jura falconis, jg 46, 2009-2010, nr 3, p. 507-532

De auteursrechtelijke aspecten van sportverslaggeving via het internet

Klaas Vanneste

Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. Dr. F. GOTZEN

1. Inleiding

Historisch gezien strijden musici, schrijvers en sportlui om de publieke aandacht op het forum van de ontspanning. Al in de klassieke oudheid traden sportlui in competitie met poëten en redenaars op het domein van het entertainment. Tijdens de klassieke Olympische spelen probeerden sportlui dan ook alle aandacht van de culturele wereld naar zicht toe te trekken, het streven naar de optimale prestatie “citius, altius, fortius[1] indachtig.

Scheppende kunstenaars beschikken over een specifiek intellectueel eigendomsrecht met name het auteursrecht om hun creaties te beschermen en te verdedigen. In dit opzicht woedt tussen sportlui en creatieve kunstenaars een ongelijke strijd aangezien het auteursrecht traditioneel gezien geen bescherming biedt aan sportieve manifestaties zoals voetbalwedstrijden.[2]

De sportindustrie lobbyt reeds decennialang voor auteursrechtelijke bescherming maar botst telkens op hevig verzet van de journalistiek die schermt met de principes van vrijheid van meningsuiting en het recht op vrije nieuwsgaring. De opkomst van het internet en het fenomeen van de moderne journalist bezorgen de sportorganisator een nieuwe kater. Deze moderne journalisten brengen op hun blog of twitterpagina live verslag uit over het sportevenement zonder hiervoor de organisator of uitzendgerechtigde te vergoeden. Zij beroepen zich hiervoor op de grondrechtelijke rechten van vrijheid van meningsuiting en van vrije nieuwsgaring.

Sportverslaggeving via het internet is een moeilijke evenwichtsoefening. In de keuze tussen het toekennen van (intellectuele) eigendomsrechten aan de sportorganisator enerzijds en het beschermen van de grondrechten van de journalist anderzijds, lijkt kiezen ook hier automatisch verliezen.

2. Probleemstelling

2.1. Formulering van de onderzoeksvraag

De problematiek van de auteursrechtelijke aspecten van sportverslaggeving via het internet situeert zich op twee niveaus.

Vooreerst is er de erg praktische vraag in hoeverre de moderne journalist die op het internet rapporteert over sportevenementen, rekening moet houden met de auteursrechten en naburige rechten die sporters, organisatoren, sponsors en televisiestations bezitten.

Vanuit wetenschappelijke belangstelling gaan we op zoek naar een antwoord op de meer academische vraag of sportevenementen eigen, onderscheiden auteursrechten en naburige rechten bezitten?

2.2. Uitwerking van de onderzoeksvraag

Het eerste deel behandelt de aanspraken van de sportorganisator op een auteursrechtelijk statuut voor de sportprestatie en het sportevenement. Zowel het auteursrecht sensu stricto, de naburige rechten als diverse andere intellectuele rechten komen hier aan bod. Het tweede deel beschrijft het fenomeen van de moderne sportjournalist en de grondrechtelijke bescherming die hij krachtens het recht op vrije meningsuiting en de vrije nieuwsgaring geniet. Ten slotte gaan we op zoek naar een evenwicht tussen de aanspraken van beide partijen.

Het ankerpunt van dit onderzoek is rechtsvergelijkend. In deze paper wordt dan ook zowel naar rechtspraak en rechtsleer uit Civil law landen als uit Common law landen verwezen. De benadering van het auteursrecht in Civil law is immers totaal verschillend van die in Common law.

2.3. Samenvatting van de bevindingen

Het niet toekennen van een auteursrechtelijk statuut aan de sportorganisator op basis van het criterium van originaliteit is niet langer verantwoord. Er zijn immers tal van sporttakken en sportprestaties die aan de vereiste van originaliteit voldoen. De sportorganisator is zelf aan deze onhoudbare positie tegemoet gekomen door de creatie van een  quasi intellectueel recht m.n. de exclusieve televisierechten. Het fenomeen van de exclusieve televisierechten maakt het bestaan van een aparte categorie binnen de intellectuele eigendomsrechten bijgevolg aannemelijk. Een regulering van de handel in uitzendrechten dringt zich echter wel op aangezien televisiecontracten een wankele juridische basis vertonen.

Exclusieve uitzendrechten worden meer dan ooit uitgehold door de zogeheten free riders, die hun bestaan danken aan de huidige digitale maatschappij en de grondrechtelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting en van vrije nieuwsgaring. De economische waarde van de uitzendrechten komt voorlopig nog niet onder druk te staan. Een inperking van de vrijheden van de (moderne) journalist is dan ook vooralsnog niet aan de orde.

3. Commerciële en economische belang-en van topsporters en sportmanifestaties

Interesse van het sportmilieu voor de intellectuele rechten vloeit voort uit de steeds stijgende prijzen van de sportuitzendrechten - Vandaag de dag blijft van de Klassieke Olympische spelen niet veel meer over dan het historische kader. Sport is big business geworden. Ter illustratie: de sportindustrie vertegenwoordigt 4,58 % van het BBP van de EU.[3] S. BLATTER, voorzitter van de Wereldvoetbalbond FIFA, stelde dan ook m.i. volledig terecht dat sport dient te worden beschouwd als een product met eigen, onderscheiden rechten en een professioneel karakter.[4] Men denkt aan de reclame op en rond het sportterrein en de publiciteit op de truitjes van de spelers. Bovendien acteren zowel sporters als hun trainers als professionelen. Maar bovenal creëert het sportevenement bijkomende economische troeven door de publicatie van foto’s, beeldmateriaal en de televisie-uitzending van het spektakel.[5] Topsporters en hun entourage trachten (een deel van) de eigendomsrechten te bekomen op hun sportprestaties, die nu meestal in handen zijn van hun club of federatie.[6]

De economische waarde van exclusieve sportuitzendrechten, de zuurstof van de sportindustrie, ligt geheel in dezelfde lijn.[7] Het Europees parlement erkende in haar White Paper on Sport zelfs dat mediarechten de belangrijkste inkomstenbron zijn voor de sportindustrie.[8] Ter illustratie kan verwezen worden naar de recordsom van 1,7 miljard Pond die de Engelse Premier League ontving voor de voetbaluitzendrechten voor de periode 2007-2010. Uiteraard zijn deze uitzendrechten niet enkel belangrijk voor de aanbieders maar ook voor de vragers m.n. de media-industrie. Ter illustratie kan verwezen worden naar de aandelenkoers van de Duitse betaaltelevisiezender Première, die gehalveerd werd toen laatstgenoemde de uitzendrechten voor de Duitse Bundesliga verloor aan de kabelmaatschappijen.[9] De interesse van het sportmilieu voor de intellectuele rechten kadert dan ook in de steeds stijgende prijzen van de sportuitzendrechten.[10] Dergelijke commerciële en economische belangen vereisen dan ook een deugdelijk en inzichtelijk juridisch fundament.

4. Sportverslaggeving via het internet: het toekennen van (intellectuele) eigendomsrechten aan de sportorganisator enerzijds en het beschermen van de grondrechten van de journalist anderzijds: een moeilijke evenwichtsoefening

4.1. Intellectuele eigendom: monopolie van de eigenaar

4.1.1. Het auteursrecht en de naburige rechten verbonden aan sportprestaties en sportevenementen

a. Afbakening van de begrippen

Sportevenement - Een sportevenement is een openbare sportieve gebeurtenis, zoals een wedstrijd, toernooi of kampioenschap, dat wordt georganiseerd ten behoeve van een relatief groot aantal toeschouwers, waarvan een relevant deel van buiten de regio afkomstig is. Een evenement is begrensd in tijd en ruimte. Bovendien moet er een bepaalde uitstraling van uitgaan.[11]

Sportwedstrijd - Een sportwedstrijd is een optelsom van sportprestaties. Na het vergelijken van de prestaties van de deelnemers wordt uiteindelijk een winnaar aangewezen.[12]  Sportactiviteiten vallen onder art. 59 van het EU-verdrag, aangezien zij de verrichting van meerdere afzonderlijke, doch nauw met elkaar verweven diensten met zich mee brengen.[13]

Sportorganisator - Bij gebrek aan wettelijke definitie wordt de sportorganisator omschreven als de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de samenstelling en het functioneren van een of meer sportieve proeven en die het hoogste financieel risico draagt.[14]  De draagwijdte ervan is echter niet helemaal duidelijk. Betreft het enkel de directe organisator of maakt ook de sportfederatie, zij het als co-organisator, hier deel van uit?[15]

b. Het auteursrechtelijk statuut sensu stricto

b.1. Toepassingsgebied van de auteurswet

Criterium: originaliteit - De auteurswet[16] (hierna AW) verleent de maker van originele werken, naast bescherming van de persoonlijkheid, een ruime controle over de exploitatie van zijn schepping.[17] Een auteursrecht komt toe aan de auteur van een werk van letterkunde of kunst.[18] Bij een oppervlakkige beschouwing zou men op grond hiervan kunnen stellen dat sport niet in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming vermits het geen artistiek werk uitmaakt. Bijgevolg kan het niet in aanmerking worden genomen voor auteursrechtelijke bescherming vermits het geen artistiek werk uitmaakt.[19] Geargumenteerd wordt dat onvoorspelbaarheid de essentie van de sport is. Het typische van het werk van letterkunde of kunst is daarentegen de voorspelbaarheid van de uitvoering in de lijn van de repetities en het script.[20] Zo eenvoudig ligt het echter niet want aan de op het eerste zicht enge omschrijving van het auteursrecht heeft de praktijk een ruim toepassingsgebied toegekend. GOTZEN en JANSSENS stellen dat elke creatie die aan de beschermingsvereiste van originaliteit voldoet, beschermd kan worden door de auteurswet.[21] Op grond van het criterium van (on)voorspelbaarheid kan het bestaan van een auteursrechtelijk statuut voor het sportevenement dus niet worden afgewezen.

Auteursrecht mag niet ontaarden tot een soort gemeen recht van de intellectuele eigendom - Vele auteurs zijn het echter niet eens met dit brede toepassingsgebied. Zij stellen dat het auteursrecht bij zijn corebusiness moet blijven en dus enkel kunstwerken moet beschermen. BUYDENS en CORBET pleiten ter compensatie voor een nieuw, specifiek recht voor creaties met een onvoldoende oorspronkelijkheidsniveau.[22] De rechtspraak schijnt tot datzelfde besluit te zijn gekomen. Het Hof van Cassatie zette dan ook de puntjes op de i door de nadruk te leggen op de persoonlijkheid van de auteur.[23]

b.2. Beschermingsvereisten

Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, dienen twee voorwaarden te worden vervuld. Vooreerst moet het werk worden uitgedrukt in een concrete vorm[24] en daarnaast moet het voldoen aan de vereiste van originaliteit.[25]  Sport an sich wordt wereldwijd niet beschermd door auteursrechten.[26] Een sportevenement dient dan ook beschouwd te worden als een vorm van pure informatie.

b.2.1. Een concrete vorm

Sportprestatie als concrete vorm - Het auteursrecht beschermt geen ideeën, maar de concrete vorm waarin die ideeën worden uitgedrukt.[27] De creatie moet het stadium van idee voorbij zijn en een zekere concretisering of materialisering verkregen hebben.[28] De grens tussen het onbeschermde concept en de beschermde concrete vorm is echter vaag en verschilt van domein tot domein.[29] De sportprestatie en het sportevenement zullen aan de vereiste van “concrete vorm” voldoen als het neergeschreven, gefilmd[30] of gefotografeerd is.[31] Een loutere fixatie in woorden, beelden of geluiden volstaat bijgevolg om het sportieve feit als een concrete vorm te kunnen beschouwen.

