jura falconis, jg 43, 2006-2007, nr 3, p. 431-456

De tarieven inzake successierechten in Vlaanderen
Successieplanning via schenking van roerende goederen

Tim Carnewal

Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. Dr. F. Vanistendael

1. Inleiding

Successierechten worden door iedereen als een noodzakelijk kwaad gezien, wat ook logisch is; niemand geeft graag een stuk van zijn erfenis af. Toch bestaan er verschillende manieren om de successierechten op een nalatenschap te minimaliseren. De goedkoopste en zeer efficiënte manier om de successierechten te minimaliseren is de schenking. Wanneer men de tarieven van de schenkingsrechten bekijkt, is het duidelijk dat de wetgever incentieven heeft willen geven om te schenken. Dit zal duidelijk worden doorheen deze tekst.

Het is de bedoeling om enkele manieren te bespreken waarmee men kan schenken en zo successierechten te vermijden. Dit is wat men noemt successie- of estate planning.

Alvorens de verschillende soorten schenkingen te bekijken, is het nuttig zowel de tarieven van de schenkingsrechten als van de successierechten onder de loep te nemen. Het zijn deze tarieven die het schenken interessant maken. Na de bespreking van de tarieven, is het de bedoeling de “standaardmanieren” van schenken te bekijken, zijnde de schenking voor de Belgische notaris en de handgift. Beide schenkingstechnieken geven echter aanleiding tot een heel ander taxatieregime en een grondige bespreking van deze manieren van schenken zou voor duidelijkheid moeten zorgen.

Naast de standaardmanieren van schenken zijn er echter nog andere manieren waarop Belgische burgers hun goederen wensen ovedragen. Deze methoden zijn telkens fiscaal geïnspireerd. Zo zullen de schenking voor de buitenlandse notaris en de hierbij aansluitende ‘spiegelschenking’ aan bod komen. Heel wat Belgen verkiezen namelijk de “Hollandse weg”[1], te bewandelen. Ook dit soort schenkingen worden vrij uitvoerig besproken. Een andere manier van schenken die aan bod komt, is de schenking via een zogenaamde “dubbele akte”. Deze schenking is een schenkingstechniek die de Belgische notariële praktijk heeft uitgewerkt.

Tenslotte wordt de schenking gevolgd door een inbreng in een burgerlijke maatschap besproken. Deze techniek wordt meer en meer toegepast en kadert perfect in een familiale successieplanning. Zij geldt tevens als een efficiënt en goedkoop alternatief voor de klassieke patrimoniumvennootschap.

2. De tarieven der schenkings – en successierechten

2.1. De tarieven der successierechten op roerende goederen

Allereerst is het belangrijk om even stil te blijven staan bij de tarieven van de successierechten. Wanneer zij hoger zouden liggen dan de schenkingstarieven (quod non), is een schenking, vanuit fiscaal oogpunt bekeken, weinig zinvol.

Wanneer men het wetboek der successierechten ter hande neemt en men bladert door naar hoofdstuk 6 inzake tarieven in successierechten kan men het volgende lezen[2] :

“art. 48 : De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden geheven volgens het tarief aangeduid in onderstaande tabellen :

Tabel I : Tarief in rechte lijn tussen echtgenoten en samenwonenden.

van 0,01 EUR tot 50.000 EUR -> 3%

  50.000 EUR tot 250.000 EUR -> 9%

boven de 250.000 EUR -> 27%

...”

In tabel II die het tarief regelt tussen andere personen dan personen in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden, vinden we een tarief dat varieert tussen 30% en 65%.[3] In tabel II is het tarief sowieso enorm hoog. Wanneer een broer bijvoorbeeld van zijn zus erft, zal hij op de schijf boven de €125.000, 65% successierecht dienen te betalen. Dit is enorm veel. Maar tevens in Tabel I vinden we een zware taxatie terug voor bedragen die de kaap van de €250.000 overschrijden, nl. 27%. Dit wil zeggen dat wanneer een echtgenote van haar echtgenoot erft, zij op de schijf boven €250.000, zomaar eventjes meer dan ¼ van dit bedrag aan de ontvanger van de successierechten mag betalen. Ook dit is geen klein bier.

Het komt er dus kennelijk op aan om bij tabel I de kaap van €250.000 niet te overschrijden. Een tarief van 3% of zelfs 9 %, is namelijk een tarief dat goed verteerbaar is, maar het tarief van 27% is dit echter heel wat minder.

Men kan dus om twee redenen schenken in het kader van een successieplanning. Een eerste reden is schenken om het betalen van successierechten helemaal te vermijden. Men schenkt bijvoorbeeld z’n hele roerende vermogen weg. Een tweede reden is schenken om te vermijden dat men in een hogere tariefschijf zal worden belast. Dit is zo wanneer de erflater over een vermogen van bijvoorbeeld €500.000 beschikt. Men wil niet in de schijf van 27% successierechten vallen. Dan doet men er dus goed aan €250.000 weg te schenken.

Deze successieplanning door middel van de schenking kan voor iedereen belangrijk zijn en dan in het bijzonder voor mensen die al een dagje ouder zijn of mensen die door een zware ziekte getroffen zijn. Door middel van de schenking kan men taxatie minimaliseren (b.v. 3 % schenkingsrechten) of zelfs helemaal vermijden en 0 % betalen. Het is de bedoeling dit alles toe te lichten.

2.2. De tarieven der schenkingsrechten op roerende goederen

2.2.1. Schenkingen in rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden

Sinds de zogenaamde “Lambermontakkoorden” behoren de registratierechten tot de bevoegdheid van de gewesten.[4] De Vlaamse decreetgever heeft het dan ook niet nagelaten om eigen schenkingsrechten in te voeren.

In Vlaanderen kan men sinds het decreet van 19 december 2003 schenken aan een vlak tarief van 3 % (art. 131 § 2 W.Reg.).[5] Deze regeling is van kracht sinds 1 januari 2004[6]. Zij werd ingevoerd om de nadelen bij de handgift weg te werken. Hierbij is er namelijk dikwijls geen bewijs tegenover andere erfgenamen en daarenboven speelden er zeker en vast ook budgettaire motieven bij de Vlaamse wetgever. Deze motieven zijn duidelijk terug te vinden in de memorie van toelichting.[7]

Bij handgiften blijft, zoals reeds gezegd de fiscus met lege handen achter; Daarenboven was deze regeling een mooie aanvulling op de toenmalige fiscale amnestiewetgeving, aangezien men teruggebrachtte kapitalen aan een laag tarief kon wegschenken. Sommigen menen daarenboven dat deze lage schenkingsrechten zijn ingevoerd om het pad te effenen naar een eventuele vermogensbelasting, hoewel men dit ontkent...[8]

Het komt erop neer dat wanneer men een redelijk roerend vermogen heeft en de kans op overlijden binnen de 3 jaar niet ondenkbaar is, men er goed aan doet van te schenken op deze manier. Aangezien er namelijk schenkingsrechten worden betaald, zal de fiscus deze schenking later niet opnieuw in de nalatenschap brengen via art. 7 W. Succ., om ze dan aan successierechten te onderwerpen.[9]

Het is duidelijk dat wanneer men in principe successierechten aan 27% zou moeten betalen, men serieus “winst” kan maken door aan het vlakke 3%-tarief te schenken, nl. 24% dient er minder te worden betaald.

Het is duidelijk dat het interessante aan deze regeling is, dat het progressievoorbehoud of het opduweffect niet speelt t.a.v het successierecht.[10] Men zal de schenking niet bij de grondslag voegen indien zij zich voordoet binnen de 3 jaar voor overlijden. Men laat de vroegere schenking voor art. 66bis W.Succ. gewoon buiten beschouwing.[11]

2.2.2. Schenkingen aan andere personen dan deze uit §1.

De wetgever heeft ook aan andere personen gedacht dan de drie doelgroepen uit §1. Om het even wie niet onder de 3%-regel valt, kan men aan een vlak tarief van 7% schenken (art. 131 § 2 W. Reg.).[12] Het progressievoorbehoud of opduweffect speelt ook hier niet.[13] Deze regeling geldt tevens voor bepaalde rechtspersonen, zoals bepaalde private en publieke stichtingen, VZW’s enz.[14]

Men kan dus aan een wildvreemde zijn volledige vermogen wegschenken aan een tarief van 7% (dit evenwel wanneer men abstractie maakt van het voorbehouden erfdeel van de reservataire erfgenamen).[15]

Ook via dit tarief kan men “winst” maken: Wanneer X namelijk geen kinderen, echtgenote of samenwonende partner heeft en enkel een broer als erfgenaam, doet X er goed aan, rekening houdende met de leeftijd en de gezondheidstoestand van X, aan zijn broer te schenken aan het 7%-tarief. In de hoogste schijf betekent dit een verschil van maar liefst 58%, aangezien in de hoogste schijf een broer 65% successierecht zal betalen op de nalatenschap van X.

