jura falconis, jg 39, 2002-2003, nr 3, p. 337-377
Proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel
Marijn Van Nooten
Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. Dr. F. Hutsebaut en Prof. Dr. R. Verstraeten
Inleiding
Bij het doornemen van een strafdossier stelt men vast dat deze hoofdzakelijk samengesteld is uit processen-verbaal.[1] Wat stellen deze processen-verbaal eigenlijk voor? Welke functie vertolken ze in het strafproces?
De wet zelf geeft er geen begripsomschrijving van. Uit verscheidene artikelen van het Wetboek van Strafvordering[2], alsook uit artikel 15, 4° Wet Politieambt, valt wel af te leiden dat processen-verbaal officiële, schriftelijke akten zijn van wettelijk bevoegde officieren of agenten van gerechtelijke politie, die betreffende het bewijzen en het opsporen van misdrijven en hun daders, een chronologisch, nauwkeurig en objectief relaas bevatten van eigen vaststellingen en opsporingen, afgelegde verklaringen en bekomen inlichtingen.[3] Naar de vorm zijn het authentieke akten.[4]
Het doel van de processen-verbaal is zodus de bewijslevering.[5] De verbalisant zoekt, verzamelt en bewaart informatie betreffende misdrijven en hun daders, en geeft die door aan het bevoegde openbaar ministerie, die over een waaier aan mogelijkheden beschikt. Zo kan het parket seponeren, opteren voor een V.S.B.G. of voor een strafbemiddeling, een gerechtelijk onderzoek vorderen, rechtstreeks dagvaarden, enz… Het is uiteindelijk voor de rechtbank dat de processen-verbaal een centrale rol gaan spelen als bewijsmiddelen, aangezien de vonnisrechter minder en minder de verbalisanten en de getuigen opnieuw ter terechtzitting verhoort. De behandeling en beoordeling van een strafzaak hangt bijgevolg in ruime mate af van de nauwkeurigheid, de volledigheid en de betrouwbaarheid van de processen-verbaal.
Hoewel een proces-verbaal dus duidelijk een belangrijke functie als bewijsmiddel vertolkt in een strafproces, mag men toch niet uit het oog verliezen dat het Belgische strafprocesrecht gekenmerkt wordt door het beginsel van de vrije bewijslevering (art. 154, lid 1 Sv). Er wordt geen wettelijk, eventueel hiërarchisch, stelsel van bewijsmiddelen aan de rechter opgedrongen.[6] Uitgezonderd de gevallen waarin de wet op beperkende wijze een bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, mag het bewijs of het tegenbewijs i.v.m. een strafbaar feit worden geleverd via alle bewijsmiddelen. Zelfs wanneer de in het kader van bepaalde misdrijven specifiek zekere bewijsmiddelen vooropstelt, sluit dit nog niet uit dat het bewijs van het misdrijf ook via alle andere elementen kan worden geleverd.[7] De meest gebruikte bewijsmiddelen in strafzaken zijn zo de processen-verbaal (van vaststelling), de bekentenissen afgelegd door de beklaagde, de verklaringen van partijen en getuigen, de feitelijke vermoedens, het deskundigenonderzoek, de maatregelen inzake telecommunicatie, het onderzoek aan het lichaam en het plaatsbezoek. Uiteraard zullen vele van deze bewijsmiddelen zelf onder de vorm van een proces-verbaal aan de rechter worden voorgelegd.[8]
De mate waarin de rechter gebonden is door deze verschillende bewijselementen behelst de vraag naar de bewijskracht en de bewijswaarde van deze stukken. Deze termen worden vaak door elkaar gebruikt. Het is echter van belang om de twee begrippen goed onderscheiden te houden.
De bewijskracht (“la foi due à l’acte”) duidt op de bindende kracht van datgene wat in een bepaalde akte is vastgelegd en is gehecht aan elk document van het strafdossier, ongeacht de bewijswaarde van dat stuk. De rechter mag de termen van de akte niet miskennen. Hij moet de akte interpreteren op een wijze die verenigbaar is met de bewoordingen ervan.[9]
De bewijswaarde daarentegen kan worden omschreven als de geloofwaardigheid, het vertrouwen, het krediet, de ernst die de rechter aan dit element wil of moet toekennen, de mate van geloof die hij eraan wil of moet hechten, in relatie tot datgene wat te bewijzen valt.[10] In beginsel beoordeelt de rechter volkomen vrij, d.i. op onaantastbare wijze, (in feite) de bewijswaarde die hij aan een bepaald bewijselement toekent. Dit geldt derhalve eveneens voor de processen-verbaal. Zij hebben in beginsel slechts de waarde van een gewone inlichting. Ook op het vlak van de bewijswaardering bestaat er zodoende geen hiërarchie welke zich aan de rechter zou opdringen. Zo kan een rechter op regelmatige wijze een getuigenverklaring verkiezen boven een geschrift.
Dit stelsel van vrije bewijswaardering wordt echter in sommige gevallen ingeperkt. Naast de prejudiciële vragen en geschillen, zijn het vooral de processen-verbaal met een bijzondere (of wettelijke- want toegekend door de wetgever) bewijswaarde die de vrije beoordeling door de rechter opheffen.
