jura falconis, jg 40, 2003-2004, nr 1, p. 43-54

Nieuwe Genocidewet, nieuwe regels inzake rechtsmacht
Het actief en het passief personaliteitsbeginsel
Prof. Dr. Tom Vander Beken1
1. INLEIDING
In deze bijdrage wil ik bespreken wat er met de wet van 5 augustus 2003 veranderd is in de regelen inzake de nationaliteit van de daders en de slachtoffers ten opzichte van de vroegere regelingen. Uiteraard komt vooral de extraterritoriale toepassing van de wet aan bod, omdat net die in het verleden voor de meeste problemen gezorgd heeft, maar ook de interne toepassing van de strafwet komt aan bod, want ook daar zijn, zelfs voor het gemeen recht, enkele wijzigingen te noteren.
Het is ten zeerste de vraag of de rechtsmacht voor de bestraffing van de ernstige misdaden tegen het humanitair recht inderdaad zo sterk ingeperkt is. Ik zal de stelling verdedigen dat er op bepaalde punten zelfs een sterke uitbreiding gekomen is.
Vooreerst zal ik de visie van de (Belgische) politiek betreffende de extraterritoriale rechtsmacht toelichten. Daarna komt de vraag aan de orde of we er wel goed aan gedaan hebben de huidige uitzonderingswet te laten vallen voor een integratie in het gemeen strafrecht en strafprocesrecht. In een derde en vierde luik belicht ik dan in detail de nieuwe principes van het actief resp. passief personaliteitsbeginsel, eerst in het algemeen, dan in het bijzonder voor schendingen van het humanitair recht.
2. RECHTSMACHT EN (BELGISCHE) POLITIEK
2.1. België en de extraterritoriale rechtsmacht
Men moet steeds voor ogen houden dat het geen evidentie is een misdrijf strafbaar te stellen (en a fortiori: te bestraffen) buiten de landsgrenzen. De algemene regel is immers dat een misdrijf vervolgd wordt in het land waar het gepleegd is.
De traditionele opvatting van onze politici over de extraterritoriale rechtsmacht is er echter één die kan uitgedrukt worden in het gezegde: “Baat het niet, dan schaadt het niet”. De overtuiging schijnt te leven dat als men sommige dingen niet over de landsgrenzen heen strafbaar stelt, men het misdrijf niet au sérieux neemt. Men doet dan liever wat meer dan wat men volgens het verdragsrecht zou moeten doen.
Inderdaad zijn er talloze verdragen die de partijen ertoe aanzetten of zelfs verplichten extraterritoriale rechtsmacht te vestigen als oplossing voor bepaalde vormen van internationale criminaliteit. Een typevoorbeeld is het Terrorismeverdrag van de Raad van Europa. Maar deze rechtsmacht ging nooit echt heel erg ver.
Ons land ging altijd een stap verder dan het eigenlijk moest. Wij stellen enkele misdrijven strafbaar die niet noodzakelijk een sterke band hebben met België. Vaak volstaat het dat de dader een Belg is, en onder de oude Genocidewet was zelfs dat niet nodig. Enkele voorbeelden zijn mensenhandel, kinderpornografie en corruptie.
2.2. Universele rechtsmacht
Het voordeel van een strafwet die universele rechtsmacht toekent, is zeker dat er over het probleem in kwestie gepraat wordt, dat het probleem op de internationale agenda komt. Toch is het praktisch heel moeilijk zo een wet aan te houden en consequent toe te passen. De recente geschiedenis is daar een mooi voorbeeld van.
De symboolwaarde van de Genocidewet met haar verregaande rechtsmachtclaims en grote macht voor de burgerlijke partij, hebben geleid tot enkele conflicten met andere landen, zoals uit de voorgaande bijdrage mocht blijken. In de zaken tegen Pinochet, Yerodia en Sharon is het nooit tot een eigenlijk strafproces gekomen, maar toch hebben zij bijgedragen tot de ondergang van deze verregaande wet.
Een universaliteitsbeginsel als criterium voor rechtsmacht is vaak dan ook problematisch, niet alleen als strafprocedures gestart worden tegen hoge politici, maar ook in de andere gevallen.
