lid (4), bij de levering van die prestatie verklaren op welke schuld deze wordt toegerekend.
(2) Bij gebreke van een zodanige verklaring van de schuldenaar op dat tijdstip, kan de schuldeiser de prestatie binnen een redelijke termijn toerekenen op een schuld naar zijn keuze. Hij dient de schuldenaar hiervan in te lichten. Deze toerekening is evenwel ongeldig indien ze geschiedt op een schuld die:
(a) nog niet opeisbaar is;
(b) onwettig is; of
(c) betwist is.
(3) Bij gebreke van een toerekening door één der partijen, en onverminderd lid (4), wordt de prestatie toegerekend op de schuld die, in volgorde, aan de volgende maatstaven voldoet:
(a) de schuld die opeisbaar is of als eerste opeisbaar wordt;
(b) de schuld waarvoor de schuldeiser over de zwakste zekerheden beschikt;
(c) de schuld die voor de schuldenaar het meest bezwarend is;
(d) de oudste schuld.
Vindt geen van deze maatstaven toepassing, dan geschiedt de toerekening op alle schulden naar evenredigheid.
(4) Bij een verbintenis tot betaling van een geldsom wordt een betaling eerst toegerekend op de kosten, vervolgens op de rente en ten slotte op de hoofdsom, tenzij de schuldeiser ze anders toerekent.
Artikel 7:110: Verzuim zaken in ontvangst te nemen
(1) Een partij die zaken, andere dan een geldsom, onder zich heeft omdat de wederpartij verzuimt ze in ontvangst te nemen of terug te nemen, moet redelijke maatregelen voor de bescherming en het behoud van de zaken treffen.
(2) De partij onder wie de zaken zich bevinden kan zich bevrijden van haar verbintenis tot afgifte of teruggave door:
(a) ze aan redelijke voorwaarden in bewaring te geven bij een derde om te worden opgeslagen aan order van de wederpartij, en de wederpartij hiervan kennis te geven; of
(b) ze, na de wederpartij hiervan kennis te hebben gegeven, aan redelijke voorwaarden te verkopen en de netto opbrengst af te dragen aan die wederpartij.
(3) Zijn de zaken aan snelle achteruitgang onderhevig of zou de bewaring ervan onredelijke kosten meebrengen, dan moet de partij redelijke maatregelen treffen om deze te verkopen. Zij kan zich bevrijden van haar verbintenis tot afgifte of teruggave door de netto opbrengst af te dragen aan de wederpartij.
(4) De partij onder wie de zaken zich bevinden is gerechtigd om de in redelijkheid gemaakte kosten terug te vorderen of van de opbrengst af te houden.
Artikel 7:111: Verzuim geld in ontvangst te nemen
Verzuimt een partij geld in ontvangst te nemen dat naar behoren wordt aangeboden door de wederpartij, dan kan de wederpartij zich, na kennisgeving aan de eerste partij, bevrijden door de som overeenkomstig het recht van de plaats waar de betaling verschuldigd is, voor rekening van de eerste partij in bewaring te geven bij een derde.
Artikel 7:112: Kosten van nakoming
Iedere partij draagt de kosten van nakoming van haar verbintenissen.
HOOFDSTUK 8: Niet-nakoming en rechten bij tekortkoming in het algemeen
Artikel 8:101: Rechten bij tekortkoming
(1) Schiet een partij tekort in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst en wordt de tekortkoming haar volgens Artikel 8:108 toegerekend, dan kan de schuldeiser elk van de in Hoofdstuk 9 vervatte rechten uitoefenen.
(2) Wordt de tekortkoming de schuldenaar volgens Artikel 8:108 niet toegerekend, dan kan de schuldeiser elk van de in Hoofdstuk 9 vervatte rechten uitoefenen, behalve de aanspraken op nakoming en tot schadevergoeding.
(3) Een partij kan geen van de in Hoofdstuk 9 vervatte rechten uitoefenen voor zover de tekortkoming van de wederpartij is veroorzaakt door haar eigen handelen.
Artikel 8:102: Cumuleren van rechten
Rechten die niet onverzoenbaar zijn, kunnen worden gecumuleerd. Meer bepaald verliest een partij haar recht op schadevergoeding niet door de uitoefening van een ander recht uit tekortkoming.
Artikel 8:103: Wezenlijke tekortkoming
Een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis vormt een wezenlijke tekortkoming indien:
(a) strikte naleving van de verbintenis voor de overeenkomst van wezenlijk belang is; of
(b) de tekortkoming de schuldeiser wezenlijk onthoudt hetgeen hij krachtens de overeenkomst mocht verwachten tenzij de wederpartij dit noch voorzag noch redelijkerwijs kon voorzien; of
(c) de tekortkoming opzettelijk is en de schuldeiser goede gronden geeft om niet meer te vertrouwen op een toekomstige nakoming door de wederpartij.
Artikel 8:104: Zuivering door de tekortschietende partij
Wordt een aangeboden prestatie door de wederpartij niet aanvaard omdat ze niet aan de overeenkomst beantwoordt, dan mag de schuldenaar een nieuw aanbod doen dat wel aan de overeenkomst beantwoordt zolang de tijd voor nakoming niet is verstreken of de vertraging geen wezenlijke tekortkoming vormt.
Artikel 8:105: Zekerheidstelling voor nakoming
(1) Een partij die goede gronden heeft te vrezen dat de wederpartij wezenlijk zal tekortschieten kan een passende zekerheid voor behoorlijke nakoming vorderen en kan ondertussen de nakoming van haar eigen verbintenissen opschorten zolang die goede gronden gelden.
(2) Wordt deze zekerheid niet binnen redelijke termijn gesteld, dan kan de eerstgenoemde partij de overeenkomst ontbinden indien ze nog steeds goede gronden heeft te vrezen dat de wederpartij wezenlijk zal tekortschieten en onverwijld kennis geeft van ontbinding.
Artikel 8:106: Kennisgeving van een aanvullende termijn voor nakoming
(1) Bij elke tekortkoming kan de schuldeiser de wederpartij door een kennisgeving een aanvullende termijn voor nakoming toestaan.
(2) Gedurende de aanvullende termijn kan de schuldeiser de nakoming van zijn eigen daartegenover staande verbintenissen opschorten en vergoeding van zijn schade vorderen, maar hij kan geen beroep doen op enig ander recht uit tekortkoming. Ontvangt de schuldeiser een kennisgeving van de wederpartij dat zij niet binnen deze termijn zal nakomen, of is binnen deze termijn niet naar behoren nagekomen, dan kan de schuldeiser een beroep doen op ieder recht waarover hij krachtens Hoofdstuk 9 beschikt.
(3) Vormt een vertraging in de nakoming geen wezenlijke tekortkoming en heeft de schuldeiser door een kennisgeving een redelijke aanvullende termijn voor nakoming toegestaan, dan kan hij na verloop van deze termijn de overeenkomst ontbinden. De schuldeiser kan in zijn kennisgeving bepalen dat de overeenkomst van rechtswege ontbonden zal zijn indien de wederpartij niet binnen de toegestane termijn nakomt. Is de toegestane termijn te kort, dan kan de schuldeiser de overeenkomst slechts ontbinden c.q. de ontbinding van rechtswege maar ingaan na een redelijke termijn te rekenen vanaf de kennisgeving.
Artikel 8:107 Nakoming aan een ander toevertrouwd
Een partij die de nakoming van een verbintenis aan een derde toevertrouwt blijft daarvoor aansprakelijk.