De juridische grondslag voor deze processen-verbaal is te vinden in artikel 154, tweede lid Sv.. Er moet echter onmiddellijk worden opgemerkt dat dit artikel niet duidelijk is opgesteld. De tekst doet immers de indruk ontstaan dat principieel elk proces-verbaal waaraan geen waarde tot betichting van valsheid is gehecht, een (wettelijke) bewijswaarde zou bezitten tot bewijs van het tegendeel. Dit was ook de aanvankelijk heersende interpretatie. Elk regelmatig en door een bevoegd persoon opgesteld proces-verbaal bezat bewijswaarde ofwel tot inschrijving van valsheid, ofwel tot bewijs van het tegendeel. Er bestonden dus, wat de bewijswaarde althans betreft, in deze opvatting slechts twee soorten processen-verbaal.[11]
De rechtspraak en de rechtsleer hebben evenwel vrij snel de regel van artikel 154, tweede lid Sv. anders geïnterpreteerd. Het artikel vermeldt volgens hen twee soorten processen-verbaal die een wettelijk vastgelegde bewijswaarde bezitten en die bijgevolg een uitzondering vormen op de regel dat de inhoud van een proces-verbaal voor de rechter louter de waarde van een inlichting heeft. Zodoende bestaan er tegenwoordig drie soorten processen-verbaal: processen-verbaal die voor de rechter de waarde hebben van een inlichting (wat de regel is), processen-verbaal die een bewijswaarde bezitten tot bewijs van het tegendeel en processen-verbaal die bekleed zijn met een bewijswaarde tot inschrijving wegens valsheid.[12] Deze interpretatie sluit trouwens het best aan bij het wezen van ons stelsel van bewijsrecht zelf en verhindert de robotisering van de rechterlijke functie.[13] Het Hof van Cassatie heeft het bestaan van de drie soorten processen-verbaal reeds erkend in een arrest van 26 april 1926.[14]
Omwille van de onduidelijke tekst van de wet heeft het bewijswaardestelsel voor processen-verbaal derhalve voornamelijk een jurisprudentiële en doctrinale oorsprong.
Dit werk beperkt zich tot de tweede groep, m.n. de processen-verbaal (met bewijswaarde) tot bewijs van het tegendeel. Artikel 154 Sv. spreekt echter ook van ‘verslagen’. Waarin ligt het verschil met een proces-verbaal? Een verbalisant stelt een ‘proces-verbaal’ op wanneer hij rapporteert op eigen vaststelling en doet ‘verslag’ wanneer hij kennis krijgt van een misdrijf op een andere wijze. Een verslag is dus geenszins datgene dat door een onbevoegd persoon wordt uitgebracht aan zijn chef, maar wel datgene dat door een ontvangende bevoegde persoon wordt opgesteld ten behoeve van de bevoegde gerechtelijke overheid. Enerzijds is een proces-verbaal trouwens in wezen een (schriftelijk) verslag; anderzijds is een verslag eveneens een proces-verbaal, aangezien het een vaststelling is van (de mededeling van) inlichtingen, afgelegde verklaringen, door ondergeschikten uitgebrachte rapporten, enz…[15] Daarom zal de verdere bespreking van de bijzondere bewijswaarde (tot bewijs van het tegendeel) evenzeer gelden voor de verslagen bedoeld in artikel 154 Sv..
Wat is nu het principe van een proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel? In zulk geval is de rechter verplicht de vaststellingen en bevestigingen van de opsteller van het proces-verbaal voor waar aan te nemen tenzij het tegenovergestelde bewezen wordt. Hij kan dan niet de inhoud van het proces-verbaal naast zich neerleggen, het eenvoudig tegenspreken of in twijfel trekken. Het tegenbewijs moét geleverd zijn. De bewijslast wordt m.a.w. verlegd van het openbaar ministerie naar de beklaagde.[16]
Dat een proces-verbaal met zulke bijzondere bewijswaarde is bekleed, betekent echter niet dat het misdrijf uitsluitend op die manier kan worden bewezen. Dergelijk proces-verbaal is immers geen exclusief bijzonder rechtsmiddel voor de vaststelling van dat specifieke misdrijf. Het bewijs mag, overeenkomstig het beginsel van de vrije bewijslevering, met alle middelen van recht worden geleverd. Het belet het openbaar ministerie evenmin om, in geval van onvolledig bewijs, aanvullende bewijsmiddelen, zoals o.a. getuigen, voor te brengen. Door het toekennen van bijzondere bewijswaarde aan processen-verbaal heeft de wetgever in feite slechts een bevoorrechte getuigenis (nl. die van de verbalisant) doen ontstaan die de appreciatiemogelijkheid van de rechter beperkt.[17]
Zulke toestanden zijn echter niet aan te bevelen aangezien zij de negatie vormen van de rechtersfunctie. Zij doen de rechter a.h.w. afhangen van de politieman. Toch kunnen processen-verbaal met een bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel verantwoording vinden als men de ratio legis van dergelijke processen-verbaal indachtig houdt. De wetgever heeft immers aan de moeilijke bewijsbaarheid van sommige misdrijven willen verhelpen door een bijzondere bewijswaarde aan de materiële vaststelling van deze feiten te hechten. Sommige misdrijven kunnen vrijwel onmogelijk met de gewone bewijsmiddelen worden aangetoond, hetzij omdat er bij dergelijke misdrijven meestal geen getuigen aanwezig zijn, hetzij omdat het misdrijf geen sporen nalaat, hetzij omdat het misdrijf het publiek zo onverschillig laat dat de opsporingsagenten geen medewerking moeten verwachten van die kant bij het verzamelen van bewijselementen.[18] Een sprekend voorbeeld hiervan vormen de verkeersovertredingen, die meestal ‘in de vlucht’ worden begaan en waarbij de vaststelling bemoeilijkt wordt door de mobiliteit van het voertuig waarmee de inbreuk wordt begaan.
