jura falconis, jg 44, 2007-2008, nr 1, p. 3-38

Jeugdsanctierecht in Europa: is uithandengeving een evidentie?

Barbara Brouwers

Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. Verbruggen

1. INLEIDING

Dit seminariewerk heeft als doel het in vraag stellen van de schuldonbekwaamheid van minderjarigen. Twee belangrijke vragen rijzen, namelijk (1) waarom zijn jongeren in beginsel schuldonbekwaam en (2) waarom zijn sommige jongeren - zij die uit handen gegeven worden - wél schuldbekwaam? In wat volgt, wordt getracht te achterhalen waarom de wetgever dit systeem heeft ingevoerd en wat hij ermee beoogd heeft. Er worden kritische bedenkingen bij het huidige systeem geformuleerd en mogelijke oplossingen gezocht vanuit andere Europese landen.

Concreet wordt de volgende structuur gehanteerd: het eerste en belangrijkste luik belicht de strafrechtelijke minderjarigheid, terwijl het tweede luik maatregelen genomen ten aanzien van minderjarigen betreft. Het eerste luik is verder opgebouwd uit zes hoofdstukken: de situatie in België (H1), de invloed van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (H2), het systeem in Engeland (H3) en Nederland (H4), de Europese context (H5) en implicaties of ideeën voor België (H6).

2. STRAFRECHTELIJKE MINDERJARIGHEID

2.1. BELGIË

2.1.1. Historische evolutie

2.1.1.1. Historische evolutie van de wetgeving [1]

2.1.1.1.1. Vóór de Wet van 1912

Voor de Wet van 15 mei 1912 op de Kinderbescherming[2] bestond er geen autonoom afwijkend kinderstrafrecht. Minderjarige delinquenten werden toen als principieel strafwaardig beschouwd. Indien zij met ‘oordeel des onderscheids’ (dat is het vermogen om ten volle de draagwijdte van zijn handelen, met inbegrip van het strafbare karakter ervan, te onderkennen[3]) gehandeld hadden, werden ze gestraft. Hierbij werd de leeftijd als strafverminderende verschoningsgrond beschouwd. Hadden ze niet met ‘oordeel des onderscheids’ gehandeld, dan dienden ze te worden vrijgesproken, met de mogelijkheid voor de rechter om hen ter beschikking te stellen van de regering.

2.1.1.1.2. De Wet van 15 mei 1912

Vanuit verschillende hoeken werd die aanpak meer en meer bekritiseerd en werd gepleit voor het invoeren van een autonoom systeem van kinderstrafrecht. De Wet van 15 mei 1912 op de Kinderbescherming had vooral tot doel om kinderen beneden 16 jaar buiten het strafrecht te stellen. Aldus werd voor het eerst een leeftijd van strafrechtelijke meerderjarigheid ingevoerd. Jeugdige delinquenten onder 16 jaar waren niet langer strafwaardig. T.a.v. hen werden de straffen vervangen door maatregelen van bewaring, opvoeding en behoeding.

2.1.1.1.3. De Wet van 8 april 1965

Na de inwerkingtreding van de Wet van 15 mei 1912 ontstonden er twee stromingen. De ene stroming pleitte voor een restrictieve interpretatie van de bevoegdheden van de kinderrechter, de andere voor een extensieve interpretatie. De tweede stroming behaalde het overwicht en er werd aangedrongen op een verhoging van de strafrechtelijke meerderjarigheid naar 18 jaar. Een hervorming werd doorgevoerd door de Wet van 8 april 1965 betreffende de Jeugdbescherming (verder Wjb.)[4]. Deze wet heeft de Wet van 15 mei 1912 vervangen. De strafrechtelijke meerderjarigheid werd, behoudens voor bepaalde verkeersmisdrijven (art. 36bis Wjb.) tot 18 jaar verhoogd (art. 36,4° Wjb.) met de mogelijkheid om minderjarigen die op het ogenblik van de feiten 16 jaar of ouder zijn, onder bepaalde voorwaarden voor de strafrechtbank te vervolgen (art. 38 Wjb.).

2.1.1.1.4. Recente wetswijzigingen

De Wetten van 15 mei 2006[5] en 13 juni 2006[6] hebben het jeugdbeschermingsrecht grondig gewijzigd. Een van die wijzigingen betreft de uithandengeving[7]. Ook werd een ondergrens geïntroduceerd: kinderen die nog geen 12 jaar zijn, kunnen enkel worden berispt, onder toezicht van de sociale dienst worden gesteld of aan een educatieve begeleiding worden onderworpen. Andere maatregelen zijn niet meer mogelijk[8]. Het is dus een minimumleeftijd om (de meeste) jeugdbeschermingsmaatregelen opgelegd te kunnen krijgen en betreft de leeftijd op het ogenblik van de uitspraak. Dat in tegenstelling tot een minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid waaronder men niet vervolgd kan worden en die de leeftijd op het ogenblik van de feiten betreft. Een minimumleeftijdsgrens beneden welke het jeugdbeschermingsrecht niet toepasselijk zou zijn, bestaat niet in België. Het openbaar ministerie moet in elk concreet geval oordelen over de wenselijkheid van een vervolging, dus ook t.a.v. zeer jonge daders.

2.1.1.2. Maatschappelijke situering van die evolutie[9]

2.1.1.2. 1. Klassieke strafrechtsleer

Het Belgische Strafwetboek dateert van 1867 en is gebaseerd op de beginselen van de klassieke strafrechtsleer: de morele aansprakelijkheid en de wilsautonomie van de mens (de mens kiest als rationeel wezen bewust voor het goede of het kwade en moet daar volledig en persoonlijk verantwoording voor afleggen), het legaliteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Uit deze visie op de mens vloeit de visie op de doelstellingen van de straf voort: vergelding (boeten), afschrikking (algemeen en individueel) en zedelijke verbetering (gedragsbeïnvloeding). Het klassieke strafrecht kon echter moeilijk toegepast worden op personen die niet beschikken over een “vrije wil”, zoals kinderen. Daarom werd t.a.v. hen een bijzondere regeling ingesteld, hoewel zij binnen het strafrecht bleven. Het kind, van wie het moreel gevoel zich nog niet had gevormd, genoot van een vermoeden van niet-aansprakelijkheid. De rechtbank diende na te gaan of het kind (beneden 16 jaar) al dan niet gehandeld had met ‘oordeel des onderscheids’ (supra).

2.1.1.2.2. Sociaal verweer

Eind 19e, begin 20e eeuw wordt o.i.v. het positivisme en het ontstaan van de criminologie als wetenschap het klassieke strafrecht bekritiseerd. Volgens deze beweging vindt het misdrijf zijn oorsprong in de medisch-antropologische factoren en in de sociale omgeving van de delinquent. Omdat deze factoren het ontstaan van criminaliteit bepalen (determinisme), ligt de rechtvaardiging van de reactie van de maatschappij tegenover de delinquent niet in de vergelding van een moreel foutieve gedraging (schuld), maar in de bescherming van de samenleving tegen sociaal gevaarlijke individuen. Het begrip “sociaal verweer” doet zijn intrede. Dit heeft zijn gevolgen op de opvattingen over de functie van de straf: de belangrijkste functie van de straf is de bescherming van de maatschappij. Het in aanmerking nemen van de “toestand van gevaar” van het individu brengt met zich dat de aard en de duur van de sanctie niet langer door de ernst van de feiten (proportionaliteitsbeginsel), maar door de persoonlijkheid van de delinquent moet bepaald worden. De positivisten zijn daarom voorstander van onbepaalde maatregelen i.p.v. bepaalde straffen. De duur van deze maatregelen is afhankelijk van het succes van de behandeling van de delinquent. Bovendien moeten ook preventieve maatregelen genomen worden die criminaliteit voorkomen. De straf krijgt een bijkomende functie: de sociale wederaanpassing (heropvoeding).

De School van het sociaal verweer heeft een belangrijke invloed gehad op de organisatie van de sociale reactie t.a.v. jongeren. De hieruit voortvloeiende Wet op de Kinderbescherming van 1912 heeft als belangrijke betekenis dat het legalistisch denken van het klassieke strafrecht, waar pas opgetreden wordt ná de schending van een duidelijk omschreven norm, doorbroken wordt, teneinde vroeger te kunnen optreden t.a.v. pre-delinquente gedragingen of situaties. Delinquentie als grond tot interventie wordt uitgebreid met een aantal sociaal onwenselijke geachte gedragingen. Verder wordt t.a.v. jongeren niet meer gereageerd met een “straf” als zuivere morele afkeuring, maar wel met een maatregel die naast controle tegelijkertijd op criminogene factoren kan inwerken. Zulk een maatregel vereist een langduriger “begeleiding” en breekt daardoor ook met het proportionaliteitsbeginsel van klassiek leer. Hoewel de beschermingsgedachte aanwezig is, zien we dat de controledoeleinden dominant zijn in de wet van 1912.

2.1.1.2.3. Nieuw sociaal verweer

Na de tweede wereldoorlog treedt de beweging van het “nieuwe sociaal verweer” op de voorgrond. Deze beweging verwerpt het determinisme van de oude school en vertrekt in tegendeel van het verantwoordelijkheidsbesef dat eigen is aan iedere mens. De sanctie moet positief bijdragen tot de resocialisering van de delinquent en diens re-integratie in de maatschappij. De straf krijgt een sociale functie. Mede onder invloed van deze opvattingen werd de Wet op de Kinderbescherming gewijzigd in 1965. Het begrip “sociaal onaangepaste jeugd”, wordt nog verder opengetrokken tot het begrip “jeugd in gevaar”. De Wet van 8 april 1965 wil de jeugdbescherming bevrijden van elk strafrechtelijk karakter: centraal staat het belang van het kind. Naast de strijd tegen jeugddelinquentie, beoogt ze eveneens de bescherming van het kind in zijn fysische, intellectuele, morele en sociale ontwikkeling. Van curatief onder de wet van 1912, is de jeugdbescherming tevens preventief geworden.

2.1.2. Schuldonbekwaamheid

2.1.2.1. Het schrappen van de vraag naar het onderscheidingsvermogen in 1912

Vóór 1912 was de strafrechtspleging voor minderjarigen volledig toegespitst op de kwestie van het onderscheidingsvermogen. Dit criterium is een moeilijk toepasbaar concept. De vaagheid ervan leidde tot willekeurige classificaties, zelfs tot onjuiste oplossingen[10]. Zo verwijst toenmalig Minister van Justitie Carton De Wiart naar de bestaande gerechtelijke praktijk die de vraag naar het onderscheidingsvermogen oploste aan de hand van opportuniteitsoverwegingen. Rechters lieten zich in de praktijk niet langer leiden door de vraag naar het onderscheidingsvermogen, maar gingen uit van het gewenste resultaat[11]. Als het beter was de jongere te straffen, dan werd besloten dat hij met onderscheidingsvermogen handelde. Indien het daarentegen beter was de betrokkene ter beschikking te stellen van de regering, dan besloot de rechter dat hij handelde zonder onderscheidingsvermogen[12].

Door de Wet van 15 mei 1912 wordt de vraag naar het oordeel des onderscheids niet langer aan de appreciatie van de rechter overgelaten. De beantwoording van die vraag wordt voortaan irrelevant gelet op het feit dat straffen (die de aanwezigheid van oordeel des onderscheids veronderstellen) worden vervangen door maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding[13]. Een onweerlegbaar vermoeden van strafrechtelijke onverantwoordelijkheid wordt ingevoerd[14]. De wetgever ging uit van de vaststelling dat de intellectuele, morele en sociale vorming van de minderjarige nog in ontwikkeling is[15]. De vraag naar het oordeel des onderscheids wordt in die omstandigheden delicaat en uiterst moeilijk te beantwoorden[16].

De kwestie van het schrappen van de vraag naar het onderscheidingsvermogen kwam tijdens de parlementaire voorbereiding slechts vrij summier aan bod. De vraag of een kind onder een bepaalde leeftijd voldoende bekwaam is om voor zijn daden verantwoordelijk te worden gesteld, kwam zelfs niet aan bod. Kinderen zijn bijgevolg niet in de eerste plaats omwille van een absoluut gepretendeerde onverantwoordelijkheid buiten het strafrecht geplaatst. De vraag of kinderen al dan niet verantwoordelijk zijn, is niet echt aan de orde[17]. Minister van Justitie Carton De Wiart verantwoordde de noodzaak van een afzonderlijk regime voor delinquenten jonger dan 16 jaar onder meer als volgt: “C’est la marée montante de la criminalité infantile et sa répercussion sur la criminalité générale qui ont imposé peu à peu l’idée de la juridiction spéciale. (…) La situation dont nous sommes témoins (…) oblige le législateur attentif à s’efforcer de faire ce que le Code pénal n’a pas fait : stériliser, dans l’intérêt de la société, le germe morbide révélé par le méfait de l’enfant[18]. Over de vraag naar de strafrechtelijke verantwoordelijkheid stelde de Minister ook: “Nous ne disons nullement que nous considérons l’enfant comme incapable de discernement. Mais nous disons que cette question ne doit pas se poser, et que la solution qu’elle comporte ne peut pas dominer le régime à appliquer à l’enfant traduit en justice. C’est ainsi, Messieurs, que la juridiction spéciale et le traitement spécial se justifient”[19]. De Minister lijkt de invoering van een hoge minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid te verantwoorden niet op basis van de belangen of de rechten van het kind, maar met een verwijzing naar de noodzaak om efficiënter (en ook strenger) tegen jeugddelinquentie op te treden, dit in het belang van de samenleving[20].