b.2.2. Originaliteit

- Het originaliteitsbeginsel in het algemeen

Wetgevend kader verduidelijkt het concept originaliteit niet - Er bestaat in alle droit civil landen een consensus dat de vereiste van originaliteit, ook oorspronkelijkheid genoemd, de  essentiële eis is waaraan een werk moet voldoen om auteursrechtelijke bescherming te verwerven.[32] Alle creaties die uitgedrukt zijn in een originele vorm worden volgens GOTZEN en JANSSENS automatisch beschermd door de auteurswet.[33] In een eerste tekst, goedgekeurd door de Belgische Senaat, werden alle oorspronkelijke scheppingen van letterkunde, wetenschap en kunst beschermd. Maar deze precisering werd geschrapt door de Belgische Kamer.[34] Hoe dan ook zegde deze tekst niets over wat onder oorspronkelijk moest worden begrepen. In andere Europese landen zegt de wetgeving daaromtrent overigens niets meer.[35] Weliswaar zegt art.2§5 AW dat foto’s maar oorspronkelijk zijn indien ze een eigen intellectuele schepping van de auteur zijn. Deze tekst werd trouwens overgenomen uit art. 16 juncto r.o. 17 van Europese richtlijn beschermingsduur.[36]

Originaliteit ingevuld door Rechtspraak en rechtsleer - Aangezien de wetgeving dit concept niet nader heeft bepaald, hebben rechtspraak en rechtsleer het begrip “oorspronkelijkheid” verder uitgewerkt. Om aan de vereiste van originaliteit te voldoen, is het nodig -maar voldoende- dat bewezen wordt dat het werk de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker en de stempel van zijn persoonlijkheid draagt.[37] Er kan over gediscussieerd worden of dit twee afzonderlijke, cumulatieve voorwaarden zijn dan wel twee aspecten van dezelfde voorwaarde. Oorspronkelijkheid is niet hetzelfde als nieuwheid. Oorspronkelijkheid is veeleer een subjectief element terwijl nieuwheid objectief is.[38] Het bewijs van originaliteit kan niet louter objectief gegeven worden. Er moet a.h.w. een “kwalitatieve sprong” gemaakt zijn. Dat houdt quasi onvermijdelijk een subjectieve waardering in.[39] Vooreerst moet het dus gaan om een eigen intellectuele schepping van de auteur, een creatie van de menselijke geest.[40] Dit is een onmisbare voorwaarde om aan het werk een individueel karakter te geven waardoor een creatie ontstaat.[41] Daarnaast moet de persoonlijke stempel van de auteur aanwezig zijn.[42] Het is het doorslaggevend criterium om de oorspronkelijkheid te beoordelen.[43]

- Het originaliteitsbeginsel in het bijzonder: sportprestatie

De Sportprestatie als dakloze – Sportprestaties worden tot nu toe door de wetgever en de rechter consequent de toegang tot intellectuele eigendomsrechten ontzegd. JEHORAM verwoordde het treffend door te stellen dat de sportprestatie een kwijnend bestaan leidt als dakloze voor de deur van het huis van de intellectuele eigendom.[44] De behoefte van de praktijk aan een beschermingsregime is nochtans sterk. Zo sterk dat er in de praktijk een krachtige neiging te bespeuren is tot het doen alsof. Verderop in deze paper wordt verduidelijkt op welke manier  uitzendrechten zich als intellectuele eigendomsrechten gaan gedragen.

 Argumenten contra op basis van de originaliteitsvereiste - Aan de voorwaarde van originaliteit voldoet een sportprestatie volgens de heersende rechtsleer niet. Auteursrechten worden toegekend aan natuurlijke personen die een literair of artistiek werk creëren. Er is dan ook een fundamenteel onderscheid tussen sport en kunst. Sportprestaties houden altijd een vorm van improvisatie in waardoor ze geen duurzaam of blijvend karakter hebben en in tegenstelling tot kunstwerken kunnen ze niet perfect kunnen worden gereproduceerd. [45] Een sportprestatie is dan ook altijd nieuw en uniek.[46] Sporters volgen in tegenstelling tot kunstenaars geen onderliggend script maar zijn onderworpen aan onvoorzienbare gebeurtenissen.[47] Zelfs een ingestudeerde vrije schop of het bedenken van een tactiek doorstaat de toetssteen van de originaliteit niet. Dit zijn slechts kleine componenten van de wedstrijd in zijn geheel, waar improvisatie centraal staat.[48] Bijgevolg kan de atleet of zijn sportploeg noch auteursrechten noch naburige rechten claimen op de sportprestaties van de sporter. [49] 

Geen eensgezindheid in de rechtsleer - In de rechtsleer is er geen eensgezindheid over het auteursrechtelijk statuut van de sportprestatie. Sommigen argumenteren dan ook dat er sportdisciplines zijn waar de grens tussen sport en kunst dun is.[50] Voor zover sportprestaties vooraf in een script kunnen worden vastgelegd, kan voor auteursrechtelijke bescherming gepleit worden.[51] Men denkt aan dans, ijsschaatsen en artistieke gymnastiek waar het in principe mogelijk is dezelfde originele and creatieve oefening in te studeren en bijgevolg ook te herhalen.[52] Men zou kunnen pleiten voor deze sporten voor een bescherming via de auteurswet gebaseerd op de notie “choreografie”.[53] TAYLOR vraagt zich af waarom een dansopvoering niet in aanmerking zou kunnen komen voor auteursrechtelijke bescherming louter omwille van het feit dat het deel uitmaakt van een sportevenement. Er is weliswaar onzekerheid omtrent het resultaat aangezien de deelnemers nog steeds in competitie treden met elkaar. Maar die competitie is niets anders dan een opeenvolging van ingestudeerde individuele prestaties, beoordeeld op basis algemene, universele criteria.[54] PHELOPS verwerpt de beoordeling van de sportprestatie zijnde een choreografie omdat de onvoorspelbaarheid van het spel onverenigbaar is met het concept choreografie.[55]

Andere argumenten contra - Een vaak aangehaald argument om sport uit te sluiten van de auteurswet is dat van het onderliggend doel of objectief. Tijdens een voetbalwedstrijd telt het resultaat, terwijl bij ijsschaatsen de dans an sich doorslaggevend is. Zo streeft de voetballer geen persoonlijke expressie na maar wel het doel van het spel m.n. doelpunten scoren. De ijsschaatser daarentegen laat zich leiden door de smaak en expressie van de choreograaf. [56] De klassieke rechtsleer is dit argument niet gunstig gezind omdat de voorwaarde van doel of objectief uitdrukkelijk wordt afgewezen. [57] Originaliteit is nodig, maar voldoende. Auteursrechtelijke bescherming van sportevenementen zou bovendien voorbij gaan aan het klassieke concept auteursrecht. De rechten van de sportorganisator, die dan de gehele view zou bezitten, gaan immers veel verder dan de klassieke begripsomvang[58] van het auteursrecht.[59]  Andere auteurs verwerpen een auteursrechtelijk statuut op basis van het competitiegehalte van de sportprestatie. De aard van competitie is een streven om te winnen door de uitvoering en techniek van anderen te kopiëren en te verbeteren. Op basis hiervan weerleggen rechtspraak en rechtsleer het auteursrechtelijk karakter van sportprestaties, aangezien het de essentie van sport, nl. het ideaal van imitatio et aemulatio zou ondermijnen.[60] Een dergelijk auteursrecht zou het succes en de bloei van de sport dan ook enkel belemmeren.

Elke afwijzing op grond van de originaliteitsvereiste is onvoldoende juridisch onderbouwd -  De meerderheid van de rechtsleer is het er dus over eens dat een sportprestatie geen creatie van de menselijke geest is.[61] Nochtans lijkt de vereiste van een oorspronkelijke uiting die de persoonlijke stempel van de maker draagt, een uitsluiting van de sportprestatie moeilijk te rechtvaardigen.[62] Er zijn immers tal van sporttakken en sportprestaties die aan de vereiste van originaliteit voldoen. Men denkt natuurlijk aan de sporttakken waarin een zeker element van artistieke expressie aanwezig is zoals kunstschaatsen, kunstzwemmen, ritmische gymnastiek, enz.[63] Maar ook sportprestaties die voortspruiten uit een eigen individuele schepping van de sporter en die zijn persoonlijke stempel dragen zijn legio. Ter illustratie kan verwezen worden naar de Fosburyflop[64] in het hoogspringen, de tijdrithouding van Levi Leipheimer in het wielrennen, de I-Bone formatie in het American Footbal[65], en de Catenaccio speelstijl in het voetbal[66]. De prestaties van het sportteam en van de individuele sporter kunnen dan ook duidelijk beide voorwaarden van de kwalificatie “oorspronkelijkheid” vervullen. De automatische uitsluiting van de sportprestatie op basis de originaliteitsvereiste is bijgevolg niet te verdedigen.

Afwijzing op basis van uitdrukkelijke verschillen tussen de sportprestatie en het auteursrecht - De Nederlandse auteur DOMMERING ontwikkelde vanuit dogmatisch oogpunt een meer bevredigende onderbouwing voor het niet toekennen van een auteursrecht aan de sportprestatie en bijgevolg ook het sportevenement.[67]  DOMMERING vertrekt van de vaststelling dat de sportprestatie en diverse auteursrechtelijk beschermde werken dicht tegen elkaar aan leunen. Toch besluit DOMMERING dat er op basis van de specifieke kenmerken van de sportprestatie enkele duidelijke verschillen zijn t.o.v. de klassieke auteursrechtelijk beschermde werken. Ten eerste wordt sport in tegenstelling tot de klassieke auteurswerken beheerst door regels, waardoor er minder ruimte overblijft voor een originele invulling. KLOS weerlegt dit argument voor zover de regelstructuur in de sport voldoende ruimte laat voor de originele invulling van de atleet.[68] Vervolgens stelt DOMMERING dat een sportprestatie een vermenging van min of meer toevallige aan improvisatie onderworpen gebeurtenissen is waardoor onderliggend concept, plot of programma ontbreekt. Dit vloeit uiteraard voort uit het feit dat een sportprestatie slechts tot stand kan komen door de competitie tussen twee of meer tegenstanders. Ook dit argument gaat echter niet op volgens KLOS aangezien diverse werken die tot stand komen d.m.v. improvisatie wel bescherming van de auteurswet genieten zoals bijvoorbeeld het improvisatietheater, het interview en de polemiek.[69] Dit wordt eens te meer geïllustreerd door de steeds snellere digitale verspreiding van de interactieve films en computerspellen.[70] Ten derde voert DOMMERING de eenmaligheid in de uitvoering van de sportprestatie aan. Opnieuw bestrijdt KLOS deze theorie door te stellen dat er tal van auteursrechtelijk beschermde prestatie zijn die zonder meer als eenmalig dienen te worden gekwalificeerd.[71] Ten slotte werpt DOMMERING het verschil in maatschappelijke betekenis op. Hij stelt in die zin dat “de sport de clubgeest oproept en een publiek aantrekt dat actie en strijd wil. Het maakt gevoelens van geluk, kans en verwachting los die in de beleving van een auteursrechtelijk werk meestal in deze heftige vorm ontbreken. Deze mobilisatiefunctie van de sport geeft het zijn enorme maatschappelijke betekenis”.[72] Ook dit argument dient als onvoldoende te worden afgedaan. Het valt immers niet in te zien wat de bijdrage is van de omvang en het enthousiasme van het publiek voor het auteursrechtelijk statuut van de sportprestatie. Bovendien verklaart dit a fortiori niet waarom men net sport, de maatschappelijk meest gewichtige prestatie volgens DOMMERING, buiten de auteurswet zou moeten houden.[73] Bij wijze van conclusie dienen we te stellen dat DOMMERING er niet in slaagt een voldoende juridische onderbouwing te bieden.