2.2.3. Wie kan gebruik maken van deze regeling?

Deze regeling is van toepassing op elke schenker die zijn fiscale woonplaats in Vlaanderen heeft (lokalisatiecriterium).[16] Indien de schenker zijn fiscale woonplaats niet in Vlaanderen heeft, oordeelt de administratie : “De bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bevat geen lokalisatiecriterium voor schenkingen van roerende goederen door een niet-rijksinwoner aan een rijksinwoner of aan een niet-rijksinwoner. In afwachting van een definitieve wettelijke oplossing voor dit hiaat in de financieringswet worden voor deze schenkingen volgende lokalisatieregels gebruikt :

- voor het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen door een niet-rijksinwoner aan een rijksinwoner : de plaats waar de begiftigde, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de begiftigde tijdens de periode van vijf jaar vóór de schenking op meer dan één plaats in België gelegen was : de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;

- voor het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen door een niet-rijksinwoner aan een niet-rijksinwoner : de plaats van de ligging van het kantoor waar de schenking aan de formaliteit van de registratie wordt onderworpen.

Deze lokalisatieregels gelden zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen.”[17]

Indien echter de schenker zijn fiscale woonplaats tijdens de periode van 5 jaar voor de schenking op meer dan één plaats in België had, wordt het registratierecht toegewezen aan het gewest waar zijn fiscale woonplaats tijdens deze periode het langst was.[18]

Voor rechtspersonen geldt de volgende regeling : Een rechtspersoon met statutaire zetel en zetel van werkelijke leiding in verschillende gewesten heeft zijn fiscale woonplaats in het gewest waar hij zijn zetel van werkelijke leiding heeft.[19]

2.2.4. Wanneer is er schenkingsrecht verschuldigd?

De notaris zal zijn akten steeds ter registratie voorleggen en zo zullen er schenkingsrechten geheven worden. Art. 19, 1° W.Reg verplicht de notarissen hier namelijk toe. Bij gewone overdracht (handgift of traditio), zal er in beginsel geen schenkingsrecht geheven worden.[20] Maar wanneer er een document wordt opgemaakt van deze handgift en dit document aangeboden wordt ter registratie, zullen er schenkingsrechten geheven worden in twee gevallen:[21]

Ten eerste wanneer zowel de schenker als de begunstigde het document hebben ondertekend. Het gaat hier immers om een wederzijdse bevestiging van de tussen schenker en begiftigde overeengekomen schenking.

Ten tweede is er schenkingsrecht verschuldigd wanneer enkel de begunstigde het document ondertekent en zo bevestigt dat hij een gift heeft ontvangen.

Er is enkel een vast registratierecht van €25 verschuldigd indien de akte de erkenning van de schenker inhoudt en uitsluitend door hem is gehandtekend.[22]

2.2.5. Heffingsgrondslag

Het evenredig schenkingsrecht van 3% of 7 %, al naargelang de begunstigde, is verschuldigd op het bruto-aandeel dat elke begiftigde ontvangt en wordt in principe vereffend op de verkoopwaarde van de geschonken goederen.[23] (art. 133, eerste lid W.Reg.) Voor beursgenoteerde aandelen voorziet art. 133, tweede lid W.Reg een aparte regeling. In dit geval wordt de belastbare grondslag vastgesteld naar de waarde van de jongste prijscourant. Het gaat hier om de prijscourant die het laatst is gepubliceerd voor de datum waarop het registratierecht aan de staat verworven is. Deze prijscourant wordt de 20ste van elke maand gepubliceerd en duidt het gemiddelde aan van de in de loop van de vorige maand ter beurs toegepaste koersen.[24]

3. De schenking onder de loep genomen

Het begrip schenking wordt gedefinieerd in art. 894 B.W. :

Een schenking onder levenden is een akte waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanneemt.”

Deze bepaling bevat verschillende elementen : Ten eerste moet de schenker zich dadelijk van de zaak ontdoen. Ten tweede moet deze schenking onherroepelijk zijn. Ten derde moet de schenker de intentie hebben om te begunstigen. Als laatste element dient de begunstigde de schenking te aanvaarden.[25]

De essentiële elementen om van een schenking te kunnen spreken zijn dus de intentie om te schenken (animus donandi) en de verarming van de schenker en verrijking van de begunstigde (materieel element)[26]

In art. 931 B.W. staat dat de schenking een vormgebonden handeling is. De vorm bestaat erin dat de schenking in principe notarieel dient te gebeuren, d.w.z bij athentieke akte en dit op straffe van nietigheid.

Hoewel art. 931 B.W. de verplichte raadpleging van de notaris vereist, wordt algemeen toch aanvaard dat op een vormelijk geldige wijze kan worden geschonken via een onrechtstreekse of vermomde schenking of via een handgift.[27] De handgift is namelijk mogelijk, omdat bij nauwkeurige lezing van art. 931 B.W., men kan zien dat alleen als een akte moet worden opgemaakt, deze notarieel moet zijn.[28] Bij een handgift wordt er echter in beginsel geen akte opgesteld, dus is de tussenkomst van de notaris dan ook niet vereist...

De handgift is een gift van hand tot hand die zich voltrekt door de loutere overdracht (traditio) van de geschonken zaak, zonder dat enige andere vormvereiste dient te worden nageleefd.[29] Bij de handgift is dus de loutere overdracht het essentiële element. De handgift is dus vrijgesteld van de vormvereisten van art. 931 B.W., maar ze blijft wel overworpen aan de grondvoorwaarden van art. 894 B.W.[30]

Aangezien bij de handgift de traditio essentieel is, is deze vorm van schenking enkel mogelijk voor lichamelijke roerende goederen en voor onlichamelijke roerende goederen waarvan het recht in de titel geïncorporeerd is.[31]

Voor de schenking van roerende goederen is het onderscheid tussen schenken bij handgift en schenken bij notariële akte zeer belangrijk voor de fiscale behandeling ter zake. Wanneer men namelijk schenkt met tussenkomst van de notaris zal deze de schenkingsakte ter registratie voorleggen en zullen er dus schenkingsrechten worden geheven (art.19,1° W.Reg).[32] Wanneer men echter schenkt via een handgift, wordt deze schenking niet noodzakelijkerwijze ter registratie voorgelegd en blijft dus fiscus dus met lege handen achter... Hier zit echter een serieuze adder onder het gras. Wanneer diegene die via een handgift of bankgift heeft geschonken komt te overlijden binnen de 3 jaar na de schenking, verliest men het voordeel van het 0%- tarief en zal men het gewone successierecht dienen te betalen.( art. 7 W.Succ.).[33] Men kan hieraan trachten te ontkomen door bijvoorbeeld het bewijs te leveren dat het in casu niet om een schenking ging, maar om een terugbetaling.[34]

De handgift lijkt dus een goede oplossing wanneer men jong is; voor stokoude personen is de handgift echter niet de aangewezen schenkingsmethode.

4. De “standaardmanieren” van schenken

In dit hoofdstuk is het de bedoeling de twee standaardmanieren van schenken verder toe te lichten en vanuit het oogpunt van de successieplanning hun voor- en nadelen te bespreken.

4.1. De schenking voor de Belgische notaris

Zoals in hoofstuk 1 werd gezegd, zou in principe ELKE schenking volgens art. 931 B.W. via de notaris dienen te worden verleden. De handgift is echter de uitzondering die deze regel bevestigt.[35] Toch is schenken via de notaris zeer interessant sinds 1 januari 2004, aangezien men aan een tarief van 3% of 7 % kan schenken. Daarenboven is een schenking voor de notaris ook zeer nuttig en dit onder meer in de volgende gevallen : men kan de schenking duidelijk modelleren en het statuut van de schenking ligt duidelijk vast.[36] Bovendien bevat de schenkingsakte een aantal verklaringen en gezien deze in het bijzijn van de notaris zijn gedaan hebben zij een zeer grote bewijskracht.[37] De schenking via notariële akte geeft de minste aanleiding tot betwistingen achteraf. Rechterlijke uitspraken inzake betwistingen over notariële schenkingsakten zijn bijna niet te vinden.[38]

Modaliteiten bij de notariële akte

Het sterke punt van de schenking voor de notaris is sowieso de bewijskracht die van de notariële aktes uitgaat. Ook wanneer men schenkt onder last of met vruchtgebruik zal dit kenmerk van de notariële akte zeer nuttig blijken.