De neutralisatie van de vraag naar de verantwoordelijkheid van het kind was misschien niet meer dan een noodzakelijke voorwaarde opdat de strafrechtelijk minderjarige delinquent in principe buiten het strafrecht om zou kunnen bejegend worden. De Wet van 1912 neutraliseert de schuldvraag waardoor een niet-strafrechtelijk opreden legitiem wordt. Deze neutralisering veruiterlijkt een nieuwe instrumentele weg in de sociale controle ten aanzien van kinderen. Minderjarigen werden strafrechtelijk onverantwoordelijk, niet omdat er daartoe klinische of dogmatische aanwijzingen voor bestonden, maar als resultante van een doelmatigheidsdenken (in casu: een op zo een preventief mogelijke wijze bestrijden van de jeugddelinquentie), teneinde een misdaad-vrije samenleving te realiseren[21].

2.1.2.2. Principe van schuldonbekwaamheid

Een van de voorwaarden voor de strafbaarheid van een gedraging is dat diegene aan wie deze gedraging toegerekend kan worden, schuld heeft. De strafrechtelijke minderjarigheid is (in België) een grond van schuldonbekwaamheid. De Wet van 8 april 1965 heeft het beginsel van de schuldonbekwaamheid, ingevoerd door de Wet van 15 mei 1912, zonder uitzondering gehandhaafd voor de categorie van minderjarigen die op het ogenblik van het misdrijf de volle 16 jaar niet hebben bereikt[22]. Voor die jongeren bestaat een onweerlegbaar vermoeden van niet-verantwoordelijkheid[23]. Zij vallen onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank die t.a.v. hen enkel beveiligingsmaatregelen en geen straffen kan opleggen. Ook de minderjarigen die op het ogenblik van het misdrijf de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, maar nog geen 18 jaar oud waren, kunnen in beginsel niet gestraft worden (artikel 36, 4° Wjb.), hoewel met betrekking tot deze categorie van minderjarigen bepaalde uitzonderingen gelden[24]. Het vermoeden van niet-verantwoordelijkheid is voor hen dus weerlegbaar[25]. Een eerste uitzondering betreft de procedure van de uithandengeving (individuele uitzondering) (art. 38 Wjb.). Een tweede uitzondering betreft de inbreuken tegen de wegverkeerswet (collectieve uitzondering) (art. 36bis Wjb). Die laatste uitzondering zal verder niet meer aan bod komen. Vanuit het strafrecht komen beide uitzonderingen neer op het in bijzondere gevallen verlagen van de leeftijdsgrens van de schuldonbekwaamheid tot 16 jaar[26].

2.1.2.3. Een controversieel debat

2.1.2.3.1. Debat[27]

Het Comité voor de Rechten van het Kind (verder CRK - zie hoofdstuk 2) lijkt uit te gaan van de visie dat een hoge minimumleeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid het best tegemoet komt aan de belangen en rechten van kinderen. Het CRK heeft in haar aanbevelingen bij landenrapporten haar bezorgdheid geuit wanneer de leeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid relatief laag is, zoals 7, 8, of zelfs 14 jaar. Tezelfdertijd heeft het CRK Staten positief aangemoedigd wanneer deze voorstelden om hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid op een hoge leeftijd, bvb. 18 jaar, vast te stellen[28].

Het is opvallend hoe ver verwijderd die visie staat van de motivering om in de Wet van 15 mei 1912 de leeftijdsgrens van 16 jaar in te voeren als minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Zoals hierboven uiteengezet, lijkt de Minister de invoering van een hoge minimumleeftijd te verantwoorden niet op basis van de belangen of de rechten van het kind, maar met een verwijzing naar de noodzaak om efficiënter (en ook strenger) tegen jeugddelinquentie op te treden, dit in het belang van de samenleving.

Sinds haar invoering in 1912 is de bijzondere behandeling van minderjarigen voortdurend aan kritiek onderworpen. Voorstanders van een emancipatorische visie op kinderen en jongeren verwijten het jeugdbeschermingsrecht onvoldoende met de eigen bekwaamheid en het recht op autonomie en verantwoordelijkheid van kinderen rekening te houden. Deze kritieken vinden hun uitdrukking in een pleidooi voor de invoering van een ‘jeugdsanctierecht’, dat vertrekt van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van kinderen. Er wordt gepleit voor een benadering van minderjarige delinquenten die alvast op een aantal punten meer gelijk is met die van volwassenen. Op haar beurt is echter ook het pleidooi voor en de mogelijke invoering van een jeugdsanctierecht voorwerp van kritiek. Een systeem dat uitgaat van strafrechtelijke verantwoordelijkheid en dat de rechtswaarborgen van minderjarige delinquenten erkent, dreigt immers vooral de repenalisering van de jeugdbescherming te legitimeren eerder dan de erkenning van kinderen en jongeren als rechtssubject te ondersteunen[29].

De Bock pleit voor het erkennen van de principiële strafwaardigheid van minderjarigen: “dat ook zij hier het recht hebben van ‘au serieux te worden genomen, strafwaardig te zijn”[30]. Tulkens en Moreau, die evenzeer hun bezorgdheid uiten voor de noodzaak om jongeren echt ‘au serieux’ te nemen, zijn het met De Bock oneens, en vinden het argument van de verantwoordelijkheid vooral denkbeeldig. “Les jeunes sont responsables, ils doivent être responsables et il incombe à la société d’accroître et d’accentuer leur responsabilisation”. De strafrechtelijke verantwoordelijkheid is echter een gans ander zaak, en moet duidelijk van het erkennen van maatschappelijke verantwoordelijkheid van minderjarigen worden onderscheiden. “Evoquer (…) la responsabilité des jeunes pour les jeter dans l’orbite du pénal revient, en définitive, à se méprendre sur le sens et la raison même de la responsabilité. Assimiler responsabilité et responsabilité pénale – réduire l’espace de la responsabilité au champ clos et nécessairement limité de la responsabilité pénale – est dès lors un malentendu”[31]. In een eerdere bijdrage stelde Tulkens reeds vast dat voor haar het probleem niet ligt in de vraag of jongeren van 16, 17 of 18 jaar (of zelfs daarvoor) over voldoende onderscheidingsvermogen beschikken. Het centrale punt voor de auteur is echter te weten “dans quelle mesure l’insertion sociale du jeune est possible. A cet égard, le système pénal et ce qui la caractérise nécessairement ne peut a mon sens y contribuer valablement”[32].

Aansluitend bij De bock, pleiten ook Verhellen en Decock voor een principiële schuldbekwaamheid. Het uitgangspunt is dat kinderen verantwoordelijke mensen zijn en dat de kansen om zich verantwoordelijk te gedragen optimaal dienen gestimuleerd te worden. De erkenning van de verantwoordelijkheid van kinderen is volgens hen een noodzakelijke voorwaarde voor een verantwoord jeugdsanctierecht. De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van kinderen erkennen kan maar als ook en tegelijkertijd hun burgerrechtelijke bekwaamheid wordt erkend. De optie voor een principiële verantwoordelijkheid van kinderen dient te worden gerealiseerd in het kader van de uitbouw van een algemene rechtspositie van kinderen. Ofwel kiest men voor een principiële handelingsbekwaamheid, ofwel voor een trapsgewijze handelingsbekwaamheid vastgelegd op bepaalde leeftijdsgrenzen. Het principe van de rechtszekerheid gebiedt ons volgens Decock om ook in het jeugdstrafrecht een leeftijdsgrens vast te leggen: het kan niet dat de rechter telkens opnieuw zou dienen na te gaan of het kind of de jongere wel degelijk beschikt over het oordeel des onderscheids. De minimumleeftijd onder welke jongeren niet in staat worden geacht een strafbaar feit te begaan, zou, gezien de huidige maatschappelijke consensus, vastgelegd worden op 12 jaar. Beneden die leeftijd kan een jongere gerechtelijk niet worden gesanctioneerd. Bij jongeren boven de 12 jaar oordeelt het openbaar ministerie over de opportuniteit om al dan niet te vervolgen. Het vermoeden van schuldbekwaamheid is een weerlegbaar vermoeden. Oordeelt de rechter dan de jongere niet schuldbekwaam is, dan kan hij hem ook niet sanctioneren. Het jeugdstrafrecht moet volgens Decock voor alle jongeren gelden, waardoor de noodzaak vervalt om minderjarigen voortijdig over te hevelen naar het volwassenenstrafrecht (uithandengeving). Het jeugdstrafrecht dient in hun voorstel te worden gereserveerd voor alle jongeren tussen de leeftijd van 12 en 18 jaar, met aanwezigheid van de rechtswaarborgen uit het volwassen strafrecht, maar met een op jongeren aangepast strafpakket[33].

2.1.2.3.2. Conclusie

De meest uiteenlopende visies over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van kinderen zijn mogelijk:

- Een hoge leeftijd van strafrechtelijk verantwoordelijkheid wordt ingevoerd om in het belang van de samenleving harder tegen jeugdcriminaliteit te kunnen optreden.

- Een hoge leeftijd van strafrechtelijk verantwoordelijkheid wordt verdedigd om de belangen en rechten van kinderen te vrijwaren.

- Een lage leeftijd van strafrechtelijk verantwoordelijkheid zou dienen om een sterk repressieve benadering van jeugddelinquentie mogelijk te maken.

- Een lage leeftijd van strafrechtelijk verantwoordelijkheid wordt noodzakelijk geacht om met de rechten van kinderen te kunnen rekening houden[34].

2.1.3. Uithandengeving [35]

2.1.3.1. De invoering van de uithandengeving

De uithandengeving werd in 1965 ingevoerd als uitzondering en als tegengewicht voor het verhogen van de strafrechtelijke meerderjarigheid tot 18 jaar[36]. De wetgever heeft (naar eigen zeggen) rekening willen houden met het gegeven dat het opleggen van jeugdbeschermingsmaatregelen omwille van vroegtijdige rijpheid van bepaalde minderjarigen ontoereikend kan zijn[37], in het bijzonder wanneer het gaat om minderjarigen die al in een bijzondere asociale gedragslijn zijn vastgeroest[38]. Het betreft een toepassing van het beginsel ‘Sluwheid vult de leeftijd aan’: de jeugdrechter stelt een vervroegde verantwoordelijkheid (volwassen persoonlijkheidsstructuur) vast in hoofde van de jeugdige delinquent[39]. Tulkens en Moreau menen dat art. 38 Wjb. als compromis werd ingebouwd omdat het optrekken van de strafrechtelijke meerderjarigheid zowel voor- als tegenstanders kende[40]. De uithandengeving werd in het leven geroepen vanuit een pragmatische overweging eerder dan vanuit gesignaleerde noden in de praktijk[41].

De uithandengeving is mettertijd uitgegroeid tot een ‘vaste waarde’ in diverse wetsvoorstellen. Hoewel het blijft gaan om een uitzonderlijke beslissing, vertegenwoordigt het een grote symboliek. Velen zien in de uithandengeving een mecenas voor de moeilijkste gevallen binnen de jeugdbescherming. Met de uithandengeving kunnen die jongeren waar het jeugdbeschermingsrecht geen raad (meer) mee weet, worden doorgesluisd[42]. Zoals Glénisson opmerkt, staat de filosofie van de uithandengeving echter in schril contrast staat met het rehabilitatief en beschermend karakter van de gehele jeugdbescherming[43].

Bij de wetswijzigingen van 2006 werd veel aandacht besteed aan “de groep jongeren waarvoor de jeugdbescherming niet werkt”, meerbepaald, recidivisten en/of zware jeugdcriminelen. Zij zouden ontoegankelijk of ongevoelig zijn voor jeugdbeschermingsmaatregelen. Het uitdiepen en verbeteren van de procedure van de uithandengeving erkent volgens de memorie van toelichting het falen van een specifiek en apart stelsel voor ernstige jeugddelinquenten. Er moet getracht worden het aantal uithandengevingen te verminderen[44]. Minister van Justitie Onkelinx heeft het behoud van de uithandengeving als volgt toegelicht: “Omdat het in zekere zin de veiligheidsklep is van een dispositief dat niet alleen beschermend wil zijn, maar dat, zelfs indien het «educatieve sancties» voorziet voor de minderjarigen, bij het opleggen van de maatregelen altijd rekening houdt met de leeftijd en uitgaat van de hypothese dat een positieve evolutie van het kind en de adolescent mogelijk is.”[45]

2.1.3.2. Strafrechtelijke verantwoordelijkheid

De uithandengeving komt neer op een uitzonderlijke verlaging van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid tot 16 jaar[46]. Door de uithandengeving wordt de minderjarige beschouwd als een persoon die strafrechtelijk verantwoordelijk is[47]. Wanneer de zaak na de uithandengeving voor de strafrechter komt, wordt de minderjarige berecht zoals een volwassene. De strafrechter beoordeelt de schuld en legt een gepaste straf op als de feiten voldoende bewezen zijn. Net zoals bij meerderjarigen is de straf bedoeld als vergelding voor het leed dat de beklaagde heeft berokkend[48]. Na uithandengeving kan de minderjarige worden veroordeeld tot dezelfde straffen als een volwassene. Net als in het systeem van vóór 1912 is de jeugdige leeftijd van de beschuldigde een strafverminderende verschoningsgrond. De uithandengeving is, gelet op zijn ingrijpend en van de basisbeginselen van de Jeugdbeschermingswet afwijkend karakter, een uitzonderlijke maatregel, die met grote omzichtigheid moet worden gehanteerd[49]. Een ambiguïteit van de uithandengeving is dat de jeugdrechter het vermoeden van strafrechtelijke onverantwoordelijkheid moet verwerpen zonder dat hij de strafrechtelijke verantwoordelijkheid moet vaststellen[50].