Artikel 8:108: Niet toerekenbare tekortkoming
(1) Een tekortkoming wordt een partij niet toegerekend indien deze bewijst dat ze werd veroorzaakt door een hindernis die buiten haar macht lag en van haar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat zij bij het sluiten van de overeenkomst met die hindernis rekening zou hebben gehouden of deze of de gevolgen daarvan zou hebben vermeden of ondervangen.
(2) Is de verhindering slechts tijdelijk, dan wordt de tekortkoming niet toegerekend gedurende de termijn van verhindering. Vormt de vertraging echter een wezenlijke tekortkoming, dan kan de schuldeiser ze als dusdanig behandelen.
(3) De partij die tekortschiet moet ervoor zorgen dat de wederpartij binnen een redelijke termijn nadat de eerste partij deze omstandigheden kende of behoorde te kennen, kennis krijgt van de hindernis en van de gevolgen daarvan voor haar vermogen om na te komen. De wederpartij heeft recht op vergoeding van de schade veroorzaakt door het niet ontvangen van een dergelijke kennisgeving.
Artikel 8:109: Beding tot uitsluiting of beperking van rechten
Rechten uit tekortkoming kunnen worden uitgesloten of beperkt, tenzij de uitsluiting of beperking in strijd komt met de eisen van de goede trouw.
HOOFDSTUK 9 : Afzonderlijke rechten bij tekortkoming
Afdeling 1 : Recht op nakoming
Artikel 9:101: Verbintenis tot betaling van een geldsom
(1) De schuldeiser van een geldsom is gerechtigd om de betaling ervan te vervolgen.
(2) Heeft de schuldeiser zijn tegenprestatie nog niet geleverd en staat het vast dat de schuldenaar deze niet in ontvangst zal willen nemen, dan kan de schuldeiser desalniettemin overgaan tot nakoming en de betaling van elke krachtens de overeenkomst verschuldigde geldsom vervolgen, tenzij:
(a) hij zonder noemenswaardige inspanning of kosten een redelijke vervangende overeenkomst kon hebben gesloten; of
(b) nakoming in de gegeven omstandigheden onredelijk zou zijn.
Artikel 9:102: Verbintenis anders dan tot betaling van een geldsom
(1) De schuldeiser van een verbintenis anders dan tot betaling van een geldsom, is gerechtigd om nakoming te vorderen, daaronder begrepen het verhelpen van een gebrekkige prestatie.
(2) Nakoming kan echter niet worden gevorderd indien:
(a) nakoming onwettig of onmogelijk zou zijn; of
(b) nakoming voor de schuldenaar onredelijke inspanningen of kosten zou inhouden; of
(c) nakoming bestaat uit de levering van werk of diensten van persoonlijke aard of afhangt van een persoonlijke verhouding; of
(d) de schuldeiser de prestatie redelijkerwijs elders kan verkrijgen;
(3) De schuldeiser verliest het recht op nakoming indien hij ze niet vordert binnen een redelijke termijn nadat hij wist of behoorde te weten van de tekortkoming.
Artikel 9:103: Schadevergoeding onverlet
Het ontbreken van een recht op nakoming krachtens deze Afdeling laat het recht op schadevergoeding onverlet.
Afdeling 2 : Opschorting van nakoming
Artikel 9:201: Opschortingrecht
(1) Een partij die niet gehouden is eerder dan de wederpartij na te komen, mag nakoming opschorten tot de wederpartij nakomt of nakoming aanbiedt. Naargelang dit in de gegeven omstandigheden redelijk is, kan de opschorting de gehele prestatie betreffen of een deel ervan.
(2) Een partij mag eveneens nakoming opschorten zolang het vaststaat dat de wederpartij zal tekortschieten wanneer nakoming opeisbaar wordt.
Afdeling 3 : Ontbinding van de overeenkomst
Artikel 9:301: Bevoegdheid tot ontbinding
(1) Een partij kan de overeenkomst ontbinden indien de tekortkoming van de wederpartij wezenlijk is.
(2) In geval van vertraging kan de schuldeiser de overeenkomst ontbinden overeenkomstig Artikel 8:106 lid (3).
Artikel 9:302: Overeenkomst in gedeelten na te komen. Dient de overeenkomst in gedeelten te worden nagekomen en is er een wezenlijke tekortkoming betreffende een gedeelte waaraan een bepaalde tegenprestatie beantwoordt, dan kan de schuldeiser zijn bevoegdheid tot ontbinding uitoefenen ten aanzien van dat gedeelte van de overeenkomst. Hij kan de gehele overeenkomst enkel ontbinden indien de tekortkoming wezenlijk is ten aanzien van de overeenkomst als geheel.
Artikel 9:303: Ontbindingsverklaring
(1) Ontbinding geschiedt door een kennisgeving aan de wederpartij.
(2) De schuldenaar verliest zijn bevoegdheid tot ontbinding indien hij niet ontbindt binnen een redelijke termijn nadat hij wist of behoorde te weten van het aanbod of van de niet aan de overeenkomst beantwoordende nakoming.
(3) (a) Wordt nakoming niet aangeboden wanneer ze opeisbaar wordt, dan hoeft de schuldeiser niet over te gaan tot ontbinding vooraleer nakoming wordt aangeboden. Wordt zij later aangeboden, dan verliest hij zijn bevoegdheid tot ontbinding indien hij niet ontbindt binnen een redelijke termijn nadat hij wist of behoorde te weten van het aanbod.
(b) Weet de schuldeiser echter, of heeft hij reden om te weten, dat de wederpartij vooralsnog binnen een redelijke termijn nakoming wil aanbieden, en verzuimt hij onredelijkerwijs om de wederpartij kennis te geven dat hij de prestatie niet zal aanvaarden, dan verliest hij zijn bevoegdheid tot ontbinding indien de wederpartij daadwerkelijk binnen een redelijke termijn nakoming aanbiedt.
(4) Wordt de tekortkoming volgens Artikel 8:108 niet aan de schuldenaar toegerekend en is de verhindering volledig en bestendig, dan is de overeenkomst van rechtswege en zonder kennisgeving ontbonden zodra deze verhindering optreedt.
Artikel 9:304: Tekortkoming op voorhand
Staat het voor de dag waarop nakoming verschuldigd is vast dat een van de partijen wezenlijk zal tekortschieten, dan kan de wederpartij de overeenkomst ontbinden.
Artikel 9:305: Gevolgen van ontbinding in het algemeen
(1) Ontbinding van een overeenkomst bevrijdt de partijen van de verplichting om nog na te komen of nakoming te aanvaarden, maar doet geen afbreuk aan het gelden van de rechten en verbintenissen tot op het tijdstip van ontbinding, onverminderd wat bepaald is in Artikelen 9:306 tot 9:308.
(2) Ontbinding doet geen afbreuk aan een bepaling in de overeenkomst betreffende de beslechting van geschillen of aan enige andere bepaling van de overeenkomst die bestemd is om te blijven gelden na ontbinding.
Artikel 9:306: Waardevermindering van goederen
De partij die de overeenkomst ontbindt kan weigeren een voordien van de wederpartij ontvangen goed te behouden indien de waarde ervan voor de eerste partij wezenlijk verminderd is ten gevolge van de tekortkoming van de wederpartij.
Artikel 9:307: Terugvordering van betaalde geldsommen
Na ontbinding kan iedere partij de sommen terugvorderen die ze heeft betaald voor een prestatie die ze niet heeft ontvangen of gerechtvaardigd heeft geweigerd te behouden.