- Het originaliteitsbeginsel in het bijzonder: sportevenement

Sportevenement valt eveneens buiten de auteurswet - Het auteursrecht staat open voor evenementen en shows van artistieke aard. In een vonnis van 5 februari 2008 besliste het Franse Hof van Cassatie dat een modeshow als choreografisch werk onder toepassing van de auteurswet viel. Het auteursrecht sloeg op de show an sich en werd aldus niet beperkt tot de kledij.[74] Het klassieke sportevenement an sich lijkt echter niet te kunnen voldoen aan de twee criterea van de oorspronkelijkheidsvoorwaarde. Bovendien kennen de rechtspraak en rechtsleer van de meeste landen traditioneel geen auteursrechtelijke bescherming toe aan de competitie tussen artistieke werken sensu lato; men denkt aan de Oscaruitreiking. ANDRIYCHUK verdedigt wel een auteursrechtelijk statuut voor het sportevenement zij het vanuit de Common law traditie.[75] Dit is vanuit zijn standpunt verdedigbaar aangezien de Britse Copyright Act zich bekommert om de expressie van een idee en bijgevolg een lage drempel van originaliteit kent.[76] Bovendien vereist de originaliteitsvoorwaarde enkel dat het werk niet gekopieerd is en ontsproten is aan het brein van de auteur.[77] De heersende leer benadrukt echter dat uit niets kan worden afgeleid dat de Britse wetgever een bescherming van de sportonderneming voor ogen had.[78]

Wedstrijdkalenders en sportresultaten genieten geen auteursrechtelijke bescherming - De rechtspraak en rechtsleer zijn het er over eens dat het auteursrecht niet zo ver reikt dat de gegevens over het spel zoals een wedstrijdkalender[79] of real time scores[80] bescherming zouden moeten genieten. De verspreiding van sportinformatie wordt algemeen beschouwd als zijnde toelaatbaar omdat het een fundamenteel recht is. Dergelijke informatie wordt dan ook als niet confidentieel beschouwd.[81]

Sportuitzendingen vallen buiten het toepassingsgebied van het auteursrecht sensu stricto -STROTHMANN en SCHEUER verdedigen de stelling dat de opname van een sportevenement geen auteursrechtelijke bescherming geniet.[82] Zelfs de uitzending die getuigt van een grote technische inspanning blijft een reproductie van de realiteit en een vorm van pure informatie. Aangezien dit audiovisueel werk de voorwaarde van originaliteit mist, komt het niet voor auteursrechtelijke bescherming sensu stricto in aanmerking. De Belgische auteurswet lijkt voor de stelling van STROTHMANN en SCHEUER te kiezen. Niettemin zal het verslag van de sportprestatie in aanmerking komen voor bescherming in de vorm van een naburig recht.[83]           

b.3. Sui generis auteursrecht

lobbying van de sportindustrie - Historisch gezien levert de sportindustrie al vele jaren inspanningen om het sportevenement een auteursrechtelijk statuut toe te kennen. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de Britse Copyright Act werd de zogeheten Association for the Protection of Copyright in Sports geïnstalleerd.[84] Hun lokroep om een auteursrechtelijk statuut voor het sportevenement vond echter geen ingang in de uiteindelijke Copyright Act.[85] Het Europees Parlement verwierp een verzoek in dezelfde zin en stelde dat een auteursrechtelijke bescherming niet te rechtvaardigen is en een inbreuk zou betekenen op de persvrijheid.[86]

is Sectorspecifieke wetgeving de aangewezen oplossing? - Het creëren van sectorspecifieke wetgeving is volgens KLOS de aangewezen oplossing.[87] Hij benadrukt wel dat er tijdens de parlementaire voorbereiding voldoende aandacht moet worden besteed aan de impact van de vrijheid van nieuwsgaring en de vrijheid van meningsuiting.[88] Het wetgevend kader moet dan ook zo worden geschapen dat de verleende bescherming kleiner is dan deze die wordt geschonken aan de auteursrechtelijk beschermde werken net omwille van het maatschappelijk belang van voorgenoemde grondrechten. Tenslotte merkt KLOS op dat deze wetgeving op supranationaal niveau dient te geschieden aangezien de handel in sportrechten grotendeels internationaal is.

c. Naburige rechten

Vier categorieën rechthebbenden - De auteurswet van 30 juni 1994 bevat een uitgebreid beschermingsregime voor de houders van naburige rechten. Onder naburige rechten verstaan we de bescherming van prestaties die niet auteursrechtelijk beschermd worden, maar die het auteursrecht in beweging brengen. De auteurswet verleent een naburig recht aan drie groepen rechthebbenden m.n. de uitvoerende kunstenaars, de omroeporganisaties, de producenten van eerste vastleggingen van films of fonogrammen.[89] Hierna zullen we deze drie categorieën in verband brengen met de sportprestatie en het sportevenement.

c.1. Uitvoerende kunstenaar

Sportlui worden uitgesloten van de bescherming van de uitvoerende kunstenaar - Volgens GOTZEN verduidelijkt de opsomming van de handelingen die in de Conventie van Rome als een uitvoering[90] worden beschouwd, dat de prestatie van artistieke aard moet zijn.[91] Het Duitse Bundesgerichtshof stelde dat de artistieke interpretatie van een werk veronderstelt dat de uitvoerende kunstenaar met de uitdrukkingsmogelijkheden die de taal, beweging en de muziek hem bieden, de stemming, gevoelens of verbeelding van zijn publiek bespeelt.[92] Hierdoor moeten volgens GOTZEN alle louter technische prestaties en dus ook de sportprestatie buiten het toepassingsgebied van het naburige recht worden gehouden omdat ze geen uitvoerende kunstenaar zijn.[93] Vooreerst hebben sportieve prestaties doorgaans enkel een fysiek doel en de handelingen worden alleen daardoor bepaald.[94] Daarnaast verschillen sportlui ook van uitvoerende kunstenaars omdat de prestaties van eerstgenoemde er niet uitsluitend toe strekken toeschouwers te vermaken.[95] Niet alleen bij gebrek aan artistieke prestatie maar ook omdat zij geen werk in de zin van het auteursrecht uitoefenen, argumenteren de meeste rechtsauteurs dat sportprestaties niet voor de bescherming van de uitvoerende kunstenaar[96] in aanmerking komen.[97] Het uitvoeren van een werk door de uitvoerende kunstenaar is immers de grondvoorwaarde van de Conventie van Rome. Aangezien een sportwedstrijd niet als een werk in de zin van het auteursrecht wordt beschouwd, moedigen de meeste rechtsauteurs een uitbreiding van de door de Conventie geboden bescherming tot sportlui dan ook niet aan.[98] Een voorbehoud dient ook hier gemaakt te worden voor sportprestaties met een artistieke aard, die enigszins vergelijkbaar zijn met de uitvoering van een choreografie.[99] Een ijsschaatser levert een eerder artistieke prestatie en kan volgens bepaalde rechtsauteurs dan ook als uitvoerende kunstenaar worden beschouwd.[100]

Criterium “uitvoeren van een werk” op de helling - Het onderscheid tussen zij die een werk uitvoeren en zij die geen werk uitvoeren, is volgens BRISON echter niet langer verantwoord. Zo zou het voorbijgestreefd zijn dat de opvoering van een variété- of circusartiest die op televisie wordt uitgezonden geen bescherming geniet.[101] Tegenstanders verwerpen deze stelling door enerzijds te argumenteren dat de definitie van uitvoerende kunstenaar uit de Conventie van Rome moeilijk de variété- of circusartiest kan omvatten.[102] Anderzijds beoogt een dergelijke uitbreiding bescherming te verlenen aan de artiesten in geval van verfilming van hun prestatie, terwijl de bescherming van de Conventie van Rome ophoudt van zodra de uitvoerende kunstenaar toegestaan heeft in de audiovisuele opname van zijn prestatie.[103] BRISON weerlegt dit argument door te stellen dat de nationale wetgever altijd verder kan gaan dan de in de Conventie van Rome geboden bescherming. Bovendien argumenteert laatstgenoemde dat art. 19 van de Conventie niet onaantastbaar, voorbijgestreefd en aan herziening toe is.[104] De Belgische wetgever sloot elke discussie uit door in art. 35§1 lid AW variété- en circusartiesten als uitvoerende kunstenaars te beschouwen. Diezelfde argumenten worden gehanteerd om sporters van de Conventie uit te sluiten. De hoedanigheid van uitvoerend kunstenaar aan de sportman moet volgens BRISON niet zozeer geweigerd worden bij gebrek aan de uitvoering van een werk maar bij gebrek aan artistieke prestatie.[105]

c.2. Omroeporganisaties

Omroeporganisaties bezitten naburig recht over de registratie van een sportevenement- Het auteursrecht sensu lato onder de vorm van de naburige rechten ondersteunt wel de creatie en de uitzending van sportevenementen in de mate dat het audio- en audiovisuele werken betreft.[106] Men denkt daarbij niet alleen aan het sportverslag maar ook aan spelerinterviews, studiogesprekken en trainingssessies.[107] Deze bescherming zal hen geboden worden in de vorm van een naburig of secundair recht dat omroeporganisaties toekomt.[108] De activiteiten van producers geven immers geen aanleiding tot een naburig recht van de uitvoerende kunstenaar[109], maar maken deel uit van een groter geheel van activiteiten waarvoor aan de omroeporganisatie een eigen naburig recht is toebedeeld.[110] Dit recht kan worden afgeleid uit Richtlijn 92/100 van 19 november 1992.[111] Omroeporganisaties[112] vallen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn m.b.t. hun uitzendingen.[113] Omroeporganisaties zijn de organisaties die de verantwoordelijkheid dragen voor de financiering en de organisatie van radio- en televisie-uitzendingen.[114] Deze uitzendingen kunnen zowel radio- als televisie-uitzendingen zijn. Deze omroeporganisaties kunnen zowel openbare als particuliere omroeporganisaties zijn.[115] De Richtlijn vereist niet dat het audiovisuele werk origineel of oorspronkelijk is waardoor de opname van een sportevenement in principe niet buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn valt.[116] Artt. 18 en 36 AW stipuleren bovendien geheel in lijn met de Europese Richtlijn dat de producent het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie bezit.[117] De vermogensrechten die aan de omroeporganisaties toekomen worden opgesomd in art. 44 AW. De centrale vraag is volgens ANDRIYCHUK of de creativiteit van de omroeporganisaties en de meerwaarde van de sportuitzending het enige element is dat auteursrechtelijke bescherming van het sportevenement mogelijk maakt. Als deze bescherming enkel kan geschonken worden aan omroeporganisaties, voedt dit de hevige competitie om toegang te verkrijgen tot sportevenementen. In het geval dat een sportevenement auteursrechtelijke bescherming kan genieten, zal dit ontegensprekelijk de economische waarde ervan verhogen.[118] De Europese regelgever heeft duidelijk voor de eerste hypothese gekozen.[119] De registratie van een sportevenement op audio- of videotape en de uitzending geniet dus wel auteursrechtelijke bescherming in tegenstelling tot de sportprestatie en het sportevenement an sich.[120] Ondanks het feit dat het verslag van de sportprestatie beschermd is door het intellectueel eigendomsrecht, genieten het onderliggende sportevenement geen bescherming op grond van de intellectuele rechten.

c.3. De producenten van de eerste vastleggingen van films en fonogrammen

Producenten van sportgerelateerde fonogrammen en films komen naburig recht toe m.b.t. de eerste vastlegging - Een naburig recht komt toe aan de producenten van de films of fonogrammen met betrekking tot de eerste vastlegging van geluid en/of beeld op een drager. Volgens GOTZEN en JANSSENS is de producent van een fonogram de natuurlijke persoon of rechtspersoon die “als eerst het geluid van een uitvoering of van andere geluiden vastlegt. De producent van de eerste vastlegging van een film is volgens GOTZEN en JANSSENS dan weer diegene die “als eerste een cinematografisch of audiovisueel werk of bewegende beelden, met of zonder geluid vastlegt”.[121] Dit naburig recht bestond reeds tijdens de Olympische spelen van Berlijn in 1936. De Duitse regisseur RIEFENSTAHL claimde toen immers met succes dat zij de exclusieve eigenares was van de rechten van haar film Olympia.[122]

