U bent hier: Instituut voor strafrecht Onderzoek

Onderzoek

 

De belangrijkste onderzoeksgebieden waar het Instituut voor Strafrecht zich op toelegt zijn:

  1. Terrorisme en georganiseerde criminaliteit
  2. Witteboordencriminaliteit, in het bijzonder informaticacriminaliteit
  3. Rechtsbescherming in de strafprocedure
  4. Straftoemeting en de uitvoering van sancties

Steeds hebben zij hierbij bijzondere aandacht voor de samenhang tussen nationale en internationale (in het bijzonder Europese) normen en beleidsinitiatieven enerzijds en tussen materieel strafrecht en strafprocesrecht anderzijds.

 

 

 

Doctoraatsonderzoek

  • Ann Bailleux
    Procedurele zelfbeschikking in de strafprocedure: minder paternalisme, eerlijkere en efficiëntere strafprocedure? (promotor: prof. dr. R. Verstraeten; co-promotor: prof. dr. F. Verbruggen)

    Het Belgisch wetboek van Strafvordering is aan vernieuwing toe. Geschreven in de 19e eeuw waar ongeletterde en onmondige burgers de samenleving kenmerkten, werd gekozen voor een overwegend inquisitoir systeem dat de burger tegen de overheid en tegen zichzelf moest beschermen. Binnen deze paternalistische visie kreeg het individu dan ook weinig tot geen autonomie. Niet alleen is deze visie achterhaald, ze leidt er in combinatie met overbodige en complexe procedureregels bovendien toe dat strafprocedures log zijn, inefficiënt verlopen en niet binnen een redelijke termijn kunnen worden afgehandeld. Bovendien introduceert ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens steeds regelmatiger accusatoire accenten in onze overwegend inquisitoire procedure. Vertrekkende van de assumptie dat een nieuw wetboek van strafprocedure noodzakelijk is, onderzoeken we of het toekennen van meer zelfbeschikking aan de partijen de strafprocedure eerlijker en rechtvaardiger kan maken. Aldus gaan we na waar, binnen een nieuwe procedure, het evenwicht ligt tussen paternalisme en autonomie om zo concrete voorstellen te formuleren voor de inhoud van een nieuw wetboek. Hiervoor koppelen we terug naar de theorieën van procedurele rechtvaardigheid en menselijke waardigheid.

  • Fanny Coudert
    The purpose specification principle in the Area of Freedom, Security and Justice: towards renewed data protection principles for information-based practices in the field of Security

    The regulation of data protection aspects of European Security related databases and agencies has been carried out so far by the European Council on an ad hoc basis due to the lack of general data protection framework in the AFSJ, contrary to the situation in the First Pillar where Directive 95/46/EC has harmonised data protection provisions. Ad hoc data protection regimes established under the Third Pillar, such as the one regulating data processing activities of Europol, were also motivated by the specificities of data processing activities with Security purposes that has justified so far ‘a tailored-made set of (data protection) rules’. The Lisbon Treaty provides for the possibility to adopt a comprehensive data protection framework that would overcome the division into Pillars. To that end, the European Commission however identifies the need to restate a number of basic data protection principles in the AFSJ: the purpose specification principle, the principle of proportionality and legitimacy of the processing, information adequacy, security and confidentiality, respect for the rights of the individual and control by an independent authority. Traditional data protection principles are indeed often shown as failing to provide a satisfying countervailing power to a new generation of technologies characterised by their interconnectivity, invisibility and pervasiveness: in most cases, individuals are not even aware that they are being watched or that their data are being re-used for a completely different purpose than the one for which they were collected.
    This dissertation will focus on the purpose specification principle, often presented as cornerstone of data protection laws. This dissertation will focus on the way how the efficiency of the purpose specification principle in the Area of Freedom, Security and Justice can be restored. Security is changing focus from reaction to events to risk prevention, based on the use of pro-active surveillance technologies that rely on mass databases and powerful data mining tools. This shift in the technological and methodological paradigm raises new concerns in terms of fundamental rights. It thus appears necessary to carry out an in-depth analysis of the current challenges faced by the purpose specification principle in order to identify the elements that should be taken into account to ensure an efficient protection of citizens and to restore an adequate framework of protection that provides legitimacy to such systems.