2.1.3.3. Waarom wordt uit handen gegeven?

2.1.3.3.1. Theorie vs. Praktijk

In theorie spreekt de jeugdrechtbank de uithandengeving uit wanneer hij een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet meer geschikt acht. Dit verwijst naar het niet meer nuttig of effectief zijn van jeugdbeschermingsmaatregelen om de wederaanpassing in de samenleving te bewerkstelligen. Het komt erop neer dat de bestaande maatregelen binnen het jeugdbeschermingssysteem onaangepast of ontoereikend zijn[51]. De persoonlijkheid van de jongere dient de doorslag te geven bij de beoordeling van het al dan niet geschikt zijn van jeugdbeschermingsmaatregelen[52]. Opvallend is dat van het principe van de onttrekking van de minderjarige aan het strafrecht wordt afgezien omdat de effectiviteit van de straffen groter wordt ingeschat dan van de jeugdbeschermingsmaatregelen. De toepassing van het strafrecht t.a.v. bepaalde minderjarigen wordt bijgevolg met dezelfde argumenten gefundeerd als de oorspronkelijke onttrekking van de minderjarige aan het strafrecht, nl. een grotere effectiviteit[53].

Uit een interview met jeugdrechters is gebleken dat een samenspel van verschillende elementen de beslissing tot uithandengeving vormgeeft[54]. Aan de hand van bepaalde persoons- en delictskenmerken wordt beslist om een jongere door te verwijzen naar het strafrecht omdat hij niet (meer) gebaat is met jeugdbeschermingsmaatregelen. In deze gevallen zijn het de karakteristieken van de jongere en zijn handelingen die de jeugdrechter tot een uithandengeving brengen. Problematisch is echter dat ook een groep jongeren (sneller) wordt doorverwezen naar het strafrecht omwille van het gebrek aan effectieve middelen in het jeugdrecht. Voor sommige jongeren is de gebrekkige beschikbaarheid en uitvoerbaarheid van de maatregelen doorslaggevend of ten minste een katalysator. Vooral het gebrek aan plaats in de jeugdinstellingen oefent een zware druk uit. Daarenboven vallen ook een specifieke groep jongeren quasi systematisch uit de ‘jeugdboot’. Zo worden jongeren met psychiatrische problemen soms doorverwezen naar de strafrechter bij gebrek aan middelen. Ook minderjarige asielzoekers en illegalen worden vaak uit handen gegeven omdat geen gepaste oplossing voorhanden is in het jeugdrecht[55].

2.1.3.3.2. Illustratie zaak Van Holsbeeck [56]

De twee verdachten in de zaak Joe Van Holsbeeck (de zgn. ‘mp3-moord’) waren op het ogenblik van het plegen van de feiten beide minderjarig. Adam G. was 17 jaar en Mariusz O. 16 jaar. Adam G. is door de jeugdrechtbank uit handen gegeven. Volgens de jeugdrechter was een verlengd verblijf in de gesloten instelling van Kasteelbrakel of een andere opvoedkundige maatregel niet meer nuttig omdat “hij te diep in de criminaliteit is verzonken en nog steeds de verantwoordelijkheid voor de feiten probeert af te schuiven op zijn medeplichtige”. “Twee jaar is een te korte periode om Adam G. voldoende bij te sturen binnen de jeugdbescherming. Er rest ons nog slechts het wapen van de repressie.” Over Adam zeiden de opvoeders van de instelling dat hij weinig of geen schuldbesef heeft. Mariusz O. is echter niet uit handen gegeven door de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank is van oordeel dat hij nog in aanmerking komt voor opvoedings- en begeleidingsmaatregelen. Hij zou oprecht berouw hebben en zijn aandeel in de feiten erkennen en volgens verschillende verslagen nood hebben aan verdere opvoeding, scholing en psycho-educatief werk. Mariusz O. heeft sinds het begin van zijn verblijf in de gesloten instelling van Kasteelbrakel een hele evolutie gekend. Nu zou de jongeman beseffen dat hij niet enkel verantwoordelijkheid draagt voor de diefstal, maar ook voor de dood van Joe Van Holsbeeck.

Deze twee verschillende uitspraken illustreren dat de uithandengeving een individuele uitzondering is: de persoonlijkheid van de dader en niet de ernst van de feiten is het relevante criterium om een uithandengeving op te baseren. De jeugdrechtbank heeft zijn uitspraak gebaseerd op de persoonlijkheid van de dader, zijn evolutie, zijn schuldbesef, de mogelijkheid om binnen het jeugdbeschermingsrecht nog een oplossing te vinden… en heeft dus een juridisch correcte toepassing van de wet gemaakt. In het geval van Mariusz O., staat dit echter in schril contrast met de reactie van de maatschappij: in de ogen van de families en de pers is de beslissing om Mariusz O niet uit handen te geven onbegrijpelijk. Dit is de eeuwige spanning tussen het recht en de maatschappij. Als de maatschappij dit een verkeerd antwoord op jeugddelinquentie vindt, dient misschien overwogen te worden om de wet aan te passen. Het kan toegejuicht worden dat de jeugdrechter zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid heeft kunnen behouden ondanks de grote druk van de publieke opinie en de politici.

2.1.3.4. Kritiek op de uithandengeving

Een eerste punt van kritiek is dat de onafhankelijke besluitvorming van de jeugdrechter gehypothekeerd wordt door de structurele beperkingen. Er wordt er niet alleen beslist in het belang van de jongere, maar tevens in functie van de beschikbaarheid en uitvoerbaarheid van de maatregelen[57]. Het zijn vooral deze “oneigenlijke” uithandengevingen die te vermijden zijn. Het is onaanvaardbaar om de beslissing te laten afhangen van de beschikbaarheid en uitvoerbaarheid van de middelen. Het komt er op aan in voldoende middelen te voorzien binnen het jeugdrecht zodat niet uitgeweken moet worden naar het strafrecht.

Een tweede grote knelpunt is de gebrekkige opvang in de penale wereld. De redenering dat het jeugdbeschermingsrecht ondoeltreffend is voor sommige gevallen impliceert immers dat het strafrecht in deze gevallen meer doeltreffend zal zijn dan het jeugdbeschermingsrecht. Nuytiens is op basis van empirisch onderzoek nagegaan wat er met uit handen gegeven jongeren gebeurt in het strafrecht. Uit haar onderzoek blijkt duidelijk dat het strafrecht voor hen weinig te bieden heeft: de reactie in het strafrecht is niet erg geschikt en de strafuitvoering is weinig of niet aangepast aan deze specifieke groep[58]. Jongeren worden dus niet naar de strafrechter verwezen omdat de reactiemogelijkheden meer geschikt zijn, maar omdat de jeugdbescherming tekortschiet[59]. Een positief criterium, bvb. dat de strafrechtelijke straffen beter geschikt zouden zijn, is er niet[60].

Put noemt de uithandengeving “een van de pijnpunten van het Belgische jeugdbeschermingsstelsel”. Hij zegt dat het niet zo is dat de uithandengeving onomkoombaar is om de “zwaarste gevallen uit het systeem te halen”: in slechts een zeer beperkt aantal landen bestaat een met onze regeling vergelijkbaar systeem van uithandengeving[61]. Het verdient in elk geval de voorkeur de gespecialiseerde jeugdrechter zelf alle nodige en wenselijke instrumenten in handen te geven om aan alle vormen van jeugddelinquentie een afdoend antwoord te bieden.

2.1.3.5. Geesteszieke minderjarigen

Residentiële plaatsing in een jeugdpsychiatrische dienst is een van de maatregelen die de jeugdrechtbank kan nemen. Plaatsing in een gesloten afdeling van een dergelijke dienst is enkel mogelijk met toepassing van en volgens de procedure van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (nieuw art. 37 §2, eerste lid, 11° Wjb.). Zoals hierboven werd uiteengezet, worden jongeren met psychiatrische problemen soms doorverwezen naar de strafrechter bij gebrek aan middelen. De gebrekkige beschikbaarheid en uitvoerbaarheid van de maatregelen weegt bij deze groep minderjarigen zeer zwaar door wegens het acuut tekort aan plaatsen in dergelijke diensten. Enigszins contradictoir is dat de jongere t.g.v. de uithandengeving eerst strafrechtelijk verantwoordelijk wordt om vervolgens door de strafrechter schuldonbekwaam te worden verklaard… Dit is een gevolg van het oneigenlijk gebruik van de uithandengeving. Het toont nog maar eens aan dat er voldoende (effectieve) middelen voorzien moeten worden binnen het jeugdbeschermingsrecht.

2.1.4. Leeftijdscriterium ter discussie

2.1.4.1. Waarom 16 jaar? Waarom 18 jaar?

In het ontwerp van wet op de Kinderbescherming van 1912, had de regering, steunend op bevoegde adviezen en op de wetgeving van aangrenzende landen, voorgesteld de leeftijd van de strafrechtelijke meerderjarigheid op 18 jaar vast te stellen. Sommige leden van de Kamers waren echter van oordeel dat de adolescent, bekwaam tot het controleren van zijn handelingen, op een leeftijd van 16 jaar, in geval van misdrijf, onder een strafstelsel moesten vallen. De regering sloot zich in een geest van verzoening bij deze zienswijze aan, met dien verstande dat de kinderrechter, in sommige gevallen, tot de leeftijd van 18 jaar zou mogen tussenbeide komen.[62]

Op 18 augustus 1950 heeft Graaf Carton de Wiart in de Kamer een wetsvoorstel ingediend waarbij de strafrechtelijke meerderjarigheid op de leeftijd van achttien jaar werd gebracht[63]. Op 27 februari 1952 nam de Senaat dit voorstel aan[64].

De Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de jeugdbescherming stelt: “Om de centralisatie van de verschillende zaken met betrekking tot minderjarigen rondom een gespecialiseerd gerecht al haar vruchten te doen afwerpen, lijkt het noodzakelijk de maximumleeftijd die de bevoegdheid van dit gerecht afbakent, eenvormig vast te stellen en voor al die gevallen, op achttien jaar te brengen.”[65] In de Kamer werd gezegd dat de redenen die in het wetsvoorstel van Graaf Carton de Wiart ten gunste van de opvoering van de strafrechtelijke meerderjarigheid werden aangevoerd, hun waarde blijven behouden[66]. Die redenen luiden als volgt: “Sedert 1912 hebben talrijke deskundigen het opvoeren van de leeftijd der strafachterlijke meerderjarigheid voortdurend aangeprezen. Hun argumenten vonden bijval bij de hoge rechterlijke overheden, die besloten de weinig ernstige vervolgingen voor de correctionele rechtbank ten opzichte van sommige minderjarigen van 18 jaar oud, te vervangen door opvoedingsmaatregelen (…). Aangezien de doeltreffendheid van de door de kinderrechters genomen maatregelen ontegenzeglijk bewezen is, zijn we van oordeel dat van de in 1912 bij minnelijke schikking goedgekeurde formule dient te worden afgezien en dat de bevoegdheid van de kinderrechters tot de leeftijd van 18 jaar dient te  worden uitgebreid.” Daar wordt aan toegevoegd: “Het zou evenwel kunnen gebeuren dat sommige minderjarigen, krachtens de voorbarige ontwikkeling van hun persoonlijkheid, het voordeel van de bewakings-, opvoedings- of behoedings- maatregelen niet blijken te kunnen genieten. Daarom dient er omzichtig te worden omgegaan met de mogelijkheid tot toepassing van een strafbehandeling op die minderjarigen, althans wanneer zij de leeftijd van volle 16 jaar hebben bereikt en een handeling hebben verricht welke als misdaad wordt bestempeld. In die gevallen zal het de kinderrechter vrij staan de zaak uit handen te geven.”[67] In de Senaat werd gezegd dat na jarenlange ervaring met de Wet van 1912 werd vastgesteld dat minderjarigen tussen 16 en 18 jaar beter voor de kinderrechter zouden worden gebracht[68].

2.1.4.2. Kritiek

De wijze waarop leeftijdsgrenzen in het recht werden vastgelegd bleef niet zonder kritiek. Het voornaamste punt van kritiek betreft het argument dat leeftijdgrenzen willekeurig zijn. Dit argument verwijst naar het standpunt dat het onrechtvaardig is om onbekwaamheid met een bepaalde leeftijd te verbinden. Een strakke leeftijdsgrens kent alles of niets toe, en zou daardoor volstrekt willekeurig zijn: een jongere van 17 jaar en 364 dagen is strafrechtelijk onverantwoordelijk (met uitzondering van de uithandengeving), terwijl een jongere van 18 jaar strafrechtelijk verantwoordelijk is. Het stellen van dit soort grenzen is echter noodzakelijk is om mensen in groepen te kunnen delen. Om het even welke leeftijdsgrens is in se willekeurig, en zal allicht niet aan alle gevallen op dezelfde wijze recht doen. Dat die leeftijdsgrens enige vorm van willekeur inhoudt, is een prijs die moet betaald worden voor het voordeel die duidelijke categoriseringen bieden. Nu wordt deze prijs verminderd door een marge te voorzien waarover onderhandeld kan worden, met name de mogelijkheid tot uithandengeving voor jongeren tussen 16 en 18 jaar. Deze nieuwe grens kan echter opnieuw het verwijt krijgen dat ze op haar beurt willekeurig is[69].