4.1.2. Blote eigendomsrecht van de sportorganisator

Geen harmonisatie binnen de Europese Unie - Er is geen geharmoniseerd concept aangaande de eigendomsrechten die toebehoren aan een sportevenement. Artikel 295 van het EG-verdrag bepaalt immers dat “het verdrag de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet laat”. De lidstaten van de Europese Unie zijn dus zelf verantwoordelijk om de inhoud en omvang van de eigendoms- en exploitatierechten te bepalen.[123] Met betrekking tot individuele sporten stelde het Gerecht van Eerste aanleg dat de televisierechten normaal toekomen aan de organisator van het sportevenement.[124] De Europese Commissie sprak zich dan weer uit over de televisierechten die op teamsporten rusten. De Commissie concludeerde dat zowel de rivaliserende ploegen als de federatie bepaalde rechten kunnen ontleden aan het sportevenement.[125] Het gemeenschapsrecht komt wel nadrukkelijker tussen op het terrein van de intellectuele eigendomsrechtrechten voor wat betreft het vrij verkeer, de interne markt en de vrije mededinging.[126]

Ontstaan van exclusieve televisierechten - Bij gebrek aan wetgeving of rechtspraak lijkt het eigendomsrecht over het sportevenement in België aan de sportorganisator toe te komen aangezien laatstgenoemde zichzelf de rechten en de macht toeëigent om te onderhandelen over de verkoop van de televisierechten.[127] Voor teamsporten betekent dit dat de thuisteams en de bezoekers samen over de rechten beschikken. Zo is de Liga Beroepsvoetbal in België bevoegd om op collectieve wijze[128] de individuele rechten die de clubs bezitten te commercialiseren.[129] Deze methode wordt bekritiseerd vanuit economische hoek. De monopoliepositie die de Liga Beroepsvoetbal inneemt op de markt van de voetbalbeelden kan volgens KESENNE nadelig uitdraaien voor de consument. Meer concurrentie tussen de aanbieders van voetbalbeelden zou de prijs kunnen drukken. Nu kan de monopoliehouder die prijs opdrijven in functie van zijn eigenbelang.[130] In de ons omringende landen is dit eigendomsrecht wel reeds voorwerp van discussie geweest. In Frankrijk greep de wetgever[131] in en werd bepaald dat de rechten aan de federaties toekomen aangezien zij het monopolie over de organisatie van de sportevenementen bezitten.[132] Geheel anders is de situatie in Nederland. De thuisspelende club komt bij onze Noorderburen een zeker exclusief recht toe, dat huisrecht, stadionrecht of arenarecht wordt genoemd.[133] De eigenaar of gebruiksgerechtigde van een stadion of terrein waar een sportprestatie zich afspeelt, is gerechtigd een redelijke vergoeding te verlangen van diegene die van het sportevenement opnames maakt met oogmerk tot exploitatie.[134] In het arrest NOS/KNVB stelde de hoge Raad dat “moet worden aangenomen dat de KNVB[135] en zijn clubs op een zekere bescherming ter zake van de uitzending van wedstrijden aanspraak kunnen maken”.[136] De Hoge Raad gaf aan dat de door de KNVB georganiseerde wedstrijden voor het publiek toegankelijk zijn. Aan de toestemming tot het betreden van het stadion of wedstrijdterrein mogen de thuisspelende clubs beperkingen verbinden. Deze bevoegdheden vloeien voort uit het eigendoms- of gebruiksrecht dat de clubs aan hun stadion of terrein ontlenen. De Hoge Raad benadrukt wel uitdrukkelijk dat het huisrecht geen intellectueel eigendomsrecht uitmaakt.[137] Hoewel de sportprestatie en het evenement een dakloze is in het huis van de intellectuele eigendom, heeft zij dus een geheel eigen, zij het bouwvallig, onderkomen.[138] De Braziliaanse auteurswet van 14 december 1973 installeerde een gelijkaardig recht in de Braziliaanse rechtsorde. De rechtsleer benadrukt wel dat dit stadionrecht, net als de Nederlandse variant, geen uitbreiding van de Conventie van Rome uitmaakt. Enkel fysieke personen worden immers gevat door deze Conventie waardoor de vennootschapsrechtelijk geconcipieerde sportorganisatoren uit de boot zouden vallen. DE OLIVEIRA ASCENSAO concludeert dan ook dat het stadionrecht geen deel kan uitmaken van een bestaan intellectueel eigendomsrecht.[139] BRISON preciseert dit door te stellen dat de Braziliaanse stadionrechten een afzonderlijke categorie van naburige rechten uitmaken, die buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Rome vallen.[140] In de rechtsleer wordt dit huisrecht fel bekritiseerd op grond van het feit dat alleen de thuisspelende club en niet de uitspelende club, noch de bond een recht toekomen.[141] Zonder deze drie partijen kan immers geen competitiewedstrijd tot stand komen.[142] Het doorslaggevende criterium is dan ook niet wie het economische risico draagt maar de beschouwing dat een sportwedstrijd niets anders is dan een gezamenlijk,       geïntegreerd product.[143] Het toepassingsgebied van het huisrecht is bovendien bijzonder eng. Zo geldt het huisrecht niet voor radioreportages van buiten het stadion of voor televisiebeelden vanuit een helikopter. Daarnaast zal het huisrecht ook geen oplossing bieden voor sporten die niet op een besloten terrein maar in de openbare ruimte plaatsvinden. [144]  

exclusieve televisierechten: Een aparte categorie binnen de intellectuele rechten? - Exclusieve televisierechten zijn niet gelijkwaardig aan de intellectuele rechten.[145] SILANCE argumenteert wel dat televisierechten een voorbeeld van het bestaan van een auteursrecht in het sportmilieu zijn.[146] Bovendien bewijzen de bedragen die televisiestations voor de “rechten” van een sportevenement betalen dat intellectuele eigendomsrechten op een sportevenement bestaan.[147] Ten slotte valt het op dat in nagenoeg alle televisiecontracten de structuur van het auteursrecht wordt gekopieerd, ook al sluit die niet aan bij de wankele juridische basis van die contracten. Zo maken de overeenkomsten gewag van een uitsplitsing van de rechten in allerlei deelrechten zoals opnamerecht en uitzendrecht. Dit alles gedifferentieerd naar verschillende media. Dergelijke contracten beperken zich met andere woorden niet tot het verlenen van toegang tot het stadion en het daar ter beschikking hebben van opnameapparatuur. Integendeel, ze verlenen een absoluut recht met daarbij een afzonderlijke definiëring van inhoud, beschermingsomvang, object en subject van het uitzendrecht.[148] Het hoeft geen betoog dat deze quasi intellectuele rechten zo bouwvallig zijn dat een doordachte regulering van de handel in televisierechten zich opdringt.

4.1.3. Rechtsbescherming van databanken

Auteursrechtelijke bescherming van sportgerelateerde databanken - De auteurswet erkent uitdrukkelijk het bestaan van auteursrechtelijke bescherming voor een databankstructuur in art. 20bis AW, dat tot stand kwam na de omzetting van een Europese richtlijn van 11 maart 1996[149].[150]  De Belgische wet verstaat onder databank elke “verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk”.[151] De databank dient te voldoen aan dezelfde originaliteitsvoorwaarde, die geldt voor alle andere vormen van auteursrechtelijke bescherming. Originaliteit kan volgens GOTZEN bestaan in het op een eigen wijze selecteren van de materie, of in het speciaal rangschikken ervan, volgens een eigen systematische of methodische ordening.[152] Een dergelijk databaserecht werd reeds met succes geclaimd door de sportindustrie.[153] Zo bevestigde het Hof van Justitie in een arrest van 9 november 2004 dat een voetbalkalender een databank vormt in de zin van de richtlijn.[154]

4.1.4. De toepassing van het merkenrecht, octrooirecht en het recht op afbeelding in de sport en in sportevenementen

Hierna worden voornoemde intellectuele eigendomsrechten en hun relevantie voor de sport en het sportevenement in kort bestek toegelicht.

a. Merkenrecht

Aanwezigheid van een onderscheidend vermogen - Sport en sponsors worden haast in één adem genoemd. De moderne journalist zal dus ook het merkenrecht van diverse sponsoren dienen te respecteren. De rol van het merkenrecht is echter niet beperkt tot de logo’s van verschillende merken op de sportkledij van de sporters. Het is namelijk mogelijk om de namen, mascottes en logo’s van het sportevenement an sich te registreren als merk[155]. Hiervoor moet het teken dat men als merk wil deponeren, het mogelijk maken om de producten van een onderneming te onderscheiden. De naam Euro 2000 voldeed niet aan deze vereiste en kon bijgevolg niet geregistreerd worden als merk. BLACKSHAW argumenteert echter dat Euro 2000 in combinatie met een onderscheiden logo wel in aanmerking had moeten kunnen komen voor registratie.[156]

Concrete toepassing: Olympische ringen - De Olympische ringen genieten bijzondere juridische bescherming[157] op het internationale niveau. Deze bescherming werd vastgelegd in de zogenaamde Nairobi Treaty.[158] Ook in de nationale wetgeving van verschillende landen worden de ringen beschermd. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar the Britse London Olympic Games and Paralympic Games Act.[159] Deze wet gaat zelfs nog verder en reglementeert ook het gebruik van het Olympisch motto, de woorden The Games, Olympiërs, en Olympiade en de reclameboodschappen in de zin van “Come to London in 2012”, “Watch the games here this Summer”.

b. Octrooi

Enkele concrete toepassingen - Het verlenen van een octrooirecht[160] in sportmiddens is niet ongebruikelijk. Zo werd reeds juridische bescherming verleend aan een loopschoen, [161] een hockey stick[162], een putter golf club[163] en speelvelden en stadions[164]. De Amerikaanse wetgever gaat echter nog verder en staat ook octrooirechten toe op de menselijke bewegingen die het gevolg zijn van hun uitvinding.[165] Zo werd een octrooirecht toegestaan aan een golfer voor de specifieke manier van putten. Dit octrooirecht is in de rechtsleer streng beoordeeld.[166]

c. Recht op afbeelding

Sporters beschikken over een recht op afbeelding - Sporters beschikken net als alle andere natuurlijke personen over een recht op afbeelding. Dit recht laat de sporter toe zich te beschermen tegen de verspreiding en reproductie van zijn menselijke afbeelding zonder zijn toestemming. De afbeelding van sporters is vandaag de dag het voorwerp van een florisserende markt  met steeds groeiende commerciële en economische belangen. Het recht op afbeelding van sportlui is dan ook reeds erg uitvoerig aan bod gekomen in de rechtsleer.[167]

4.1.5. Handhaving van de intellectuele eigendomsrechten in een digitale context

Richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten - De onafdwingbaarheid van de intellectuele rechten in een digitale context is een klassiek argument van de tegenstanders van auteursrechtelijke bescherming voor het sportevenement.[168] Het internet biedt immers niet alleen een uniek forum voor de moderne sportjournalist maar ook een afzetmarkt voor de talrijke illegale kopies van beschermde werken.[169] Sportevenementen die beschermd zijn door exclusieve media licenties en auteursrechten, worden immers op grote schaal op het internet gekopieerd zonder toestemming van de (intellectuele) eigenaar. De enorme bedragen die de uitzendgerechtigden betalen om verslag uit brengen van een sportevenement, vereisen dan ook dat hun rechten voldoende afdwingbaar zijn. In de EU staat het thema van de handhaving van het intellectuele eigendomsrecht sinds 2001 hoog op de agenda van de Europese Commissie.[170] Dit leidde uiteindelijk tot de “Richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten”, waarin een level playing field wordt gecreëerd voor alle onderdanen.[171] Het hoeft geen betoog dat de discussie omtrent het al dan niet toe kennen van een auteursrechtelijk statuut aan het sportevenement ook op dit punt serieuze implicaties heeft voor de sportorganisator.