De bijzondere bewijswaarde hangt bijgevolg in wezen niet af van de hoedanigheid van de verbalisant, maar wel van de aard van het vastgestelde misdrijf en de daarmee samenhangende bewijsmoeilijkheden. Vanuit dat opzicht kan het bestaan van een bijzondere bewijswaarde gerechtvaardigd worden.[19] Bovendien hebben de officieren van gerechtelijke politie bij hun ambtsaanvaarding de eed afgelegd, waardoor aan hun vaststellingen een groter geloof kan worden gehecht dan aan die van een gewone burger.[20]
Vooreerst zullen we in dit werk de verschillende bestaansvoorwaarden voor de wettelijke bewijswaarde onderzoeken. Hierbij zal nagekeken worden welke processen-verbaal bewijswaarde hebben tot bewijs van het tegendeel en welke vormvereisten hiertoe vereist zijn.
Vervolgens stellen we ons de vraag of de gehele inhoud van het proces-verbaal bewijswaarde bezit tot bewijs van het tegendeel, dan wel of daarentegen deze bijzondere bewijswaarde beperkt blijft tot enkele elementen van het betreffende proces-verbaal.
In een volgend hoofdstuk komt het tegenbewijs aan bod. Wie moet dit tegenbewijs leveren en welke middelen kan men hiervoor gebruiken? Welke rol speelt de rechter hierbij en hoe gaat hij de aangevoerde middelen beoordelen? Ook de al dan niet verenigbaarheid met het E.V.R.M. wordt hier onderzocht. We bekijken eveneens het geval waarbij de verbalisant persoonlijk betrokken is bij de vastgestelde feiten. Welke invloed heeft dit op de bewijswaarde van het door hem opgestelde proces-verbaal?
Verder werpen we een blik over de landsgrenzen om te zien hoe de bewijswaarde van processen-verbaal in Frankrijk en in Nederland geregeld wordt.
Als besluit evalueren we tenslotte het Belgische systeem en zullen we enkele algemene bedenkingen formuleren. Ook doorheen de tekst wordt de huidige regeling op verscheidene plaatsen bekritiseerd en worden verschillende standpunten naar voor gebracht.
1 Bestaansvoorwaarden voor de wettelijke bewijswaarde
We kunnen vier bestaansvoorwaarden onderscheiden. Ten eerste moet het proces-verbaal zijn opgesteld door een persoon aan wie de wet uitdrukkelijk de opdracht heeft gegeven om welbepaalde misdrijven vast te stellen. Ten tweede moet het proces-verbaal aan bepaalde vormvereisten voldoen. Niet alleen de geldigheid van het proces-verbaal hangt hiervan af, maar eveneens de vraag of deze akte al dan niet de bijzondere bewijswaarde zal bezitten. Ten derde zal veelal vereist zijn dat een afschrift van het proces-verbaal binnen een bepaalde termijn aan de overtreder wordt toegezonden. Tenslotte dient ook de vaststelling van de inbreuk zelf op een regelmatige manier te gebeuren.
1.1. Wettelijke opdracht tot vaststelling van bepaalde misdrijven
Welke processen-verbaal komen nu in aanmerking voor de bijzondere bewijswaarde? Eerst moeten er enkele voorafgaande bemerkingen worden gemaakt.