  • Stef De Decker
    FWO-Onderzoeksproject “Strafrechtelijke onderzoeksbevoegdheden ná de schuldigverklaring aan een misdrijf

    Vroeger was het leven eenvoudig. Het strafprocesrecht regelde de bevoegdheden en procedures tot het definitief worden van de rechterlijke uitspraak, die tot een straf of strafrechtelijke maatregel veroordeelde. De vrij duidelijke waterscheidingslijn tussen de fase vóór en die ná de definitieve veroordeling tot de strafrechtelijke sanctie liet toe deze fasen te onderwerpen aan een gescheiden regime op het vlak van rechten, bevoegdheden en rechtsbescherming. Het doel (of de verschillende doelstellingen) van de uitvoering van strafrechtelijke sanctie verschilt immers van dat van de straftoemeting, maar zeker ook van de doelstellingen van opsporing en onderzoek vóór de schuldigverklaring. Verscheidene vormen van bescherming tegen de overheid en de buitenwereld gelden nog wel zolang men niet schuldig is bevonden, maar niet langer daarna. De veroordeling brengt zowel uitdrukkelijk als impliciet het verlies van talloze vrijheden en rechten mee..
    De klassieke – dogmatisch en politiek misschien handige – status quo is om verschillende redenen verstoord geraakt. Eerst en vooral zijn de mensenrechten uitdrukkelijk doorgetrokken tot de strafuitvoering. Een tweede belangrijke evolutie is dat politie en parket er zich steeds minder bij neerleggen dat een tot een vrijheidsstraf veroordeelde persoon voortvluchtig kan blijven en dan ongemoeid wordt gelaten tot de verjaring van de straf intreedt. Tenslotte beseft de overheid steeds meer dat ze een categorie “gevaarlijke” veroordeelden (bv. terroristen, seksuele delinquenten) noch tijdens de strafuitvoering, noch daarna, uit het oog mag verliezen. Ze leveren immers een blijvend risico op. Wij moeten dus op zoek naar een nieuw evenwicht.
    Het doel van het onderzoek is het vastleggen van algemene beginselen als basis voor een wettelijk kader voor indringende onderzoeksbevoegdheden in de fases van de straftoemeting en de strafuitvoering, in het licht van de regeling van vergelijkbare bevoegdheden in de fase vóór de veroordeling. Verder zal worden nagegaan of een verregaande integratie van deze regimes mogelijk en wenselijk is.

  • Kristel De Schepper
    Strafbaarstelling van spionage en informatiemisbruik ter bescherming van bedrijfsgeheimen (promotor prof. dr. F. Verbruggen)
    Het strafrecht koppelt negatieve gevolgen aan de schendingen van rechtsgoederen en mag daarom pas als laatste redmiddel worden ingezet. In een informatiemaatschappij nemen deze rechtsgoederen steeds meer een immateriële vorm aan (dematerialisering). Deze dematerialisering daagt het strafrecht uit. Bij het strafbaar stellen van gedragingen (en bijgevolg het beschermen van rechtsgoederen) lijkt de normgever de neiging te hebben om te focussen op de al dan niet materiële vorm of op de fysieke drager van goederen. De vraag rijst of hij hierdoor de inhoud van de informatie niet teveel op de achtergrond plaatst. De vorm zal immers steeds minder belangrijk worden naargelang de samenleving (en haar rechtsgoederen) steeds meer wordt geïnformatiseerd. Daarnaast kan de inhoud ook belangrijk zijn terwijl deze net moeilijker te beschermen is door de informatisering.
    Dit onderzoek gaat uit van het vermoeden dat de normgever bij de strafbaarstelling meer aandacht moet hebben voor het type rechtsgoed dat hij wil beschermen. Aan de hand van een gevalstudie van de strafrechtelijke bescherming van bedrijfsgeheimen, onderzoeken we of een betere focus op het begrip rechtsgoed bij de strafbaarstelling niet tot betere wetgeving kan leiden en zo bijdragen tot de toepassing van het strafrecht als laatste toevlucht.