4.2. Sportverslaggeving: voor iedereen / door iedereen?

4.2.1. Digitalisering van de sportverslaggeving

Jongste baby van het ICT tijdperk: de moderne sportjournalist – De journalistiek is de voorbije decennia het voorwerp geweest van diverse sociologische en technologische ontwikkelingen.[172] Men denkt dan vooreerst aan de toegenomen hoeveelheid mediaplatforms maar vooral aan de steeds verder evoluerende digitale informatiedistributie. Uiteraard heeft deze evolutie ook een enorme impact gehad op de sportverslaggeving. De hoeveelheid digitale sportinformatie blijft groeien. Als gevolg daarvan kan de sportfanaat als ware consument kiezen welk medium, camerastandpunt of commentaar hem het beste bevalt. Bovendien heeft het internet de journalistieke drempel gevoelig verlaagd waardoor het voor iedereen mogelijk is om verslag uit te brengen over sport, dat bovendien door iedereen kan geraadpleegd worden. Sportinformatie is niet langer het exclusieve eigendom van de traditionele mediaplatforms. Men denkt aan de talrijke bloggers die over een sportevenement rapporteren, geïllustreerd met live-scores, foto’s en video-opnames vastgelegd vanuit het sportstadion. Daarnaast kunnen ook de talloze digitale sportkanalen aangehaald worden. Tenslotte verwijzen we naar de atleet die op zijn Twitter-pagina verslag van een wedstrijd uitbrengt. De rechtsleer is het er over eens dat op basis van een functionele definitie van het begrip journalist deze informatieverstrekkers als moderne journalisten dienen te worden beschouwd.[173] Hierdoor kunnen ze dan ook niet langer worden uitgesloten van alle journalistieke privileges. Zo kan hen niet langer de toegang tot het sportevenement en de persruimte worden ontzegd, evenals het bronnengeheim van de journalist.[174]

4.2.2. Grenzen gesteld aan het monopolie van de (intellectuele) eigenaar

Er werd reeds gewezen op de exclusieve (intellectuele) eigendomsrechten die aan een sportevenement zijn verbonden. Hiervoor kan verwezen worden naar de naburige rechten, die omroeporganisaties genieten, de blote eigendomsrechten van de organisator en impact van diverse andere intellectuele eigendomsrechten.[175] Dit roept de vraag op naar de reikwijdte en omvang van deze exclusieve rechten in hoofde van de (moderne) sportjournalist.

a. Wettelijke uitzonderingen ten behoeve van de sportjournalist

Citaatrecht in de nationale en Europese regelgeving - Het monopolie van de (intellectuele) eigenaar dient genuanceerd te worden. De wetgeving van de meeste landen verleent de pers het recht om fragmenten van auteursrechtelijke beschermde werken te citeren.[176] De blogger of twitteraar, zijnde de moderne journalist, kan van dit citaatrecht volgens WERKERS, LEFEVER en VALCKE niet op voorhand worden uitgesloten voor zover er gesproken wordt over pers in het algemeen. [177]

De televisie zonder grenzen richtlijn - De Europese regelgever ging in de zogenaamde Televisie zonder grenzen richtlijn zelfs nog verder. [178] Sommige sportevenementen kunnen op basis van de richtlijn voorbehouden worden voor het open televisienet in de mate dat ze door de nationale autoriteiten als dermate essentieel worden aanzien dat ze als erfgoed worden beschouwd.[179] Om te vermijden dat deze evenementen zouden in handen komen van een digitaal kanaal en om het recht op informatie te beschermen, kunnen de lidstaten een lijst opmaken van sportevenementen die alleen maar in aanmerking komen voor een uitzending op het open televisienet.[180]

b. Vrijheid van meningsuiting en recht op vrije nieuwsgaring

Recht op vrije nieuwsgaring: Grondrecht - Het recht op vrijheid van meningsuiting en de vrije nieuwsgaring vloeit voor uit art. 10 EVRM en de artt. 19 en 25 Gec. GW. Het recht op vrije meningsuiting uit art. 10 EVRM omvat immers ook het recht op vrije nieuwsgaring.[181] Het is echter onduidelijk wat “vrije nieuwsgaring” in België juist betekent. Op grond van de persvrijheid in België mag elke journalist de sportuitslagen meedelen via radio, televisie of internet. De meeste rechtsgeleerden zijn het er over eens dat niemand beperkt kan worden in zijn recht om een sportevenement te becommentariëren.[182] Ook de rechtspraak is vaak die mening toegedaan.[183] Zo ging de Britse radiozender Talksport vrijuit toen ze live verslag uitbrachten van het voetbalkampioenschap Euro 2000.[184] De radiojournalisten becommentarieerden vanuit hun luie zetel de live Tv-beelden van de BBC, die de exclusieve uitzendrechten van Euro 2000 had verworven, en bevonden zich bijgevolg zelfs niet in het stadion.[185] Maar betekent vrije nieuwsgaring in onze moderne beeldcultuur ook dat tv-beelden vrij mogen worden getoond? In Nederland eindigt het recht op vrije nieuwsgaring op het ogenblik dat het doel van de uitzending niet langer het informeren van het publiek is en de amusementswaarde de bovenhand haalt.[186]

Free rider probleem ten gevolge van de vrije nieuwsgaring - De keerzijde van het recht op vrije nieuwsgaring is het economische free rider probleem. Aanbieders van nieuwe media liften immers gratis mee op de inspanningen die sporters, clubs en federaties verrichten om een sportevenement tot stand te brengen.[187] OLFERS voorspelt dat de economische waarde van de uitzendrechten hierdoor serieus onder druk zal komen te staan. De sportorganisator zou dan het grootste slachtoffer van deze financiële gevolgen worden. OLFERS pleit dan ook voor meer bescherming in hoofde van de sportorganisator. Hiervoor kijkt ze naar het open systeem van de Amerikaanse fair use doctrine[188], waardoor een derde auteursrechtelijk beschermde werk onder bepaalde voorwaarden toch mag gebruiken. Deze doctrine ziet erop toe dat de vrije nieuwsgaring of andere doelen van algemeen belang niet misbruikt worden voor financieel gewin van derden.[189]

4.3. Op zoek naar een evenwicht

Sportorganisator staat vooralsnog niet in de kou - Op het vlak van het auteursrecht en de naburige rechten staat de sportorganisatie dus vaak met lege handen. De organisator komt immers meestal niet in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming. Door het verkopen van exclusieve uitzendrechten, die wel auteursrechtelijke bescherming genieten in de vorm van een naburig recht, slaagt de sportorganisator er vooralsnog in zijn inspanningen te gelde te maken. Maar door technologische ontwikkelingen dreigt deze exclusieve uitzendgerechtigde in de toekomst vaker in de kou te staan. Zijn exclusieve recht wordt immers uitgehold door de zogenaamde free riders[190], die gratis meeliften op de prestaties van sporters en clubs. Vooreerst stellen we vast dat het beeldmateriaal, waarvoor de uitzendgemachtigde fors betaalde, door andere omroepen of mediaondernemingen wordt gebruikt.[191] Daarnaast ondervinden uitzendgerechtigden sterke concurrentie van de zogeheten moderne journalisten, die hun ontstaan danken aan de verregaande digitalisering van de sportverslaggeving en de vrijheid van meningsuiting. Hierdoor wordt het auteursrechtelijk evenwicht volgens sommigen grondig verstoord. Uiteraard dienen we erop toe te zien dat deze verstoring zo beperkt mogelijk blijft. Anderzijds dient aan het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en bijgevolg art. 10 EVRM m.i. een erg ruime interpretatie gegeven worden. Een nuchtere verstaander zal m.i. terecht opwerpen dat het vertrekpunt van deze probleemstelling m.n. de (potentiële) financiële gevolgen voor de sportorganisator krachtig tegengesproken wordt door de steeds groeiende prijzen van de uitzendrechten en exorbitante spelerssalarissen.

5. Conclusie

Het thema van deze paper is de onhoudbare positie van de sportorganisator t.a.v. het auteursrecht. Een uitsluiting van het sportevenement op basis van het criterium van originaliteit is immers niet langer verantwoord. Bijgevolg wordt door de sportindustrie en een aantal rechtsgeleerden met aandrang gepleit voor een degelijk juridisch onderkomen voor de dakloze sportorganisator. Het valt echter moeilijk te ontkennen dat de sportorganisator zichzelf van huisvesting heeft voorzien door de handel in uitzendrechten. Deze quasi intellectuele rechten zijn echter der mate bouwvallig dat een doordachte regulering van de handel in televisierechten zich opdringt.

Exclusieve uitzendrechten worden meer dan ooit uitgehold door de zogeheten free riders, die hun bestaan danken aan de huidige digitale maatschappij. De verstoring van het auteursrechtelijk evenwicht, dat hieruit volgt, moet dringend verholpen worden. Als dit er echter toe zou leiden dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrije nieuwsgaring hiervoor moeten wijken, dan moet m.i. een stevig voorbehoud worden gemaakt. De vrees voor een daling van de prijs van de uitzendrechten t.g.v. deze verstoring van het auteursrechtelijke evenwicht blijkt ongegrond. Getuige daarvan zijn de gigantische bedragen die mediabedrijven nog steeds betalen voor de uitzendrechten van een sportevenement. Misschien moeten we het Olympisch motto maar eens doortrekken naar de sportjournalist en de media-industrie. Voor de (moderne) sportjournalist is deelnemen nog steeds belangrijker dan winnen. Voor de televisiezenders daarentegen is het streven naar de optimale prestatie “citius, altius, fortius” dan weer actueler dan ooit en wel in de strijd om de exclusieve uitzendrechten van het sportevenement.


[1] Het Olympische motto “vlugger,hoger en sterker” werd voor het eerst uitgesproken tijdens de Olympische spelen van 1924 in Parijs. Het motto werd echter al voorgesteld door Pierre de Coubertin op het ogenblik van de oprichting van het IOC in 1894.
[2] H. VANHEES, Auteursrecht in een notendop, Leuven, Garant, 1988, 21.
[3] A. KLEISNER, Economic trends in sport. Sport satellite accounts in Europe, European Conference on Sport and Innovation, Eindhoven, 13 maart 2008.
[4] I. BLACKSHAW, The importance of IP rights in sport: global IP & patents meeting London 2008, The international sports law journal 2008.
[5] L. SILANCE, Les sport et le droit, Brussel, De Boeck Université, 1997, 434.
[6] W. PHELOPS, “Can Sport Move in Mysterious Ways?”, Copyright world  1996-97, afl. 63, 20.
[7] L. FERRARI, “Ownership, exploitation and competition Issues”, The International Sports Law Journal 2003, afl. 3, 4.
[8] M. MAVROMATIS, Draft Report White Paper on Sport, 15 February 2008.

[9] M. SCHOENTHAL, “Major events and reporting rights”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 67.

[10] S. SZYMANSKI, “Collective selling of broadcast rights to sporting events”, International Sports Law Review 2002, 3.
[11] L. SILANCE, Les sport et le droit, Brussel, De Boeck Université, 1997, 423; J. VERHAAREN, Oriënterend onderzoek naar NK wielrennen, 2001, www.wielerboeken.be.
[12] M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van) wedstrijden”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 44.
[13] Zo biedt bijvoorbeeld de organisator van een dergelijke wedstrijd de sportbeoefenaar de mogelijkheid, zijn sportactiviteit uit te oefenen door zich te meten met andere wedstrijddeelnemers, terwijl de sportbeoefenaren door hun deelname aan de wedstrijd de organisator in staat stellen, een sportevenement te organiseren waarbij publiek aanwezig kan zijn, dat door televisiezenders kan worden uitgezonden en dat reclamemakers en sponsors kan interesseren. Daarnaast levert de sportoefenaar een reclameprestatie ten behoeve van zijn eigen sponsors, welke wordt ondersteund door de sportactiviteit zelf (HvJ EG 11 april 2002, zaak C-51/96 (Deliège), Juris 2000, pg. I-02549, r.o. 57).
[14] P. ZEN-RUFFINEN, Droit du sport, Zurich, Schulthess, 2002, 350; A. SCHEUER en P. STROTHMANN,