Schenking van vruchtgebruik of blote eigendom (fiscale behandeling)

De schenking met voorbehoud van vruchtgebruik gebeurt best voor de notaris. Men kan dit via de handgift trachten te realiseren, al is dit niet geheel zonder risico.[39] Het is daarenboven nuttig de fiscale behandeling van de schenking vruchtgebruik en blote eigendom onder deze paragraaf van dichterbij te bekijken. Voor schenking met voorbehoud van vruchtgebruik voorziet art. 133 W.Reg in een speciaal regime. Men fixeert namelijk de jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen op 4% van de waarde van de volle eigendom. Deze regeling werd ingevoerd omdat het schatten van een huurwaarde van een roerend goed niet evident is.[40]

Artikel 133 W.Reg. geeft een antwoord op de verschillende situaties van schenking waar het vruchtgebruik aan te pas komt.

Zo zijn er vier te onderscheiden situaties :

1. De schenking met vruchtgebruik gevestigd voor het leven : Hier wordt 4% van de volle eigendom vermenigvuldigd met de coëfficiënt van art. 47 W.Reg.

2. Een schenking met vruchtgebruik voor een vaste termijn : 4% van de volle eigendom gekapitaliseerd tegen 4 %. De kapitalisatie gebeurt via een wiskundige formule.

3. Een schenking van blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik door de schenker : de waarde van de volle eigendom.

4. De schenking van blote eigendom zonder voorbehoud ; dit is namelijk in het geval dat de schenker zelf enkel over de blote eigendom beschikt : De waarde van de volle eigendom min de waarde van het vruchtgebruik zoals berekend onder 1 en 2.[41]

Er dient tevens op te worden gewezen dat bij toepassing van art. 159, 3° W.Reg. de schenking van het vruchtgebruik aan de blote eigenaar vrijgesteld is van het evenredig recht, wanneer het evenredig registratierecht of het successierecht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom werd voldaan. Deze regel sluit perfect aan bij art. 133 W.Reg.[42]

4.2. De handgift

4.2.1. Begripsomschrijving

Tegen de geest van art. 931 B.W. in, kennen we de handgift. Het gaat om een vormvrij zakelijk contract. Hoewel deze manier van schenken nergens in de wet is geregeld, wordt de geldigheid reeds zeer lang door rechtspraak en rechtsleer aanvaard.[43] Een voorbeeld hiervan is het arrest van het Hof van Cassatie van 5 februari 1863.[44] Zoals reeds besproken is de traditio het essentiële element bij de handgift. Voor een geldige handgift dient het goed dus werkelijk te worden overgeleverd aan de begiftigde. Hier zijn twee redenen voor :

- De traditio moet de schenker duidelijk maken dat zijn handeling zeer ingrijpende gevolgen heeft. Hij verliest namelijk onherroepelijk de eigendom over het goed; Deze handeling wordt prima verwoord in het adagium “donner et retenir ne vaut”.

- Ten tweede geldt de handgift als publiciteit naar derden toe. Derden wordt duidelijk gemaakt wie de eigenaar is van het goed.[45]

De traditio is dus zeer makkelijk te verwezenlijken. Men dient er acht op te slaan dat een belofte tot handgift echter niet als een geldige handgift kan worden aangemerkt. Hier heeft namelijk nog geen traditio plaatsgevonden. Een belofte of intentie tot handgift is, zoals alle beloftes tot schenking, absoluut nietig.[46] Ook een handgift onder opschortende voorwaarde is niet mogelijk.[47]

Wanneer de begiftigde zich zelf in het bezit stelt van de goederen, kan er tevens niet van een traditio gesproken worden. De schenker dient de begiftigde in het bezit te stellen via een traditio. De schenker kan zich echter wel door een tussenpersoon laten vertegenwoordigen en op die manier op een geldige manier van de handgift gebruik maken.[48]

4.2.2. Voorwerp van de handgift

Men kan de handgift enkel gebruiken voor het schenken van roerende goederen. Men kan namelijk moeilijk een huis van hand tot hand overdragen. Zodoende zijn de onroerende goederen van het toepassingsgebied uitgesloten. Onrechtstreeks kunnen onroerende goederen echter wel het voorwerp zijn van een handgift. Wanneer men namelijk aandelen van een patrimoniumvennootschap schenkt en er in die vennootschap onroerende goederen zitten, schenkt men weliswaar onrechtstreeks, onroerende goederen.

Er dient echter op te worden gewezen dat ook niet alle roerende goederen voorwerp kunnen uitmaken van een handgift. Zo is de handgift enkel mogelijk voor lichamelijke roerende goederen (bijvoorbeeld een schilderij) en voor onlichamelijke roerende goederen waarvan het recht in de titel is geïncorporeerd (bijvoorbeeld aandelen aan toonder). Het zijn namelijk enkel dergelijke goederen die verplaatsbaar zijn en materieel overdraagbaar.[49]

Onlichamelijke roerende goederen waarvan het recht niet in de titel geïncorporeerd is, kunnen echter niet het voorwerp uitmaken van een handgift.[50] Men kan dus geen goederen schenken via de handgift die niet vatbaar zijn voor traditio. Zulke schenking is absoluut nietig.[51]

4.2.3. De handgift met modaliteiten

De handgift is dus een zeer geschikte manier om goederen weg te schenken. Het zou echter kunnen dat men wel wil schenken, maar bijvoorbeeld toch het vruchtgebruik wil behouden. Met een notariële akte kan men dit zonder enig probleem. Is dit echter mogelijk voor de handgift? Het gaat hier namelijk om een zakelijk contract waar in beginsel niets op papier dient te worden gezet.  Hier stelt zich de noodzaak van een zogehete “pacte adjoint”. Men zal namelijk naar bewijs toe achteraf iets op papier moeten hebben staan.[52]

De vraag is echter of men zich via de handgift überhaubt het vruchtgebruik kan voorbehouden? Er zijn namelijk goederen waar het uitoefenen van het vruchtgebruik noodzakelijkerwijze ook het bezit van de goederen veronderstelt.[53] Hoe kan men namelijk het vruchtgebruik op een servies overdagen zonder het materiële bezit, dus de eigendom, over te dragen?

Anderzijds zijn er de goederen die vruchten opleveren, bijvoorbeeld aandelen. Hier zou men wel de afsplitsing van het vruchtgebruik kunnen maken. Voor dit soort goederen is technisch gezien de handgift met voorbehoud van vruchtgebruik mogelijk. Anderzijds is het echter zeer belangrijk dat men een titel creërt die zegt dat vruchtgebruik wordt gevestigd. De fiscale administratie beschikt namelijk over art. 9 W.Succ.[54] Dit artikel kan namelijk worden gebruikt om vruchtgebruikconstructies tussen een persoon en zijn latere erfgenaam of legataris aan te vallen. Men kan echter aan dit artikel ontkomen. Het laat immers tegenbewijs toe.[55] Dit tegenbewijs is enkel mogelijk via een notariële akte of een onderhandse akte (de ‘pacte adjoint’) met semi vaste datum.[56] De pacte adjoint is dus niet enkel van groot belang als bewijs van voorbehoud van vruchtgebruik tussen de schenker en de begiftigde, maar tevens naar de fiscale administratie.

De hamvraag is dus wat de waarde is van zulke ‘pacte adjoint’ inzake het voorbehoud van vruchtgebruik. Deze materie is zeer controversieel. Ook de rechtspraak weet niet goed hoe ermee om te gaan. Sommige rechtspraak staat positief tegenover de handgift met voorbehoud van vruchtgebruik, andere niet.[57] Hetzelfde fenomeen valt op bij de rechtsleer : CASMAN en PUELINCKX-COENE keren zich tegen de handgift met voorbehoud van vruchtgebruik; DE WULF acht de handgift met vruchtgebruik wel mogelijk, a fortiori voor aandelen aan toonder.[58] Toch heeft CASMAN voor aandelen aan toonder een alternatief procédé uitgedacht.[59] Het procédé bestaat erin van het vruchtgebruik onrechtstreeks te realiseren, namelijk via een schenking met last. De schenker zou dan in volle eigendom schenken, maar met een geschreven document, de pacte adjoint, dat om bewijsredenen wordt opgesteld. In deze pacte adjoint zou dan de begiftigde een last opgelegd krijgen de waarde van de dividenden periodisch uit te betalen. Deze uitbetaling zou dan tevens met een handgift gebeuren. Op die manier heeft de schenker geen zakelijk recht van vruchtgebruik meer, maar een vorderingsrecht om de opbrengsten periodisch uit te betalen. Bij dit procédé zal de schenker niet zo goed beschermd zijn als indien hij het zakelijk recht van vruchtgebruik zou hebben, maar dit procédé past wel beter bij de leer van de handgift en de hiervoor noodzakelijke traditio.