  • Vanessa Franssen
    Doctoraat in Europees ondernemingsstrafrecht.
    European Sentencing Principles for Corporations (Europese straftoemetingsbeginselen voor ondernemingen)
    De impact van de EU op het nationale strafrecht wordt al maar belangrijker, zeker in het domein van ondernemingsstrafrecht. Bestrijding van fraude en witteboordencriminaliteit vormen een Europese topprioriteit. Nochtans is de huidige aanpak van de EU gedoemd tot mislukken omdat de regels inzake straftoemeting nog steeds nationaal bepaald worden en de concrete uitkomst van de Europees gestuurde aanpak van fraude en witteboordencriminaliteit dus sterk kan uiteenlopen. Daarom lijkt het noodzakelijk om een Europese consensus te bereiken over straftoemetingsbeginselen, die de eenvormigheid van de straftoemeting en bestraffing van ondernemingen ten goede zullen komen. Opmerkelijk genoeg is er in Europa (vooral op in de continentale systemen) bijzonder weinig literatuur te vinden over straftoemeting voor ondernemingen. Daarom beoogt het voorliggende doctoraatsonderzoek een grondige analyse van straftoemetingaspecten en –problemen bij ondernemingen. Het uiteindelijke doel van deze analyse is een voorstel van Europese gemeenschappelijke straftoemetingsbeginselen voor ondernemingen te formuleren.

  • Katrien Hanoulle
    De toerekeningsvatbaarheid van de geestesgestoorde delinquent
    De discussie rond de toerekeningsvatbaarheid van en de sanctiemogelijkheden voor geestesgestoorde delinquenten is met de beweging van het Sociaal Verweer en het Nieuwe Sociaal Verweer in het verleden reeds vaker opgelaaid, maar is ook nu brandend actueel. De problematiek heeft steeds het strikte strafrecht overstegen. De juridische wereld staat sindsde 19de eeuw sceptisch tegenover de psychiatrie, maar maakt niettemin gretig gebruik van psychiatrische deskundigenadviezen in strafzaken met een geestesgestoorde dader. Nochtans kan de psychiatrie geen pasklaar antwoord bieden op het juridische toerekeningsvatbaarheidsvraagstuk. Bovendien doen de inzichten uit de neuroscience in verband met het bestaan van de vrije wil het klassieke strafrecht op haar grondvesten daveren, zodat de verhouding tussen het recht en de wetenschap nog meer wordt bemoeilijkt. Daarnaast spelen onderbelichte mechanismen een rol bij de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van een geestesgestoorde delinquent. Zo krijgen de gewenste sanctie, procedurele aspecten en de toenemende aandacht voor het slachtoffer hun beslag in het schuldoordeel. Het doel van het onderzoek is het analyseren en evalueren van dit regime van beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van de geestesgestoorde delinquent vanuit de mensenrechten en de functies van het strafrecht. Hierbij dienen het Nederlandse en het Amerikaanse regime als bronnen van vergelijking. Het einddoel is het formuleren van voorstellen tot eventuele aanpassingen van het Belgische regime.

  • Joost Huysmans
    Gebruik en misbruik van de procedurele rechten van de verdediging in strafzaken

    Regelmatig wordt er polemiek gevoerd over vermeend ‘misbruiken van de verdediging’, meestal naar aanleiding van berichtgeving over een procedureel incident waardoor de ‘dader’ van een misdrijf zou ontkomen aan een veroordeling. Hierbij wordt echter meermaals over het hoof gezien dat het helemaal niet zo evident is dat bepaalde gedragingen van de verdediging als ‘misbruiken van de verdediging’ zouden worden gesanctioneerd, aangezien de procedurele rechten van de verdediging precies tot doel hebben om een zeker evenwicht te bewerkstelligen voor de individuele verdachte die wordt geconfronteerd met de staatsmacht van politie en gerecht. Daarom zal in het onderzoek worden onderzocht in welke mate de notie ‘misbruiken van de verdediging’ verenigbaar is met de functie die de verdediging vervult binnen de Belgische strafprocedure. Bovendien zal het onderzoek zich eveneens toespitsen op de vraag in welke mate het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in de Belgische rechtspraak en verscheidene internationale verdragen, toelaat dat bepaalde gedragingen van de verdediging worden gesanctioneerd. Ten slotte zal het onderzoek ook de mogelijkheden van een sanctionering van ‘misbruiken van de verdediging’ in het Belgische strafrecht onderzoeken, aan de hand van een rechtsvergelijkende studie van enkele rechtssystemen die wel een sanctionering van ‘misbruiken van de verdediging’ kennen, zoals het Amerikaanse federale strafrecht en het Europees mededingingsrecht.