“Sport as reflected in European media law”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 37. 
[15] Inzake de verkoop van televisierechten heeft de doctrine het bestaan van meerdere co-organisatoren aanvaard. Wat wel onbeantwoord blijft is de vraag naar de juridische verhouding tussen de beide en bijgevolg de verdeelsleutel van de inkomsten ( P. ZEN-RUFFINEN, Droit du sport, Zurich, Schulthess, 2002, 350).
[16] Wet van 30 JUNI 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, B.S. 27 juli 1994.
[17] F. GOTZEN, Het bestemmingsrecht van de auteur, Brussel, Larcier, 1975, 15.
[18] Art. 1 AW.
[19] L. VAN BUNNEN, “Les droits voisins du droit d’auteur: plaidoyer pour une théorie extensive”, in Honderd jaar auteurswet, J. CORBET (ed.), Antwerpen, Kluwer, 1986, 103; S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 82.
[20] O. ANDRIYCHUK, “The Legal nature of premium sports events: IP or not IP?”, in TV Rights and Sport: legal aspects, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 134.
[21] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 24.
[22] J. CORBET, “Het oorspronkelijkheidbeginsel in het auteursrecht en de toepassing ervan op de vormgeving van een industriële machine”,  A&M 2006, 131; J. CORBET, “Ontwikkelingen en tendensen in de intellectuele rechten”, in Liber amicorum Aimé De Caluwé, Brussel, Bruylant, 1995,271-273; M. BUYDENS, La protection de la quasi-création, Brussel, Larcier, 1993, 271-273; J.H. SPOOR, De gestage groei van merk, werk en uitvinding, Tjeenk Willink, Zwolle, 1990; R. TEIJL en R.W. HOLZHAUER, De toenemende complexiteit van het intellectueel eigendomsrecht, Gouda Quint, Arnhem, 1991.
[23] Geen bescherming van foto’s met een uitsluitend informatief karakter (Cass. 10 december 1998, A&M 1999,35); De loutere weergave van thema’s zonder de keuze van een welbepaalde vorm die van persoonlijkheid getuigt, is onvoldoende (Cass. 11 maart 2005 A & M 2005, 396, noot F. DE VISSCHER; R.W. 2007-08, 192, noot; Juristenkrant 2005, 12, noot J. DEENE)
[24] Het uitsluitend aan de auteur van een werk van letterkunde of kunst toekomende recht om het op welke wijze of in welke vorm ook te (laten) reproduceren heeft niet tot strekking een idee of concept te beschermen, en houdt evenmin verband met de bescherming van de belangen van een onderneming.(Cass. 19 maart 1998, A & M 1998, 229); zie ook: Cass. 19 maart 1998, A & M 1998, 229, noot B. DAUWE en T.B.H. 1998, 339, samenvatting B. MICHAUX; Brussel 15 oktober 2002, A & M 2003, 211; Brussel, 18 juni 1996, A & M 1997,62.
[25] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 24; F. GOTZEN, Auteursrecht, tekeningen en modellen, Leuven, K.U. Leuven, 1998, 29-34.
[26] Verenigd Koninkrijk: I find it difficult in attaching any precise meaning to the phrase “property in a spectacle”. A spectacle cannot be owned in any ordinary sense of that word. (Lord Latham C.J. in Victoria Park Racing and Recreation Grounds Co Ltd. v Taylor, (1937) 58 C.L.R. 479); zie in dezelfde zin Sports and General Press Agency Ltd. v Our Dogs Publishing Co Ltd., (1917) 2 K.B. 125.   

Verenigde Staten van Amerika: In our view, the underlying basketball games do not fall within the subject matter of federal copyright protection because they do not constitute original works of authorship under 17 U.S.C. Section 102(a). Section 102(a) lists eight categories of "works of authorship" covered by the act, including such categories as "literary works," "musical works," and "dramatic works." The list does not include athletic events, and, although the list is concededly non-exclusive, such events are neither similar nor analogous to any of the listed categories.(eigen onderlijning) (National Basketball Ass'n v. Motorola, Inc., 105 F.3d 841, 41 U.S.P.Q.2d (BNA) 1585 (2d Cir. 1997).  
[27] Cass. 19 maart 1998, A & M 1998, 299, Arr. Cass. 1998, 158 en Pas. 1998, 158 ; J. CORBET, “Auteursrecht”, in APR, Brussel, Story-Scientia, 1991, 25.
[28] A. BERTRAND, Le droit d’auteur et les droits voisins, Paris, Masson, 1991, 168.
[29] F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant, 2000, 8.
[30] Zie naar analogie het Italiaans recht waar het sportevenement an sich een spel uitmaakt waarvan de regels geen auteursrechtelijke bescherming genieten. Wanneer de sportprestatie daarentegen opgenomen is in een concrete vorm valt het wel onder het toepassingsgebied van het Italiaanse auteursrecht. (A. SCHEUER en P. STROTHMANN, “Sport as reflected in European Media Law: part I”, IRIS plus 2004, afl.4, 3; W. PEDRIALI en P. PFEIFER, Der Schutz des Veranstalters von Sportereignissen nach italienischem Recht, ZUM 1994, 461-462.
[31] W. PHELOPS, “Can Sport Move in Mysterious Ways?”, Copyright world  1996-97, afl. 63, 20.
[32] P.WAUVERMANS, Le droit des auteurs en Belgique, Brussel, Soc. belge de librairie, 1894, 23; . BERENBOOM, Le nouveau droit d’auteur et les droits voisins, Brussel, Larcier, 2008, 53.
[33] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 24; F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant, 2000, 8.
[34] Verslag DE CLERCK, Doc. Kamer, B.Z. 1991-1992, 473/33, 60.
[35] Voor een overzicht zie J. CORBET, “Het oorspronkelijkheidbeginsel in het auteursrecht en de toepassing ervan op de vormgeving van een industriële machine”,  A&M 2006, 127-128; G. KARNELL, “European originality: a Copyright Chimera”, in Intellectual Property and Information Law: essays in honour of Herman Cohen Jehoram, J. KABEL en G. MOM (eds.), Den Haag, Kluwer, 1998, 73-82.
[36] Europese Richtlijn beschermingsduur 29 oktober 1993, P.B. 24 november 1993, nr. L290/9.
[37] J. CORBET, “Auteursrecht”, in APR, Brussel, Story-Scientia, 1991, 26.
[38] J. CORBET, “Het oorspronkelijkheidbeginsel in het auteursrecht en de toepassing ervan op de vormgeving van een industriële machine”,  A&M 2006, 129; J. CORBET, Auteursrecht, in APR, Antwerpen, Kluwer, 1991, 26; F. GOTZEN, G. VAN HECKE en J. VANHOOF, “Overzicht van rechtspraak – Industriële eigendom – Auteursrecht”, T.P.R. 1990, 20-23.
[39] J. CORBET, “Het oorspronkelijkheidbeginsel in het auteursrecht en de toepassing ervan op de vormgeving van een industriële machine”,  A&M 2006, 130.
[40] Cass. 11 maart 2005, A & M 2005, 396, noot F. DE VISSCHER; R.W. 2007-08, 192, noot; Juristenkrant 2005, 12, noot J. DEENE.
[41] Cass. 27 april 1989, Pas. 1989, I, 908 ; Cass. 2 maart 1993, Ing.-cons. 1993, 145;

Frankrijk: Cass. 1 juli 1970, Dall. 1970, 734; Cass. 18 juni 1975, Bull. Civ. I, 204; Cass. 30 juni 1998, R.I.D.A. 1998, afl. 4, 237;

 Nederland: H.R. 27 januari 1961, N.J. 1962, 355; H.R. 5 januari 1979, N.J. 1979,339.
[42] Cass. 27 april 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1006, Pas. 1989, I, 908, R.W. 1989-90, 362, J.L.M.B. 1989, 1222; Cass. 2 maart 1993, Pas. 1993, I, 234 en Ing.-Cons. 1993, 145; Cass. 25 oktober 1989, Pas. 1990, I, 239; Nederland: H.R. 4 januari 1991, N.J. 1991,608; Benelux: Benelux Hof 22 mei 1987, R.W. 1987-88,14.
[43] Cass. 24 februari 1995, R.W. 1995-96,433.
[44] C. JEHORMA, “Daklozen op het gebied van de intellectuele eigendom en ideeënbescherming”, N.J.B. 1992, 1197-1201.
[45] S.S. JAKOBSEN, “Television rights and sports in Denmark”, International Sports law Review 2009, 46.
[46] A. SCHEUER en P. STROTHMANN, Sport as Reflected in European Media Law (1st part)
IRIS plus 2004, afl.4, 3; F. HENNING-BODEWIG, Die Kurzberichterstattung über Sportveranstaltungen im französischen Recht, ZUM 1994, 454-455.
[47] A. MAK en B.J. VAN DEN AKKER, “Restrictions on the Freedom of Information in Sport”, The International Sports law journal 2003, 24-26.
[48] A. LEWIS en J. TAYLOR, Sport: law and practice, London, Butterworths, 596-597;  W. PHELOPS, “Can sport move in mysterious ways”, Copyright world 1996, 17-20.

[49] K. LEFEVER, P. VALCKE en E. WERKERS, “One World One Dream? Sports Blogging at the Beijing Olympic Games”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009.

[50] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 82.
[51] J. BLAIS, “The protection of exclusive television rights to sporting events held in public venues: an overview of the law in Australia and Canada”, Melbourne University Law Review 1992, 528; A. LEWIS en J. TAYLOR, Sport: law and practice, London, Butterworths, 2003, 596-597.
[52] Meer specifiek: de paardendressuur van de Spaanse rijschool te Wenen wordt door sommige rechtsauteurs als een pantomime beschouwd.
[53] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 28; A. BERENBOOM, Le nouveau droit d’auteur et les droits voisins, Brussel, Larcier, 2008, 99;

Verenigde Staten: Horgan v. MacMillan, 789 F.2d 157, 164 (2d Cir. 1986);

Contra Canada: de Federal Court of Appeal besliste dat “a sports game is not a choreographic work because it is for the most part a random series of events and its unpredictability is inconsistent with the concept of choreography” (Sports Claimants v The copyright Board and Others, Federal Court of Appeal , [1992] 1 F.C. 487.
[54] J. TAYLOR, “Commercialisation of Sport (1), Proprietary Rights in Sports Properties”, Lecture November 2006, King's College, London. 
[55] W. PHELOPS, “Can Sport Move in Mysterious Ways?”, Copyright world  1996-97, afl. 63, 18.
[56] A. A. QUAEDVLIEG, “Three times a Hybrid”, in Intellectual property and information law.  Essays in honour of Herman cohen Jehoram, J. KABEL en J. MOM (eds.), London, Kluwer, 1998, 57.
[57] J. CORBET, “Het oorspronkelijkheidbeginsel in het auteursrecht en de toepassing ervan op de vormgeving van een industriële machine”,  A&M 2006, 127; J. CORBET, “Auteursrecht”, in APR, Brussel, Story-Scientia, 1991, 27.
[58] De auteurswet onderscheidt twee onderscheiden rechten m.n. de morele rechten en de vermogensrechten. (F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 32)
[59] O. ANDRIYCHUK, “The Legal nature of premium sports events: IP or not IP?”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 135.
[60] S.S. JAKOBSEN, “Television rights and sports in Denmark”, International Sports law Review 2009, 46.
[61] A. A. QUAEDVLIEG, “Three times a Hybrid”, in Intellectual property and information law. Essays in honour of Herman cohen Jehoram, J. KABEL en J. MOM (eds.), London, Kluwer, 1998,57; P. ZEN-RUFFINEN, Droit du sport, Zurich, Schulthess, 2002, 356-357.
[62] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 82.
[63] Zie supra
[64] De fosburyflop (of kortweg flop) is de naam voor een springtechniek die gebruikt wordt bij het hoogspringen. De techniek is op de Olympische Zomerspelen van 1968 in Mexico-stad geïntroduceerd door de Amerikaanse atleet Dick Fosbury. Overigens is Fosbury niet de uitvinder van de nieuwe techniek. Reeds in 1912 gebruikte zijn landgenoot Clinton Larson een vergelijkbare sprongtechniek.
[65] Verenigde Staten: De Texaanse coaches James Smith en Joey Lorenzo verkregen auteursrechtelijke bescherming m.b.t. hun “I-Bone formatie”, een speelstijl in American Football. (C. KUKKONEN, “Be a Good Sport and Refrain from Using my Patented Putt: Intellectual Property Protection for Sports Related Movements”,  80 J. Pat. & Trademark Off. Soc'y 1998, 808.)
[66] Catenaccio is een van origine Italiaanse speelstijl in het voetbal. Catenaccio, het Italiaanse woord voor 'grendel', werd bedacht door  Helenio Herrera, de toenmalige trainer van Inter Milaan, omstreeks 1963. Het is een combinatie van een verdediging van vier mandekkers in lijn ondersteund door een libero.
[67] E.J. DOMMERING, “De sportprestatie: bescherming en vrije berichtgeving”, in Sport en informatiemonopolies, W.F. KORTHALS ALTES en G.A.I. SCHUIJT (eds.), Amsterdam, Otto Cramwinckel Uitgever, 1991, 9-21.
[68] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 83-86.
[69] R. ARNOLD, “Copyright in sporting events and broadcasts or films of sporting events after Norowzian”, The Yearbook of Copyright and Media Law 2001-02; 56.
[70] O. ANDRIYCHUK, “The Legal nature of premium sports events: IP or not IP?”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 149.
[71] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 83-86.
[72] E.J. DOMMERING, “De sportprestatie: bescherming en vrije berichtgeving”, in Sport en informatiemonopolies, W.F. KORTHALS ALTES en G.A.I. SCHUIJT (eds.), Amsterdam, Otto Cramwinckel Uitgever, 1991, 14-15.
[73] A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 84.
[74] Frankrijk: Cass. 5 februari 2008, www.legalis.net. (Roberts A. D. et autres v. Chanel et autres).
[75] O. ANDRIYCHUK, “The Legal nature of premium sports events: IP or not IP?”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 150.