Het staat alleszins vast dat de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik met de nodige voorzichtigheid dient te worden toegepast aangezien er geen echte eensgezindheid in de rechtspraak en rechtsleer is.[60] De oplossing van CASMAN, de handgift met last die een vruchtgebruik creërt, is daarentegen een constructie die de voorkeur verdient. Wanneer men een handgift wil modelleren, doet men dit dan ook best via de handgift onder last.

4.2.4. De bankgift

Men kan tevens via een bankoverschrijving iemand begiftigen. Het procédé is eenvoudig. A schrijft een bepaald bedrag over naar de rekening van B.[61] Dit is een in principe neutrale handeling, maar aangezien A B effectief heeft willen begiftigen, is de vereiste animus donandi aanwezig en kunnen we spreken van een onrechtstreekse schenking.[62]

Aangezien de afschaffing van de effecten aan toonder dichterbij komt en daarenboven aandelen binnenkort niet meer materieel geleverd kunnen worden, en dus enkel nog op een rekening zullen kunnen worden gezet, zal deze bankgift meer en meer opgang kennen. Te meer omdat de handgift van gedematerialiseerde effecten niet mogelijk is.[63] Zij kunnen enkel via de onrechtstreekse schenking of bankgift geldig worden overgedragen. Ook de wetgever oordeelt hier zo over.[64] In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat uiteindelijk de wet van 7 april 1995 is geworden, heeft de regering namelijk bevestigd dat wanneer effecten via overschrijving worden uitgevoerd ten kostenloze titel, deze overschrijving een onrechtstreekse schenking uitmaakt en deze is vrijgesteld van de door art. 931 B.W. formaliteiten en art. 9 van de wet op het notarisambt.[65]

4.2.5. De successierechtenverzekering

Uit het voorgaande blijkt dat de handgift een zeer nuttige en goedkope manier is om vermogen weg te schenken. Het is in feite de manier bij uitstek om schenkingsrechten en successierechten te vermijden. Wanneer men de pacte adjoint niet laat registreren, zal er namelijk 0% schenkingsrecht worden geheven. Ook naar successierechten toe is de handgift zeer nuttig. Wanneer een ouder zijn kind begiftigd valt het geschonken bedrag of goed namelijk niet in de nalatenschap. Zoals reeds gezegd, zit er echter een addertje onder het gras, nl. Art. 7 W.Succ.(cfr. Supra). Wanneer de schenker van een handgift binnen de drie jaar na de handgift komt te overlijden valt het voorwerp van de handgift alsnog in de nalatenschap. Een handgift is dus steeds een beetje een risico, bij oude of zieke personen natuurlijk heel wat groter dan bij anderen. Dit risico van overlijden binnen de drie jaar is echter verzekerbaar. Naargelang de ouderdom van de verzekerde, ligt de kost van de verzekering lager dan het te betalen schenkingsrecht. Hoe meer de verzekeringsmaatschappij zal moeten betalen, hoe groter de kans is dat de verzekeringsmaatschappij zal moeten betalen, hoe hoger de premies zullen zijn. Men verzekert echter enkel een plots overlijden. Wanneer men ongeneeslijk ziek wordt, maar men nog tijd heeft om de te registreren dient men dit echter te doen om zo de heffing van successierecht te vermijden.[66] Het is belangrijk erop te wijzen dat schenkingsrecht enkel wordt geheven bij de aanbieding van de pacte adjoint bij de handgift, niet wanneer de administratie kennis heeft van de handgift. Men dient dus zelf tot de registratie over te gaan.[67]

WEYTS wijst er tevens op dat de verzekering door de erfgenamen zelf dient te worden aangegaan om de toepassing van art. 8 W.Succ. te vermijden. Daarenboven wijst WEYTS op het feit dat de fiscus art. 8 W.Succ. wel eens zou durven uitbreiden naar de erfgenamen in de toekomst. Dit is echter alsnog niet gebeurd. De successierechtenverzekering is en blijft vooralsnog een nuttige techniek. Men dient enkel op voorhand de kosten en baten die men hierbij zal ondergaan goed af te wegen.

5. Andere manieren van schenken

Tot hiertoe zijn enkel de mogelijkheden van schenken en niet-schenken (al dan niet voor de notaris) aan bod gekomen en is het duidelijk dat een schenking een enorm voordeel kan opleveren. Toch zijn er nog andere manieren van schenken, die elk fiscaal geïnspireerd zijn.

5.1. Schenken voor een buitenlandse notaris

5.1.1. Algemeen

Zoals hierboven reeds vermeld zal een Belgische notaris steeds aktes die voor hem verleden zijn voorleggen ter registratie en zal zo dus steeds een heffing van 3 % schenkingsrechten dienen betaald te worden. Hier kan men niet onderuit (art. 19, 1° W.Reg) .

Een notariële akte biedt echter talloze voordelen. Men kan in zulke akte namelijk modaliteiten aan de schenking verbinden, iets wat volgens o.a WEYTS niet mogelijk is bij een handgift.[68] Men kan ook de voordelen van zowel de Belgische notariële akte als de handgift verenigen door naar een buitenlandse notaris te gaan. Wanneer men namelijk naar een Zwitserse of Nederlandse notaris gaat, zullen zij een notariële akte verlijden met alle voordelen daaraan verbonden (een per definitie vaste datum, een waterdichte mogelijkheid tot modaliteiten, enz.), maar (en dit is het grote verschil met de Belgische notarissen) zij zullen hun akte niet voorleggen ter registratie zodat er geen schenkingsrechten zullen worden geheven. In Nederland en Zwitserland is er immers geen lokaal schenkingsrecht vereist indien de schenker niet in hetzelfde land woont.[69] Een ander verschil tussen de Belgische notarissen en bijv. de Nederlandse notarissen, is het feit dat de Belgische notarissen qua ereloon aan vaste barema’s zijn gebonden in verhouding tot de waarde van het geschonkene. De Nederlandse notarissen zijn echter vrij qua honoraria en hun ereloon is meestal niet in verhouding tot de waarde van het geschonkene.[70]

Toch is er één fundamenteel nadeel verbonden aan de “Zwitserse of Hollandse weg”: Aangezien er geen schenkingsrechten zijn geheven en de schenker binnen de 3 jaar na de schenking komt te overlijden, zal deze schenking in de nalatenschap vallen en zullen er dus successierechten op dienen te worden betaald.[71] De oorzaak hiervoor is te vinden in het feit dat art. 66bis W.Succ. niet van toepassing is op een schenking voor een buitenlandse notaris. Dit heeft als gevolg dat echter art. 7 W.Succ. wel van toepassing is.[72] Een volledig waterdichte successieplanning is dit dus niet. Men houdt dus best rekening met de leeftijd en de gezondheidstoestand van de schenker eer men naar een buitenlandse notaris trekt om aldaar de Belgische schenkingsrechten te vermijden.

Daarenboven wijst WEYTS ook nog op het feit dat de fiscus het beroep op een buitenlandse notaris vroeg of laat niet zou gaan kwalificeren als een internationaal privaatrechtelijk misbruik. Art. 18 WIPR laat namelijk geen wetsontduiking toe in aangelegenheden waarin partijen niet vrij over hun rechten kunnen beschikken. In fiscale materies geniet men echter niet over deze vrijheid. Daarenboven zou er tevens geen enkele aanknoping zijn met Nederland.[73] DEBLAUWE en LABEEUW kunnen zich echter niet terugvinden in de stelling die WEYTS poneert inzake dit internationaal privaatrechtelijk misbruik. Zij achten schenkingen van roerende goederen, verleden voor een buitenlandse notaris, geldig, ook al is er geen enkele band met België.[74] De rechtspraak geeft DEBLAUWE en LABEEUW gelijk. Tot nog toe is er geen enkel geval in de rechspraak terug te vinden waar de fiscus de schenking voor een buitenlandse notaris aanvecht. In de toekomst lijkt dit ook zeer onwaarschijnlijk gezien de toenemende invloed van de Europese Gemeenschap.[75] Wanneer men de “vlucht” naar de buitenlands Europese notaris zou sanctioneren, zou dit namelijk indruisen tegen de Europese vrijheid van dienstverlening.