Zoals in de Inleiding reeds is vermeld, heeft de wetgever de moeilijke bewijsbaarheid van sommige misdrijven willen verhelpen door een bijzondere waarde te hechten aan de materiële ‘vaststelling’ van die feiten. De bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel geldt derhalve slechts voor het proces-verbaal van vaststelling van de overtreding zelf, en niét voor later verstrekte gegevens.[21] Daarom ook zullen de verbalisanten alle of zoveel mogelijk elementen in het aanvankelijk proces-verbaal vermelden in plaats van in de navolgende of aanvullende processen-verbaal.[22] Deze laatste zijn processen-verbaal die worden opgesteld in reeds opgestarte onderzoeken en kunnen nooit de bijzondere bewijswaarde bezitten. Het aanvankelijk proces-verbaal daarentegen dient om aan het gerecht nieuwe misdrijven of feiten kenbaar te maken. Niet enkel de materiële inbreuk op zich wordt hierin opgenomen, maar ook de omstandigheden waarin het gebeurde, enz… Dit kan belangrijk zijn, aangezien enkele van deze bijkomende elementen eveneens bewijswaarde zullen hebben tot bewijs van het tegendeel. (cf. infra)
De bijzondere bewijswaarde is dus gehecht aan het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk. Maar om welke inbreuken in het algemeen kan het gaan? Moet men met name een onderscheid maken naargelang het gaat om de vaststelling van overtredingen, van wanbedrijven dan wel van misdaden? Artikel 189 Sv. zegt dat “het bewijs van de wanbedrijven wordt geleverd op de wijze als bepaald voor de overtredingen”. Wat de bewijswaarde van een proces-verbaal betreft, wordt er dus geen onderscheid gemaakt tussen overtredingen en wanbedrijven. Men is het er wel over eens dat processen-verbaal betreffende de vaststelling van misdaden slechts kunnen gelden als inlichting. In criminele zaken heeft het proces-verbaal nooit meer bewijswaarde dan eender ander rechtsgeldig bewijsmiddel. Gecorrectionaliseerde misdaden worden ook hier ab initio als wanbedrijven beschouwd. Processen-verbaal kunnen met andere woorden slechts bewijswaarde hebben tot bewijs van het tegendeel voor wat betreft de vaststelling van politieovertredingen (m.i.v. de gecontraventionaliseerde wanbedrijven) en wanbedrijven (m.i.v. gecorrectionaliseerde misdaden).[23]
We kunnen zo opmerken dat het al dan niet kunnen bestaan van de bijzondere bewijswaarde niet zozeer afhangt van de aard (d.i. de wettelijke kwalificatie) van het vastgestelde misdrijf, dan wel van de rechtbank voor wie dergelijk proces-verbaal als bewijsmiddel wordt ingeroepen.
Voor de politierechtbank en de correctionele rechtbank kunnen er processen-verbaal worden voorgelegd met een bijzondere bewijswaarde.
Voor het Assisenhof daarentegen is het onderzoek essentieel mondeling. Artikel 342 Sv. toont aan dat de bewijswaarde van een proces-verbaal voor de jury slechts die van gewone inlichtingen is, ook wat de wanbedrijven en overtredingen betreft die, in geval van samenhang met een misdaad, eveneens aan hef Hof van Assisen worden voorgelegd.
De jeugdrechter is dan weer wel gehouden de bijzondere bewijswaarde te respecteren die aan bepaalde processen-verbaal is gehecht, en dit ongeacht de aard van het misdrijf. Zelfs een proces-verbaal ter vaststelling van een als misdaad omschreven feit kan voor de jeugdrechter bewijswaarde bezitten tot bewijs van het tegendeel.[24]
Voor de militaire gerechten zijn de regels van de gewone rechtspleging toepasselijk, tenzij een bijzondere wet in de inrichting van die jurisdicties heeft voorzien.[25] Bij afwezigheid dus van desbetreffende bepalingen in de militaire procedure zal de bewijswaarde van de processen-verbaal inzake vaststelling van misdrijven voor de krijgsgerechten dan ook bepaald worden door de regels van de gewone rechtspleging.
1.1.1. Combinatie aanwijzingsbeginsel en specialiteitsbeginsel
Aan welke processen-verbaal in concreto kleeft nu de bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel?
Meestal zal de wet zelf expressis verbis bepalen dat de processen-verbaal, opgesteld in het kader van die wet én door de daarin aangeduide personen, gelden tot bewijs van het tegendeel.[26] Deze hypothese stelt weinig problemen. De bijzondere bewijswaarde vloeit rechtstreeks voort uit de wettekst. Er moet echter even aandacht worden geschonken aan artikel 272 van de algemene wet inzake douane en accijnzen. Het woordgebruik van dit artikel kan voor enige verwarring zorgen. De tekst luidt: “De processen-verbaal van de ambtenaren […] verdienen volle geloof in rechten totdat de valsheid (fr.: ‘fausseté’) daarvan bewezen wordt.” De woorden ‘valsheid’ en ‘fausseté’ zijn echter als ‘onjuistheid’ te lezen, zodat ze een wettelijke bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel insluiten, en geen bewijswaarde tot inschrijving wegens valsheid! De voorgeschiedenis van de wet is indicatief in die zin. Rechtsleer en rechtspraak zijn overigens in dezelfde zin gevestigd.[27]
Maar zelfs wanneer de wet niet expliciet aangeeft dat de betrokken processen-verbaal een bijzondere bewijswaarde bezitten, dan nog kan zulks worden afgeleid uit de uitdrukkelijke opdracht aan bepaalde ambtenaren om specifieke inbreuken vast te stellen.[28]
De criteria voor de omlijning van de processen-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel vallen zodoende steeds uiteen in 2 beginselen, met name het aanwijzingsbeginsel enerzijds en het specialiteitsbeginsel anderzijds.