Verenigde Staten: de baseballwedstrijd an sich werd auteursrechtelijke bescherming toegekend (Baltimore Orioles, Inc. v. Major League Baseball Players Ass’n, 805 F.2d 663,682).
[76] J. DEENE, “Het originaliteitscriterium in de. Softwarewet”, Computerrecht 2007, afl. 3, 149; University of London Press v. University Tutorial Press, [1916] 2 Ch 601.
[77] Ladbroke Football Ltd v. William Hill Football Ltd [1964] 1 All ER 465, [1964] I WLR 273, 291, HL.
[78] Voor een algemeen overzicht zie A. LEWIS en J. TAYLOR, Sport: law and practice, London, Butterworths, 2003, 592-612; W. PHELOPS, “Can Sport Move in Mysterious Ways?”, Copyright world  1996-97, afl. 63, 16-20.
[79] Het Hof oordeelde dat het in casu louter een informatief en communicatief document betrof waarin de volgorde en locatie van de wedstrijden was aangegeven. Door hun publicatie valt de informatie binnen het publieke, openbare domein.(eigen vertaling) (Brussel 26 juni 1954, Ing.-Cons. 1954, 121, noot. A. VANDER HAEGHEN); J. CORBET, Auteursrecht, in APR, Antwerpen, Kluwer, 1997, 29.
[80] Verenigd Koninkrijk: British Horseracing Board Ltd v. William Hill Organisation Ltd, C-203/02;Fixtures Marketing Ltd. V Svenska Spell, C-338/02; Fixtures Marketing Ltd v OPAP, C-444/02; Fixtures Marketing Ltd v. Oy Veikkaus Ab, C-46/02; Football League Ltd. V. Littlewoods Pools Ltd. [1959] 2 All ER 546 (HL); Goodwood Racehorse Ltd. v. Satellite Information Services Ltd. & Ors Ch D. 11 oktober 2004; The British Horse Racing Board [2005] EWHC 3015(Ch), 21 december 2005;

Verenigde Staten van Amerika: NBA v Motorola, 105 F.3d 841, 41 U.S.P.Q.2d (BNA) 1585 (2d Cir. 1997).
[81] O. ANDRIYCHUK, “The Legal nature of premium sports events: IP or not IP?”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 145.
[82] A. SCHEUER en P. STROTHMANN, “ Sport as reflected in European media law”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 37.
[83] Zie infra.
[84] L. SILANCE, Les sport et le droit, Brussel, De Boeck Université, 1997, 423-424.
[85] De verantwoording van de weigering van de Britse wetgever was van tweeërlei aard. Vooreerst vreesde zij hiermee de doos van Pandora te openen, die uiteindelijk tot een algemene auteursrechtelijke bescherming van alle openbare evenementen van commerciële aard zou leiden. Daarnaast was er toen geen behoefte aan een auteursrechtelijk statuut omdat alles kon worden opgevangen door de naburig rechten ( The Report Cmd.8662 of the Copyright Committee, 195; preparatory framework for the Copyright Act 1956).
[86] In die zin: “We acknowledge the right of the Member States to be able to take measures to protect the right to information and to ensure wide access by the public to television coverage of national or non-national sport events of major importance for society, such as the Olympic Games, the football World Cup and the European football Championship” (Amendement 191 van het M. MAVROMATIS, Draft Report White Paper on Sport, 15 februari 2008.)
[87] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 88.
[88] Zie infra.
[89] H. VANHEES, Auteursrecht in een notendop, Leuven, Garant, 1988, 87; . BERENBOOM, Le nouveau droit d’auteur et les droits voisins, Brussel, Larcier, 2008, 393; F. BRISON, “Le chapitre II de la loi sur le droit d’auteur : des droits voisins”, R.D.C. 1996, 9.
[90] F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant, 2000, 263.
[91] Art. 3 van de Conventie van Rome van 26 oktober 1961  inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen, en omroeporganisaties, www.wipo.int.
[92] Duitsland: B.G.H. 14 november 1980, G.R.U.R. l980, 4l9.
[93] F. GOTZEN, Les contrats d'exploitation des droits de l'artiste interprète ou exécutant, E.E.G.-Commissie, Doc. XII/47/80, 1980, 12; F. BRISON, Het naburige recht van de uitvoerende kunstenaar, Gent, Larcier, 2001, 43; M. BUYDENS, La protection de la quasi-création, Brussel, Larcier, 1993, 146 ; H. VANHEES, Auteursrecht in een notendop, Leuven, Garant, 1988, 87.

Frankrijk : C. HUGON, Traité de la propriété littéraire et artistique, Parijs, Litec, 1993, 206-207 ; A. LUCAS en H.-J. LUCAS, Traité de la propriété littéraire et artistique, Parijs, Litec, 2006, 653.
[94] F. BRISON, Het naburige recht van de uitvoerende kunstenaar, Gent, Larcier, 2001, 47;

Duitsland: B.G.H. 29 april 1970, B.G.H.Z. 1970,173.
[95] Frankrijk: Parijs 2 juni 1983, D. 1984, 490, met noot G. BARON.
[96] Art. 3a bepaalt dat onder “uitvoerende kunstenaars” wordt verstaan acteurs, zangers, musici, dansers en andere personen die acteren, zingen, reciteren, declameren, spelen of anderszins werken van letterkunde of kunts uitvoeren; Deze definitie werd trouwens door de Belgische wetgever impliciet aanvaard. (Verslag DE CLERCQ I, Parl. Stukken , Kamer, 473/33-91/92, 192-195).
[97] M. BUYDENS, La protection de la quasi-création, Brussel, Larcier, 1993, 506 ; F. GOTZEN, Les contrats d'exploitation des droits de l'artiste interprète ou exécutant, E.E.G.-Commissie, Doc. XII/47/80, 1980, 13; F. BRISON, Het naburige recht van de uitvoerende kunstenaar, Gent, Larcier, 2001, 47.
[98] F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant, 2000, 294.
[99] F. BRISON, “Le chapitre II de la loi sur le droit d’auteur : des droits voisins”, R.D.C. 1996, 4-10.
[100] Duitsland : B.G.H. 18 maart 1980, G.R.U.R. 1960,604 (Eisrevue).
[101] F. BRISON, Het naburige recht van de uitvoerende kunstenaar, Gent, Larcier, 2001, 49.
[102] P. HERTIN, G. MEYER, W. NORDEMANN en K. VINCK, International Copyright and Neighbouring rights law, Windheim, VHC, 1990, 391.
[103] Art. 19 van de Conventie van Rome van 26 oktober 1961  inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen, en omroeporganisaties, www.wipo.int.
[104] F. BRISON, Het naburige recht van de uitvoerende kunstenaar, Gent, Larcier, 2001, 49.
[105] F. BRISON, Het naburige recht van de uitvoerende kunstenaar, Gent, Larcier, 2001, 51.
[106] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 58-59.
[107] A. LEWIS en J. TAYLOR, Sport: law and practice, London, Butterworths, 2003, 597.
[108] D. GILLIS, S. VAN DAMME en P. VALCKE, “Belgium”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 240.
[109] Nederland: Ook al leverde de producer een aanzienlijke artistieke en creatieve invloed dan nog  komt de uitvoering niet in aanmerking voor het naburig recht van de uitvoerende kunstenaar.  De bijdrage van de producer kan immers niet los gezien worden van de opname.(Rb. Amsterdam 14 juni 2000, Mediaforum 2000, 256 met noot D. VISSER)
[110]  F. BRISON, Het naburige recht van de uitvoerende kunstenaar, Gent, Larcier, 2001, 49.
[111] Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, OJ L 346/62, 27 november 1992.
[112] Elk organisme dat ofwel geluid, ofwel beeld en geluid uitzendt langs radio-elektrische weg, voor ontvangst door het publiek.(art. 2 Conventie van Rome van 26 oktober 1961  inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen, en omroeporganisaties, www.wipo.int); F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 58.
[113] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2007, 58.
[114] F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant, 2000, 303.
[115] H. VANHEES, Auteursrecht in een notendop, Leuven, Garant, 1988, 99.
[116] Voor meer informatie omtrent het naburig recht dat van audiovisuele werken zie F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant, 2000, 289-306.
[117] Artt. 18 en 36 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, B.S. 27 juli 1994 geamendeerd door de Wet van 22 mei 2005 houdende de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, B.S. 27 mei 2005.
[118] O. ANDRIYCHUK, “The Legal nature of premium sports events: IP or not IP?”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 135.
[119] Verenigde Staten van Amerika: “There is no distinction between the performance and the recording of the performance for purposes of pre-emption.” (Baltimore Orioles, Inc. v. Major League Baseball Players Association, 805 F.2d 663 (7th Cir. 1986).
[120] M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van) wedstrijden”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 45.
[121] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 61.
[122] L. SILANCE, Les sport et le droit, Brussel, De Boeck Université, 1997, 433.
[123] UEFA Champions League 8 November 2003, OJ L 291/25; D. GILLIS, S. VAN DAMME en P. VALCKE, “Belgium”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 239; A. SCHEUER en P. STROTHMANN, “ Sport as reflected in European media law”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 35: r.o. 122 in T-185/00, T-216/00, T-299/00 en T-300/00, 8 oktober 2002 (Métropole television M6 en anderen v. Europese Commissie.
[124] T-185/00, T-216/00, T-299/00 en T-300/00, 8 oktober 2002 (Métropole television M6 en anderen v. Europese Commissie) ; M. OLFERS, “Team sport and the collective selling of TV rights: the Netherlands and European Law Aspects”, The International Sports Law Journal 2004, afl. 1-2, 65.
[125] OJ L 151, 24 juni 2000, 0018-0041; C (2003) 2627, 23 juli 2003, 33.
[126] Voor een algemeen overzicht zie M. OLFERS, “Team sport and the collective selling of TV rights: the Netherlands and European Law Aspects”, The International Sports Law Journal 2004, afl. 1-2, 63-72.
[127] L. SILANCE, Les sport et le droit, Brussel, De Boeck Université, 1997, 434 ; Per anologie Italië waar de organisatoren van een sportevenement de exclusieve rechten over het individuele spektakel bezitten, terwijl de clubs samen met de federatie de over de rechten van een teamsport beschikken. De organisator engageert zich namelijk door economische activiteiten uit te oefenen en draagt als ondernemer de financiële risico’s. Bijgevolg mag een derde geen acties ondernemen die de eigenaar van de exclusieve rechten en de vruchten ervan zouden schaden. Het toekennen van exclusieve uitzendrechten aan één televisiekaneel lijkt in Italië dan ook toegelaten. (L. FERRARI, “Ownership, exploitation and competition issues”, The International Sports Law Journal 2003, afl. 3, 45.) De vraag kan worden opgeworpen of dit wel conform het Europees mededingingsrecht is. (S. MEYER en N. WISE, International Sports law and Business ,Camebridge, Kluwer, 1997, 1822-1823.)
[128] Voor een algemeen overzicht zie S. SZYMANSKI, “Collective selling of broadcast rights to sporting events”, International Sports Law Review 2002, 3-6.
[129] Brussel 28 juni 2006, http://economie.fgov.be/fr/binaries/2005MR2-5_Telenet_BeTV_Liga_Beroepsvoetbal_tcm326-68283.pdf .
[130] S. KESENNE, “De aangekondigde dood van het Belgische voetbal”, class=acadbibserialtitle>Streven: cultureel maatschappelijk maandblad  1998, 511-519.
[131] Les fédérations visées aux articles 16 et 17, ainsi que les organisateurs tels que définis à l'article 18, sont propriétaires du droit d'exploitation des manifestations ou compétitions sportives qu'ils organisent.