Wanneer men het internationaalrechtelijk bezwaar van WEYTS buiten beschouwing laat, kan men echter van de schenking voor de buitenlandse notaris optimaal gebruik maken op de volgende manier :

Men doet een schenking voor een buitenlandse notaris. Zo beschikt men over een vaste datum en kan men daarenboven, net zoals bij de schenkingen voor de Belgische notaris modaliteiten aanbrengen, zoals vruchtgebruik. Vanaf de datum van de akte begint de termijn van art. 7 W.Succ. te lopen. Indien binnen die 3 jaar de schenker echter zwaar ziek zou worden en de kans reël is dat de schenker de termijn van 3 jaar niet zal overleven, kan men gebruik maken van de techniek die ook bij de handgift kan worden gebruikt. Men kan namelijk nog snel voor het overlijden de Nederlandse notariële akte zelf nog snel ter registratie voorleggen, waardoor alsnog de schenkingsrechten worden betaald.[76] Zo vermijdt men dus dat het geschonkene in de nalatenschap zal vallen en dus zullen er geen successierechten worden geheven.

Bij een plots overlijden is men hier echter wel gezien en is de hele constructie een maat voor niets geweest. De fictie van art. 7 W.Succ. zal dan onvermijdelijk werken. Men kan dit risico van overlijden ook indekken door een “successierechtenverzekering”[77] Hiermee kan men dus tevens een plots overlijden indekken.

5.1.2. Ontbindende voorwaarde voor de buitenlandse notaris ( de zogenaamde ‘spiegelschenking’)

De spiegelschenking is een techniek waarbij tegelijk twee schenkingen worden verleden. Enerzijds werd een schenking voor een Nederlandse notaris verleden onder de ontbindende voorwaarde van het overlijden van de schenker binnen de 3 jaar na de schenking. Anderzijds werd een schenking voor een Belgische notaris verleden onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker binnen de 3 jaar na de schenking.[78] Zulke akte voor de Belgische notaris gaf slechs aanleiding tot de taxatie van een vast recht, nl. €25. Deze techniek combineerde de voordelen van zowel de schenking voor de Belgische en de Nederlandse notaris. Indien de persoon nog langder dan 3 jaar leefde na de schenking, ontsnapte men aan taxatie. De opschortende voorwaarde van de Belgische notariële akte realiseerde zich namelijk nooit. Daarenboven kon echter ook nooit successierecht worden geheven, want de driejarige periode was verlopen. Indien de persoon geen drie jaar meer leefde werd de Nederlandse schenking als ontbonden beschouwd. De opschortende voorwaarde realiseerde zich echter en men was 3% of 7% schenkingsrecht verschuldigd, dit alnaargelang wie de begiftigde was.[79] Jammer genoeg worden zulke schenkingen door art. 4, 3° Vl.W.Succ. in de kiem gesmoord. Men kwalificeert zulke schenking namelijk als een fictief legaat, met als gevolg dat er toch successierechten zullen worden geheven.[80]

5.2. De schenking in twee fases

Men kan echter voor de Belgische notaris een quasi zelfde resultaat als voor de Nederlandse notaris bereiken door een schenking in twee fases uit te voeren.[81] Deze techniek werd door de Belgische notariële praktijk uitgewerkt.

De schenker doet voor de notaris bij notariële akte een aanbod tot schenking. De begiftigde zal vervolgens aanvaarden, maar niet notarieel, hij doet dit onderhands.[82] Op die manier wordt er een semi-vaste datum verkregen. Er dient wel op te worden gewezen dat deze onderhandse aanvaarding niet mag worden voorgelegd tot registratie. Vanaf de aanvaarding zal de termijn van art. 7 W.Succ. beginnen lopen. De administratie aanvaardt dat een semi-vaste datum gegeven door een neutrale derde volstaat.[83]

Het aanbod door de schenker gedaan bij notariële akte zal worden geregistreerd aan €25 vaste heffing. Dit aanbod van schenking is geldig.[84] Dit wordt ook door art. 932 B.W. bevestigd. Ditzelfde art. 932 B.W. vereist echter dat ook de aanvaarding bij notariële akte gebeurt. Indien men dus de aanvaarding onderhands laat geschieden, volgt men de wet dus niet. Toch is het zo dat de fiscale administratie dit soort van schenkingen in twee fases, een notariële en een onderhandse fase aanvaardt, zolang de partijen de gevolgen van hun transacties maar dragen en de gevolgen door latere erfgenamen niet worden aangevochten.[85]

6. De schenking en de inbreng in een Burgerlijke maatschap

6.1. Wat is een burgerlijke maatschap?

Naast de klassieke manieren van schenken zoals in de voorgaande hoofdstukken beschreven, is er een iets of wat specialere vorm van schenken dia al een tijdje in opgang is. Getuige hiervan de een editie van het weekblad “Cash”, waarin deze vennootschapsvorm als vehikel om een (deel van) patrimonium over te hevelen naar de volgende generatie vrij uitvoerig wordt besproken.[86] De krachtlijnen van deze techniek zijn : de controle van het geschonkene bij de schenker houden en het opzetten van een goedkope vererving.

6.1.1. Definitie en kenmerken

Uit artikel 1 W.Venn distilleren NIJS, VAN ZANTBEEK en VERBEKE devolgende defintie gebaseerd op het oude artikel 1832 B.W., alwaar tot 2001 de burgerlijke maatschap werd geregeld.:

 “ De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich ertoe verbinden iets in gemeenschap te brengen met de bedoeling hun een rechstreeks op onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen.”[87]

Deze burgerlijke maatschap is weldegelijk een vennootschap, maar dan wel een zonder rechtspersoonlijkheid.[88] Er dient tevens op te worden gewezen dat aangezien deze vennootschapsvorm geen rechtspersoonlijkheid bezit, zij zuiver contractueel is.[89] Aangezien deze vennootschap tevens een contract is, dienen de voorwaarden van zowel de vennootschap als van een contract te zijn vervuld. Op contractueel vlak dienen dus aanwezig te zijn : geldige toestemming, bekwaamheid, voorwerp en oorzaak. (art. 1108 e.v. B.W.)[90] Op vennootschapsrechtelijk vlak dient de burgergelijke maatschap aan aan volgende geldigheidsvoorwaarden te voldoen : er dient een winstoogmerk te zijn, een inbreng, meerhoofdigheid, winstverdeling en een affectio societatis.[91] Men kan deze affectio societatis verwoorden als “het gemeenschappelijk belang van de partijen”.[92] De maatschap is dus eigelijk niet meer of niet minder dan een contractueel georganiseerde onverdeeldheid.[93] Door gebrek aan rechtspersoonlijkheid zullen de goederen die door de vennoten worden ingebracht niet terecht komen in de vennootschap, maar zullen deze vennoten er eigenaar in onverdeeldheid van worden. Men staat dus in feite zijn eigendom af om dan als aandeelhouder van de burgerlijke maatschap mede-eigenaar van het goed te worden.

Door de maatschap creëren de “maten-vennoten” een doelvermogen.[94] Het komt er dan op neer de statuten van de maatschap zodanig te modelleren naar de noden en behoeften van de maten. Dit modelleren via de statuten is mogelijk omwille van de contractsvrijheid die ter zake speelt. Er dient echter tevens rekening te worden gehouden met enerzijds de regels van het vennootschapsrecht en anderzijds de regels van de gemeenrechtelijke onverdeelheid (577-2 B.W.), dit vooral wanneer de statuten bepaalde dingen niet regelen.[95] Met andere woorden, goede statuten zijn cruciaal.

6.1.2. De oprichting

Een burgerlijke maatschap kan zeer eenvoudig worden opgericht. Voor deze vennootschapsvorm zijn namelijk geen formaliteiten vereist.[96] Art. 66 W.Venn is niet van toepassing. Dit artikel schrijft voor dat een vennootschap dient te worden opgericht, op straffe van nietigheid, bij middel van een authentieke of onderhandse akte. Aangezien de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft is deze bepaling niet van belang. Men dient dus niet bij de notaris langs te gaan, noch een een onderhandse akte op te stellen. De maatschap kan gewoon solo consensu (via louter mondeling akkoord) worden opgericht. Het is echter aangewezen, naar bewijs toe, om een schriftelijke overeenkomst op te stellen.[97] Hoe zou men namelijk achteraf kunnen bewijzen welke statutaire regels op de maten-vennoten van toepassing zouden zijn?