Over het algemeen kan gezegd worden dat universaliteit zeer moeilijk werkbaar is, en vaak zelfs een tegenovergesteld effect sorteert. Een klein land als het onze kan moeilijk volhouden dat, wanneer een zaak door onze strafgerechten behandeld wordt, dit per se betekent dat de andere landen zich er niet mee moeten bezig houden. Vooral ten opzichte van het land waar het misdrijf gepleegd is, is deze stelling moeilijk vol te houden, maar ook tegen andere derde-landen, die in beginsel even veel of even weinig recht hebben om deze misdrijven te vervolgen.
Daarnaast heeft het universaliteitsbeginsel als pervers effect dat, wanneer iedereen bevoegd is om een bepaald misdrijf te bestraffen, de kans reëel is dat uiteindelijk niemand het ook effectief doet. Wanneer elk land bevoegd is om een misdrijf te bestraffen, is de kans veel kleiner dat één bepaald land zich ook daadwerkelijk verplicht weet om een misdrijf te bestraffen, en is er veel minder kans dat er ook een bestraffing komt, dan in de situatie waarin alleen het land waarin het misdrijf gepleegd wordt, bevoegd is.
3. WEG MET DE WET, LEVE DE WET?
Op basis van de afgeschafte Genocidewet had ons land enkele zeer verregaande rechtsmachtclaims, die veel verder gingen dan de claims uit het gemeen strafrecht. De échte macht heeft zich echter tegen die rechtsmacht gekant. Een eerste oplossing voor de internationale druk was de wet van 19 april 2003, die al in een veel minder verregaande rechtsmacht voorzag. Maar zelfs die toegift werd door de internationale gemeenschap (lees: de Verenigde Staten) onvoldoende bevonden. Daarom werd de Genocidewet afgeschaft, en werden de regels inzake rechtsmacht voor ernstige schendingen van humanitair recht geïntegreerd in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering met de wet van 5 augustus 2003.
Volgens sommigen, waaronder ook de wetgever van 1993, dient een wet die ernstige en internationale misdrijven bestraft, een bijzondere wet te zijn, waarin mogelijke uitzonderingen op het gemeen strafrecht worden geformuleerd. Deze bijzondere wet is met de recentste wijzigingen afgeschaft. Niet alleen de symboolwaarde van deze wet is daardoor verdwenen, maar ook precies het grootste deel van haar uitzonderingskarakter. Er zijn nu nog alleen maar uitzonderingen indien de bepalingen van ons Strafwetboek en ons Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk in afwijkingen van het gemeen recht voorzien.
Wel voordelig is de groter wordende consistentie in ons strafrecht. Zo was in de zaak Sharon een grote discussie over de vraag of art. 12 V.T. Sv. al dan niet van toepassing was op de Genocidewet. Het Hof van Cassatie zei dat dat inderdaad zo was. Nu genocide en aanverwante misdrijven deel uitmaken van het gemeen strafrecht en strafprocesrecht, is zo een discussie niet meer mogelijk: het is duidelijk dat de verdachte in België moet gevonden worden vooraleer men hem kan vervolgen.
4. ACTIEF PERSONALITEITSBEGINSEL
Bij het actief personaliteitsbeginsel kijkt men naar de eigen onderdanen als daders, en is de vraag aan de orde of zij ook kunnen vervolgd worden voor misdrijven die zij in het buitenland plegen. In essentie zijn de algemene regelen uit art. 6 V.T. Sv. nu ook van toepassing op de schendingen van het humanitair recht.
4.1. Het gemene recht
Wat het actief personaliteitsbeginsel betreft, kende onze Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering een dubbel systeem. Voor enkele expliciet opgenoemde misdrijven (een misdaad of wanbedrijf tegen de veiligheid van de Staat, een misdaad of wanbedrijf tegen de openbare trouw, valsmunterij,…) was een Belg ook strafbaar indien hij dit feit pleegde in het buitenland2. Het vereiste van dubbele incriminatie moest hiervoor niet vervuld zijn, en ook moest voor de misdrijven gepleegd tegen vreemdelingen deze vordering niet voorafgegaan worden door een klacht van de benadeelde of zijn familie of een officieel bericht.