  • Eef Vandebroek
    Bereidt een doctoraatsonderzoek voor in het internationaal strafrecht
    Strafrechtelijke aanpak van corruptie bij ambtenaren in het VN-systeem
    Corruptie, als verzamelterm voor alles wat te maken heeft met omkoping, fraude en vriendjespolitiek, wordt tegenwoordig geïdentificeerd is als een globaal fenomeen waartegen alle naties ter wereld zich dienen te wapenen. De Verenigde Naties heeft zichzelf bijgevolg een belangrijke rol aangemeten in de strijd tegen corruptie. 
    Verrassend genoeg is het VN-Systeem tegelijkertijd zelf niet immuun voor de insijpeling van corrupt gedrag. Integendeel. Haar omvang, structuur en internationaal karakter zorgen ervoor dat de instelling bijzonder vatbaar is voor corruptie. Nochtans lijken de principes die gelden voor de lidstaten – good governance, transparency, accountability – niet in praktijk te worden gebracht binnen het VN-Systeem. Dit is problematisch, enerzijds omdat de discrepantie de legitimiteit van de VN aantast en anderzijds omdat de bijzondere kenmerken van de organisatie net zeer specifieke anti-corruptie maatregelen vragen.
    Het doctoraatsonderzoek tracht de strafrechtelijke aspecten van deze speficieke aanpak bloot te leggen en heeft als doel een strafrechtelijke ‘toolbox’ samen te stellen die tegemoetkomt aan de typische problemen die zich voordoen bij het onderzoeken, vervolgen en bestraffen van VN-corruptie. De corruptiebestrijding zoals deze is georganiseerd binnen de instellingen van de Europese Unie, vormt doorheen de hele studie een bron van inspiratie; met de standaarden die de VN oplegt aan anderen als maatstaf.

  • Bart Vangeebergen
    De rol van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij het opsporen en vervolgen van strafbare feiten. Een rechtsvergelijkend onderzoek in België, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk
    In het verleden is de aandacht voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vanuit wetenschappelijke hoek – althans in België – grotendeels achterwege gebleven. Nochtans wordt zowel vanuit de Europese Unie als in de nationale politiek gestreefd naar een intensievere samenwerking tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de opsporingsinstanties. Een verregaande samenwerking tussen de inlichtingendiensten en de opsporingsdiensten ligt omwille van hun verschillende uitgangspunten en doelstellingen evenwel niet voor de hand. Het onderscheid tussen de inlichtingentaak en de opsporingstaak komt daardoor onder druk te staan. In dit proefschrift wordt daarom getracht om de rol die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten kunnen vervullen, scherp te stellen. Daarbij wordt voornamelijk gefocust op de mededeling en het gebruik van informatie afkomstig van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Vooreerst wordt nagegaan welke mogelijkheden van informatie-uitwisseling er bestaan tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten enerzijds en de opsporingsdiensten anderzijds. Wanneer aldus duidelijk is geworden welke informatie onder welke voorwaarden met de opsporingsdiensten kan worden gedeeld, wordt de vraag gesteld naar het gebruik van de informatie in kwestie. Daartoe wordt in het proefschrift een trapsgewijze indeling gemaakt tussen drie categorieën: het gebruik van de gedeelde informatie als start- of sturingsinformatie; het gebruik als grond voor het aanwenden van dwangmiddelen; en het gebruik als bewijs in strafzaken. Elk van deze kwesties wordt rechtsvergelijkend geanalyseerd in het licht van de bestaande wettelijke en jurisprudentiële regelingen in België, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Daarbij wordt telkens de nodige aandacht besteed aan de relevante ontwikkelingen op het niveau van de Europese Unie.