In de lijn hiervan ligt ook de kritiek van Van Dijk. Zij benadrukt dat opgroeien een gradueel proces is. De huidige Belgische situatie waarin een jongere enerzijds als minderjarige als strafrechtelijk onverantwoordelijk wordt beschouwd en anderzijds vanaf zijn meerderjarigheid of uithandengeving volledige strafrechtelijke verantwoordelijkheid draagt, is vanuit dit perspectief absurd. Jongeren moeten volgens haar parallel aan hun ontwikkeling de kans krijgen hun verantwoordelijkheid stap voor stap op te nemen. Vandaar dat zij de noodzaak tot hervorming van het gehele jeugdrecht en vooral haar fundament, het beschermingsmodel, vooropstelt. Zij stelt dat België in vergelijking met andere landen onder meer gekenmerkt wordt door een gebrek aan soepele leeftijdsgrenzen, gelimiteerde maatregelen en het niet erkennen van enige jeugdrechterlijke verantwoordelijkheid. Dat leidt er volgens haar toe dat de uithandengeving noodzakelijk is voor het behoud van het huidige jeugdrechtssysteem. De uithandengeving biedt een uitweg voor de moeilijkste gevallen die het systeem compromitteren[70].

2.2. INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND

2.2.1. Algemeen

2.2.1.1. Internationale instrumenten van jeugdstrafrechtspleging

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind[71] (verder IVRK) is het belangrijkste internationale instrument i.v.m. jeugdstrafrechtspleging. Art. 37 IVRK (waarborgen voor vrijheidsbeneming), art. 39 IVRK (herstel en reïntegratie slachtoffers) en art. 40 IVRK (specifieke bepalingen jeugdstrafrecht) garanderen in het bijzonder de rechtspositie van de jeugdige delinquent. Daarnaast bieden de ‘UN Standard Minimum Rules for the Administration of Juvenile Justice’ [72] (verder Beijing Rules) een aantal waarborgen met als uitgangspunt het belang voor de jeugdige aanspraak te kunnen maken op een speciaal, geheel van volwassenen te onderscheiden, jeugdstrafsysteem[73].

2.2.1.2. Op zoek naar een internationaal systeem van jeugdstrafrechtspleging

2.2.1.2.1. Evolutie in de Westerse samenlevingen

Een korte beschouwing van de evolutie in de Westerse samenlevingen is van belang om het huidige Belgische debat in een breder perspectief te kunnen plaatsen. Tot de 19e eeuw bestond in Europa geen enkel concept van een kindbeeld. Sociale hervormingen in de 19e eeuw vormden een eerste aanzet tot erkenning van het kind als subject van zorg en bescherming. In de eerste helft van de 20e eeuw nam de rol van de overheid als beschermer van de belangen van het kind toe. De grondslag van veel toenmalige jeugdstrafsystemen (ook het Belgische) werd gevormd door beschermingsmaatregelen als reactie op verwijtbaar gedrag. Dit beschermingsmodel is aan het einde van de 20e eeuw door vele Westerse landen (i.t.t. België), ten gunste van het bestraffingsmodel, verlaten ten gevolge van onvrede en teleurstelling over de geboekte resultaten in de bestrijding van de jeugdcriminaliteit. De grondslag van het model (bescherming van de jeugdige) stond onder druk. Die omslag in het juridisch denken resulteerde voor een belangrijk deel daarin dat toekenning van due process-rechten aan de jeugdige (zoals deze ook voor de volwassene bestonden) als legitimatie voor strenger overheidsoptreden werden aangewend. Toekenning van mensenrechten aan de jeugdige impliceerde immers dat de jeugdige over de capaciteit beschikte deze rechten uit te oefenen. Juist deze capaciteit betekende het einde van het op bescherming gebaseerde jeugdstrafrecht. Strafbaar gedrag werd geacht een individuele keuze te zijn, voortvloeiend uit de eigen wil. Ook jeugdigen konden onderscheid maken tussen goed en kwaad en moeten dus verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor door hen gepleegde strafbare feiten[74].

2.2.1.2.2. Tekortkomingen van het beschermingsmodel en het bestraffingsmodel

Uit de net beschreven evolutie in Westerse landen kan geleerd worden waar die modellen te kort schoten (en nog steeds tekort schieten). Het beschermingsmodel ontneemt de jeugdige zowel rechten als plichten. “Het beschermingsethos gaat uit van een doel-middelen denken in een harmonie van belangen. Bescherming neemt verantwoordelijkheid over.” Het beschermingsmodel ontneemt de jeugdige daarmee feitelijk zijn eigen specifieke mensenrechten. Moeilijk controleerbaar is immers of enige proportionaliteit bestaat tussen het gepleegde delict en de strafrechtelijke (beter: civielrechtelijke) reactie, waardoor elke vorm van rechtmatigheid aan de strafrechtelijke reactie wordt ontnomen. Deze kan immers steeds worden gelegitimeerd door bescherming als ultiem doel op te voeren, waarvan overigens kan worden afgevraagd of het niet een utopie is dat behandeling een jeugdige ‘geneest’. Tevens lijkt het onhoudbaar verantwoordelijkheid aan strafbaar gedrag van de jeugdige te onthouden vanwege externe omstandigheden. De negatieve bijdrage van omgevingsfactoren moet weliswaar niet worden ontkend bij het plegen van strafbaar gedrag, maar betekent niet dat de jeugdige geen enkele keuze meer zou hebben in het al dan niet plegen van strafbare feiten. De hierboven genoemde internationale instrumenten trachten een evenwicht te vinden in de visie op de jeugdige als slachtoffer van zijn omgeving en die van zijn eigen verantwoordelijkheid. Elke jeugdige moet een bepaalde mate van verantwoordelijkheid worden toegekend bij het vermijden van strafbaar gedrag.

Het bestraffingsmodel vormt echter het ander uiterste van de medaille door het jeugdstrafrecht als middel van doelmatigheid op te vatten. Het gevaar bestaat dat door de strafrechtelijke rechtshandhaving louter als bestrijding van de jeugdcriminaliteit te beschouwen een ‘glijdende schaal naar meer’ (meer politie, meer cellen, meer straffen) ontstaat en de maatschappelijke behoeften aan veiligheid doel op zich wordt en hieraan steeds kan worden aangepast (zie bvb. de evolutie in het Verenigd Koninkrijk - hoofdstuk 3). Bescherming van de vrijheid van de jeugdige lijkt dan eenvoudig te kunnen worden opgeofferd aan het belang dat bestrijding van de criminaliteit meebrengt. Een ander nadeel van het bestraffingsmodel is dat het ontkent dat meerdere oorzaken aan jeugdig strafbaar gedrag ten grondslag liggen. Jeugdig gedrag moet in een ruimer perspectief dan louter schuld worden opgevat. Daarmee wordt niet zozeer het karakter van de toerekenbaarheid van strafbaar gedrag ontnomen, doch deze elementen moeten wel worden meegewogen in de uiteindelijke reactie.

Het systeem van jeugdstrafrechtspleging zou idealiter een opvatting van het recht moeten vertolken waarbij rechtsbescherming van de jeugdige en het bestrijden van criminaliteit twee kanten van dezelfde medaille van jeugdstrafrechtspleging zijn. Die koppeling van het belang van de samenleving aan het belang van de jeugdige is mogelijk door het recht op te vatten als relationeel begrip dat bemiddelt en een evenwicht tracht te bewaren tussen “de machts- en belangencentra”. Aan het beschermingsmodel zijn overspannen verwachtingen toegeschreven de jeugdige te ‘genezen’ van afwijkend gedrag. De jeugdige wordt daarbij weliswaar als exponent van zijn sociale omgeving beschouwd, maar werd niet serieus genomen als subject van rechten. Eenzelfde lot lijkt de keuze voor een bestraffingsmodel. Hoewel de juridische basis voor dit model nu juist de erkenning van due process-rechten is, resulteert dat in een systeem waar uiteindelijk ook de positie van de jeugdige niet serieus wordt genomen. Het delict wordt onafhankelijk van de omgeving en de persoon van de dader beschouwd, nu geen aandacht bestaat voor de rol van de ouders, de school en de sociale omgeving. De jeugdige wordt afhankelijk gemaakt van de doelmatigheidsbestrijding van de criminaliteit.[75]

2.2.2. Aanwezigheid van een afzonderlijk jeugdstrafrecht

Art. 40 lid 1 en de aanhef van art. 40 lid 3 IVRK (zie eveneens art. 2.3 Beijing Rules) bepalen dat de verdragspartijen behoren te streven naar het introduceren van een afzonderlijk jeugdstrafrecht[76]. Het CRK heeft dien overeenkomstig een onderscheiden systeem van jeugdrecht voorgesteld voor alle kinderen onder de 18 jaar oud. Het CRK heeft terzake reeds meerdere aanbevelingen gedaan en heeft de invoering van specifieke wetgeving warm onthaald. Het CRK drukt ook regelmatig zijn bezorgdheid uit over bepalingen die ertoe leiden dat kinderen door rechtbanken voor volwassen beoordeeld worden[77].

Een verdragsconforme jeugdstrafrechtspleging kent zoveel mogelijk een op het volwassenen strafrecht gelijkend dogmatisch schuldbeginsel als grondslag voor strafrechtelijk ingrijpen. Ook al wordt de jeugdige in sommige gevallen als exponent van zijn omgeving gezien en heeft het sanctiearsenaal een duidelijke doelstelling die mede is gericht op het bijbrengen van verantwoordelijkheid, de consequentie van het verlaten van het beschermingsmodel is dat de mate van schuld in de straf is te herkennen en dat de straf niet uitsluitend wordt gebaseerd op de doelstelling van de jeugdstrafrechtspleging. De plaats van de reïntegratie van de jeugdige in het sanctiearsenaal is van evidente betekenis, maar mag de plaats van het schuldbeginsel niet verdringen. Dan zou er immers weinig zijn veranderd ten opzichte van het beschermingsmodel van het begin van deze eeuw. Ook voor de jeugdige gelden de eisen van een contradictoire procedure, waarbij de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, causaliteit en gelijkheid leidende beginselen voor strafrechtspleging moeten zijn.

Deze speciale jeugdstrafrechtspleging strekt zich uit tot elke jeugdige tot 18 jaar (conform art. 1 IVRK). Dat wordt ondersteund door de doelstelling van zo een systeem (reïntegratie). Indien het toepassingsbereik van het volwassenenstrafrecht wordt uitgebreid, bvb. om de ‘zwaardere gevallen’ aan te pakken, wordt de inzet uiteindelijk meer en harder straffen. Daarvan heeft tot op heden nog geen enkele theorie aangetoond dat dit een verlaging van de jeugdcriminaliteit oplevert. Criteria om te bepalen “of een jeugdige nog te redden valt onder het jeugdstrafrecht”, zijn subjectief en arbitrair, terwijl alle jeugdigen tot achttien jaar op de verdragsrechten aanspraak moeten kunnen maken[78].

2.2.3. Minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid

Het concept van strafrechtelijke verantwoordelijkheid zou gerelateerd moeten zijn aan de leeftijd waarop kinderen in staat zijn de gevolgen van hun daden te begrijpen[79]. Art. 40 lid 3 a) IVRK bepaalt dat Staten in het bijzonder moeten streven naar de vaststelling van een minimumleeftijd onder welke kinderen niet in staat worden geacht een strafbaar feit te begaan. De vaststelling van zo een minimumleeftijdsgrens is voor de staten ‘an obligation to fulfil’. Behalve dat hiermee op staten de positieve plicht rust zorg te dragen voor een minimumleeftijd in het wetboek, is daarmee echter nog niets gesteld over de hoogte van deze leeftijdsgrens. Noch het IVRK, noch de VN-resoluties kennen een specifieke leeftijdsgrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid[80]. Art. 4 Beijing Rules bepaalt dat de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet te laag mag zijn en gerelateerd moet zijn aan de emotionele, geestelijke en intellectuele rijpheid van minderjarigen. Tot een bepaalde leeftijd mag nu eenmaal worden verwacht dat de jeugdige onvoldoende in staat is de gevolgen van zijn (strafbaar) handelen te overzien, omdat de vormende rol van de omgeving nog een te grote rol van betekenis speelt. In de commentaar bij dit artikel worden de Staten geadviseerd overeenstemming te bereiken over een redelijke minimumleeftijd die international toepasbaar is[81]: “The minimum age of criminal responsibility differs widely owing to history and culture. The modern approach would be to consider whether a child can live up to the moral and psychological components of criminal responsibility; that is, whether a child, by virtue of her or his individual discernment and understanding, can be held responsible for essentially anti-social behaviour. If the age of criminal responsibility is fixed too low or if there is no lower age limit at all, the notion of responsibility would become meaningless.” Voor jeugdigen geldt veelal dat afwijkend gedrag nog op andere manieren dan via het jeugdstrafrecht kan worden afgeleerd. Juist voor deze categorie jeugdigen is het vaststellen van een minimumleeftijdsgrens in de wet van essentieel belang. Volgens Speciaal Rapporteur Bautista blijkt nog te vaak dat de ernst van het feit leidraad voor het opleggen en uitvoeren van een straf is, zonder dat daarbij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige voldoende in overweging worden genomen[82]. Ook uit de frequente verwijzing naar de te lage minimumleeftijdsgrens van staten in de aanbevelingen van het CRK blijkt deze zorg. Het CRK heeft nog geen poging gedaan tot het uitdragen van internationale consensus over een minimumleeftijdsgrens, doch merkt bij de beoordeling van statenrapportages op de leeftijd van tien jaar of jonger onacceptabel te achten[83].