Voor alle andere misdaden en wanbedrijven (voor overtredingen is er dus geen actief personaliteitsbeginsel) kon vervolging in België van een door een Belg in het buitenland gepleegd misdrijf slechts wanneer deze feiten ook in het buitenland strafbaar gesteld werden3. Voor misdrijven die in het buitenland tegen vreemdelingen gepleegd werden, kwam daar nog de voorwaarde bij dat “… de vervolging slechts [kan] plaatshebben op vordering van het openbaar ministerie en moet zij bovendien voorafgegaan worden door een klacht van de benadeelde vreemdeling of van zijn familie ofwel door een officieel bericht, aan de Belgische overheid gegeven door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd.”4
4.2. Het gemene recht van toepassing op de schendingen van het humanitaire recht
Het nieuwe art. 6 V.T. Sv. luidt als volgt:
“Iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk kan in België vervolgd worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt:
1°) aan een misdaad of een wanbedrijf tegen de veiligheid van de Staat; 
1° bis) aan een ernstige schending van het internationaal humanitair recht, in boek II, titel I bis, van het Strafwetboek omschreven;
2°) (…)”
In het tweede en derde onderdeel gaat het voornamelijk om misdrijven tegen de openbare trouw en valsmunterij. Interessant zijn vooral de twee aangebrachte wijzigingen, die hierboven cursief aangebracht zijn. Het eerste wordt later besproken, het tweede voegt specifiek in het gemeen recht de misdrijven in die vroeger onder de Genocidewet vielen. De verschillende consequenties van deze verandering worden hieronder besproken.
4.3. Een onbeperkt beginsel
Aangezien de schendingen van het humanitair recht onder de exhaustieve lijst van art. 6 geplaatst worden, en niet onder art. 7 met zijn strengere toepassingsvoorwaarden, is de dubbele incriminatie niet vereist. Vervolging van deze ernstige schendingen in België is dus ook mogelijk indien een Belg een dergelijk misdrijf pleegt in een land waar dit niet strafbaar gesteld is.
De theoretische vraag kan nu gesteld worden wat onze wetgever als het aanknopingspunt beschouwde voor de toepassing van het actief personaliteitsbeginsel. Gaat het om een zakelijk beginsel, met de nadruk op de universaliteit van deze fundamenteel geachte regel, en op de bescherming van Belgen en vreemdelingen tegen dergelijke misdaden, zelfs als ze door een Belg begaan zijn, of gaat het eerder om een persoonlijk beginsel op basis van nationaliteit?
Er moet op gelet worden dat art. 6 niet alleen geldt voor schendingen van humanitair recht, maar ook voor valsmunterij en andere misdaden en wanbedrijven tegen de openbare trouw en de veiligheid van de Staat. Belgen kunnen ook vervolgd worden indien ze in het buitenland de Belgische, Europese of vreemde munt namaken, een misdrijf waar in beginsel de onderdanen van andere staten moeilijk het slachtoffer van kunnen worden. Het beschermingsbeginsel lijkt dan ook niet van toepassing. Het aanknopingspunt is dus de nationaliteit van de dader, zijnde de Belgische (al is ook die notie uitgebreid, zie hieronder).
4.4. Onderdanen en verblijfshouders
De aanhef van de artikelen 6 en 7 V.T. Sv. is ook gewijzigd: de woorden “Iedere Belg” zijn vervangen door de woorden “Iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk”. Voortaan is dus niet alleen de Belgische nationaliteit zelf een aanknopingspunt voor het actief personaliteitsbeginsel, maar volstaat het dat men in België zijn hoofdverblijfplaats heeft, ook al heeft men niet de Belgische nationaliteit.
Eigenlijk is deze regel een compensatie voor de weigering van het uitleveren van eigen onderdanen en verblijfshouders. Vroeger was het zo dat men enkel weigerde Belgen uit te leveren aan buitenlandse strafrechtsmachten. Men berechtte deze landgenoten dan zelf op basis van de Belgische wet. Later ging men ook weigeren verblijfshouders uit te leveren. Voor deze mensen ontstond dan een juridisch vacuüm, aangezien ze niet konden vervolgd worden op basis van de artikelen 6 en 7. De facto werden ze zo straffeloos. Met de huidige regeling werd die toestand rechtgezet.