Het aanwijzingsbeginsel houdt in dat de bijzondere bewijswaarde gekoppeld wordt aan een directe wettelijke aanwijzing van bepaalde personen om wanbedrijven (incl. gecorrectionaliseerde misdaden) en overtredingen vast te stellen.[29] Deze directe aanwijzing (‘délégation légale directe’) staat zo tegenover de algemene opsporings- en vaststellingsbevoegdheid bij de uitoefening van de gerechtelijke politie. De aanwijzing van bepaalde ambtenaren om specifieke misdrijven vast te stellen doet echter geenszins afbreuk aan de algemene vaststellingsbevoegdheid van de officieren (en agenten) van gerechtelijke politie. Zelfs een exhaustief lijkende opsomming, zoals bijvoorbeeld deze in artikel 3 van het K.B. van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, sluit de bevoegdheid van deze officieren en agenten omtrent die misdrijven niet uit.[30] Er zal zich evenwel een onderscheid opdringen wat de bewijswaarde van de onderscheiden processen-verbaal betreft. Waar de processen-verbaal opgesteld door de aangewezen ambtenaren de bijzondere bewijswaarde bezitten, zullen de processen-verbaal opgesteld door officieren of agenten van gerechtelijke politie in het kader van hun algemene vaststellingsbevoegdheid enkel bewijswaarde hebben als inlichting. Het betreft dan immers processen-verbaal die wel regelmatig zijn opgesteld, maar die niet zijn opgesteld door personen die daartoe door de wet speciaal zijn aangewezen.
Eenzelfde besluit dringt zich op wanneer de wet, naast het aanwijzen van bijzondere ambtenaren, de zinsnede “onverminderd (of: behalve) de (ambts)bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie” bevat. [31] Het gaat hier dan niet om een directe, bijzondere aanwijzing, maar slechts om een onrechtstreekse aanwijzing van die officieren, waarbij hun algemene vaststellingsbevoegdheid enkel nog eens wordt bevestigd. De door hen opgestelde processen-verbaal zullen de bijzondere bewijswaarde ontberen.
Moeilijker wordt het wanneer de wet een rechtstreekse vaststellingsbevoegdheid toekent aan “de officieren van (de) gerechtelijke politie”.[32] In dit geval lijkt aan het vereiste van bijzondere aanwijzing te zijn voldaan en kan er aan de processen-verbaal van deze officieren van gerechtelijke politie m.i. wél wettelijke bewijswaarde toekomen.[33]
Kortweg: de bijzondere bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel kan enkel toekomen aan de processen-verbaal die zijn opgesteld door de in de wet specifiek aangeduide personen.
De bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel is bovendien gebonden aan de uitdrukkelijk toegewezen opdracht, zijnde het vaststellen van de in die specifieke wet opgesomde misdrijven. Wanneer de aangewezen personen daarnaast eveneens vaststellingen doen inzake inbreuken op andere wetten, zullen, voor wat de vaststelling van deze feiten betreft, de door hen opgestelde processen-verbaal slechts als inlichting gelden.[34]
Door de enkele toepassing van het aanwijzings- of delegatiebeginsel zouden de processen-verbaal die door de procureur des Konings, de onderzoeksrechter en de hulpofficieren van de procureur des Konings worden opgesteld inzake vaststelling van wanbedrijven, hetzij bij heterdaad, hetzij op verzoek van het hoofd des huizes, eveneens bewijswaarde hebben tot bewijs van het tegendeel.[35] Dit is echter niet meer het geval.
Rechtspraak en rechtsleer zijn doorheen de jaren geëvolueerd, waardoor de bijzondere vaststellingsaanwijzing niet meer het enige criterium is om uit te maken of een proces-verbaal al dan niet de bijzondere bewijswaarde bezit. Er is een tweede (cumulatief) criterium aan toegevoegd, met name het specialiteitsbeginsel.
Dit beginsel houdt in dat de processen-verbaal moeten zijn opgesteld ter vaststelling van zekere (bepaalde) bijzondere misdrijven (‘certaines infractions particulières’). Processen-verbaal ter vaststelling van misdrijven van gemeen recht (uit het Strafwetboek) kunnen nooit de bijzondere bewijswaarde bezitten en zullen enkel de waarde van een gewone inlichting hebben.
TRAEST meent dat dit standpunt een logisch uitvloeisel is van de ratio legis van de bijzondere bewijswaarde, met name het vergemakkelijken van de vaststelling van misdrijven die op de gewone wijze vrijwel onmogelijk zouden zijn vast te stellen en te bewijzen. De koppeling van de bewijswaarde aan de aard van de vastgestelde misdrijven is volgens hem bijgevolg onmiskenbaar.[36] Ik sluit me volledig bij deze stelling aan.
Een moeilijkheid wordt gesteld door artikel 16 Sv. Dit artikel handelt over de vaststelling van wanbedrijven en overtredingen “tegen land- en boseigendommen”. Er is hier m.i. wel degelijk voldaan aan het specialiteitsbeginsel waardoor de processen-verbaal opgesteld overeenkomstig artikel 16 Sv. bewijswaarde kunnen bezitten tot bewijs van het tegendeel.