Artikel 9:308: Terugvordering van goederen
Na ontbinding kan iedere partij de goederen die ze heeft geleverd en waarvoor ze geen betaling of andere tegenprestatie heeft ontvangen, terugvorderen indien teruggave mogelijk is.
Artikel 9:309: Vergoeding voor prestaties die niet kunnen worden teruggegeven
Na ontbinding kan iedere partij die een prestatie geleverd heeft die niet kan worden teruggegeven en waarvoor zij geen betaling of andere tegenprestatie heeft ontvangen, een redelijke vergoeding vorderen van de waarde die de prestatie heeft voor de wederpartij.
Afdeling 4 : Prijsvermindering
Artikel 9:401: Recht op prijsvermindering
(1) Een partij die een aanbod tot nakoming, dat niet aan de overeenkomst beantwoordt, aanvaardt, kan de prijs verminderen. Deze vermindering is evenredig met de waardevermindering van de prestatie op het tijdstip waarop ze wordt aangeboden in verhouding tot de waarde die een aanbod dat wel aan de overeenkomst beantwoordt op dat tijdstip zou hebben gehad.
(2) De schuldeiser die krachtens het vorige lid de prijs kan verminderen en reeds een som heeft betaald die de verminderde prijs te boven gaat, kan het verschil terugvorderen van de wederpartij.
(3) De schuldeiser die de prijs vermindert kan niet tegelijk schadevergoeding vorderen voor de minderwaarde van de prestatie, maar blijft gerechtigd tot vergoeding van elke verdere schade die hij geleden heeft, voor zover deze kan gevorderd worden krachtens Afdeling 5 van dit Hoofdstuk.
Afdeling 5 : Schadevergoeding en rente
Artikel 9:501: Recht op schadevergoeding
(1) De schuldeiser is gerechtigd tot vergoeding van de schade veroorzaakt door de tekortkoming van de wederpartij, tenzij die volgens Artikel 8:108 niet aan de wederpartij wordt toegerekend.
(2) De schade waarvoor vergoeding kan worden gevorderd omvat:
(a) ander nadeel dan vermogensschade; en
(b) toekomstige schade waarvan het intreden met redelijke waarschijnlijkheid kan worden aangenomen.
Artikel 9:502: Algemene maatstaf voor de vergoeding
Als algemene maatstaf voor de vergoeding geldt de som die de schuldeiser zo dicht mogelijk in de toestand brengt in welke hij had verkeerd indien de overeenkomst behoorlijk was nagekomen. Vergoed wordt zowel het geleden verlies als de gederfde winst.
Artikel 9:503: Voorzienbaarheid
De partij die tekortschiet is slechts aansprakelijk voor de schade die zij bij het sluiten van de overeenkomst als waarschijnlijk gevolg van de tekortkoming had voorzien of redelijkerwijs kon voorzien, tenzij de tekortkoming opzettelijk of grof nalatig was.
Artikel 9:504: Aan de schuldeiser toerekenbare schade
De partij die tekortschiet is niet aansprakelijk voor de schade die de wederpartij lijdt voor zover deze laatste tot de tekortkoming of de gevolgen ervan heeft bijgedragen.
Artikel 9:505: Beperking van de schade
(1) De partij die tekortschiet is niet aansprakelijk voor schade geleden door de schuldeiser voor zover deze de schade kon beperken door het treffen van redelijke maatregelen.
(2) De schuldeiser heeft recht op vergoeding van alle kosten die in redelijkheid zijn gemaakt ter beperking van de schade.
Artikel 9:506: Vervangende overeenkomst
Heeft de schuldeiser de overeenkomst ontbonden, en binnen een redelijke termijn en op redelijke voorwaarden een vervangende overeenkomst gesloten, dan kan hij het prijsverschil vorderen tussen de oorspronkelijke overeenkomst en de vervangende overeenkomst, alsmede vergoeding van elke verdere schade voor zover deze kan gevorderd worden krachtens deze Afdeling.
Artikel 9:507: Marktprijs
Heeft de schuldeiser de overeenkomst ontbonden en geen vervangende overeenkomst gesloten, dan kan hij, indien er voor de overeengekomen prestatie een marktprijs is, het verschil vorderen tussen de overeengekomen prijs en de marktprijs ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst, alsmede vergoeding van elke verdere schade voor zover deze kan gevorderd worden krachtens deze Afdeling.
Artikel 9:508: Te late betaling van een geldsom - kapitalisatie van rente
(1) Bij te late betaling van een geldsom heeft de schuldeiser recht op rente over die som over de tijd tussen het tijdstip waarop betaling opeisbaar werd en het tijdstip van betaling aan de gemiddelde rentevoet zoals die geldt op de plaats waar de betaling verschuldigd is voor een lening op korte termijn in de betaalmunt door een handelsbank aan eerste klas leners.
(2) De schuldeiser kan vergoeding vorderen van elke verdere schade voor zover deze kan gevorderd worden krachtens deze Afdeling.
(3) (Art. 17:101 (1)) Rente die krachtens lid (1) verschuldigd is, wordt om de twaalf maanden toegevoegd aan het verschuldigde kapitaal.
(4) (Art. 17:101 (2)) Lid (3) van deze bepaling is niet van toepassing indien partijen vertragingsrente zijn overeengekomen voor het geval van te late betaling.
Artikel 9:509: Boetebeding
(1) Bepaalt de overeenkomst dat een partij die tekortschiet, wegens de tekortkoming een vastgestelde geldsom aan de schuldeiser dient te betalen, dan is de schuldeiser daartoe gerechtigd ongeacht zijn werkelijk geleden schade.
(2) De vastgestelde geldsom kan echter, niettegenstaande elk strijdig beding, gematigd worden tot een rede-lijk bedrag indien de geldsom buitensporig is in verhouding tot de schade die het gevolg is van de tekortkoming en tot de andere omstan-digheden.
Artikel 9:510: Schadevergoedingsvaluta
De schadevergoeding wordt begroot in de munt die de schade van de schuldeiser op de meest passende wijze uitdrukt.
HOOFDSTUK 10 : Pluraliteit van partijen
Afdeling 1 : Pluraliteit van schuldenaren
Artikel 10:101: Hoofdelijke, afzonderlijke en gezamenlijke verbintenissen
(1) Bij hoofdelijke verbintenissen zijn alle schuldenaren verbonden om eenzelfde prestatie te leveren en kan de schuldeiser van elk van hen nakoming vorderen tot hij volledige nakoming heeft ontvangen.
(2) Bij afzonderlijke verbintenissen is elke schuldenaar slechts verbonden om een deel van de prestatie te leveren en kan de schuldeiser van elke schuldenaar slechts zijn aandeel vorderen.
(3) Bij een gezamenlijke verbintenis zijn alle schuldenaren verbonden de verschuldigde prestatie gezamenlijk te leveren, en kan de schuldeiser nakoming slechts van allen gezamenlijk vorderen.
Artikel 10:102: Bronnen van hoofdelijke verbintenissen
(1) Is meer dan één schuldenaar verbonden om eenzelfde prestatie te leveren aan een schuldeiser krachtens eenzelfde overeenkomst, dan zijn ze hoofdelijk verbonden, tenzij de overeenkomst of het recht anders bepalen.
(2) Is meer dan één persoon aansprakelijk voor dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
(3) Dat de schuldenaren niet onder dezelfde voorwaarden verbonden zijn, is geen beletsel voor hoofdelijkheid.