Top

Onderzoeksprojecten

  • Ken Van hoogenbemt
    FWO-Onderzoeksproject “De handhaving van het ordeningsstrafrecht. Een rechtsvergelijkend en empirisch onderzoek
    De uitbouw van de verzorgingsstaat weerspiegelt zich in overheidsoptreden op tal van sociaal-economische terreinen, waarbij een netwerk van ordeningswetgeving tot stand werd gebracht. Veel van deze wetten bevatten een strafrechtelijk luik en kwalificeren inbreuken op een aantal bepalingen ervan als misdrijf. Naast het klassieke strafrecht ontstond aldus een een uitgebreid ordeningsstrafrecht, door de overheid gehanteerd ter bescherming van een geheel van abstracte rechtsgoederen inzake welzijn, welvaart, economie, gezondheid en rust. Het ordeningsstrafrecht heeft in die zin een veeleer instrumentalistisch karakter, waarbij de strafbaarstellingen als mala prohibita veel minder dan de misdrijven uit het gemeen strafrecht als mala in se steunen op diepgewortelde, fundamentele en a priori duidelijke morele waarden. Waar in het klassieke strafrecht de bescherming van individualiseerbare goederen centraal staat, beoogt het ordeningsstrafrecht meer abstracte collectieve rechtsgoederen te beschermen. De gronden voor een terughoudend gebruik van het strafrecht dreigen hierbij echter weg te vallen.
    De ontwikkeling van het ordeningsstrafrecht ging gepaard met de creatie van tal van inspectiediensten, die onder de bevoegde Ministeries ressorteren en belast zijn met het toezicht op de naleving van bepaalde wet- en regelgeving. Deze specialisering impliceert een verspreiding van de politiefunctie, waarbij naast de traditionele opsporingsinstanties een mozaïek van bijzondere diensten ontstaat die elk opsporingsprioriteiten stellen en daarenboven beschikken over eigen vormen van conflictbeslechting. In vergelijking met de reguliere politiediensten beschikken de inspectiediensten over vergaande opsporings- en afhandelingsbevoegdheden, die in hoge mate discretionair worden uitgeoefend.
    Doorheen het project wordt aandacht besteed aan de impact van de inflatie van ordeningsstrafwetgeving op de strafrechtelijke grondslagen en beginselen. Eventuele alternatieven naast de inzet van strafwetgeving worden hierbij afgewogen. Vervolgens wordt de organisatie van de handhaving van het ordeningsstrafrecht bestudeerd. De mozaïek van inspectiediensten wordt in kaart gebracht, waarbij tevens de samenloop tussen toezicht en opsporing wordt geproblematiseerd. Daarbij wordt de in een democratische rechtsstaat noodzakelijke controle op de inspectiediensten geanalyseerd. De legitimatie en de vergaande discretionaire bevoegdheden van de inspectiediensten worden nader onderzocht, waarbij de vraag rijst naar de verantwoording van de huidige grote versnippering van dergelijke diensten en naar de wijze waarop de coördinatie en de samenwerking tussen deze diensten vorm kan worden gegeven.
  • Stef De Decker
    FWO-Onderzoeksproject “Strafrechtelijke onderzoeksbevoegdheden ná de schuldigverklaring aan een misdrijf

    Vroeger was het leven eenvoudig. Het strafprocesrecht regelde de bevoegdheden en procedures tot het definitief worden van de rechterlijke uitspraak, die tot een straf of strafrechtelijke maatregel veroordeelde. De vrij duidelijke waterscheidingslijn tussen de fase vóór en die ná de definitieve veroordeling tot de strafrechtelijke sanctie liet toe deze fasen te onderwerpen aan een gescheiden regime op het vlak van rechten, bevoegdheden en rechtsbescherming. Het doel (of de verschillende doelstellingen) van de uitvoering van strafrechtelijke sanctie verschilt immers van dat van de straftoemeting, maar zeker ook van de doelstellingen van opsporing en onderzoek vóór de schuldigverklaring. Verscheidene vormen van bescherming tegen de overheid en de buitenwereld gelden nog wel zolang men niet schuldig is bevonden, maar niet langer daarna. De veroordeling brengt zowel uitdrukkelijk als impliciet het verlies van talloze vrijheden en rechten mee.
    De klassieke – dogmatisch en politiek misschien handige – status quo is om verschillende redenen verstoord geraakt. Eerst en vooral zijn de mensenrechten uitdrukkelijk doorgetrokken tot de strafuitvoering. Een tweede belangrijke evolutie is dat politie en parket er zich steeds minder bij neerleggen dat een tot een vrijheidsstraf veroordeelde persoon voortvluchtig kan blijven en dan ongemoeid wordt gelaten tot de verjaring van de straf intreedt. Tenslotte beseft de overheid steeds meer dat ze een categorie “gevaarlijke” veroordeelden (bv. terroristen, seksuele delinquenten) noch tijdens de strafuitvoering, noch daarna, uit het oog mag verliezen. Ze leveren immers een blijvend risico op. Wij moeten dus op zoek naar een nieuw evenwicht.
    Het doel van het onderzoek is het vastleggen van algemene beginselen als basis voor een wettelijk kader voor indringende onderzoeksbevoegdheden in de fases van de straftoemeting en de strafuitvoering, in het licht van de regeling van vergelijkbare bevoegdheden in de fase vóór de veroordeling. Verder zal worden nagegaan of een verregaande integratie van deze regimes mogelijk en wenselijk is.
  • Frank Verbruggen and Ann Dierickx
    Project: Intramural medicine - health welfare between mandate to heal and execution of sentences in the international discourse