Het is gezien de ratio van deze wijziging logisch dat de status van verblijfshouder niet bepaald moet worden op het ogenblik van het misdrijf zelf, maar op het ogenblik van het instellen van de strafvordering. Het is immers ook zo dat men zou weigeren iemand die als niet-verblijfhouder in het buitenland een misdrijf pleegde, maar later Belgisch verblijfhouder geworden is, uit te leveren.
Rest natuurlijk de vraag wie als verblijfshouder kan gezien worden en wie niet. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het hier vooral om een feitelijke situatie gaat, en dat niet het legaal verblijfhouderschap bedoeld is. Ook iemand die niet legaal in België verblijft, maar hier wel zijn feitelijke hoofdverblijfplaats heeft, zou niet uitgeleverd worden, en moet dan ook in België berecht worden.
Op te merken valt nog dat deze wijziging niet alleen relevant is voor de misdrijven die vroeger onder de Genocidewet vielen, maar van toepassing is op alle misdaden en wanbedrijven die onze rechtsorde kent.
4.5. Burgerlijke partijstelling?
Ook hier is het onderscheid tussen art. 6 en art. 7 V.T. Sv. relevant. Indien men de misdrijven die vroeger onder de Genocidewet vielen, onder art. 7 zou geplaatst hebben, zou burgerlijke partijstelling niet mogelijk geweest zijn. Bovendien geldt ook die andere voorwaarde uit art. 7 niet: voor dat artikel zou een onderscheid gemaakt moeten worden tussen misdrijven in het buitenland tegen een Belg gepleegd en misdrijven in het buitenland door een vreemdeling gepleegd. In het laatste geval zou de vordering alleen kunnen ingesteld worden door het Openbaar Ministerie, en dan nog slechts op klacht van de benadeelde of zijn familie of na officieel bericht.
Art. 7 is eigenlijk het gemeen recht, en art. 6 is de uitzondering. Aangezien de misdrijven tegen het humanitair recht onder de uitzonderingsbepaling vallen, zijn de bovengenoemde voorwaarden niet van toepassing, en is een klacht met burgerlijke partijstelling steeds mogelijk indien het feit door een Belg in het buitenland gepleegd is, ongeacht de nationaliteit van het slachtoffer.
Op te merken valt dat in de misdrijven die vroeger in art. 6 V.T.Sv. stonden, er moeilijk sprake kon zijn van “slachtoffers”, aangezien het om misdrijven tegen de Staat ging.
4.6. Moet de verdachte in België gevonden worden?
In principe stelt art. 12 V.T.Sv. dat de vervolging van misdrijven alleen kan plaatshebben indien de verdachte in België gevonden wordt. Maar het artikel stelt zelf enkele uitzonderingen, en de misdrijven bedoeld in art. 6 staan daar bij.
Indien de feiten door een Belg zijn gepleegd in het buitenland, kan de vervolging dus plaatshebben zonder dat de verdachte in België gevonden wordt!
4.7. Besluit: een ruime (actieve) rechtsmachtclaim
Wat het actief personaliteitsbeginsel betreft, gaan de nieuwe regels inzake de bestraffing van ernstige misdrijven tegen het humanitair recht zeer ver. Wanneer een Belg of een verblijfhouder in het buitenland een dergelijk misdrijf pleegt, is hij in België strafbaar, ook al worden de feiten in het land in kwestie niet strafbaar gesteld. De vervolging kan ingesteld worden door het Openbaar Ministerie én door het slachtoffer met een burgerlijke partijstelling, en zonder dat eerst een klacht of een officieel bericht noodzakelijk is. Dit alles kan zelfs zonder dat de verdachte in België gevonden wordt.