Artikel 10:103: Afzonderlijke verbintenissen
Schuldenaren van afzonderlijke verbintenissen zijn verbonden voor een gelijk aandeel, tenzij de overeenkomst of het recht anders bepaalt.
Artikel 10:104: Gezamenlijke verbintenissen: bijzondere regel voor de verbintenis tot vergoeding in geld wegens niet-nakoming
Voor de verbintenis tot vergoeding in geld wegens niet-nakoming van een gezamenlijke verbintenis zijn de schuldenaren, niettegenstaande Artikel 10:101(3), hoofdelijk verbonden tot betaling aan de schuldeiser.
Artikel 10:105: Draagplicht tussen hoofdelijke schuldenaren
(1) Hoofdelijke schuldenaren zijn jegens elkaar verbonden om bij te dragen voor gelijke delen, tenzij de overeenkomst of het recht anders bepaalt.
(2) Is meer dan één schuldenaar overeenkomstig Artikel 10:102 (2) aansprakelijk voor dezelfde schade, dan wordt de bijdrage waartoe elk van hen in de onderlinge verhouding verbonden is, bepaald door het recht toepasselijk op de gebeurtenis waaruit de aansprakelijkheid is ontstaan.
Artikel 10:106: Verhaal tussen hoofdelijke schuldenaren
(1) Een hoofdelijke schuldenaar die meer dan zijn bijdrage is nagekomen, kan het meerdere vorderen van elk van de andere hoofdelijke schuldenaren tot beloop van diens niet-nagekomen bijdrage, vermeerderd met een evenredig aandeel in de redelijkerwijze gemaakte kosten.
(2) Een hoofdelijke schuldenaar waarvoor lid (1) geldt, treedt ook tot beloop van het meerdere in de rechten van de schuldeiser, met inbegrip van accessoire zekerheden, om dit meerdere te vorderen van elk van de andere hoofdelijke schuldenaren tot beloop van diens niet-nagekomen bijdrage, evenwel onverminderd de rechten die de schuldeiser heeft behouden.
(3) Kan een hoofdelijke schuldenaar die meer dan zijn bijdrage is nagekomen, ondanks alle redelijke inspanningen de bijdrage van een andere hoofdelijke schuldenaar niet innen, dan stijgt de bijdrage waartoe de andere hoofdelijke schuldenaren verbonden zijn, inbegrepen degene die nagekomen is, evenredig.
Artikel 10:107: Nakoming, verrekening en schuldvermenging bij hoofdelijke verbintenissen
(1) Nakoming of verrekening door een hoofdelijke schuldenaar of verrekening door de schuldeiser tegen een hoofdelijke schuldenaar, bevrijdt de hoofdelijke medeschuldenaren jegens de schuldeiser tot beloop van de nakoming of verrekening.
(2) Schuldvermenging tussen een hoofdelijke schuldenaar en de schuldeiser bevrijdt de hoofdelijke medeschuldenaren slechts voor het deel waarvoor de betrokken schuldenaar moet bijdragen.
Artikel 10:108: Kwijtschelding en dading bij hoofdelijke verbintenissen
(1) Scheldt de schuldeiser de schuld aan één hoofdelijke schuldenaar kwijt, of sluit hij een dading met hem, dan zijn de andere hoofdelijke schuldenaren bevrijd voor het deel waarvoor die schuldenaar moet bijdragen.
(2) De schuldenaren zijn volledig bevrijd door de kwijtschelding of dading indien deze dit bepaalt.
(3) De schuldenaar die bevrijd is voor het deel waarvoor de betrokken schuldenaar moet bijdragen, is jegens zijn hoofdelijke medeschuldenaren slechts bevrijd tot beloop van het deel waarvoor deze moest bijdragen op het tijdstip van de bevrijding en niet van elk bijkomende bijdrage waarvoor die schuldenaar achteraf verbonden is overeenkomstig Artikel 10:106 (3).
Artikel 10:109: Gevolg van rechterlijke beslissingen bij hoofdelijke verbintenissen
Een rechterlijke beslissing betreffende de verbondenheid van één hoofdelijke schuldenaar jegens de schuldeiser doet geen afbreuk aan:
(a) de verbondenheid van de andere hoofdelijke schuldenaren jegens de schuldeiser; of
(b) de verhaalsrechten tussen hoofdelijke schuldenaren onderling overeenkomstig Artikel 10:106.
Artikel 10:110: Verjaring bij hoofdelijke verbintenissen
Verjaring van de schuldvordering van de schuldeiser jegens één hoofdelijke schuldenaar doet geen afbreuk aan:
(a) de aansprakelijkheid van de andere hoofdelijke schuldenaren jegens de schuldeiser;
(b) de verhaalsrechten tussen hoofdelijke schuldenaren overeenkomstig Artikel 10:106.
Artikel 10:111: Tegenwerpbaarheid van andere verweermiddelen bij hoofdelijke verbintenissen
(1) Een hoofdelijke schuldenaar kan de schuldeiser elk verweermiddel tegenwerpen dat een andere hoofdelijke schuldenaar kan tegenwerpen, behoudens verweermiddelen die die andere schuldenaar persoonlijk betreffen. Dit heeft geen gevolgen voor de andere hoofdelijke schuldenaren.
(2) Een schuldenaar van wie bijdrage wordt gevorderd, kan elk persoonlijk verweermiddel tegenwerpen dat hij de schuldeiser had kunnen tegenwerpen.
Afdeling 2 : Pluraliteit van schuldeisers
Artikel 10:201: Hoofdelijke, afzonderlijke en gezamenlijke schuldvorderingen
(1) Bij hoofdelijke schuldvorderingen mag elk van de schuldeisers volledige nakoming vorderen van de schuldenaar en mag de schuldenaar aan elk van de schuldeisers nakomen.
(2) Bij afzonderlijke schuldvorderingen is de schuldenaar aan elke schuldeiser slechts diens aandeel in de schuldvordering verschuldigd en mag elke schuldeiser slechts nakoming van zijn aandeel vorderen.
(3) Bij een gezamenlijke schuldvordering moet de schuldenaar aan alle schuldeisers gezamenlijk nakomen en mag elke schuldeiser slechts voor rekening van alle schuldeisers tezamen nakoming vorderen.
Artikel 10:202: Toebedeling van afzonderlijke schuldvorderingen
Schuldeisers van afzonderlijke schuldvorderingen zijn elk gerechtigd tot een gelijk aandeel, tenzij de overeenkomst of het recht anders bepaalt.
Artikel 10:203: Moeilijkheden bij de nakoming van een gezamenlijke schuldvordering
Weigert een van de schuldeisers van een gezamenlijke schuldvordering de prestatie, of is hij niet in staat ze te ontvangen, dan kan de schuldenaar de schuld voldoen door de zaken of het geld bij een derde in bewaring te geven overeenkomstig de bepalingen van Artikel 7:110 of 7:111 van de Beginselen.
Artikel 10:204: Toebedeling van hoofdelijke schuldvorderingen
(1) Hoofdelijke schuldeisers zijn jegens elkaar gerechtigd tot een gelijk aandeel, tenzij de overeenkomst of het recht anders bepalen.
(2) Een schuldeiser die meer dan zijn aandeel heeft ontvangen moet het meerdere overdragen aan de andere schuldeisers tot beloop van hun onderscheiden aandelen.