Hoe zal deze oprichting concreet in zijn werk gaan? Het initiatief zal (meestal) uitgaan van de ouder. Hij zal een deel van zijn vermogen aan zijn kinderen schenken. Deze schenking door de ouder kan op de manieren gebeuren beschreven in de voorgaande hoofstukken, bijv. via een handgift of een notariële akte. Men zal meestal opteren voor een schenking die geen schenkingsrechten opeisbaar maakt. Men maakt dus best gebruik van de handgift of de schenking voor de buitenlandse notaris.[98] Welke schenkingstechniek men zal gebruiken zal echter ook afhangen van de aard van de goederen die het voorwerp zijn van de operatie. Voor lichamelijke roerende goederen, zoals aandelen, zal men best kiezen voor de handgift. Goederen die niet vatbaar zijn voor handgift kan men eerder via onrechtstreekse schenking of schenking bij authentieke akte bij een buitenlandse notaris overdragen.[99]

Aangezien de ouder als eerste stap heeft geschonken aan zijn kinderen, zou men zich de vraag kunnen stellen wat er zou gebeuren indien de kinderen zich niet aan de afspraak houden en weigeren de geschonken goederen in de maatschap in te brengen. Dit is simpel op te lossen. Aan de schenking kan men echter een voorwaarde koppelen krachtens dewelke de begiftigde kinderen de last opgelegd krijgen om de geschonken goederen in de maatschap in te brengen. Deze last kan men bij een handgift in de begeleidende “pacte adjoint” stipuleren en bij een notariële akte (een Belgische of buitenlandse) kan men rechtstreeks stipuleren in de authentieke akte.[100] Eenieder dient dan een inbreng te doen om “maat” te kunnen worden in de burgerlijke maatschap en zo via zijn aandeel eigenaar in onverdeeldheid te worden.[101] Men zal dan de burgerlijke maatschap oprichten door de statuten op te stellen. In deze statuten zal een zaakvoerder worden aangeduid. Deze zaakvoerder zal de ouder zijn, aangezien de zaakvoerder beslist hoe en wanneer het vermogen van de maatschap zal worden aangewend.

Men dient er acht op te slaan dat de zaakvoerder geen aandeelhouder hoeft te zijn, maar dit best wel is (cfr. Infra).[102] De ouder is dus niet verplicht een inbreng te doen. Binnen het kader van een burgerlijke maatschap is de taak van zaakvoerder georganiseerd via de overeenkomst van lastgeving. De zaakvoerder is dus geen orgaan van de maatschap-vennootschap, maar slechts een lasthebber van elke deelnemende aandeelhouder.[103] Dit kan echter wel voor problemen zorgen. Art. 2003 B.W. bepaalt echter dat aan de lastgeving een einde komt door de herroeping door de lastgever en het is net de bedoeling dat de ouder onherroepelijk als zaakvoerder van de maatschap het beheer van de maatschap in handen blijft houden.(cfr. §3. de statuten). Hier zijn twee oplossingen voor. Ten eerste kan men stipuleren in de statuten dat de zaakvoerder slechts met unanimiteit van stemmen kan worden afgezet.[104] Ten tweede valt het te argumenteren dat een lastgeving van gemeenschappelijk belang onherroeplijk is, behoudens akkoord van ALLE betrokken partijen, dus ook van de lasthebber-zaakvoerder.[105]

Een voorbeeld kan verhelderend werken. De burgerlijke maatschap is een prima instrument om roerend vermogen (b.v. een effectenportefeuille) naar de volgende generatie over te laten gaan, maar toch de controle te behouden. A beschikt over een effectenportefeuille van € 100.000. A heeft 2 kinderen, B en C. Idealiter zou A bijvoorbeeld 98% van zijn effectenportefeuille aan zijn kinderen wegschenken, met de bedoeling dat de kinderen die 98% natuurlijk in de burgerlijke maatschap inbrengen na schenking. A houdt echter 2 % zelf bij en ook hij zal deze 2% inbrengen. Op die manier zit de volledige effectenportefeuille in de burgerlijke maatschap, met andere woorden in onverdeeldheid bij A, B en C. In de statuten wordt A vervolgens aangesteld als zaakvoerder en daarenboven wordt er in de statuten een clausule voorzien die de unanimiteit van de maten-vennoten vereist om de zaakvoerder af te zetten. Op die manier is A als zaakvoerder beschermd. Hij kan enkel enkel afgezet worden met de instemming van alle vennoten, inclusief hijzelf. Zo kan men lastige situaties vermijden.

6.1.3. De statuten

Zoals reeds gezegd zijn de statuten van de burgerlijke maatschap cruciaal. Zij zullen namelijk bepalen hoe en onder welke voorwaarden de burgerlijke maatschap dienst zal doen en haar rol zal vervullen in de vermogensplanning van de oprichter. NIJS, VAN ZANTBEEK en VERBEKE waarschuwen er echter voor dat men bij het oprichten van deze statuten zeer omzichtig dient om te gaan.[106] Deze maatschap moet namelijk gezien worden in het geheel van de vermogensplanning en vaak staat de burgerlijke maatschap in interactief verband met dit geheel. Daarenboven willen niet alle oprichters van een burgerlijke maatschap die maatschap niet op dezelfde manier gebruiken.

Toch zijn er vier constanten die terugkeren en die in de statuten van quasi elke burgerlijke maatschap te vinden zijn.[107] Ten eerste wil de initiatiefnemer-ouder de mogelijkheid hebben om de absolute zeggenschap uit te oefenen en deze ook te behouden. Ten tweede wil men via de burgerlijke maatschap de overgang van vermogen naar de volgende generatie bewerkstelligen door zo weinig mogelijk successierechten te betalen. Ten derde dient de burgerlijke maatschap geen overdreven fiscale implicaties uit te lokken en ten laatste wil men zo weinig mogelijk onderhoudskosten hebben. Men kan deze burgerlijke maatschap vooral zien als een prima alternatief voor de klassieke patrimoniumvennootschap, bijvoorbeeld een N.V. Deze klassieke patrimoniumvennootschappen zijn echter meer gedienstig in geval van grotere vermogens die heterogeen zijn samengesteld.[108]

De burgerlijke maatschap is een prima vehikel voor het overdragen van roerend vermogen.

6.2. Fiscale behandeling

Hét punt waar het om draait bij deze burgerlijke maatschap is de fiscale behandeling van deze vennootschapsvorm.

6.2.1. De oprichting en inbreng

Zoals reeds eerder aangegeven kan een burgerlijke maatschap zonder enige formaliteiten worden opgericht bij bijvoorbeeld een onderhandse akte. Men vermijdt hier bijvoorbeeld notariskosten, die wel verschuldigd zijn bij de oprichting van een klassieke patrimoniumvennotschap, zoals bijvoorbeeld de NV.

Men kan de oprichtingsakte van de burgerlijke maatschap laten registreren en dan is men het vast recht van €25 verschuldigd.[109] De inbreng van goederen wordt belast aan een inbrengrecht van 0%.[110] Sinds 1 januari 2006 heeft men namelijk het 0,5% tarief geschrapt.[111]

De oprichtingsakte laten registreren om een vaste datum te creëren kan dus voor €25 gebeuren. Een oprichting van een burgerlijke maatschap voor de notaris, die op basis van art. 19, 1° W.Reg. zijn akte spontaan ter registratie zal voorleggen, zal dus naast het ereloon van de notaris aan een vast registratierecht van €25 euro kunnen gebeuren. In ruil hiervoor krijgt men de authenticiteit en de uitvoerbare kracht van een notariële akte.[112] Men kan dus aan een relatief lage kostprijs een burgerlijke maatschap oprichten en vervolgens de maatschap van goederen voorzien.

6.2.2. Het gebruik en einde van de maatschap

Het gaat om een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, wat impliceert dat deze vennootschapsvorm geen eigen vermogen heeft. Dit heeft als belangrijkste gevolg dat de burgerlijke maatschap fiscaal transparant is. Dit wil zeggen dat de fiscus doorheen deze vennootschap heen kijkt en voor de belastbare grondslag en het toepasselijk tarief niet gaat kijken naar de vennootschap, maar wel naar de aparte positie van de individuele vennoten.[113] Men gaat dus terugvallen op de onderlinge verhoudingen waarin de aandeelhouders zich tegenover mekaar en tegenover het gemeenschappelijk vermogen bevinden. Men mag hier niet uit het oog verliezen dat het hier om een onverdeelde mede-eigendom gaat.[114]

Deze fiscale transparantie heeft een tweede niet onbelangrijk gevolg. Aangezien de fiscus doorheen deze vennootschapsvorm heen kijkt, is deze vennootschap niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen, maar wel aan de personenbelasting. In de personenbelasting genieten de roerende inkomsten een bevrijdende roerende voorheffing van 15 % op intresten en 25% op dividenden en daarenboven zijn de meerwaarden onbelast.[115]

Wanneer er dus aandelen in de maatschap zitten en deze recht geven op een dividend, zal dit dividend worden belast volgens de personenbelasting. De fiscus gaat er namelijk van uit dat hetgeen na belasting overblijft van de dividend in de gemeenschap van de maatschap komt en dit saldo kan naderhand volgens de overeengekomen verdeelsleutel aan de individuele vennoten worden uitgekeerd, zonder nog verdere inhouding van roerende voorheffing. Er is dus geen fiscaal tussenniveau tussen de maatschap en de maten-vennoten. De inkomsten gaan meteen naar de maten-vennoten. Daarenboven dienen de maten-vennoten geen aangifte meer te doen van de inkomsten die zij genereerden uit deze dividenduitkering, aangezien het om een bevrijdende roerende voorheffing gaat. Dit is een enorm pluspunt dat de burgerlijke maatschap heeft tegenover bijvoorbeeld een NV die gebruikt wordt als patrimoniumvennootschap. Hier worden alle inkomsten namelijk in principe als winst belast aan 33,99%.[116]

Zoals reeds in de definitie van de burgerlijke maatschap aangegeven, begint men een maatschap met als doel een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te behalen.