5. PASSIEF PERSONALITEITSBEGINSEL
In het vorige onderdeel werd gekeken naar de bevoegdheid wanneer de dader een Belg is, hier is de vraag aan de orde wat er gebeurt wanneer de dader Belg noch verblijfhouder is. Deze vraag is maar relevant voor enkele zeer ernstige misdrijven, zoals kinderprostitutie, terrorisme en misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, en voor misdrijven waarbij het slachtoffer een Belg is. In sommige gevallen de Belgische strafrechter bevoegd, ook al is het feit in het buitenland gepleegd door een buitenlander. Ook op dit punt werden de vroegere principes uit de Genocidewet vervangen door gemeenrechtelijke bepalingen die voor het grootste deel van overeenkomstige toepassing verklaard zijn.
5.1. Het gemene recht
Het passief personaliteitsbeginsel maakt eigenlijk een nog verdere claim uit op extraterritoriale rechtsmacht, aangezien de band met ons land nog minder evident is. Logischerwijze moeten de vereisten voor toepassing van dit beginsel dan ook nog strenger zijn dan voor het actief personaliteitsbeginsel.
Krachtens art. 10 V.T.Sv. kan een vreemdeling in België vervolgd worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan (onder andere) misdaden of wanbedrijven tegen de Belgische Staat, valsmunterij en andere misdrijven tegen de openbare trouw (de misdrijven bedoeld in de artikelen 6, 2° en 6, 3° V.T. Sv.), en bepaalde misdrijven gepleegd in oorlogstijd tegen een onderdaan van een bondgenoot.
Art. 10, 5° bepaalt ook dat elke vreemdeling in België vervolgd kan worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt “aan een misdaad tegen een Belgisch onderdaan, indien het feit strafbaar is krachtens de wetgeving van het land waar het gepleegd werd met een straf waarvan het maximum vijf jaar vrijheidsberoving overtreft.”
Uit de vorige bepaling blijkt al dat de bepalingen inzake passief personaliteitsbeginsel inderdaad strenger zijn: hier moet het gaan om feiten die wij als misdaad kwalificeren, en die in het land in kwestie ook strafbaar zijn met straffen die wij alleen op misdaden kleven.
Art. 10 bis stelt roept een zeer verregaande passieve personaliteitsregel voor militairen in het leven. Art. 10 ter doet hetzelfde voor misdrijven als bederf van de jeugd, prostitutie, en aanranding van de eerbaarheid. Art. 10 quater herhaalt deze strenge regel voor bepaalde gevallen van witteboordencriminaliteit, zij het dat hier vaak een officieel bericht nodig is.
In de meeste gevallen geldt ook hier echter art. 12 V.T.Sv., dat stelt dat de dader in België gevonden moet worden. Ook hier zijn in de aanhef van dat artikel echter uitzonderingen voorzien, zoals de misdrijven tegen de openbare veiligheid.
5.2. Het gemene recht van toepassing op schendingen van het humanitaire recht
Het nieuwe artikel 10 luidt als volgt:
"Een vreemdeling, behoudens deze genoemd in de artikelen 6 en 7, § 1, kan in België vervolgd worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt:
1°) aan een misdrijf bepaald in de artikelen 246 tot 249 van het Strafwetboek;
1° bis) aan een ernstige schending van het internationaal humanitair recht, in boek II, titel I bis van het Strafwetboek omschreven, gepleegd tegen een persoon die, op het moment van de feiten, een Belgische onderdaan is of een persoon die sinds minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijft. (…)”
(Het vervolg van nummer 1° bis betreft de te volgen procedure, die later besproken wordt).
Ook hier vallen twee wijzigingen op. De aanhef werd gewijzigd om het onderscheid met het actief personaliteitsbeginsel duidelijk te houden. In punt 4.4 werd namelijk gesteld dat verblijfshouders nu ook onder het actief personaliteitsbeginsel vallen. De gewijzigde aanhef van art. 10 maakt duidelijk dat deze categorie niet meer onder het passief personaliteitsbeginsel valt.
De tweede wijziging komt neer op een invoeging van het passieve personaliteitsbeginsel uit de Genocidewet, zij het sterk gewijzigd, in het gemene strafrecht. Onder de vroegere regeling waren dergelijke misdaden onbeperkt strafbaar, zelfs indien er geen Belg bij de slachtoffers of daders was, en werd zelfs geen rekening gehouden met immuniteiten. Nu geldt een minder verregaande regeling. Indien de ernstige schending van het humanitair recht gepleegd wordt in het buitenland, door iemand die geen Belg is en geen verblijfshouder, is vervolging in België alleen mogelijk indien het slachtoffer een Belg is of onder een specifiek omschreven categorie van verblijfshouders valt. En zelfs in dat geval geldt nog een ingewikkelde procedure van onttrekking (zie verder).