De Staten mogen bij het vaststellen van deze leeftijdsgrens niet uit het oog verliezen dat het vaststellen van een leeftijdsgrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid een aspect is van het concept ‘jeugdige’ en in relatie staat met andere door de overheid gestelde leeftijdsgrenzen. Een al te grote discrepantie tussen de leeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid en leeftijden zoals die binnen het civiele recht gelden, is verwerpelijk. Er lijkt immers weinig verschil in het beschikken over en het uitoefenen van de capaciteit in het onderscheid maken tussen goed en kwaad enerzijds en het toekennen van burgerlijke rechten anderzijds[84].

2.2.4. Aanbevelingen van het Comité voor de Rechten van het Kind m.b.t. België

De conformiteit van de uithandengeving met het IVRK is een twistpunt. Hoewel het IVRK hierover zelf geen uitsluitsel geeft, heeft het CRK in zijn ‘concluding observations’ over België wel al zijn bezorgdheid uitgedrukt over het stelsel van de uithandengeving. Het CRK overweegt dat minderjarigen niet mogen worden berecht als volwassenen, noch door een ‘volwassenenrechtbank’, ongeacht de omstandigheden en de ernst van de feiten[85]. In die interpretatie schendt het Belgische systeem wel degelijk het IVRK, in zoverre het mogelijk maakt dat uit handen gegeven personen die nog minderjarig zijn op het ogenblik dat hun zaak ten gronde wordt behandeld, berecht worden overeenkomstig het gewone stafrecht voor volwassenen[86].

De stelling dat de minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid in België op 18 jaar ligt, zoals vermeld in het rapport van UNICEF, lijkt volgens Hanson veel meer te verhullen dan te verhelderen. Sinds de Code pénal van 1791 werd in het Belgische recht nooit een minimumleeftijd bepaald waaronder kinderen strafrechtelijk niet verantwoordelijk worden geacht[87]. Ook Put lijkt ervan uit te gaan dat België geen minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid kent. Hij bespreekt art. 40 lid 3 a) IVRK onder de titel ‘ondergrens’, waarin uiteengezet wordt dat België geen minimumleeftijd kent beneden welke het jeugdbeschermingsrecht niet toepasselijk zou zijn. Door onmiddellijk daarna te zeggen dat art. 40 lid 3 a) IVRK en art. 4 Beijing Rules de lidstaten uitnodigen een minimumleeftijd vast te stellen onder dewelke kinderen niet in staat worden geacht een strafbaar feit te begaan, lijkt hij ervan uit te gaan dat België geen zodanige ondergrens heeft[88].

2.3. VERENIGD KONINKRIJK

2.3.1. Leeftijdsgroepen[89]

Vóór de Crime and Disorder Act 1998[90] maakte het Engelse strafrecht op het vlak van strafrechterlijke verantwoordelijkheid een onderscheid tussen drie leeftijdsgroepen: kinderen jonger dan 10 jaar, kinderen van 10 tot 14 jaar en kinderen van 14 jaar en ouder. De Crime and Disorder Act 1998 heeft het vermoeden van doli incapax afgeschaft voor de groep kinderen tussen 10 en 14 jaar. Het Engels strafrecht maakt bijgevolg enkel nog onderscheid tussen kinderen onder de leeftijd van 10 jaar en kinderen boven die leeftijd.

2.3.1.1. Kinderen jonger dan 10 jaar

Kinderen jonger dan tien jaar worden onweerlegbaar vermoed ‘doli incapax’ (niet in staat tot kwaad) of onbekwaam tot het plegen van enig misdrijf te zijn. Zij zijn strafrechtelijk onverantwoordelijk en bijgevolg volledig immuun voor vervolging.

2.3.1.2. Kinderen van 10 jaar en ouder

Voor de afschaffing ervan door de Crime and Disorder Act 1998, was het vermoeden van doli incapax ook van toepassing op kinderen tussen 10 en 14 jaar, maar voor deze leeftijdsgroep ging het om een weerlegbaar vermoeden. De Crime and Disorder Act 1998 heeft het vermoeden van doli incapax afgeschaft voor de groep kinderen tussen 10 en 14 jaar. Zij zijn bijgevolg volledig strafrechterlijke verantwoordelijk voor hun daden en dit vanaf dat zij de leeftijd van 10 jaar bereiken. Kinderen van 10 jaar en ouder worden op het vlak van strafrechterlijke verantwoordelijkheid dus identiek behandeld als volwassenen. De rechter heeft wel andere maatregelen en straffen ter zijnen beschikking.

2.3.2. Het vermoeden van doli incapax

Dit vermoeden, dat een belangrijke bijkomende bescherming bood voor jonge misdadigers, werd afgeschaft door de Crime and Disorder Act 1998. Het hield in dat kinderen tussen 10 en 14 jaar vermoed werden niet in staat te zijn om te weten dat wat ze gedaan hadden, fout was en daarom niet strafrechtelijk verantwoordelijk te zijn voor om het even welk misdrijf ze gepleegd hadden. Dit vermoeden hield een erkenning in van het feit dat het verkeerd is kinderen onder de 14 jaar die niet beseffen dat ze iets fout deden, te straffen. Het vermoeden kon weerlegd worden door aan te tonen dat het kind het misdrijf gepleegd had en wist dat het ‘erg verkeerd’ was en niet slechts ‘ondeugend’. In de praktijk, zoals de Bulger-zaak (moord op een 2-jarige peuter door twee 10-jarigen) illustreerde, werd het vermoeden redelijk gemakkelijk weerlegd, voornamelijk als het een ernstig misdrijf betrof. Dit was onlogisch aangezien de meest ernstige misdrijven vaak gepleegd worden door extreem emotioneel gestoorde kinderen die het minst van al een besef hebben van de noties schuld en verantwoordelijkheid. Desondanks had het vermoeden een belangrijke symbolische betekenis: het hield een erkenning in van de eigen natuur van kinderen[91].

2.3.3. Afschaffing van het vermoeden van doli incapax

2.3.3.1. Afschaffing door de regering

In de jaren ‘60 was er in Engeland aandacht voor de ‘welfare approach’, dat er vanuit gaat dat jonge misdadigers bescherming nodig hebben. Deze aanpak verloor echter snel aan kracht en is sinds de jaren ‘70 in een voortdurend conflict geweest met het ‘justice model’, dat er van uitgaat dat jongeren persoonlijk verantwoordelijk zijn voor hun daden en dus gestraft moeten worden. In 1993 had de punitieve aanpak al veel aan kracht gewonnen. Doorslaggevend was echter de moord op de 2-jarige James Bulger door twee jongens van 10 jaar oud. Onder meer onder druk van de publieke opinie heeft men een steeds harder wordende aanpak voor jonge criminelen uitgewerkt, die ten top wordt gedreven in de afschaffing van het vermoeden van doli incapax (en dit slechts drie jaar nadat het CRK aanbevolen had de leeftijd van strafrechterlijke verantwoordelijkheid te verhogen![92]). De regering die de hervorming doorvoerde stelde dat het vermoeden vroeger misschien verantwoord was, maar nu niet meer aangezien kinderen nu sneller opgroeien en aldus reeds op jongere leeftijd het verschil tussen juist en fout kennen. Men argumenteerde ook dat het vermoeden achterhaald was aangezien kinderen niet langer beschermd moeten worden tegen het strafrecht. De hervorming voorzag immers in straffen die aangepast zijn aan de leeftijd. Het systeem zou aldus op een meer gerichte manier omgaan met jeugdcriminelen[93].

2.3.3.2.Kritiek op de afschaffing

Het kan betwijfeld worden of kinderen reeds op jongere leeftijd het verschil tussen goed en kwaad kennen. Niets wijst erop dat kinderen sneller volwassen worden dan vroeger. Zonder het vermoeden van doli incapax worden kinderen vanaf hun 10 jaar volledig strafrechtelijk verantwoordelijk geacht. Er wordt geen rekening mee gehouden dat kinderen van die leeftijd nog in hun rijpingsproces zijn en dat ze misschien nog niet genoeg ontwikkeld zijn om in te zien dat hun handelen verkeerd was. Kinderen kunnen al veroordeeld worden vanaf hun 10 jaar en bouwen aldus een strafblad op dat hen nog jaren later zal achtervolgen. Kinderen die beschuldigd worden voor zeer ernstige misdrijven, ondergaan daarenboven een proces dat slechts marginaal aangepast is aan hun jonge leeftijd en kunnen veroordeeld worden tot een lange periode van opsluiting. De combinatie van deze factoren, zonder het verzachtende effect van het vermoeden van doli incapax, veroorzaakt een zeer streng bestraffend systeem dat automatisch van toepassing is op alle kinderen van zodra zij de leeftijd van 10 jaar bereikt hebben. De regering vergeet dat het strafrecht niet beschermt, maar bestraft en dat het systeem de laatste jaren zelfs meer bestraffend is geworden en er dus een toenemende nood is aan de bescherming van kinderen ertegen.

De regering zag het vermoeden duidelijk als een hinderpaal, omdat het ervoor zorgde dat de kinderen die beschermd werden door het vermoeden, er vanaf kwamen zonder enige maatregel. Immers, een vrijspraak betekende dat geen enkele maatregel getroffen kon worden: het kind blijft vrij van elke burgerrechtelijke of strafrechtelijk maatregel. Het was daartegen dat de regering reageerde door het afschaffen van het vermoeden. Zo een situatie was inderdaad aan herziening toe. Het is correct dat zelfs indien het kind niet begreep wat fout was in zijn daad, hij niettemin nood had aan een of andere vorm van behandeling. De vraag is echter of het afschaffen van het vermoeden van doli incapax wel de beste oplossing was voor dit probleem. Een betere oplossing had erin kunnen bestaan de leeftijd van strafrechtelijk verantwoordelijkheid omhoog te trekken en te voorzien in burgerrechtelijke maatregelen om jonge misdadigers onder die leeftijd aan te pakken. Alternatieve mogelijkheden werden door de regering echter helemaal niet onderzocht. Kinderen in het strafrechtssysteem steken vanaf hun 10 jaar zonder rekening te houden met hun niveau van ontwikkeling en besef van goed en kwaad, is echter niet verantwoord[94].

2.3.3.3. Voorstel van nieuwe aanpak

Een alternatief voorstel bestaat erin dat de jeugdstrafrechtbank de mogelijkheid heeft om niet-strafrechtelijke maatregelen op te leggen aan kinderen van 10 jaar en ouder die een strafbaar feit hebben gepleegd. Die maatregelen zouden bijstands- en educatieve maatregelen moeten zijn, ontworpen om kinderen het foutieve in hun daden te doen inzien en hen te helpen een leven zonder verder strafbare feiten te leiden. Om niet-strafrechtelijke maatregelen op te leggen, is niet vereist dat bovenop het bewijs van het gepleegd hebben van het strafbare feit, het bewijs geleverd wordt van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van het kind. Wanneer de rechtbank echter een straf wenst op te leggen, moet het bewijs van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van het kind geleverd zijn. Voor kinderen tussen 10 en 14 jaar oud zou er een vermoeden van strafrechtelijke onverantwoordelijkheid moeten zijn, dat weerlegd kan worden door het bewijs te leveren dat het kind in staat was te begrijpen dat zijn handelen foutief was en daarnaar kon handelen. Jongeren tussen 14 en 18 jaar oud worden echter volledig strafrechtelijke verantwoordelijkheid geacht, maar dit vermoeden kan weerlegd worden als op basis van de ontwikkeling van het kind bewezen kan worden dat dit niet het geval is[95].

2.3.4. Toetsing aan het IVRK[96]

Het CRK is van oordeel dat, ondanks dat het IVRK geen leeftijd vastlegt, 10 jaar te jong en niet in de geest van het verdrag is. Het CRK had in zijn eerste rapport al aanbevolen dat de Engelse regering ernstig moest overwegen om de minimumleeftijd in het Verenigd Koninkrijk te verhogen[97]. In zijn tweede rapport stelde het CRK dat het hen hevig verontrustte dat de situatie nog verergerd was sedert het eerste rapport, met name door de leeftijd te behouden op 10 jaar en het doli incapax vermoeden af te schaffen[98]. Het Verenigd Koninkrijk komt daardoor onder toenemende internationale druk om de relatief lage minimumleeftijd van 10 jaar te herzien. Weinig Europese landen hebben lagere leeftijden[99] en de meeste landen hebben veruit hogere leeftijden[100]. Het Europese Hof van de Rechten van de Mens werd door dit gebrek aan uniformiteit in Europa beïnvloed en heeft daarom de klacht van de moordenaars van James Bulger, dat door hen als 10-jarigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid toe te kennen, Engeland art. 3 EVRM schendt, verworpen[101]. Niettemin verwierp een grote minderheid (5 rechters) dit standpunt, waarbij zij verwezen naar de grote meerderheid van landen die een veruit hogere leeftijd hanteren.

2.4. NEDERLAND

2.4.1. Beperkte en geleidelijk toenemende strafrechtelijke verantwoordelijkheid

In Nederland bestaat een speciaal strafrechtsysteem voor jeugdigen. De achterliggende gedachte ervan is dat kinderen een pedagogische reactie moeten krijgen op het strafbare gedrag dat zij vertonen[102]. Dit jeugdstrafrecht is van toepassing op de leeftijdscategorie gelegen tussen de minimumleeftijdsgrens van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid (12 jaar) en de leeftijd waarop de gewone strafrechtelijke verantwoordelijkheid aanvangt (18 jaar). De personen in die leeftijdscategorie noemen ze strafrechtelijk minderjarig. Het Nederlandse jeugdstrafrecht is een overgang tussen enerzijds geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid en anderzijds volledige strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Het wordt gekenmerkt door het met de leeftijd geleidelijk aan toenemen van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Bij jeugdigen vanaf 12 jaar kan er zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk gereageerd worden op strafbaar gedrag. Vanaf het 18 jaar kan er alleen nog strafrechtelijk gereageerd worden op strafbaar gedrag. Naast de individuele (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid die aanvangt vanaf 12 jaar, wordt er dus tevens een ‘situationele’ verantwoordelijkheid aangenomen die afneemt naarmate de jeugdige ouder is[103].