    The project deals with the struggles on the European and the international level to find for acceptable legal norms to protect the human dignity in the penitentiary system with special consideration of the medical care provided to inmates.
    A comparative, interdisciplinary study (criminal law, medical law and administrative practice) will be the basis for general conclusions on law and policy.
    It will deal with the place and role of physicians in the execution of sentences, the medical supply in the execution of sentences, informed consent to medical treatment, doctor's duty of confidentiality in the execution of sentences, psychological patients in the execution of sentences, the medical supply in the penal system for women, risks of infection and addiction in the execution of sentences, compulsory treatment in the execution of sentences and the criminal risks of the institute physician.
    In June 2007 an international symposium will be held in Zürich. The project is coordinated by the University of Zürich (Switzerland) and the University of Heidelberg (Germany).
    Start: 2006
    End: June 2007
    Sponsor: European Academy of Sciences and Arts

    DIERICKX, A., VANDESTEENE, A., VAN MOL, F. en VERBRUGGEN, F., "Blood, sweat and ... hope. The provision of medical services in the Belgian prison system", Springer, 2008. Klik hier voor Lirias.
  • Frank Verbruggen en Stef De Decker
    Project: Rights of the Defence in the EU (Belgium)

    The context for this project is the increasingly proactive nature of EU activity in matters of criminal justice, concerning both transborder crime and domestic provisions. As a result of increased transnational cooperation in criminal matters, suspects and accused persons will be more and more the subject of investigative and prosecutorial acts outside their own country and there will be a growing need for transnational legal assistance. In this, mutual trust and recognition are the keywords, the guarantees on which co-operation is based.
    The objective of this research study is to examine the nature of the legal protections provided to suspects in a range of EU countries, from both a theoretical and practice-based perspective. Knowledge of criminal defence provision across Europe is patchy and the accounts that exist often differ widely from practice. Through the establishment of a co-ordinated international research group, this study aims to provide a more contextual understanding of the criminal defence role across different European jurisdictions, considering the legal and procedural rules in place and the implications which the pre-trial stage process has for the trial stage. The blending of practising lawyers and academics should foster a balanced and stimulating discussion on European common principles of criminal procedures.
    The project is coordinated by the University of Maastricht (The Netherlands) Others contributors come from University of the West of England (UK), University of Warwick (UK), University of Bologna (Italy), University of Warsaw (Poland), Democritus University of Trace (Greece), University of Lund (Sweden) and University of Cologne (Germany)
    Start: 2005
    Sponsor: EU

    FERMON, J., VERBRUGGEN, F. and DE DECKER, S., "The Investigative Stage of the Criminal Process in Belgium" in: E. CAPE, J. HODGSON, E. PRAKKEN and T. SPRONKEN, Suspects in Europe. Procedural Rights at the Investigative Stage of the Criminal Process in the European Union, Antwerpen, Intersentia, 2007, 29-58.

Top

Niet gepubliceerde documenten

 

  • Frank Verbruggen
    "Uit de oude doos, boekbespreking Corpus Iuris (1998)"
    Klik hier voor de tekst (pdf-file).

  • Frank Verbruggen
    "Schaduwboksen in het donker. De dogmatische onderbouw van de strafrechtelijke aanpak van georganiseerde criminaliteit" (proefschrift - mei 2001)
    Klik hier voor de tekst (pdf-file).

Top