5.3. Gepleegd tegen onderdanen of sommige verblijfshouders
Het passief personaliteitsbeginsel voor de vervolging van ernstige schendingen van het humanitair recht is beperkt. Een vreemdeling kan voor een dergelijk feit, gepleegd in het buitenland, enkel gestraft worden in ons land, indien het slachtoffer een Belg is of een persoon die minstens drie jaar effectief, gewoonlijk of wettelijk in België verblijft.
In tegenstelling tot het actief personaliteitsbeginsel (waar naar de “nationaliteit” van de dader gekeken werd), moet het hier gaan over iemand die legaal in ons land verblijft. Bovendien moet hij hier al drie jaar legaal verblijven. De Memorie van Toelichting maakt duidelijk dat het om een onafgebroken periode van drie jaar moet gaan. Een kort verblijf in het buitenland kan door de vingers gezien worden, maar in geen geval mag men de drie jaar bereiken door een optelling van een aantal korte verblijven.
Een dergelijke constructie is, zeker aan de kant van de slachtoffers, uniek in de wereld. Een Nederlands expert terzake André Klip heeft dit nog nergens gezien. Aan de kant van de dader komt een dergelijk systeem wel voor, met name in Scandinavië.
5.4. Geen dubbele incriminatie vereist
Bepaalde onderdelen van art. 10 vereisen een dubbele incriminatie. Als voorbeeld werd in punt 5.1 de zeer specifieke dubbele incriminatie uit art. 10, 5° gegeven.
Art. 10, 1° bis stelt hierover echter geen enkele voorwaarde, zodat vervolging van een vreemde dader ook mogelijk is voor een ernstige schending van het internationaal humanitair recht tegen een Belg of de beschreven legale verblijfshouder, indien het feit in het land waar het misdrijf gepleegd is, niet strafbaar is.
5.5. Enkel op vordering van de federale procureur
Misdrijven die in ons land strafbaar zijn op grond van het actief personaliteitsbeginsel, kunnen aanhangig gemaakt worden door het Openbaar Ministerie of door de burgerlijke partij (zie hierboven). Voor misdrijven die slechts op grond van het passief personaliteitsbeginsel strafbaar zijn, gelden veel strengere regels, uitvoerig beschreven in art. 10, 1° bis.
Hier is een burgerlijke partijstelling als beginpunt van de vervolging onmogelijk. Alleen het parket kan de strafvervolging starten, en dan nog slechts één hooggeplaatst ambtenaar, zijnde de federale procureur. Deze hele regeling wijkt sterk af van de vroegere procedure.
Wie iemand vervolgt wenst te zien voor de misdrijven die vroeger onder de Genocidewet vielen, moet zich met zijn klachten wenden tot de federale procureur. Hij beoordeelt deze klachten, en de vervolging, met inbegrip van het onderzoek, kan slechts plaatsgrijpen op zijn vordering. Tegen zijn beslissing bestaat geen verhaalsmogelijkheid.
In principe vordert de federale procureur dat de onderzoeksrechter naar deze klacht een onderzoek instelt, behalve in vier gevallen:
1° indien de klacht kennelijk niet gegrond is;
2° indien de feiten bedoeld in de klacht niet overeenstemmen met een kwalificatie van de misdrijven bedoeld in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek;
3° indien uit deze klacht geen ontvankelijke strafvordering kan volgen;
4° of indien uit de concrete omstandigheden van de zaak blijkt dat deze zaak, in het belang van een goede rechtsbedeling en met eerbiediging van de internationale verplichtingen van België, aanhangig zou moeten worden gemaakt hetzij bij de internationale rechtscolleges, hetzij voor een rechtscollege van de plaats waar de feiten zijn gepleegd, hetzij voor een rechtscollege van de staat waarvan de dader een onderdaan is of van de plaats waar hij kan worden gevonden.