Er moet wel worden opgemerkt dat niet alle auteurs de interpretatie-evolutie inzake bewijswaarde van processen-verbaal (tot bewijs van het tegendeel) bijtreden. Zo meent HOLSTERS dat het aanvaarden van het aanwijzingscriterium als enige criterium “het meest aan de letter en de geest van de ter zake in acht te nemen wetsbepalingen tegemoet [komt]”.[37]
Zowel met het aanwijzingsbeginsel áls met het specialiteitsbeginsel moet derhalve rekening worden gehouden bij de beoordeling van de bewijswaarde van een proces-verbaal.
Laten we nu enkele voorbeelden bekijken van zgn. “gemengde” processen-verbaal. Wanneer een boswachter een proces-verbaal opstelt ter zake van enerzijds een bosmisdrijf en anderzijds feiten die een gemeenrechtelijk misdrijf vormen (zoals smaad, opzettelijke slagen, enz…), behoudt dit proces-verbaal wettelijke bewijswaarde voor de vaststellingen inzake het bosmisdrijf maar geldt het slechts als eenvoudige inlichting voor de vaststelling van het gemeenrechtelijk misdrijf. Hetzelfde geldt voor het geval waarbij een politieagent proces-verbaal opstelt betreffende een verkeersongeval met gewonden.[38] Dit proces-verbaal behoudt wettelijke bewijswaarde voor de vaststellingen inzake de verkeersovertreding maar geldt daarentegen slechts als gewone inlichting voor de feiten van onopzettelijk toebrengen van verwondingen.
Merk echter op dat men in deze gevallen het specialiteitsbeginsel zelfs niet nodig heeft om tot deze oplossing te komen. Met de enkele toepassing van het aanwijzingsbeginsel verkrijgt men hetzelfde resultaat. De processen-verbaal van de ambtenaren hebben immers sowieso slechts bijzondere bewijswaarde voorzover de ambtenaren misdrijven vaststellen in het kader van die wet, m.a.w. voorzover zij de misdrijven vaststellen waarvoor zij uitdrukkelijk de bevoegdheid hebben verkregen.
1.1.2. Bevoegdheid van de deelstaten
Vóór de staatshervormingen was er nog geen sprake van een federaal België. Er waren nog geen deelstaten en de nationale wetgever was bijgevolg als enige bevoegd om aan bepaalde processen-verbaal bijzondere bewijswaarde toe te kennen.
Met de opeenvolgende staatshervormingen werden aan de deelstaten meer en meer materiële bevoegdheden toebedeeld. Meteen rees de vraag in welke mate de gemeenschappen en de gewesten in deze domeinen strafrechtelijke en/of strafprocesrechtelijke bevoegdheid bezaten.
  Artikel 12 van de Grondwet bepaalt dat niemand vervolgd kan worden dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Artikel 14 zegt dat geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. Een decreet is geen ‘wet’ in de zin van deze twee grondwetsartikelen. Een uitdrukkelijke wettelijke machtiging was zodoende vereist. Die wettelijke grondslag was terug te vinden in artikel 11 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen (hierna: B.W.H.I.). Maar deze bepaling voorzag enkel in een (beperkte) strafrechtelijke bevoegdheid voor de deelstaten. Zij mochten en konden dus op geen enkele wijze ingrijpen in de strafvordering. Het Arbitragehof zwakte dit principiële verbod evenwel wat af. Zo kon de decreetgever ambtenaren belasten met het toezicht over de door hen uitgevaardigde decreten en hen toestaan bepaalde bewarende maatregelen te nemen, zoals bijvoorbeeld de inbeslagname van stukken (tegen ontvangstbewijs).[39] Verder is het verwonderlijk dat het de decreetgever ook was toegestaan de verjaring van de strafvordering (niet van de straf!) te regelen. Het Arbitragehof oordeelde namelijk dat de bevoegdheid om feiten strafbaar te stellen eveneens de bevoegdheid impliceerde om vast te stellen hoe lang men deze feiten kon vervolgen.
De gemeenschappen en gewesten konden zo aanvankelijk geen bijzondere bewijswaarde toekennen aan processen-verbaal. De rechter is immers gebonden door dergelijke processen-verbaal. Hij kan er niet van afwijken zolang het tegenbewijs niet wordt geleverd. De deelstaten zouden op die manier ingrijpen in het strafproces, wat verboden was. Maar een proces-verbaal kan, zoals we gezien hebben, ook bijzondere bewijswaarde hebben zonder dat de wettekst dit uitdrukkelijk vermeldt, met name via de combinatie van het aanwijzings- en specialiteitsbeginsel. De vraag rijst dan of de decreten via deze weg tóch nog bijzondere bewijswaarde konden verlenen aan processen-verbaal. Ik meen echter dat deze ‘combinatie-methode’ enkel toepasbaar was op het federaal bijzonder strafrecht. Het zou anders voor de decreetgever al te gemakkelijk zijn om het verbod te omzeilen.