2.4.2. Het belang van de minderjarige in het jeugdstrafrecht

Behalve door het samenlopen van een groeiende individuele verantwoordelijkheid en een afnemende situationele verantwoordelijkheid, wordt het jeugdstrafrecht gekenmerkt door een accentverschil met betrekking tot de strafdoeleinden: vergelding, generale en speciale preventie. Hoewel de genoemde strafdoeleinden ook gelden voor het jeugdstrafrecht, is het buiten elke twijfel dat de speciale preventie voorop staat; en zelfs in die mate, dat ingeval de speciale preventie in strijd komt met de vergeldingsdoelstelling of met de generale preventie, de keuze altijd in het voordeel van de speciale preventie dient uit te vallen. Met ‘speciale preventie’ wordt doorgaans bedoeld de voorkoming van recidive. Doch met betrekking tot jeugdigen dient daar aan toegevoegd te worden dat de beste speciale preventie geacht wordt te zijn gelegen in verbetering van de opvoedingssituatie. Het voorop stellen van de speciale preventie  betekend geenszins dat er moet worden afgezien van strafoplegging. Het houdt in dat de straf moet worden benut als middel tot gedragsbeïnvloeding[104].

2.4.3. De leeftijdsgrenzen van het jeugdstrafrecht

2.4.3.1. Jonger dan 12 jaar

Kinderen jonger dan 12 jaar zijn niet strafrechtelijk verantwoordelijk. Zij kunnen niet vervolgd worden (art. 486 Sv.). Deze minimumleeftijdsgrens is ingevoerd in 1965[105]. De wetgever heeft beoogd een algemene strafuitsluitingsgrond in de wet op te nemen als een onweerlegbaar vermoeden van ontoerekeningsvatbaarheid op grond van jeugdige leeftijd. Een kind beneden de 12 jaar kan civielrechtelijk worden aangepakt, of kan bij bepaalde lichte feiten een Stop-aanbod worden gedaan.

2.4.3.2. 12 tot 18 jaar

Op personen die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van 12 jaar doch niet de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben, is het materiële jeugdstrafrecht van toepassing. In plaats van de wettelijke straffen worden de straffen en maatregelen van het jeugdstrafrecht opgelegd. Niettemin kan de rechter ingevolge art. 77b Sr het jeugdstrafrecht buiten toepassing laten bij 16 en 17-jarigen op grond van de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Deze gronden zijn niet cumulatief[106]. De derde grond (de omstandigheden), werd toegevoegd om gelijke bestraffing van meerderjarige en minderjarige daders van hetzelfde feit gemakkelijker te maken.

2.4.3.3. 18 tot 21 jaar

In beginsel is op deze leeftijdcategorie het meerderjarigenstrafrecht van toepassing. Niettemin kan de rechter ingevolge art. 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen door een straf of maatregel uit het jeugdstrafrecht op te leggen als hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan[107].

2.4.4. Toerekeningsvatbaarheid

De toerekeningsvatbaarheid van de strafrechtelijk minderjarigen wordt in beginsel beheerst door dezelfde regels die voor het volwassenenstrafrecht gelden. Het schuldbeginsel neemt niet weg, dat het kinderstrafrecht overwegend een pedagogische strekking heeft waarbij het belang van de minderjarige steeds voor ogen moet worden gehouden. Dit betekent dat t.a.v. de beneden 12-jarigen wordt aangenomen dat zij vanwege hun jeugdige leeftijd niet toerekeningsvatbaar zijn (onweerlegbaar vermoeden) en dat verder van geval tot geval moet blijken dat de betrokken minderjarige (12 jaar of ouder) een zodanig ontwikkeling bezit dat hij het verkeerde en ongeoorloofde van zijn handeling kan inzien. Theoretisch gezien, moet er daarom van worden uitgegaan dat het jeugdstrafrecht, evenzeer als het volwassenenstrafrecht, een ‘schuldstrafrecht’ is, d.w.z. de straf opgelegd aan een toerekeningsvatbare zal steeds uitdrukking moeten zijn van een zekere vergelding. Tevens zal zij een afschrikwekkende werking moeten hebben (generale en speciale preventie). Een essentieel verschil met bestraffing van volwassenen is dat de minderjarige niet mag worden geschaad door de op te leggen straf. In de praktijk bestaat de indruk dat het al dan niet opleggen van een maatregel meer te maken heeft met doelmatigheid – d.w.z. met de vraag: wat is voor deze minderjarige een geschikte aanpak – dan met toerekeningsvatbaarheid. Het gaat er immers niet primair om in welke mate er sprake is van ‘schuld’ bij de minderjarige, maar om de meest adequate (strafrechtelijke) reactie, d.w.z. een optreden waarvan men pedagogische beïnvloeding verwacht[108].

2.4.5. Toepassing volwassenenstrafrecht

In de praktijk blijkt dat het volwassenenstrafrecht vrij gemakkelijk wordt toegepast op 16 en 17-jarigen. Dit is het gevolg van de mogelijkheid om een van de bovenvermelde gronden te gebruiken en van het optreden van de Hoge Raad die voor de motivering van het toepassen van art. 77b Sr genoegen blijft nemen met nietszeggende standaardmotiveringen[109]. Sinds de eisen voor toepassing van het volwassenenstrafrecht niet meer cumulatief maar alternatief gelden, is de onduidelijkheid over de inhoudelijke betekenis van art. 77b vergroot. Uit onderzoek blijkt dat de ‘ernst van het feit’ in 90% van de gevallen een rol speelt en in 50% van de gevallen doorslaggevend was voor rechters. De persoonlijkheid van de dader is geen doorslaggevende factor en rechters blijken adviezen van deskundigen regelmatig te negeren. De straffen die worden toegepast zijn echter niet hoger dan die in het jeugdstrafrecht. Het lijkt erop dat de rechter art. 77b Sr vooral gebruikt als signaal naar de buitenwereld. Er wordt voor gepleit om in de toekomst het volwassenenstrafrecht niet meer om de verkeerde redenen toe te passen[110].

2.4.6. Nederland en het IVRK

Men kan zich afvragen of de toepassing van het volwassenenstrafrecht op 16 en 17-jarigen de toets van het IVRK kan doorstaan. Als gevolg van het IVRK moet de toepassing van het meerderjarigenstrafrecht alleszins uitzonderlijk blijven. Het CRK heeft de Nederlandse regering aanbevolen de mogelijkheid om volwassenenstrafrecht toe te passen op 16 en 17-jarigen te heroverwegen en het voorbehoud terzake in te trekken[111]. Nederland heeft bij de ratificatie van het IVRK immers een voorbehoud geformuleerd bij artikel 37 sub c IVRK (waarborgen voor vrijheidsbeneming): dit artikel wordt in beginsel erkend, maar dit kan de Nederlandse Staat er niet van weerhouden om conform de Nederlandse strafwet kinderen van 16 jaar en ouder ten tijde van het plegen van het delict, via volwassenenstrafrecht te berechten. Dit voorbehoud werd gemaakt omdat in Nederland jongeren van 16 en 17 jaar berecht kunnen worden als volwassenen en ten gevolge daarvan opgesloten kunnen worden met volwassenen. Er is echter geen voorbehoud gemaakt bij art. 40 lid 1 of art. 40 lid 3 IVRK (speciaal jeugdstrafrechtsysteem), bij art. 1 (definitie kind), art. 2 (verbod op discriminatie) of art. 3 IVRK (belang van het kind voorop). Het lijkt er daarom op dat het Nederlandse voorbehoud de toepassing van volwassenenstrafrecht op minderjarigen niet in zijn geheel dekt, maar slechts het gedeelte over het samen opsluiten met volwassenen[112].

2.5. EUROPA

De Wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel[113] is de omzetting in Belgisch recht van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie[114].

2.5.1. Tenuitvoerlegging in België van een Europees aanhoudingsbevel

Het basisbeginsel van de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen binnen de Europese Unie verplicht de uitvoerende staat in principe tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (verder E.A.B.). De tenuitvoerlegging dient echter geweigerd te worden ingeval de persoon op wie het E.A.B. betrekking heeft, gelet op zijn leeftijd krachtens het Belgische recht nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan het bevel ten grondslag liggen. De leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid als weigeringsgrond is opgenomen in art. 4,3° Wet 19 december 2003 en art. 3, derde lid Kaderbesluit.

Hoewel de strafrechtelijke meerderjarigheid naar Belgisch recht op 18 jaar ligt, dient rekening te worden gehouden met art. 38 Wjb., dat aan de jeugdrechtbank de mogelijkheid biedt om de zaak met betrekking tot minderjarigen tussen 16 en 18 jaar onder bepaalde voorwaarden uit handen te geven en ze naar het openbaar ministerie te verwijzen, waarna vervolging voor de gewone strafrechtsmachten kan plaatsvinden. Aangezien deze categorie minderjarigen aldus wel degelijk strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, dient te worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging van een lastens hen uitgevaardigd E.A.B. door de Belgische autoriteiten niet zal kunnen worden geweigerd[115]. Stessens is het daar niet mee eens. De mogelijkheid van uithandengeving doet volgens hem niets af aan het feit dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in beginsel maar vanaf 18 jaar geldt en dat een E.A.B. dan ook slechts zal worden ten uitvoer gelegd voor feiten gepleegd door meerderjarigen.[116] De Ministeriële circulaire inzake het Europees aanhoudingsbevel[117] bepaalt dat België de overlevering van een minderjarige van meer dan 16 jaar oud niet zou mogen weigeren, aangezien de vervolging en de veroordeling van een dergelijke minderjarige in het buitenland niet strijdig is met de Belgische openbare orde. Betreft het een persoon beneden de leeftijd van 16 jaar, dan is de tenuitvoerlegging van een E.A.B. uitgesloten, zelfs indien deze wel mogelijk is overeenkomstig het recht van de uitvaardigende staat.

2.5.2. Uitvaardiging door België van een Europees aanhoudingsbevel

Inzake de voorwaarden voor de uitvaardiging van een E.A.B. door een Belgische rechterlijke autoriteit, bepaalt de Ministeriële circulaire dat België de overlevering kan vragen van een minderjarige die meer dan 16 jaar oud is ingeval de jeugdrechter de zaak uit handen geeft ten voordele van een gemeenrechtelijke rechtbank die een straf of een veiligheidsmaatregel kan uitspreken (art 38 Wjb.).

2.5.3. Arrest van het Pools Grondwettelijk Hof in de zaak Van Holsbeeck

Het Pools Grondwettelijk Hof heeft beslist dat de uitlevering van Adam G. aan België enkel mogelijk was onder het voorbehoud dat Adam G. door de Belgische jeugdrechtbank uit handen gegeven zou worden en strafrechtelijk vervolgd zou worden: “It is obvious that if the Juvenile Court in Brussels does not hand the case of Adam G. to the prosecutor, and in effect to a court for adults, pursuant to Article 38 of the Belgian Youth Protection Act of 8 April 1965, it cannot conduct other proceedings against him, should the person requested be surrendered to the territory of Belgium “for the purpose of conducting against him criminal prosecution”. The consequence must be the re-surrender of the requested person to the territory of the Republic of Poland, and only here the person shall be held responsible for the crime committed.“ [118]

2.6. MOGELIJKE IMPLICATIES / IDEEËN VOOR BELGIË

De Belgische wetgever heeft het vermoeden van schuldonbekwaamheid van jongeren ingesteld om ze buiten het strafrecht om te kunnen aanpakken. Voor sommige jongeren (16 tot 18 jaar) is dit vermoeden echter weerlegbaar. Zij vallen onder bepaalde voorwaarden toch onder het volwassenenstrafrecht (uithandengeving). De conformiteit van het Belgische jeugdbeschermingsrecht met de internationale rechtsregels, en in het bijzonder het IVRK, vereist de uitbouw van een volwaardig jeugdrecht voor alle jongeren tot 18 jaar. België dient een afzonderlijk jeugdrecht uit te bouwen waarin geen enkele jeugdige (dit is tot 18 jaar) door een rechtbank voor volwassen beoordeeld wordt.

Door een vermoeden van schuldonbekwaamheid in te stellen voor jongeren tot 18 jaar, negeert het jeugdbeschermingsrecht de toenemende verantwoordelijkheid van opgroeiende jongeren. Het is een juridische fictie dat alle jongeren tot 18 jaar schuldonbekwaam zijn. Het huidige Belgische systeem is een zwart-wit oplossing met aan de ene kant schuldonbekwaamheid en jeugdbeschermingsmaatregelen en aan de andere kant schuldbekwaamheid en volwassenenstrafrecht. Een dergelijk zwart-wit systeem schiet onvermijdbaar tekort. Het huidige jeugdbeschermingsrecht volstaat op zich niet om een degelijk antwoord op jeugddelinquentie te bieden. Het systeem van de uithandengeving legt de grenzen van het huidige jeugdbeschermingsysteem bloot. Inderdaad kan moeilijk het standpunt verdedigd worden dat de uithandengeving afgeschaft dient te worden, zonder een wijziging van het jeugdbeschermingsrecht voorop te stellen. De wetgever had er voor kunnen opteren om jongeren te onttrekken aan het volwassenenstrafrecht door een jeugdsanctierecht te creëren bestaande uit maatregelen en straffen zoals het Nederlandse systeem.