In het laatste geval kan hij de klacht maar afwijzen indien dit rechtscollege de kenmerken van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en billijkheid vertoont. Dat laatste kan onder meer blijken uit de relevante internationale verbintenissen waardoor België en deze Staat gebonden zijn. De idee is dat we een zaak enkel mogen doorverwijzen naar een land waarvan we de garantie hebben dat het voor een eerlijk proces zal zorgen. Om discussies hierover te vermijden moeten we rekening houden met de verdragen die we dienaangaande afgesloten hebben. Te denken valt aan het NAVO-verdrag, het Terrorismeverdrag van de Raad van Europa, het Europees uitleveringsverdrag,… De wet verplicht ons dus eigenlijk om de processen in een lidstaat van de NAVO als eerlijk te beschouwen.
Indien de federale procureur een zaak seponeert, deelt hij dit mee aan de Minister van Justitie, met aanduiding van de punten waarop deze seponering gebaseerd is.
Indien de seponering alleen gestoeld is op de bovenvermelde punten 3° en 4°, of alleen op het bovenvermelde punt 4°, en betrekking heeft op feiten gepleegd na 30 juni 2002, brengt de minister van Justitie het Internationaal Strafhof op de hoogte van deze feiten.
5.6. De verdachte moet niet in België gevonden worden
Artikel 12 V.T. Sv. bepaalt sinds de wet van 5 augustus 2003 zelf dat het niet van toepassing is op de gevallen bedoeld in (onder meer) art. 10, 1° bis. Net zoals bij het actief personaliteitsbeginsel is het dus niet nodig dat de verdachte in België gevonden wordt om de vervolging te kunnen starten.
5.7. Het beste van het slechtste?
Dietrich Oehler noemde het passief personaliteitsbeginsel het slechteste aller Prinzipien. Het is namelijk een wantrouwensbeginsel, dat niet getuigt van veel geloof in de kwaliteit van het rechtssysteem van het betrokken land.
In ons land werd dit beginsel pas in 1985 ingevoerd naar aanleiding van een concrete zaak (Belgen werden in onze ex-kolonie vermoord, de dader werd in Brussel gevonden, maar we konden hem op basis van de toenmalige wetgeving niet vervolgen), en vele landen kennen het beginsel zelfs helemaal niet.
Toch wordt dit beginsel almaar populairder. Na de recentste wijzigingen is het beginsel zelfs uitgebreid naar verblijfshouders, zij het, zoals gezegd, slechts de legale verblijfshouders. Ook het feit dat de verdachte niet in België gevonden moet worden, is een uitbreiding. Een belangrijke beperking ten opzichte van vroeger is wel dat deze vordering niet meer kan ingesteld worden door de burgerlijke partij.
Het lijkt paradoxaal dat voor deze zeer zware misdrijven de mogelijkheden van het slachtoffer om de strafvordering op gang te brengen, veel beperkter zijn dan voor de gemeenrechtelijke misdrijven, waar de gewone regels gelden. De Raad van State merkte hier in haar advies inderdaad een ongelijke behandeling op, maar in de Memorie van Toelichting wist de regering daarop te antwoorden dat het beginsel op andere vlakken verder gaat dan het gemeen recht.
6. BESLUIT
De afschaffing van de genocidewet en de opname van de misdrijven in kwestie in het gemeen recht hebben tot gevolg gehad dat de rechtsmachtregels ook voor de andere misdrijven veranderd zijn. Het actief personaliteitsbeginsel is enorm uitgebreid en heeft nu enkele zeer verregaande aanspraken. Het passief personaliteitsbeginsel heeft men vooral willen beperken, maar deels is er ook daar een uitbreiding gekomen. Maar een echt universaliteitsbeginsel kent ons strafrecht nu niet meer.

1 De auteur is docent strafrecht aan de U. Gent. Deze bijdrage is een uitgetypte versie van de uiteenzetting die professor Vander Beken gaf tijdens de studiedag van 3 oktober 2003.
2 Art. 6 V.T.Sv.
3 Art. 7 § 1 V.T.Sv.
4 Art. 7 § 2 V.T.Sv.
Jura Falconis Jg. 40, 2003-2004, nummer 1 43