( class=Heading2Char> Art. 18-1  de la loi de 16 juillet 1984 relative à l'organisation et à la promotion des activités physiques et sportives)
[132] S. SZYMANSKI, “Collective selling of broadcast rights to sporting events”, International Sports Law Review 2002, 4; D. VERHEYDEN, “Ownership of TV Rights in Professional Football in France”, The International Sports Law Journal 2003, afl. 3, 18.
[133] M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van) wedstrijden”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 45.
[134] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 87.
[135] Koninklijke Nederlandse Voetbalbond
[136] NOS/KNVB, HR 23 oktober 1987, N.J. 1988, 310 en Informatierecht/AMI 1988, 30, noot G.A.I. SCHUIJT; KNVB/Feyenoord, HR 23 mei 2003, N.J. 2003, 494.
[137] Decca/Holland Nautic, HR 27 juni 1986, N.J. 1987, 191; M. OLFERS, “Team sport and the collective selling of TV rights: the Netherlands and European Law Aspects”, The International Sports Law Journal 2004, afl. 1-2, 65.
[138] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 87.
[139] J. DE OLIVEIRA ASCENSAO, “Le droit au spectacle”, in Bulletin du droit d’auteur 1990, afl. 2, 7.
[140] Brazilië is niettemin partij bij de Conventie van Rome. (www.wipo.int)
[141] M. OLFERS, Sport en mededingingsrecht, Deventer: Kluwer, 2009; Hieraan moet wel worden toegevoegd dat de Braziliaanse sportorganisatie 20 % van de inkomsten uit de exploitatie dient te verdelen onder de sportlui die aan het evenement hebben deelgenomen.
[142] Voor meer informatie zie T. VAN ENGELEN, Prestatiebescherming en ongeschreven intellectuele eigendomsrechten, Zwolle, W.E.J. Tjeenk Willink, 1994, 284-289; W.F. KORTHALS ALTES, “KNVB versus NOS: een Pyrrusoverwinning voor de voetbalbond, NJB 1998, 895.
[143] M. OLFERS, “Team sport and the collective selling of TV rights: the Netherlands and European Law Aspects”, The International Sports Law Journal 2004, afl. 1-2, 71.
[144] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 87.
[145] M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van) wedstrijden”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 46.
[146] L. SILANCE, Les sport et le droit, Brussel, De Boeck Université, 1997, 423.
[147] L. SILANCE, “Les règles du Comité International Olympique et le droit”, Revue Olympique 1971, 589.
[148] S.A. KLOS, “Sport op het speelveld van de intellectuele eigendom”, I.E.R. 1997, afl. 3, 82; D.W.F. VERKADE en D.J.G. VISSER, “Kroniek van de Intellectuele eigendom”, N.J.B. 1997, 467.
[149] Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, OJ L 077, 27 maart 1996.
[150] Wetten van 10 augustus en 31 augustus 1998, houdende omzetting van de databankrichtlijn, B.S. 14 november 1998.
[151] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 84.
[152] F. GOTZEN,  “Belangrijkste ontwikkelingen inzake intellectuele rechten in de periode 2003-2005”,  in Recht in beweging, VRG alumni (ed.), Antwerpen, Maklu, 2005, 28.

[153] Verenigd Koninkrijk: The British Horseracing Board Ltd and Others v William Hill Organization Ltd, [2001] All ER (D) 431 (Jul); [2001] IP & T 1305 ;[2001] EWCA Civ 1268.

[154] HvJ 9 november 2004, C-444/02, Fixtures v OPAP
[155] Voor een algemeen overzicht zie F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2007, 93-191.
[156] I. BLACKSHAW, The importance of IP rights in sport: global IP & patents meeting London 2008, The international sports law journal 2008.
[157] Verenigde Staten: San Francisco Arts & Athletics Inc. v. United States Olympic Committee, 483 U.S. 522, 540-541.
[158] Nairobi Treaty on the Protection of the Olympic Symbol, 26 September 1981, www.wipo.int.
[159] London Olympic Games and Paralympic Games Act, 30 May 2006, nr. 2006/1118.
[160] Voor een algemeen overzicht zie: F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 193-245.
[161] Octrooi nr. 6 041 524, US Patent & Trademark Office, www.uspto.gov/patft.
[162] Octrooi nr. 5 728 016, US Patent & Trademark Office, www.uspto.gov/patft.
[163] Octrooi nr. 5 728 009, US Patent & Trademark Office, www.uspto.gov/patft.
[164] Octrooi nr. 5 682 711, US Patent & Trademark Office, www.uspto.gov/patft.
[165] Octrooi nr. 5 127 650, US Patent & Trademark Office, www.uspto.gov/patft.
[166] I. BLACKSHAW, The importance of IP rights in sport: global IP & patents meeting London 2008, The international sports law journal 2008.
[167] Voor een algemeen overzicht zie C. FRANCQ en M. ISGOUR, “ Le droit à l'image du sportif : reflets civils et fiscaux ”  , in : Quelques questions d'actualité en droit du sport, Le Jeune Barreau de Bruxelles (ed.), Brussel, Editions du jeune Barreau de Bruxelles, 2006, 167-227 ; D.J.G. VISSER, Het commercieel portretrecht van de sporter, in Sport en recht: buiten rechte of buitenspel, Parijs, Zutphen, 2008, 107-120 ; S. SMITH, The changing face of image protection in sport, International Sports Law Review 2004, afl .2, 37-43 ; S. BOYD, Does English law recognise the concept of an image or personality right, Entertainment Law Review 2002, 1-7.
[168] O. ANDRIYCHUK, “The Legal nature of premium sports events: IP or not IP?”, in TV Rights and Sport: legal aspects, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 155.
[169] In die zin vroeg het IOC met succes aan de Zweedse autoriteiten om alle auteursrechtelijk beschermde  filmpjes van de netwerksite PirateBay te halen (K. LEFEVER, P. VALCKE en E. WERKERS, “One World One Dream? Sports Blogging at the Beijing Olympic Games”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 165).
[170] F. GOTZEN en M. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, Vanden Broele, 2009, 266.
[171] Richtlijn 2004/48/EG van het Europees parlement 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, OJ L 157, 30 april 2004.
[172] K. LEFEVER, P. VALCKE en E. WERKERS, “One World One Dream? Sports Blogging at the Beijing Olympic Games”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 159-161.
[173] Voor een functionele definitie van het beroep journalist zie een arrest van 7 juni 2006 van het Grondwettelijk Hof: “eenieder die als zelfstandige of loontrekkende werkzaam is, alsook iedere rechtspersoon, en die regelmatig een rechtstreekse bijdrage levert tot het verzamelen, redigeren, produceren of verspreiden van informatie voor het publiek via een medium (Grondwettelijk Hof 7 juni 2006, nr. 2006/91).
[174] Voor een algemeen overzicht zie E. WERKERS, E. LIEVENS en P. VALCKE, “Bronnengeheim voor bloggers”, N.J.W. 2006, 630-363; E. WERKERS, E. LIEVENS en P. VALCKE, “Exploring the Legal boundaries of online journalism”, in P. MASIP en J.ROM (eds.), Communication Crossroads: Limits and Transgressions, IV International Conference Communication and Reality, Barcelona, Facultat de Comunicació Blanquerna Universitat Ramon Llull, 2007, Volume I, 457-469.
[175] Zie supra
[176] Vlaanderen: Decreet van 17 maart 1998 houdende regeling van het recht op vrije nieuwsgaring en de uitzending van korte berichtgeving door omroepen, B.S. 17 april 1998;  China: a work may be exploited without permission from, and without payment of remuneration to, the copyright owner, provided that the name of the author and the title of the work shall be mentioned and the other rights enjoyed by the copyright owner by virtue of this Law shall not be prejudiced use of a published work in newspapers, periodicals, radio programs, television programs or newsreels for the purpose of reporting current events (Art. 22.3 Copyright Act of the People’s Republic of China, 7 September 1990).
[177] K. LEFEVER, P. VALCKE en E. WERKERS, “One World One Dream? Sports Blogging at the Beijing Olympic Games”, in TV Rights and Sport: legal aspects, I. BLACKSHAW, S. CORNELIUS en R. SIEKMANN (eds.), Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2009, 164.
[178] Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, OJ L 298/23, 17 oktober 1989.
[179] K. LEFEVER en T. EVENS, “All Sports for Free! A Difficult Match? Right to Information in the Digital Broadcasting Era, The International Sports Law Journal 2009, afl. 3-4, 31.
[180] Voor een algemeen overzicht zie: K. LEFEVER en T. EVENS, “All Sports for Free! A Difficult Match? Right to Information in the Digital Broadcasting Era, The International Sports Law Journal 2009, afl. 3-4, 29-33.
[181] EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146; G.A.I. SCHUIJT, Vrijheid van nieuwsgaring, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2006, 23.
[182] A. MAK en B.J. VAN DEN AKKER, “Restrictions on the Freedom of Information in Sport”, The international sports law journal 2003, 24-26.
[183] Verenigde Staten: National Exhibition Co. v Teleflash Inc., 24 F. Supp. 488, S.D. N.Y. 1936; Pittsburgh Athletic Co. v. KQV Broadcasting Co., 24 F. Supp. 490, W.D. Pa. 1938.
[184] Verenigd Koninkrijk: High Court, nr. 00002692, [2000] TLR. (British Broadcasting Corporation v. Talksport Limited).
[185] R. ARNOLD, “Copyright in sporting events and broadcasts or films of sporting events after Norowzian”, The Yearbook of Copyright and Media Law 2001-02; 53.
[186] M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van) wedstrijden”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 47; EHRM 11 juli 1991, nr. 13920/88 (NOS/Staat der Nederlanden).
[187] M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van wedstrijden)”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 43.
[188] Deze doctrine vindt haar grondslag in de Copyright Act: “the fair use of a copyrighted work (...) for purposes such as criticism, comment, news reporting, teaching (including multiple copies for classroom use), scholarship, or research, is not an infringement of copyright” (1976, 17 U.S.C. §107).

Iedere zaak wordt beoordeeld op basis van een vast aantal criteria: 1) doel en aard van het gebruik; 2) de aard van het onderliggend “werk”; 3) de hoeveelheid van het gebruikte materiaal in relatie tot het “werk”; 4) het effect  van het gebruik op de markt en op de waarde van het werk (P. LEVAL, “Toward a Fair Use Standard”,  Harvard Law Review 1990, afl. 5, 1105–1136).

Voor een concrete toepassing zie: RDR v Rowling, 575 F. Supp. 2d 513 (S.D.N.Y. 2008); Time Inc. v. Bernard Geis Associates, 293 F. Supp. 130.
[189] A. ALBERDINGK THIJM, “Fair use: het auteursrechtelijk evenwicht hersteld”, Informatierecht/AMI 1998, afl. 9, 145-154; M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van) wedstrijden”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 47.
[190] M.A. LEMLY, “Property, Intellectual property and free riding”, Texas law Review 2005, afl. 83, 1031.
[191] M. OLFERS, “De exploitatie van (delen van) wedstrijden”, Tijdschrift voor Sport & Recht 2009, afl. 2, 47.