Het voorstel van bepaalde auteurs om minderjarigen zowel burgerrechtelijk als strafrechtelijk principiële bekwaamheid toe te kennen, is te verregaand. Het kan moeilijk verdedigd worden dat alle jongeren vanaf 12 jaar handelingsbekwaam zijn. Als men dit systeem zou aannemen, zou men van het ene uiterste (schuldonbekwaamheid tot 18 jaar) in het andere (principiële schuldbekwaamheid vanaf 12 jaar) terechtkomen. Tevens moet ervoor gewaarschuwd worden dat een systeem dat uitgaat van strafrechtelijke verantwoordelijkheid en dat de rechtswaarborgen van minderjarige delinquenten erkent, de repenalisering van de jeugdbescherming dreigt te legitimeren eerder dan de erkenning van kinderen en jongeren als rechtssubject te ondersteunen.

Het jeugdrecht zou idealiter niet een keuze mogen zijn tussen de rechtsbescherming van de jeugdige (beschermingsmodel) enerzijds en het bestrijden van criminaliteit (bestraffingsmodel) anderzijds, maar een evenwicht tussen beiden. Een gulden middenweg tussen het huidige jeugdbeschermingsrecht dat ontoereikend is gebleken en het door bepaalde auteurs voorgestelde jeugdstrafrecht dient gevonden te worden. Daarbij dient vooral uitgegaan te worden van de bepalingen van voornoemde internationale verdragen. Er dient een overgang, een ‘jeugdsanctierecht’, te worden voorzien tussen enerzijds geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid en anderzijds volledige strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

Zo een jeugdrecht zou er als volgt kunnen uitzien. Tot 14 jaar zou een onweerlegbaar vermoeden van schuldonbekwaamheid gelden. Kinderen jonger dan 14 jaar kunnen dus enkel jeugdbeschermingsmaatregelen opgelegd krijgen. Voor kinderen van 14 tot 18 jaar geldt dan een weerlegbaar vermoeden van schuldonbekwaamheid. Zij kunnen zowel jeugdbeschermingsmaatregelen als straffen opgelegd krijgen. Om een maatregel op te leggen is niet vereist dat bovenop het bewijs van het gepleegd hebben van het strafbare feit, het bewijs geleverd wordt van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van het kind. Wanneer de rechtbank daarentegen een straf wenst op te leggen, moet het bewijs van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van het kind geleverd zijn. Ook zou het mogelijk moeten zijn dat een beschermingsmaatregel de straf opvolgt, zoals in het Nederlandse jeugdsanctierecht mogelijk is. Op die manier erkent men niet alleen de groeiende verantwoordelijkheid van de jongere, maar erkent men tegelijkertijd ook dat hij een exponent is van zijn omgeving. Het hier voorgestelde systeem stemt meer overeen met de werkelijkheid dan het huidige Belgische jeugdbeschermingsrecht dat pretendeert dat jongeren schuldonbekwaam zijn tot hun 18 jaar. Voor het slagen van aldus gemoduleerd jeugdsanctierecht is het noodzakelijk dat voldoende waarborgen voorzien worden om te vermijden dat het vermoeden van schuldonbekwaamheid in de praktijk gemakkelijk weerlegd zou kunnen worden. Anders dreigt dit systeem in de praktijk te resulteren in een strafrechtelijke verantwoordelijkheid vanaf 14 jaar. De straffen die door de jeugdrechtbank opgelegd kunnen worden, moeten in het jeugdrecht voorzien worden. Het IVRK vereist dat die straffen specifiek uitgewerkt zijn voor jongeren. Het mogen bvb. niet de straffen zijn die gelden voor volwassenen gedeeld door twee. Het toekennen van strafrechtelijke verantwoordelijkheid aan jongeren staat immers niet synoniem voor het toepassen van het volwassenenstrafrecht.

3. MAATREGELEN T.A.V. MINDERJARIGEN

Aangezien minderjarigen strafrechtelijk onverantwoordelijk zijn, kan de jeugdrechter geen straf opleggen. Leedtoevoeging gekoppeld aan de ernst van het misdrijf heeft geen zin omdat de minderjarige niet ten volle beseft wat hij heeft aangericht en een ‘straf’ zonder begeleiding ontoereikend is om nieuwe strafbare feiten te voorkomen. De jeugdrechter kan slechts ‘maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding’ opleggen, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijkheid en het sociale milieu van de jongeren (art. 37 Wjb.). De gedachte is dat de jongere onder invloed van een slechte sociale omgeving of een stoornis in zijn persoonlijkheid wordt gedwongen tot criminaliteit, en dat de maatregel van de jeugdrechter daarom enkel dient om deze externe factoren ongedaan te maken. Maatregelen van opvoeding zijn in de eerste plaats gericht op de ‘verbetering’ van de dader, maar zijn ook beveiligingsmaatregelen, omdat door de heropvoeding de maatschappij beter wordt beschermd[119].

Het jeugdbeschermingsrecht is van toepassing op minderjarigen die een ‘als misdrijf omschreven feit’ hebben gepleegd. Via deze omschrijving worden alle delictsomschrijvingen zoals die in het strafrecht bestaan ook gebruikt als interventiegrond van de jeugdbeschermingsmaatregelen. Dit veronderstelt dat alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf aanwezig zijn. Wat echter het moreel element betreft, moet rekening worden gehouden met het vermoeden dat de wetgever heeft ingesteld ter rechtvaardiging van een eigen stelsel voor minderjarigen, afwijkend van het strafrecht, met name dat de intellectuele vermogens van de minderjarige onvoldoende zijn ontwikkeld opdat hij ten volle zou kunnen beseffen dat zijn handelen indruist tegen het positieve recht en een strafbaar karakter heeft en – hiermee samenhangend – opdat hij er zich rekenschap van zou kunnen geven waarom er op zijn handelen met strafoplegging wordt gereageerd (“doli incapax”). Dat betekent echter niet dat het moreel element afwezig zou zijn bij ‘als misdrijf omschreven feiten’. Het wettelijk vermoeden is in het algemeen ingesteld om minderjarigen te onttrekken aan het ‘schuldstrafrecht’, en heeft dus betrekking op de niet-toerekeningsvatbaarheid van een categorie van personen. Het vermoeden is niet bedoeld om door te werken naar de concrete beoordeling van de motieven en de aard van de gepleegde feiten, zodat het moreel element een constitutief bestanddeel blijft van het (als) misdrijf (omschreven feit). Het feit moet daarom wel vrijwillig en bewust zijn gepleegd, alleen moet de rechter niet vaststellen dat het besef van het wederrechtelijke karakter ervan ten volle aanwezig was. Anders gezegd: de minderjarigheid van de dader, oorzaak van de niet-toerekeningsvatbaarheid, belet niet dat de betrokkene als dader wordt beschouwd van het gepleegde feit. Gelet op zijn minderjarigheid wordt hem dit feit echter niet strafrechtelijk verweten en wordt hierop gereageerd moet maatregelen i.p.v. met straffen.[120]

4. BESLUIT

Doorheen dit seminariewerk is de schuldonbekwaamheid van minderjarigen onderzocht. Het is gebleken dat er een hevige discussie over heerst. Het Belgische jeugdbeschermingsrecht vertoont duidelijk tekorten. Er bestaat echter geen eensgezindheid over een mogelijke hervorming. Een studie over de beginselen van het IVRK en een rechtsvergelijking met andere Europese of zelfs niet-Europese landen zou voor de wetgever een bron van inspiratie kunnen zijn.