Men dient zich er echter voor te hoeden dat de burgerlijke maatschap geen aanleiding geeft tot een extra bezoekje van de fiscus, namelijk omdat de maten-vennoten via de burgerlijke maatschap tevens belastbare beroepsinkomsten zouden genereren.[117]

Het louter beheer van een familiepatrimonium via een burgerlijke maatschap is op zich geen reden voor de fiscus om de inkomsten ervan als diverse inkomsten of belastbare beroepsinkomsten aan te merken. De fiscus beroept zich op de feiten. In deze heeft de rechtspraak al belangrijke criteria aangegeven waarbij de beleggingsinkomsten worden aangemerkt als diverse of beroepsinkomsten. Indicatief kan worden verwezen naar het bedrag waarvoor de geviseerde verrichtingen werden gesteld, de tijdspanne waarbinnen de verrichtingen hebben plaatsgevonden, de frequentie van de handelingen, de aard van de aandelen die men koopt, enz.[118] Het komt er dus op neer van de burgerlijke maatschap op een normale manier te beheren. Op die manier zal men nooit aan een bijkomende belasting worden onderworpen.

De fiscale transparantie doet tevens dienst bij het einde van de maatschap. Men kan de ontbinding van de vennootschap eenvoudigweg aanmerken als een uit de onverdeeldheidstreding van de vennoten en hier voorziet art. 883 B.W in een declaratief karakter. Bij het einde van de maatschap zal de fiscus dus niet komen aankloppen, zoals dit wel het geval is bij de ontbinding van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid. Hooguit is men het vaste recht van €25 euro verschuldigd, indien men de onderhandse ontbindingsakte spontaan ter registratie aanbiedt of indien men de ontbinding via authentieke akte laat verlopen.[119]

7. Besluit

Schenken is duidelijk een wezenlijk bestanddeel van een goede successieplanning. Men kan door te schenken successierechten vermijden, in sommige gevallen taxatie volledig vermijden, bijvoorbeeld via de handgift. Een korte checklist van de besproken schenkingstechnieken kan verhelderend werken.

De basisfiguur is en blijft sowieso de schenking door het Burgerlijk Wetboek geregeld, zijnde de schenking voor de notaris. Het grote voordeel van de schenking via notariële akte is het feit dat deze akte zekerheid schept. Er is onomstotelijk geschonken en er zullen achteraf geen bewijsproblemen kunnen opduiken. Daarenboven geldt de notariële akte tevens als uitvoerbare titel, indien er verdere geschillen zouden opduiken. Het nadeel van de schenking voor de notaris is dat men sowieso zal getaxeerd worden. Art. 19, 1° W.Reg. verplicht immers de notaris om de schenkingsakten die hij verleden heeft te registreren en dit binnen de 15 dagen. Deze registratieverplichting heeft als gevolg dat er 3% of 7 % schenkingsrechten zullen moeten worden betaald.

De handgift is het spiegelbeeld van de notariële akte. De handgift kan achteraf voor bewijsproblemen zorgen en dit zelfs indien men de handgift vergezelt van een zogehete ‘pacte adjoint’ waarin men de handgift tracht te modelleren. Anderzijds geeft de handgift geen aanleiding tot taxatie. Men zal met andere woorden geen schenkingsrechten hoeven te betalen. Jammergenoeg is dit niet altijd zo. Art. 7 W.Succ. stelt namelijk een fictie in, indien de schenker binnen de 3 jaar na de schenking komt te overlijden. De schenking zal dan toch in de nalatenschap vallen en er zal successierecht verschuldigd zijn. Dit, nota bene, wanneer men misschien net had geschonken om successierechten te vermijden ! Voorzichtigheid is dus geboden wanneer men via een handgift wil schenken. Men dient met een aantal factoren rekening te houden, zoals leeftijd en gezondheid.

Naast deze twee standaardmanieren van schenken zijn er nog een aantal technieken die frequent worden gebruikt in Vlaanderen. Zo kan men schenken voor een buitenlandse, (bijvoorbeeld Nederlandse) notaris. Zo bekomt men wel de zekerheid die een notariële akte verschaft qua bewijs, maar anderzijds ontloopt men ook hier het fictieartikel, art. 7 W.Succ., niet. Dit artikel hangt als het ware als een “zwaard van Damocles” boven het hoofd van al wie geschonken heeft en geen schenkingsrecht heeft betaald. Een schenking voor een Nederlandse notaris is namelijk niet aan schenkingsrecht onderworpen.

De Belgische notariële praktijk heeft echter een waterdichte techniek ontwikkeld waarin men zowel zekerheid naar bewijs toe, als zekerheid naar taxatie toe verkrijgt. Dit is mogelijk via de techniek van de dubbele akte.

Een laatste manier van successieplanning waar de schenking een zeer belangrijke rol in vervult, is de inbreng in een burgerlijke maatschap. Bij deze techniek zal bijvoorbeeld een ouder aan zijn kinderen aandelen schenken. Wanneer de ouder de kinderen heeft begiftigd, zullen deze aandelen uit de ouder zijn vermogen verdwenen zijn en daarenboven is hij de zeggenschap over zijn aandelen verloren. De burgerlijke maatschap zorgt er echter voor dat de ouder de zeggenschap over zijn aandelen niet verliest. De kinderen brengen hun gekregen aandelen namelijk in in de burgerlijke maatschap, waarin de ouder een sterk statutair statuut heeft. Deze techniek zou situaties moeten vermijden waarin de ouder na het schenken van zijn roerend vermogen, door z’n kinderen in de steek wordt gelaten. Het grote voordeel van deze techniek is echter dat de volle eigendom reeds voor een groot stuk bij de kinderen ligt. De goederen hebben het vermogen van de ouder verlaten, waardoor deze goederen in beginsel[120] niet meer in diens nalatenschap vallen. Het doel van de successieplanning is dan bereikt : de goederen zijn waar ze behoren te zijn, bij de erfgenamen en niet bij de fiscus!