Artikel 10:205: Rechtsgevolgen van hoofdelijke schuldvorderingen
(1) Scheldt één van de hoofdelijke schuldeisers de schuld kwijt aan de schuldenaar, dan heeft dit geen gevolgen voor de andere hoofdelijke schuldeisers
(2) De bepalingen van Art. 10:107, 10:109, 10:110 en 10:111(1) zijn van overeenkomstige toepassing op hoofdelijke schuldvorderingen.
HOOFDSTUK 11 : Overdracht van Schuldvordering
Afdeling 1 : Algemene bepalingen
Artikel 11:101: Reikwijdte van dit hoofdstuk
(1) Dit Hoofdstuk is van toepassing op de overdracht, door middel van een overeenkomst (“cessie”), van een schuldvordering uit een bestaande of toekomstige overeenkomst
(2) Tenzij anders is bepaald of de context iets anders vereist, is dit Hoofdstuk ook van toepassing op de overdracht bij overeenkomst (“cessie”) van andere overdraagbare schuldvorderingen.
(3) Dit Hoofdstuk is niet van toepassing op:
(a) de overdracht van een financieel of beleggingsinstrument wanneer deze overdracht, krachtens het anders toepasselijke recht, moet geschieden door inschrijving in een register dat door of voor de emittent wordt bijgehouden; en
(b) de overdracht van een wisselbrief, een ander schuldvorderingspapier, een zekerheidsrecht op een waardepapier of een zakenrechtelijk waardepapier wanneer deze overdracht, krachtens het anders toepasselijke recht, moet geschieden door afgifte van het papier (al dan niet met endossement).
(4) In dit Hoofdstuk omvat “overdracht van schuldvordering” ook de overdracht tot zekerheid.
(5) Dit Hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de vestiging bij overeenkomst van een zekerheidsrecht op een schuldvordering anders dan door de overdracht ervan.
Artikel 11:102: Principiële overdraagbaarheid van schuldvorderingen uit overeenkomst.
(1) Onverminderd Art. 11:301 en 11:302, kan de schuldeiser van een schuldvordering uit overeenkomst deze overdragen door middel van een overeenkomst (cederen).
(2) Gaat het om een toekomstige schuldvordering die ontstaat uit een bestaande of toekomstige overeenkomst, dan kan de schuldeiser deze overdragen bij overeenkomst (cederen) op voorwaarde dat deze schuldvordering op het tijdstip waarop ze ontstaat of op een ander door de partijen overeengekomen tijdstip, kan worden geïdentificeerd als de schuldvordering waarop de cessie betrekking heeft.
Artikel 11:103: Gedeeltelijke cessie
Een deelbare schuldvordering kan gedeeltelijk worden gecedeerd. De cedent is gehouden alle bijkomende kosten te vergoeden die de schuldenaar oploopt door de gedeeltelijke cessie.
Artikel 11:104: Vorm van de cessie.
Een overdracht bij overeenkomst (cessie) behoeft niet schriftelijk te geschieden en is aan geen enkel ander vormvereiste onderworpen. Zij kan worden bewezen door alle bewijsmiddelen, getuigen inbegrepen.
Afdeling 2 : Gevolgen van de cessie tussen cedent en cessionaris
Artikel 11:201: Door de cessionaris verkregen rechten.
(1) Door de overdracht bij overeenkomst van een schuldvordering verkrijgt de cessionaris:
(a) alle rechten van de cedent met betrekking tot de overgedragen schuldvordering; en
(b) alle accessoire rechten die de nakoming ervan verzekeren.
(2) Maakt de overdracht van een schuldvordering uit overeenkomst deel uit van een overeenkomst die ook de vervanging van de cedent als schuldenaar van een verbintenis uit dezelfde overeenkomst door de cessionaris inhoudt, dan verkrijgt de cessionaris slechts onder de voorwaarden van art. 12:201.
Artikel 11:202: Tijdstip waarop de cessie ingaat
(1) De cessie van een bestaande schuldvordering gaat in op het tijdstip van de overeenkomst van overdracht zelf, dan wel op een ander tijdstip zo dit door de cedent en de cessionaris wordt overeengekomen.
(2) De cessie van een toekomstige schuldvordering vindt slechts plaats indien de overgedragen schuldvordering ontstaat, maar gaat in op het tijdstip van de overeenkomst van overdracht zelf dan wel een ander tijdstip zo dit door de cedent en de cessionaris wordt overeengekomen.
Artikel 11:203: Rechten van de cessionaris tegen de cedent wanneer de cessie haar werking niet heeft in de verhouding met de schuldenaar
Ook indien de overeenkomst van overdracht krachtens Artikel 11:301 of 11:302 in de verhouding met de schuldenaar geen werking heeft, heeft ze haar werking tussen de cedent en de cessionaris, en geeft ze de cessionaris recht op al wat de cedent ontvangt van de schuldenaar.
Artikel 11:204: Verbintenissen van de cedent
Door de overdracht bij overeenkomst (cessie) van een schuldvordering of het aangaan van een verbintenis tot cessie van een schuldvordering:
(a) waarborgt de cedent jegens de cessionaris dat op het tijdstip waarop de overdracht moet ingaan:
(i) de cedent bevoegd zal zijn om de schuldvordering over te dragen;
(ii) de schuldvordering zal bestaan, en de rechten van de cessionaris niet zullen beperkt zijn door enig verweermiddel (inbegrepen enig recht op verrekening) van de schuldenaar tegen de cedent; en
(iii) de schuldvordering niet eerder zal zijn overgedragen of bezwaard met enig zekerheidsrecht ten gunste van een andere partij, of met enige andere last;
behoudens de afwijkingen die de cessionaris worden meegedeeld.
(b) verbindt de cedent er zich jegens de cessionaris toe dat de schuldvordering en de overeenkomst waaruit ze is ontstaan niet gewijzigd zullen worden zonder de toestemming van de cessionaris, tenzij de wijziging in de overeenkomst tot cessie is voorzien of te goeder trouw geschiedde en van een aard is waartegen de cessionaris redelijkerwijze geen bezwaar kan hebben; en
(c) verbindt de cedent er zich jegens de cessionaris toe hem alle overdraagbare rechten die bedoeld zijn om de nakoming te verzekeren, en niet accessoir zijn, mee over te dragen.
Afdeling 3 : Gevolgen van de cessie in verhouding tot de schuldenaar
Artikel 11:301: Contractueel overdrachtsverbod
(1) Een cessie die verboden is door of anderszins in strijd met de overeenkomst waaruit de overgedragen schuldvordering is ontstaan, heeft geen werking in de verhouding met de schuldenaar, tenzij:
(a) de schuldenaar ermee heeft ingestemd; of
(b) de cessionaris de strijdigheid noch kende noch behoorde te kennen; of
(c) de cessie een toekomstige schuldvordering tot betaling van een geldsom betreft.
(2) Het voorgaande laat de aansprakelijkheid van de cedent jegens de schuldenaar voor de strijdigheid van de cessie met de overeenkomst onverlet.
Artikel 11:302: Andere gevallen waarin de cessie geen werking heeft in de verhouding met de schuldenaar.
Voor zover wegens de aard van de prestatie waarop de gecedeerde schuldvordering betrekking heeft, of de aard van de verhouding tussen de schuldenaar en de cedent, van de schuldenaar redelijkerwijze niet kan worden gevorderd dat hij de prestatie aan iemand anders levert dan de cedent, heeft een cessie waarmee de schuldenaar niet heeft ingestemd in de verhouding met hem geen werking.
Artikel 11:303: Gevolgen voor de verbintenis van de schuldenaar.