[1] J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Brugge, Die Keure, 2006, 21-27; J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht in A.P.R., Deurne, Kluwer Rechtswetenschappen, 1996, nr. 1- 31.
[2] Wet 15 mei 1912 op de kinderbescherming, B.S. 27-28-29 mei 1912.
[3] Verslag COLAERT, Hand. Kamer 1911-12; Pasin., 1912, nr. 252, 274.
[4] Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, B.S. 15 april 1965, err. B.S. 29 mei 1965.
[5] Wet 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van stafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe Gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, B.S. 2 juni 2006.
[6] Wet 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, B.S. 19 juli 2006.
[7] B. DE SMET, “De strafprocedure voor minderjarigen na de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006: Jeugdbeschermingsrecht met een vleugje jeugdsanctierecht”, R.W. 2006-07, nr. 8, (342) 342 en 353-359.
[8] E. DUMORTIER en J. CHRISTIAENS, “De nieuwe wet op de jeugdbescherming. Krijtlijnen van een ambigue hervorming”, T.J.K. 2006, (273) 275.
[9] C. ELIAERTS, Inleiding tot het jeugdbeschermingsrecht. Een commentaar op de wet van 8 april 1965, Gent, Story-Scientia, 1984, 8-33; C. ELIAERTS, “Jeugddelinquentie en jeugdbeschermingsrecht: een moeilijke relatie” in X. (ed.), Kinderrechtengids - Commentaren, Regelgeving, Rechtspraak, Nuttige informatie, Centrum voor de Rechten van het Kind, Universiteit Gent, Mys & Breesch uitgevers, Deel 1 - 1.8. - ELIAERTS (1999), 4-8.
[10] Y. CARTUYVELS, “De grote etappes in het Belgische jeugdrecht: continuïteit, circulariteit of breuk?”, T.J.K. 2001, (132) 134.
[11] Verklaring van Minister van Justitie CARTON DE WIART, Hand. Kamer 1911-12, 2 april 1912, Pasin., 1912, nr. 252, 317-318; J. TREPANIER en F. TULKENS, Délinquance et protection de la jeunesse. Aux sources des lois belge et canadienne sur l’enfance, Bruxelles, De Boeck, 1995, 91.
[12] K. HANSON, Kinderrechten en strafrechtelijke verantwoordelijkheid, doctoraal proefschrift, UGent, Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2003-04, 223.
[13] J. SMETS, o.c., nr. 809.
[14] E. VERHELLEN en G. CAPPELAERE, “Principe 1: De verantwoordelijkheid van het kind” in G. DECOCK en P. VANSTEENKISTE (eds.), Herstel of sanctie. Naar een jeugdsanctierecht, Gent, Mys en Breesch, 1999, 210-211.
[15] J. SMETS, o.c., nr. 809.
[16] Verklaring van Minister van Justitie CARTON DE WIART, Hand. Senaat 1912-13, 13 mei 1912, Pasin., 1912, 404.
[17] F. TULKENS en Th. MOREAU, Droit de la jeunesse. Aide – Assistance - Protection, Brussel, Larcier, 2000, 85 en 102-103; E. VERHELLEN en G. CAPPELAERE, l.c, 208-209.
[18] Verklaring van Minister van Justitie CARTON DE WIART, Hand. Kamer 1911-12, 2 april 1912, Pasin, 1912, 317.
[19] Verklaring van Minister van Justitie CARTON DE WIART, Hand. Kamer 1911-12, 2 april 1912, Pasin, 1912, 318.
[20] K. HANSON, o.c., 3.
[21] D. BALLET, “De minderjarige en het strafrecht: een poging tot verheldering van zijn strafrechtelijke positie” in C. ELIAERTS, J. GERLO, E. VERHELLEN, e.a. (eds.), Van jeugdbeschermingsrecht naar jeugdrecht?, Antwerpen, Kluwer, 1990, 157; E. VERHELLEN en G. CAPPELAERE, l.c., 209-211.
[22] L. DUPONT, Beginselen van strafrecht, Leuven, Acco, 2004, nr. 326, 359 en 361.
[23] E. VERHELLEN en G. CAPPELAERE, l.c., 210.
[24] L. DUPONT, o.c., nr. 361.
[25] C. ELIAERTS en P. VANSTEENKISTE, “Principe 2: Rechtswaarborgen voor jongeren” in G. DECOCK en P. VANSTEENKISTE (eds.), Herstel of sanctie. Naar een jeugdsanctierecht, Gent, Mys en Breesch, 1999, 217.
[26] K. HANSON, o.c., 257-261.
[27] E. DUMORTIER en C. BROLET, “Waarheen met het Jeugdbeschermingsrecht? Over de (gevreesde) repressieve pendelbeweging en een fundamentele hervorming van de jeugdbescherming”, T.J.K. 2003, 154-156.
[28] K. HANSON, o.c., 1; E. M. MIJNARENDS, Richtlijnen voor een verdragsconforme jeugdstrafrechtspleging, ‘gelijkwaardig maar minderjarig’, Leiden, Kluwer Rechtswetenschappelijke publicaties, 1999, 200.
[29] K. HANSON, o.c., 3-4.
[30] G. DE BOCK, Overheen jeugd en recht: een bijdrage tot het uitvinden van nieuw jeugdrecht, Antwerpen, Kluwer, 1982, 100-102.
[31] F. TULKENS en Th. MOREAU, o.c, 261.
[32] K. HANSON, o.c., 4-5.
[33] G. DECOCK, Jong, niet gek, wel straf. Pleidooi voor een verantwoord jeugdstrafrecht, Gent, Mys en Breesch, 1993, 2-20; E. VERHELLEN en G. CAPPELAERE, l.c., 201-216.
[34] K. HANSON, o.c, 5-6.
[35] Nieuw artikel 57bis §1 Wjb. (ingevoegd bij Wet van 13 juni 2006; inwerkingtreding: onbepaald en uiterlijk op 1 januari 2009).
[36] GOISET, D., ”Dessaisissement. Une mesure exceptionnelle ?”, J. dr. jeun. 2000, afl. 199, (14) 14; F. TULKENS en Th. MOREAU, o.c., 663.
[37] Ontwerp van wet betreffende jeugdbescherming, Parl. St. Senaat 1964-65, nr. 153, 34.
[38] Wetsontwerp betreffende de jeugdbescherming, Parl. St. Kamer 1962-63, nr. 637/1, 24.
[39] J. PUT, o.c., nr. 461-462.
[40] F. TULKENS en Th. MOREAU, o.c., 663.
[41] A. NUYTIENS, J. CHRISTIAENS en C. ELIAERTS, Ernstige jeugddelinquenten gestraft? Praktijk van de uithandengeving, Gent, Academia Press, 2005, 9-16.
[42] C. VAN DIJK, l.c., (19) 19-20.
[43] G. GLÉNISSON, ”Les utilisations du dessaisissement correspondent-elles aux fonctions initialement assignées par le législateur?”, J. dr. jeun. 2000, afl. 199, (23) 31.
[44] Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, Parl. St. Kamer 2004-05, nr. 1467/001, 21-25; E. DUMORTIER en J. CHRISTIAENS, l.c., (273) 274.
[45] Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, Parl. St. Kamer 2004-05, nr. 1467/018, 3.
[46] K. HANSON, “Over de uithandengeving (nog maar eens)”, T.J.K. 2005, (54) 54-55.
[47] N. DE VROEDE, “De voorlopige maatregelen tot plaatsing van jongeren in een gesloten instelling” in De voorlopige hechtenis, Diegem, Kluwer, 2000, nr. 783.
[48] B. DE SMET, “De strafprocedure voor minderjarigen na de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006: Jeugdbeschermingsrecht met een vleugje jeugdsanctierecht“, l.c., (342) 354-357.
[49] J. SMETS, o.c., nr. 1043-1045; F. TULKENS en Th. MOREAU, o.c., 663.
[50] F. TULKENS en Th. MOREAU, o.c., 664; C. VAN DIJK, “De uithandengeving naar Amerikaans model: adult time for adult crime? Realiteit, retoriek of symboliek”, Panopticon 2005, 1, (19) 25.
[51] J. PUT, o.c., nr. 463; J. SMETS, o.c., nr. 1052.
[52] Wetsontwerp betreffende de jeugdbescherming, Parl. St. Kamer 1962-63, nr. 637/1, 8.
[53] D. BALLET, l.c., 167.
[54] Onderzoek gevoerd door A. NUYTIENS, J. CHRISTIAENS en C. ELIAERTS. Voor meer informatie zie A. NUYTIENS, J. CHRISTIAENS en C. ELIAERTS, Ernstige jeugddelinquenten gestraft? Praktijk van de uithandengeving, Gent, Academia Press, 2005, 322 p.
[55] A. NUYTIENS, “Rien ne va plus! Een kritische reflectie op de onverwachte (en ondoordachte?) facelift van de uithandengeving”, T.J.K. 2006, (281) 286.
[56]  www.standaard.be
[57] GOISET, D., l.c., (14) 22.
[58] A. NUYTIENS, l.c., (281) 281-289 ; A. NUYTIENS, J. CHRISTIAENS en C. ELIAERTS, Trajecten van uithanden gegeven jongeren in het strafrecht. Ernstige jeugddelinquenten gestraft, deel 2, Gent, Academia Press, 2006, 161-163.
[59] K. HANSON, l.c., (54) 55.
[60] G. GLÉNISSON, l.c., (23) 31.
[61] J. PUT, o.c., nr. 476.
[62] Wetsvoorstel tot uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wet van 15 mei 1912 op de Kinderbescherming, Parl. St. Kamer 1950, nr. 161, 1-2.
[63] Wetsvoorstel tot uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wet van 15 mei 1912 op de Kinderbescherming, Parl. St. Kamer 1950, nr. 161.
[64] Wetsontwerp tot uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet van 15 mei 1912 op de kinderbescherming, Parl. St. Kamer 1951-52, nr. 252.
[65] Wetsontwerp betreffende de jeugdbescherming, Parl. St. Kamer 1962-63, nr. 637/1, 8.
[66] Wetsontwerp betreffende de jeugdbescherming, Parl. St. Kamer 1962-63, nr. 637/1, 23-24.
[67] Wetsvoorstel tot uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wet van 15 mei 1912 op de Kinderbescherming, Parl. St. Kamer 1950, nr. 161, 1-2.
[68] Ontwerp van wet betreffende jeugdbescherming, Parl. St. Senaat 1964-65, nr. 153, 2.
[69] K. HANSON, o.c., 86-87.
[70] C. VAN DIJK, “De uithandengeving: grens aan de jongere of aan het systeem?” in J. CHRISTIAENS, D. DE FRAENE en I. DELENS-RAVIER, Protection de la jeunesse – Formes et réformes / Jeugdbescherming – Vormen en hervormingen, Brussel, Bruylant, 2005, 274, 277-278.
[71] Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, in België goedgekeurd bij Wet van 25 november 1991, B.S. 17 januari 1992, bij Decreet van 15 mei 1991 (Vlaamse Gemeenschap - B.S. 13 juli 1991), bij Decreet van 25 juni 1991 (Duitstalige Gemeenschap - B.S. 9 augustus 1991), bij Decreet van 3 juli 1991 (Franse Gemeenschap - B.S. 5 september 1991).
[72] United Nations Standard Minimum Rules for the Administration of Juvenile Justice (“The Beijing rules”), G.A. res. 40/33, annex, 40 U.N. GAOR Supp. (No. 53) at 207, U.N. Doc. A/40/53 (1985), in E. M. MIJNARENDS, Richtlijnen voor een verdragsconforme jeugdstrafrechtspleging, ‘gelijkwaardig maar minderjarig’, Leiden, Kluwer Rechtswetenschappelijke publicaties, 1999, 385-403.
[73] E. M. MIJNARENDS, o.c., 5.
[74] E. M. MIJNARENDS, o.c., 6-16.
[75] E. M. MIJNARENDS, o.c., 16-19.
[76] S. MEUWESE, M. BLAAK en M. KAANDORP (eds.), Handboek Internationaal Jeugdrecht, Nijmegen, Ars Aequi Libri, 2005, 503.
[77] S. C. BISCHOFF VAN HEEMSKERCK, The UN Convention on the rights of the child: a comparative study, s.l., Vrije universiteit Amsterdam, 1999, 125-127; R. HODGKIN en P. NEWELL, Implementation handbook for the Convention on the Rights of the child, New York, UNICEF, 2002, 601.
[78] E. M. MIJNARENDS, o.c., 195-197.
[79] G. VAN BUEREN, Article 40: child criminal justice, in A commentary on the United Nations convention on the rights of the child, Leiden, Martinus Nijhoff Publishers, 2006, 26.
[80] E. M. MIJNARENDS, o.c., 199-200.
[81] S. MEUWESE, M. BLAAK en M. KAANDORP (eds.), o.c., 517.
[82] E. M. MIJNARENDS, o.c., 200.
[83] S. C. BISCHOFF VAN HEEMSKERCK, o.c., 125-127; G. VAN BUEREN, l.c., 27-28; R. HODGKIN en P. NEWELL, o.c., 602.
[84] E. M. MIJNARENDS, o.c., 201-202.
[85] Concluding observations of the Committee on the Rights of the Child: Belgium, 20 juni 1995, CRC/C/15/Add.38; Concluding observations of the Committee on the Rights of the Child: Belgium, 13 juni 2002, CRC/C/15/Add.178.
[86] J. PUT, o.c., nr. 477.
[87] K. HANSON, o.c., 278-279.
[88] J. PUT, o.c., nr. 490.
[89] A. BAINHAM, Children. The modern law, Bristol, Family law, 2004, p. 633-634; T. CROFTS, The criminal responsibility of children and young persons. A comparison of English and German law, Aldershot, Ashgate, 2002, 37-39.
[90] Crime and Disorder Act 1998 (http://www.opsi.gov.uk/acts/acts1998/98037--e.htm).
[91] T. CROFTS, o.c., 39-45; J. FORTIN, Children’s rights and the developing law, London, Butterworths, 2003, 553; W. GORDON, M. WATKINS en P. CUDDY, Introduction to the youth court. Incorporating the sentence of the youth court, Winchester, Waterside Press, 1996, 16.
[92] Concluding observations of the Committee on the Rights of the Child: United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, 15 februari 1995, CRC/C/15/Add.34.
[93] T. CROFTS, o.c., 65-90; J. FORTIN, o.c., 545-555.
[94] T. CROFTS, o.c., 65-90; J. FORTIN, o.c., 545-555.
[95] T. CROFTS, o.c., 233-244.
[96] G. VAN BUEREN, l.c., 26-27; J. FORTIN, o.c., 550-551; A. BAINHAM, o.c., 633-634.
[97] Concluding observations of the Committee on the Rights of the Child: United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, 15 februari 1995, CRC/C/15/Add.34.
[98] Concluding observations of the Committee on the Rights of the Child: United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, 9 oktober 2002, CRC/C/15/Add.188
[99] Wales: 10, Cyprus, Zwitserland en Liechtenstein: 7, Schotland: 8.
[100] Frankrijk: 13, Duitsland, Oostenrijk, Italië, de meeste Oost-Europese landen: 14, de Scandinavische landen: 15, Spanje en Portugal: 16, België en Luxemburg: 18.
[101] Hof Mensenrechten, arrest T. / Verenigd Koninkrijk van 16 december 1999, T.J.K. 2000, nr. 1, 24, noot E. DUMORTIER; E. DUMORTIER, “Het proces en de straf in de zaak Bulger: niet onmenselijk, maar ook niet eerlijk”, (noot onder Hof Mensenrechten, arrest T. / Verenigd Koninkrijk van 16 december 1999), T.J.K. 2000, nr. 1, 31.
[102] S. MEUWESE, M. BLAAK en M. KAANDORP (eds.), o.c., 506.
[103] J.A.C. BARTELS, Jeugdstrafrecht, Deventer, Kluwer, 2003, 1-2.
[104] J.A.C. BARTELS, Jeugdstrafrecht, Deventer, Kluwer, 2003, 3-4.
[105] M. ROOD-DE BOER, J. E. DOEK, J.M.C.M. HEESTERS, e.a., Jeugdstrafrecht als jeugdbeschermingsrecht?, Zwolle, Tjeenk Willink, 1986, 20 en 28-29.
[106] M. KRUISSINK en C. VERWERS, Het nieuwe jeugdstrafrecht. Vijf jaar ervaring in de praktijk, ’s-Gravenhage, Ministerie van justitie, Wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum, 2001, 23.
[107] J.A.C. BARTELS, o.c., 26-29; H. DE BIE, Kinderrecht 2. Strafrechtelijk deel in Publiek- en privaatrecht 2, Zwolle, Tjeenk Willink, 1977, 157-165; J. E. DOEK en P. VLAARDINGERBROEK, Jeugdrecht en jeugdhulpverleningsrecht, ’s-Gravenhage, Elsevier, 2001, 439-442; S. MEUWESE, M. BLAAK en M. KAANDORP (eds.), o.c., 506.
[108] H. DE BIE, o.c., 164-165.
[109] J. E. DOEK en P. VLAARDINGERBROEK, o.c., 442.
[110] S. MEUWESE, M. BLAAK en M. KAANDORP (eds.), o.c., 513.
[111] Concluding observations of the Committee on the Rights of the Child: the Netherlands, 29 oktober 1999, CRC/C/15/Add.114; S. MEUWESE, M. BLAAK en M. KAANDORP (eds.), o.c., 510.
[112] S. MEUWESE, M. BLAAK en M. KAANDORP (eds.), o.c., 505-506.
[113] Wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, B.S., 22 december 2003.
[114] Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ), Publ. L 190/1-18 van 18 juli 2002; A. WINANTS, De doorwerking van het EU kaderbesluit inzake overlevering: een preadvies, s.l., Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland - Belgische sectie, 2005, 1.
[115] D. VAN DAELE, “België en het Europees aanhoudingsbevel: een commentaar bij de wet van 19 december 2003”, T. Strafr., 2005, (151) 158; F. VERBRUGGEN, “Aspecten van internationalisering in het strafrecht” in D. VAN DAELE en R. VERSTRAETEN (ed.), Straf(proces)recht, Themis School voor postacademische juridische vorming, Brugge, Die Keure, 2004, 66; A. WINANTS, o.c., 15-17.
[116] G. STESSENS, “Het Europees aanhoudingsbevel. De wet van 19 december 2003”, R.W. 2004-05, (561) 567.
[117] Ministeriële circulaire van 8 augustus 2005 inzake het Europees aanhoudingsbevel, B.S., 31 augustus 2005.
[118] Supreme Court – Criminal Chamber in Warsaw, Resolution of 20 July 2006, Ref. File No I KZP 21/06.
[119] B. DE SMET, “Verschillen tussen straf(proces)recht en jeugdbeschermingerecht”, R.W. 2004-05, (1161) 1161; B. DE SMET, Jeugdbeschermingsrecht in kortbestek, Antwerpen, Intersentia, 2005, 147-154; E. VERHELLEN, Jeugdbeschermingsrecht, Gent, Mys en Breesch, 1994, 216; J. CHRISTIAENS, “De hervorming van de Belgische jeugdbescherming: à la recherche du modèle perdu”, Panopticon 2005, 1, (4) 7; Y. CARTUYVELS, l.c., (132) 142.
[120] J. PUT, o.c., nr. 454.