De strafprocesrechtelijke bevoegdheden voor de deelstaten werden in 1993 uitgebreid door aanpassing van artikel 11 B.W.H.I.. Sindsdien beschikken de deelstaten over de bevoegdheid om aan beëdigde ambtenaren de hoedanigheid van agent of officier toe te kennen, om de gevallen te bepalen waarin een huiszoeking kan plaatsvinden alsook om de bewijswaarde te regelen van processen-verbaal.[40]
Voortaan kan dus ook de decreetgever bijzondere bewijswaarde toekennen aan processen-verbaal betreffende inbreuken op hun decreten. Het belang van deze uitbreiding van strafprocesrechtelijke bevoegdheid is zeer groot. De steeds toenemende federalisering zorgt er immers voor dat meer en meer bevoegdheden worden overgeheveld naar de gemeenschappen en de gewesten. De deelstaten zullen zo in steeds meer domeinen invloed kunnen uitoefenen op de strafvordering.
1.1.3. Buitenlandse processen-verbaal
Welke bewijswaarde hebben nu de processen-verbaal die in het buitenland zijn opgesteld?[41] Het betreft hier zowel de door Belgische als door buitenlandse overheden opgestelde processen-verbaal.
Waar een Belgisch agent in de regel onbevoegd is om op het grondgebied van een vreemde staat vaststellingen te doen van een misdrijf, wordt hier ondermeer voor de consulaire ambtenaren een uitzondering op gemaakt.
Anderzijds kan een door een vreemd politieofficier (of een ander bevoegd persoon) in zijn land opgesteld proces-verbaal door de Belgische rechter als bewijselement worden in acht genomen.
Processen-verbaal opgesteld in het buitenland, door bevoegde personen en volgens de pleegvormen die aldaar gelden, hebben in België steeds bewijswaarde, tenzij deze pleegvormen in strijd zouden zijn met onze nationale openbare orde.[42] Maar welke bewijswaarde hebben zij?
Wat de door Belgische overheden opgestelde processen-verbaal betreft, zijn de gewone regels van toepassing. (cf. supra, 1.1.1)
Wat de processen-verbaal betreft die zijn opgesteld door vreemde overheden geldt als basisregel dat deze de bewijswaarde hebben van een inlichting. Zij zullen enkel wettelijke bewijswaarde hebben wanneer een wetsbepaling uitdrukkelijk die bijzondere bewijswaarde aan bepaalde processen-verbaal toekent.
Vaak zal de juridische grondslag voor de wettelijke bewijswaarde gelegen zijn in een internationaal verdrag of een internationale overeenkomst.
De bijzondere bewijswaarde volgt echter niet noodzakelijk uit zo’n verdrag of overeenkomst. De Belgische wetgever kan evengoed de bewijswaarde van buitenlandse processen-verbaal op een andere manier vastleggen. Zo zegt artikel 57bis, §4 van het Militaire Strafwetboek bijvoorbeeld dat welbepaalde akten van de buitenlandse overheid voor de Belgische rechtbanken dezelfde bewijswaarde hebben als die welke de buitenlandse wetgeving aan die akten toekent.           
1.2 Vormelijke vereisten gesteld aan het proces-verbaal
  Om als vrij te appreciëren bewijselement door de rechter in aanmerking te kunnen worden genomen, hoeft een proces-verbaal in beginsel aan geen vormvoorwaarden te voldoen. [43] Ook een particulier kan immers dergelijke mededelingen doen waarmee de rechter rekening kan houden. Het proces-verbaal zal in geval van vormelijke onvolkomenheden meestal wel het karakter van ‘proces-verbaal’ (als authentieke, officiële akte) verliezen, maar dan nog kan het steeds als aangifte of als verslag dienen, waarvan de bewijswaarde trouwens dezelfde is als die van een geldig proces-verbaal zonder wettelijke bewijswaarde.
De behoefte om het karakter van ‘proces-verbaal’ te behouden, zal bijgevolg het meest voelbaar zijn bij de processen-verbaal met een bijzondere bewijswaarde. Vormelijke onvolkomenheden kunnen de akte zijn authentieke karakter ontnemen, waardoor eveneens de wettelijke bewijswaarde riskeert verloren te gaan.
Elk proces-verbaal moet op zichzelf bewijs leveren van zijn geldigheid.[44] Uit het proces-verbaal moet bijgevolg blijken dat aan de verschillende pleegvormen uit het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Formaliteiten waarvan geen melding is gemaakt, worden als niet-bestaande beschouwd. Er worden daarom nogal wat vormvereisten gesteld aan het proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel. De minste onvolkomenheid kan het verlies van de bijzondere bewijswaarde betekenen. Dit is trouwens begrijpelijk. Een akte die op zichzelf een strafrechtelijke veroordeling kan rechtvaardigen, kan en mag die uitwerking slechts hebben wanneer ze regelmatig is opgesteld en, zowel naar vorm als naar inhoud, alle waarborgen van waarachtigheid biedt. [45]
Onnauwkeurigheden die geen betrekking hebben op de materiële vaststellingen van het proces-verbaal, zullen de bewijswaarde van deze materiële vaststellingen echter niet aantasten.[46]
1.2.1. Soorten sancties[47]
Afhankelijk van het vormgebrek zal het proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel aan een verschillende sanctie onderworpen worden.