(1) Onverminderd de bepalingen van Art. 11:301, 11:302, 11:307 en 11:308, is de schuldenaar verplicht na te komen jegens de cessionaris indien en slechts indien de schuldenaar een schriftelijke kennisgeving heeft ontvangen vanwege de cedent of de cessionaris, die de gecedeerde schuldvordering redelijkerwijze identificeert en hem opdraagt deze na te komen jegens de cessionaris.
(2) Geschiedt de kennisgeving door de cessionaris, dan kan de schuldenaar evenwel binnen een redelijke termijn de cessionaris verzoeken een geloofwaardig bewijs van de cessie te verschaffen, en mag hij in afwachting daarvan de nakoming opschorten.
(3) Heeft de schuldenaar op een andere wijze kennis gekregen van de cessie dan door middel van een kennisgeving in overeenstemming met lid (1), dan mag de schuldenaar ofwel nakoming opschorten, ofwel nakomen jegens de cessionaris.
(4) Komt de schuldenaar na jegens de cedent, dan is hij bevrijd indien en slechts indien hij nagekomen is zonder kennis van de cessie.
Artikel 11:304: Bescherming van de schuldenaar
Een schuldenaar die nakomt jegens een persoon die als cessionaris is aangeduid in een kennisgeving van cessie overeenkomstig Artikel 11:303, is bevrijd, tenzij hij er niet onkundig van kon zijn dat deze persoon niet degene was die recht had op nakoming.
Artikel 11:305: Concurrerende verzoeken
Een schuldenaar aan wie kennis is gegeven van twee of meer concurrerende verzoeken tot nakoming kan de schuld voldoen door de voorschriften na te leven van het recht van de plaats van nakoming, dan wel, indien nakoming op verschillende plaatsen moet geschieden, van het recht dat van toepassing is op de schuldvordering.
Artikel 11:306: Plaats van nakoming
(1) Betreft de overgedragen schuldvordering een verbintenis tot betaling van een geldsom die moet worden nagekomen op een bepaalde plaats, dan kan de cessionaris nakoming op elke plaats binnen hetzelfde land, dan wel, indien het een lidstaat van de Europese Unie betreft, op elke plaats binnen de Europese Unie vorderen, maar de cedent is gehouden alle bijkomende kosten te vergoeden die de schuldenaar oploopt door de wijziging van de plaats van nakoming.
(2) Betreft de overgedragen schuldvordering een verbintenis anders dan tot betaling van een geldsom die moet worden nagekomen op een bepaalde plaats, dan kan de cessionaris geen nakoming op een andere plaats vorderen.
Artikel 11:307: Verweermiddelen en verrekeningsrechten
(1) De schuldenaar kan aan de cessionaris alle materieelrechtelijke en procedurele verweermiddelen tegen de overgedragen schuldvordering tegenwerpen die de schuldenaar had kunnen tegenwerpen aan de cedent.
(3) De schuldenaar kan aan de cessionaris ook elk recht op verrekening tegenwerpen dat hij krachtens Hoofdstuk 13 aan de cedent had kunnen tegenwerpen op grond van een schuldvordering tegen de cedent die:
(a) bestond op het tijdstip waarop aan de schuldenaar kennis is gegeven van de cessie, al dan niet in overeenstemming met Artikel 11:303(1); of
(c) nauw verbonden is met de overgedragen schuldvordering.
Artikel 11:308: Niet-tegenwerpbaarheid aan de cessionaris van niet toegestane wijzigingen
Een wijziging van de schuldvordering bij overeenkomst tussen de cedent en de schuldenaar zonder instemming van de cessionaris, die geschiedt na een kennisgeving van de cessie aan de schuldenaar, al dan niet in overeenstemming met Artikel 11:303(1), doet geen afbreuk aan de rechten van de cessionaris jegens de schuldenaar, tenzij de wijziging in de overeenkomst tot cessie is voorzien of te goeder trouw geschiedde en van een aard is waartegen de cessionaris redelijkerwijze geen bezwaar kan hebben.
Afdeling 4 : Conflicterende aanspraken op de gecedeerde schuldvordering.
Artikel 11:401: Conflicterende aanspraken
(1) In geval van opeenvolgende cessies van dezelfde schuldvordering, heeft de cessionaris die de cessie als eerste ter kennis heeft gebracht van de schuldenaar voorrang op elke oudere cessionaris, indien hij op het tijdstip van de cessie de oudere cessie noch kende noch behoorde te kennen.
(2) Onverminderd lid (1) wordt de voorrang tussen opeenvolgende cessies bepaald door de volgorde waarin zij geschieden, ongeacht of zij bestaande of toekomstige schuldvorderingen betreffen.
(3) Vanaf het ogenblik waarop de cessie overeenkomstig Artikel 11:202 ingaat, heeft het recht van de cessionaris op de gecedeerde schuldvordering voorrang boven het recht van een schuldeiser van een cedent die nadien beslag legt op de schuldvordering, ongeacht of dit beslag gerechtelijk is gelegd of niet.
(4) Bij faillissement van de cedent heeft het recht van de cessionaris op de gecedeerde schuldvordering voorrang boven het recht van de schuldeisers van de cedent en diens bewindvoerder, onverminderd de regels van het bij faillissement toepasselijke recht betreffende:
(a) de voor dergelijke voorrang voorgeschreven publiciteit;
(b) de regeling van de rang tussen schuldvorderingen; of
(c) de nietigverklaring of niet-tegenwerpelijkverklaring, in het kader van de insolventieprocedure, van eerdere handelingen.
HOOFDSTUK 12 : Vervanging van de schuldenaar. Overdracht van contractuele rechtsverhouding
Afdeling 1 : Vervanging van de schuldenaar
Artikel 12:101: Algemene regels inzake vervanging van de schuldenaar
(1) Een derde kan overeenkomen met de schuldenaar en de schuldeiser dat hij de schuldenaar als schuldenaar vervangt, zodat de oorspronkelijke schuldenaar bevrijd is.
(2) Een schuldeiser kan op voorhand instemmen met een latere vervanging van de schuldenaar. In dat geval gaat de vervanging in wanneer de nieuwe schuldenaar aan de schuldeiser kennis geeft van de overeenkomst tussen de oude en de nieuwe schuldenaar.
Artikel 12:102: Gevolgen van de vervanging voor de verweermiddelen en zekerheden.
(1) De nieuwe schuldenaar kan jegens de schuldeiser geen verweermiddelen tegenwerpen uit de verhouding tussen de nieuwe schuldenaar en de oorspronkelijke schuldenaar.
(2) De bevrijding van de oorspronkelijke schuldenaar brengt de bevrijding mee van elke zekerheid die hij voor de nakoming van de verbintenis heeft gesteld, tenzij het een zekerheidsrecht betreft op een goed dat in het raam van een handeling tussen de oorspronkelijke en de nieuwe schuldenaar aan de nieuwe schuldenaar wordt overgedragen.
(3) De bevrijding van de oorspronkelijke schuldenaar brengt de bevrijding mee van elke zekerheid die een derde, andere dan de nieuwe schuldenaar, voor de nakoming van de verbintenis heeft gesteld, tenzij die derde instemt met het behoud van die zekerheid ten gunste van de schuldeiser.
(4) De nieuwe schuldenaar kan aan de schuldeiser alle verweermiddelen tegenwerpen die de oorspronkelijke schuldenaar had kunnen tegenwerpen aan de schuldeiser.
Afdeling 2 : Overdracht van contractuele rechtsverhouding.
Artikel 12:201: Overdracht van contractuele rechtsverhouding.