[1] Dit is een schenking verleden voor een Nederlandse notaris.
[2] J. Decuyper, Successierechten 2004-2005, Mechelen, Kluwer, 2005, 637.
[3] J. Decuyper, Successierechten 2004-2005, 634.
[4] F.WERDEFROY, Registratierechten 2004-2005, Mechelen, Kluwer, 2005, 1361.
[5] B.S. 31 december 2003
[6] art. 103 Vl.Decreet 19 december 2003
[7] Stuk 1948 (2003-2004) – nr. 1 , p.20.; R. DEBLAUWE, “Verlaagde schenkingsrechten in Vlaanderen”, T.Fin 2004, 809.
[8] L. WEYTS, “Nieuwigheden bij schenkingen”, Themis, 2005-2006, afl. 35, 5.; F.WERDEFROY, Registratierechten 2004-2005,  1424.
[9] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 6.
[10] F.WERDEFROY, Registratierechten 2004-2005,  1364.
[11] Ibid., 5.
[12] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, Haacht, Artoos, 2002, 485-486
[13] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 5.
[14]Ibid.,  5.; T.LAUWERS, “De schenking van roerende goederen: de invoering van verlaagde vlakke tarieven in het Vlaams Gewest”, Waarvan akte, 2004, nr . 4, p. 1.
[15]Ibid. , nr . 4, p. 2.
[16] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 6.; E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 575.
[17] Besl. 22 maart 2005, nr. E.E./L 137 en besl. 6 oktober 2005, nr. E.E./L 147. (www.fisconet.be)
[18] R. DEBLAUWE, “Verlaagde schenkingsrechten in Vlaanderen”, T.Fin 2004, 812.; Bijz.Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten van 16 januari 1989, B.S. 17 januari 1989, art. 5 §2, 8°
[19] Besl. 22 maart 2005, nr. E.E./L 137 en besl. 6 oktober 2005, nr. E.E./L 147. (www.fisconet.be)
[20] Cfr. Nr. 5.
[21] L. WEYTS, Grondige studie van het registratie- en successierecht, 2006, Acco, Leuven, 61.
[22]Ibid., , 61.; Besl 7 december 1978, Rec.Gén.Enr.Not., 1979, nr. 22.447, 449.
[23] Besl. 28 juli 2004, nr. E.E./100.379. (www.fisconet.be)
[24] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 580.
[25] F.WERDEFROY, Registratierechten 2004-2005, 1369.; E. VRIJDERS, “De nieuwe schenkingsrechten en de EBA”, T.F.R 2004, 515-516
[26] E. VRIJDERS, o.c., T.F.R 2004, 515-516; F.WERDEFROY, Registratierechten 2004-2005, 1367.
[27] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 485-486.
[28] R. DEBLAUWE, o.c., T.Fin 2004, 808.
[29] J. BYTTEBIER, “De handgift”, T.Not. 1998, 68.
[30] E. VRIJDERS, o.c., T.F.R 2004, 516.; E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 485-486.
[31] E. VRIJDERS, o.c.,T.F.R 2004, 515-516; F.WERDEFROY, Registratierechten 2004-2005, 1367.
[32] F.WERDEFROY, Registratierechten 2004-2005,  91.; E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 485-486.
[33] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 6.; Antwerpen 27 april 2001, bl. nr. E.E./95.838.(www.fisconet.be)
[34]Gent 1 september 1997, bl. nr. E.E./92.429 (www.fisconet.be)
[35] R. DEBLAUWE, o.c., T.Fin. 2004, 808.
[36]Ibid., , 808.
[37] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 13.
[38] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 582.
[39] Cfr. Nr. 28
[40] R. DEBLAUWE, o.c., T.Fin. 2004, 808.
[41] R. DEBLAUWE, o.c., T.Fin. 2004, 808.
[42] F.WERDEFROY, registratierechten 2004-2005., 1361.
[43] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 554.; L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 13.
[44] Cass. 5 februari 1863, Pas., 1863, I, 424.
[45] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 556.
[46] Ibid., 555.
[47] N.TORFS, “De handgift met modaliteiten”, NotFisc.M, 1996, 261.
[48] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 556.
[49] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 557.
[50]Ibid., , 558.
[51] Bergen, 7 januari 1988, J.L.M.B., 1988, 356.
[52] N.TORFS, o.c., Not Fisc.M., 1996, 261.
[53]Ibid.,  264.
[54] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 7.
[55] Beslissing van 10 juli 2002, nr. E.E./98.937 (www.fisconet.be)
[56] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35,7.
[57] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 568.
[58] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 569.
[59] H. CASMAN, “schenkingen en successierechten”, Not. Fisc. M. 1994/7, 6.
[60] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 556.; N.TORFS, o.c., Not.Fisc.M., 1996, 261.; J. BYTTEBIER, o.c., T.Not., 1998, 67-85.
[61] Besl. 25 april 2005, nr. E.E./100.528. (www.fisconet.be)
[62] J.VANOVERBEKE, “de burgerlijke vennootschap – een instument voor successieplanning”, T.F.R  15 juni 2000, 624. (www.strada.be)
[63] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 562.
[64] Gedr.St.Senaat, 1994-1995, 1321/1, 6
[65] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 562.
[66] L. WEYTS, o.c. , Themis, 2005-2006, afl. 35, 6.
[67] Besl. 13 november 1996, nr. E.E./95.609. (www.fisconet.be)
[68]Ibid., , afl. 35, 5.; N.TORFS, o.c., Not.Fisc.M., 1996, 262.
[69] R. DEBLAUWE, o.c., T.Fin. 2004, 808.
[70]Ibid., , 823.
[71] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 9.
[72] E. VRIJDERS, o.c., T.F.R 2004, 519.
[73] L. WEYTS, o.c, Themis, 2005-2006, afl. 35, 7.
[74] N.LABEEUW en R.DEBLAUWE, “schenking voor een Nederlandse notaris: geldig? Waarom niet?”, nieuwsbrief successierechten,2006, 8/10
[75] N.LABEEUW en R.DEBLAUWE, o.c., nieuwsbrief successierechten,2006, 8/10.
[76] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 10.; N.LABEEUW en R.DEBLAUWE, o.c., nieuwsbrief successierechten,2006, 8/2
[77] Cfr. Supra : nr. 30
[78] N.LABEEUW en R.DEBLAUWE, o.c., nieuwsbrief successierechte ,2006, 8/3
[79] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 12.
[80] Ibid., afl. 35, 11.; Besl. 26 april 2005, bl. nr. E.E./L 144. (www.fisconet.be)
[81] Ibid., afl. 35, 9.; N.LABEEUW en R.DEBLAUWE, o.c. , nieuwsbrief successierechten 2006, 8/2
[82] L. WEYTS, o.c., Themis, 2005-2006, afl. 35, 5
[83] Ibid., afl. 35, 9
[84] H.DE PAGE, Traite, VIII, 1, tweede uitg., Bruylandt, Brussel, 1962, 465.
[85] L. WEYTS, o.c, Themis 2005-2006, afl. 35, 10.; N.LABEEUW en R.DEBLAUWE, o.c., nieuwsbrief successierechten,2006, 8/2;
[86] “Trends- Cash” van 2 november 2006, nr. 44.
[87] A.NIJS, A.VAN ZANTBEEK en A.VERBEKE, “statuten van een burgerlijke maatschap”, Tijdschrift voor estate planning, 2006-1, 34.
[88] A.NIJS, A.VAN ZANTBEEK en A.VERBEKE, o.c., Tijdschrift voor estate planning, 2006-1, 34.; Cass. 12 november 1935, Pas. I., 48-51.
[89] K.GEENS, Vennootschapsrecht, Leuven,Vrg-Cursusdienst, 2005, 14.
[90] K.GEENS, Vennootschapsrecht, 15.
[91] A.NIJS, A.VAN ZANTBEEK en A.VERBEKE, o.c., Tijdschrift voor estate planning, 2006-1, 34.
[92] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 768.
[93] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 766.
[94] A.NIJS, A.VAN ZANTBEEK en A.VERBEKE, o.c., Tijdschrift voor estate planning, 2006-1, 34.
[95] A.NIJS, A.VAN ZANTBEEK en A.VERBEKE, o.c., Tijdschrift voor estate planning, 2006-1, 34.
[96] K.GEENS, Vennootschapsrecht., 15.
[97] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 771.
[98] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 772.
[99] Ibid., 773.
[100] Ibid., 773.
[101] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R  15 juni 2000, 610.
[102] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R  15 juni 2000, 614.
[103] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R  15 juni 2000, 614.
[104] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R  15 juni 2000, 614.
[105] A.VAN OEVELEN,”de principiële onherroepelijkheid van de lastgeving van gemeenschappelijk belang”, R.W., 1996-97, 137-154.
[106] A.NIJS, A.VAN ZANTBEEK en A.VERBEKE, o.c., Tijdschrift voor estate planning, 2006-1, 35.
[107] D. ANECA, J. DEMAN, W. BLONDE, De burgerlijke vennootschap : een thuishaven voor uw vermogen, Kluwer, Mechelen, 27.
[108]Ibid..,27.
[109] Wet 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal, B.S. 30 juni 2005
[110] D. ANECA, J. DEMAN, W. BLONDE, o.c.,46.
[111] Wet 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal, B.S. 30 juni 2005; J.RUYSSEVELDT, “ inbrengrecht van 0,5% naar 0%, Nieuwsbrief registratierechten 2004-2005, 4/10.
[112] J.RUYSSEVELDT, o.c., Nieuwsbrief registratierechten 2004-2005, 4/10.
[113] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R 15 juni 2000, 618.
[114] Cfr. infra
[115] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R 15 juni 2000, 617.
[116] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R 15 juni 2000, 614.
[117] J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R 15 juni 2000, 618.
[118]Vb. Luik, 26 maart 1999, F.J.F., 99/190, 518-520; J.VANOVERBEKE, o.c., T.F.R 15 juni 2000, 618.
[119] E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids successierecht & -planning, 2002, 786.
[120] Bij de handgift kan art. 7 W.Succ nog roet in het eten gooien.