(1) Een partij bij een overeenkomst kan met een derde overeenkomen dat deze haar zal vervangen als partij bij die overeenkomst; de vervanging gaat slechts in wanneer de eerste partij ingevolge de instemming van de andere contracterende partij is bevrijd.
(2) Voor zover de vervanging van een partij bij een overeenkomst door een derde een overdracht van schuldvorderingen inhoudt, gelden de bepalingen van Hoofdstuk 11; voor zover er verbintenissen worden overgenomen, gelden de bepalingen van Afdeling 1 van dit Hoofdstuk.
HOOFDSTUK 13 : Verrekening
Artikel 13:101: Vereisten voor verrekening
Zijn twee partijen elkaar prestaties van dezelfde aard verschuldigd, dan kan elke partij haar schuldvordering verrekenen met haar schuld aan de wederpartij, indien en voor zover de verrekenende partij op het tijdstip van de verrekening:
(a) gerechtigd is om haar schuld na te komen; en
(b) van de wederpartij de nakoming van haar schuldvordering kan vorderen.
Artikel 13:102: Niet vaststaande schuldvorderingen
(1) Een schuldenaar kan zijn schuldvordering niet verrekenen zolang het bestaan of de waarde ervan niet vaststaat, tenzij de verrekening de belangen van de wederpartij niet schaadt.
(2) Zijn de schuldvorderingen van beide partijen uit éénzelfde rechtsverhouding ontstaan, dan wordt vermoed dat verrekening de belangen van de wederpartij niet schaadt.
Artikel 13:103: Verrekening van vorderingen in verschillende munten
Zijn partijen elkaar geldsommen in verschillende munteenheden verschuldigd, dan kan elke partij haar schuldvordering verrekenen met haar schuld aan de wederpartij, tenzij partijen zijn overeengekomen dat de partij die verrekent uitsluitend in een bepaalde munt dient te betalen.
Artikel 13:104: Verrekening door kennisgeving
Verrekening geschiedt door kennisgeving aan de wederpartij.
Artikel 13:105: Pluraliteit van schuldvorderingen of schulden
(1) Heeft de verrekenende partij meer dan één schuldvordering op de wederpartij, dan heeft de kennisgeving maar werking indien ze de schuldvordering die verrekend wordt, identificeert.
(2) Heeft de verrekenende partij meer dan één schuld jegens de wederpartij, dan zijn de regels van Artikel 7:109 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13:106: Gevolg van de verrekening
Vanaf de kennisgeving van de verrekening zijn de schulden daardoor tot beloop van het kleinste bedrag voldaan.
Artikel 13:107: Uitsluiting van het recht op verrekening
Verrekening kan niet geschieden:
(a) indien ze is uitgesloten bij overeenkomst;
(b) op een schuld aan de wederpartij voor zover diens schuldvordering niet voor beslag vatbaar is; en
(c) op een schuld die is ontstaan uit een opzettelijke onrechtmatige daad.
HOOFDSTUK 14 : Verjaring
Afdeling 1 : Algemene bepaling
Artikel 14:101: Verjaarbaarheid van schuldvorderingen
Schuldvorderingen zijn overeenkomstig deze Beginselen onderworpen aan verjaring door verloop van een termijn.
Afdeling 2 : Verjaringstermijnen en hun vertrekpunt
Artikel 14:201: Algemene verjaringstermijn
De algemene verjaringstermijn is drie jaar
Artikel 14:202: Verjaringstermijn voor een gerechtelijk vastgestelde schuldvordering.
(1) De verjaringstermijn van een door een vonnis vastgestelde schuldvordering is tien jaar.
(2) Dezelfde termijn geldt voor een schuldvordering vastgesteld door een arbitrale uitspraak of een andere akte die uitvoerbaar is zoals een vonnis.
Artikel 14:203: Vertrekpunt
(1) De algemene verjaringstermijn begint te lopen op het tijdstip waarop de schuldenaar moet nakomen c.q. bij een aanspraak op schadevergoeding, vanaf het tijdstip waarop de schuldvordering ontstaat.
(2) Bij voortdurende verbintenissen om iets te doen of niet te doen, begint de algemene verjaringstermijn te lopen bij elke tekortkoming aan deze verbintenis.
(3) De verjaringstermijn van Artikel 14:202 begint te lopen vanaf het tijdstip waarop het vonnis of de arbitrale uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan c.q. de andere akte uitvoerbare kracht verkrijgt, doch niet vooraleer de schuldenaar moet nakomen.
Afdeling 3 : Verlenging van de verjaringstermijn
Artikel 14:301: Schorsing bij onwetendheid
De loop van de verjaring is geschorst zolang de schuldeiser geen kennis heeft of redelijkerwijze kon hebben van:
(a) de identiteit van de schuldenaar; of
(b) de feiten waaruit de schuldvordering is ontstaan, waaronder, bij een recht op schadevergoeding, de aard van de schade.
Artikel 14:302: Schorsing bij gerechtelijke en andere procedures
(1) De loop van de verjaring is geschorst vanaf het tijdstip waarop de schuldvordering in rechte geldend wordt gemaakt.
(2) De schorsing duurt tot op het tijdstip waarop een beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel het geschil op een andere wijze is afgehandeld.
(3) Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op arbitrale procedures en alle andere procedures ingeleid om een akte te bekomen met dezelfde uitvoerbaarheid als een vonnis.
Artikel 14:303: Schorsing bij verhindering buiten de macht van de schuldeiser
(1) De loop van de verjaring is geschorst zolang de schuldeiser verhinderd is de schuldvordering geldend te maken door een hindernis die buiten zijn macht ligt en waarbij van de schuldeiser redelijkerwijs niet kon worden verwacht die te hebben vermeden of ondervangen.
(2) Lid (1) is slechts van toepassing indien de hindernis ontstaat of voortduurt tijdens de laatste zes maanden van de verjaringstermijn.
Artikel 14:304: Verlenging bij onderhandelingen
Onderhandelen de partijen over de schuldvordering of over de omstandigheden waaruit een schuldvordering zou kunnen ontstaan, dan verstrijkt de verjaringstermijn niet vooraleer één jaar is verstreken sedert de laatste mededeling gedaan in het raam van de onderhandelingen.
Artikel 14:305: Verlenging bij onbekwaamheid
(1) Heeft een handelingsonbekwame geen vertegenwoordiger, dan verstrijkt de verjaringstermijn van een schuldvordering van of tegen die persoon niet voor een jaar is verstreken sedert het einde van de handelingsonbekwaamheid of de aanstelling van een vertegenwoordiger.
(2) De verjaringstermijn voor schuldvorderingen tussen een handelingsonbekwame en zijn vertegenwoordiger verstrijkt niet voor een jaar is verstreken sedert het einde van de handelingsonbekwaamheid of de aanstelling van een nieuwe vertegenwoordiger.
Artikel 14:306: Verlenging bij overlijden
Overlijdt de schuldeiser of de schuldenaar, dan verstrijkt de verjaringstermijn van een schuldvordering van of tegen de nalatenschap niet voor een jaar is verstreken sedert het tijdstip waarop de schuldvordering ten uitvoer kan worden gelegd door of tegen een erfgenaam, of door of tegen een bewindvoerder over de nalatenschap.
Artikel 14:307: Maximumduur van de verjaringstermijn
De verjaringstermijn kan door schorsing van haar loop dan wel verlenging ervan overeenkomstig deze Beginselen, niet verlengd worden tot meer dan tien jaar, dan wel, bij schuldvorderingen tot vergoeding van schade aan de persoon, tot meer dan dertig jaar. Dit geldt niet voor de schorsing krachtens Artikel 14:302.
Afdeling 4 : Stuiting van de verjaringstermijn
Artikel 14:401: Stuiting door erkenning
(1) Erkent de schuldenaar de schuldvordering jegens de schuldeiser, door gedeeltelijke nakoming, betaling van rente, zekerheidsstelling of op enige andere wijze, dan begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
(2) De nieuwe termijn is de algemene verjaringstermijn, ongeacht of de schuldvordering oorspronkelijk aan de algemene verjaringstermijn was onderworpen dan wel aan de tienjarige termijn van Artikel 14:202. In het laatste geval kan de toepassing van deze bepaling evenwel niet leiden tot een inkorting van de tienjarige termijn.
Artikel 14:402: Stuiting bij poging tot uitvoering
De tienjarige verjaringstermijn van Artikel 14:202 begint opnieuw te lopen bij elke redelijke poging tot tenuitvoerlegging door de schuldeiser.
Afdeling 5 : Gevolgen van de verjaring
Artikel 14:501: Algemeen gevolg
(1) Na het verstrijken van de verjaringstermijn is de schuldenaar gerechtigd om te weigeren na te komen.
(2) Een prestatie die werd geleverd om een schuld te voldoen kan niet met een louter beroep op de verjaring worden teruggevorderd.
Artikel 14:502: Gevolg voor accessoire schuldvorderingen
De verjaringstermijn voor een recht op betaling van rente en andere accessoire schuldvorderingen verstrijkt niet eerder dan de termijn voor de principale schuldvordering.
Artikel 14:503: Gevolg voor verrekening
Een verjaarde schuldvordering kan desalniettemin worden verrekend, tenzij de schuldenaar ervan de verjaring voordien heeft ingeroepen dan wel deze inroept binnen de twee maanden na kennisgeving van de verrekening.
Afdeling 6 : Wijziging bij overeenkomst
Artikel 14:601: Overeenkomsten betreffende de verjaring
(1) Partijen kunnen bij overeenkomst de vereisten voor verjaring wijzigen, en in het bijzonder de verjaringstermijn inkorten of verlengen.
(2) De verjaringstermijn kan evenwel niet ingekort worden tot minder dan één jaar noch verlengd worden tot meer dan 30 jaar na het vertrekpunt bepaald in Artikel 14:203.
HOOFDSTUK 15 : Onwettigheid
Artikel 15:101: Overeenkomsten strijdig met fundamentele rechtsbeginselen.
Een overeenkomst heeft geen werking voor zover ze strijdig is met beginselen die als fundamenteel worden erkend in de rechtsstelsels van de lidstaten van de Europese Unie.
Artikel 15:102: Overeenkomsten in strijd met dwingende regels
(1) Schendt een overeenkomst een dwingende rechtsregel die krachtens Artikel 1:103 van deze Beginselen van toepassing is, dan heeft deze schending voor de overeenkomst de gevolgen die uitdrukkelijk door die regel zijn voorgeschreven.
(2) Schrijft de dwingende rechtsregel niet uitdrukkelijk de gevolgen van de schending voor de overeenkomst voor, dan kan worden verklaard dat de overeenkomst volledige uitwerking heeft, dan wel bepaalde gevolgen heeft, dan wel geen uitwerking heeft, dan wel gewijzigd wordt.
(3) Elke beslissing overeenkomstig lid (2) dient een passend en evenredig antwoord te bieden op de schending, gelet op alle relevante omstandigheden, waaronder:
(a) de strekking van de geschonden regel;
(b) de categorie van personen tot wier bescherming de regel strekt;
(c) elke sanctie die krachtens de geschonden regel kan worden opgelegd;
(d) de ernst van de inbreuk;
(e) het al dan niet opzettelijk karakter ervan; en
(f) de al dan niet nauwe verbondenheid tussen de inbreuk en de overeenkomst.
Artikel 15:103: Gedeeltelijke ongeldigheid
(1) Heeft slechts een deel van de overeenkomst ingevolge de toepassing van Artikel 15:101 of 15:102 geen werking, dan blijft de overeenkomst voor het overige in stand tenzij dit gelet op alle omstan-digheden van het geval onredelijk is.
(2) Artikel 15:104 en 15:105 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van gedeeltelijke ongeldigheid.
Artikel 15:104: Restituties
(1) Heeft een overeenkomst ingevolge de toepassing van Artikel 15:101 of 15:102 geen werking, dan kan iedere partij terugvorderen wat zij op grond van de overeenkomst heeft gepresteerd, mits zij, waar dit passend is, gelijktijdig teruggeeft wat zij heeft ontvangen.
(2) Bij de beoordeling of terugvordering dient te worden toegestaan onder lid (1), en welke gelijktijdige teruggave al dan niet passend is, dient te worden gelet op de omstandigheden genoemd in Artikel 15:102 lid (3).
(3) De toekenning van terugvorderingen kan worden geweigerd aan een partij die de grond voor de ongeldigheid kende of behoorde te kennen.
(4) Is teruggave in natura om welke reden ook niet mogelijk, dient een redelijke vergoeding te worden betaald voor wat ontvangen werd.
Artikel 15:105: Schadevergoeding
(1) Een partij bij een overeenkomst die ingevolge Artikel 15:101 of 15:102 geen werking heeft, kan van de wederpartij de schadevergoeding vorderen die haar zo dicht mogelijk in de toestand brengt in welke zij had verkeerd indien zij de overeenkomst niet had gesloten, mits de wederpartij de grond voor ongeldigheid kende of behoorde te kennen.
(2) Bij de beoordeling of schadevergoeding dient te worden toegestaan onder lid (1), dient te worden gelet op de omstandigheden genoemd in Artikel 15:102 lid (3).
(3) De toekenning van schadevergoeding kan worden geweigerd aan een partij die de grond voor de ongeldigheid kende of behoorde te kennen.
HOOFDSTUK 16 : Voorwaardelijke verbintenissen
Artikel 16:101: Soorten voorwaarde
Een verbintenis uit overeenkomst kan afhankelijk worden gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis, in die zin dat de verbintenis haar werking slechts heeft indien de gebeurtenis voorvalt (opschortende voorwaarde), dan wel vervalt indien de gebeurtenis voorvalt (ontbindende voorwaarde).
Artikel 16:102: Verhindering of veroorzaking van de voorwaarde
(1) Wordt de vervulling van een voorwaarde door een partij in strijd met de eisen van de goede trouw of de samenwerkingsplicht verhinderd, terwijl vervulling deze partij zou hebben benadeeld, dan wordt de voorwaarde geacht te zijn vervuld.
(2) Wordt de vervulling van een voorwaarde door een partij in strijd met de eisen van de goede trouw of de samenwerkingsplicht veroorzaakt, terwijl vervulling deze partij bevoordeelt, dan wordt de voorwaarde geacht niet te zijn vervuld.
Artikel 16:103: Gevolg van voorwaarden
(1) Tenzij de partijen anders overeenkomen, heeft een verbintenis onder opschortende voorwaarde haar werking op het tijdstip waarop de voorwaarde wordt vervuld.
(2) Tenzij de partijen anders overeenkomen, vervalt een verbintenis onder ontbindende voorwaarde op het tijdstip waarop de voorwaarde wordt vervuld.
HOOFDSTUK 17. Kapitalisatie van rente
Artikel 17:101: Kapitalisatie van rente
Zie Artikel 9:508 (3) en (4).