In sommige gevallen wordt het proces-verbaal aangetast door een relatieve nietigheid. Dit ontneemt aan de akte van vaststelling weliswaar het karakter van een proces-verbaal, maar de akte zelf zal nog wel kunnen gelden als verslag of als schriftelijke aangifte. De bijzondere bewijswaarde gaat op die manier verloren maar de akte behoudt de bewijswaarde van een eenvoudige inlichting.
Wanneer een proces-verbaal daarentegen wordt aangetast door een absolute of volstrekte nietigheid zal de akte uiteraard geen gelding meer hebben als proces-verbaal. Dit zal o.a. het geval zijn wanneer de wet zelf de nietigheidssanctie voorziet. Bovendien zal de akte ook als aangifte of als verslag niet meer dienstig kunnen zijn. Dergelijk proces-verbaal verliest bijgevolg elke bewijswaarde en kan niet (meer) gebruikt worden als bewijselement. De nietigheid heeft evenwel niet de nietigheid van heel het strafonderzoek tot gevolg. De bewijselementen die verkregen zijn uit regelmatige opsporingen en de rechtspleging die daarop steunt, behouden hun rechtsgeldig karakter.   
In de gevallen waarin het proces-verbaal weliswaar zelf niet nietig zal zijn, heeft de vormelijke onvolkomenheid toch zeer vaak het verlies van de bijzondere bewijswaarde tot gevolg. Net zoals bij de relatieve nietigheid verkrijgt het proces-verbaal ook hier de bewijswaarde van een inlichting.
Soms moet worden nagegaan of het recht van verdediging niet geschonden is. Is dat wel het geval, verliest uiteraard ook hier het proces-verbaal elke bewijswaarde.
Uitzonderlijk zal een onnauwkeurigheid de wettelijke bewijswaarde van het proces-verbaal in zijn geheel niet aantasten.[48]
Omwille van de gevolgen die eraan verbonden zijn, moeten de verschillende sancties goed uit elkaar worden gehouden. Een verwarring tussen absolute en relatieve nietigheid kan nefast zijn voor de strafvordering.[49]
1.2.2. Eigenlijke vormvereisten
a. Bevoegdheid opsteller
Om sowieso als proces-verbaal geldig te zijn, moet het zijn opgesteld door een persoon die daartoe bevoegd is ratione personae, materiae en loci.[50]
Voor de bevoegdheid ratione personae en ratione materiae kunnen we verwijzen naar het aanwijzingsbeginsel en het specialiteitsbeginsel. Verder is bovendien vereist dat de verbalisant regelmatig aangesteld en in functie is. Zo zal een proces-verbaal opgesteld door een verbalisant die op het ogenblik van de vaststellingen niet de vereiste leeftijd had, nog geen ambtseed had afgelegd voor de bevoegde overheid of nog geen goedgekeurd statuut had, principieel nietig zijn. Hier gaat het evenwel om een relatieve nietigheid.[51]
In geval van een putatieve bevoegdheid in hoofde van de verbalisant, zal het door hem opgestelde proces-verbaal echter wel als geldig behouden dienen te worden.[52] Er is m.i. in zulk geval ook geen reden om het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde te ontnemen. De verbalisant heeft naar eer en geweten de vaststellingen gedaan, zodat het proces-verbaal nog steeds alle waarborgen van waarachtigheid biedt.
Het is verder ook niet vereist dat de verbalisant zijn dienstkaart toont of de uiterlijke kentekens van zijn functie (vb. uniform) draagt.[53]
Wanneer een verbalisant vaststellingen doet buiten zijn ambtsgebied (onbevoegdheid ratione loci), zal een aldus opgesteld geschrift geen gelding hebben als proces-verbaal. De bevoegdheidsregels zijn immers van openbare orde. Het betreft ook hier slechts een relatieve nietigheid. De akte geldt zo nog wel als verslag of als schriftelijke aangifte.[54]
b. Materiële vorm
Het proces-verbaal moet geschreven zijn. De materiële opstelling, met inbegrip van het toegepaste procédé (handschrift, schrijfmachine, computer,…), heeft echter geen invloed op de regelmatigheid van het proces-verbaal, noch op de bewijswaarde ervan. Onleesbare gegevens daarentegen kunnen net zoals wat tussen de regels staat geschreven, de overheenschrijvingen en de niet-goedgekeurde doorhalingen en verwijzingen, geen enkele bewijswaarde hebben.[55]
Het is ook niet vereist dat het proces-verbaal door de verbalisant zelf geschreven is. Het is voldoende dat het door hem ondertekend is.[56]
c. Dagtekening en plaats van verbaliseren
Het proces-verbaal moet de datum en de plaats van verbaliseren vermelden.[57] Deze gegevens kunnen immers bepalend zijn voor o.m. de territoriale bevoegdheid van de opsteller en voor de toepassing van de taalwetgeving. Een vergissing in of het ontbreken van de datum of plaats van verbaliseren tast de geldigheid van het proces-verbaal echter niet aan, maar herleidt de bijzondere bewijswaarde wel tot een bewijswaarde als inlichting. Eventueel kan een vergissing in de datum van de vaststelling van het misdrijf wel de rechten van verdediging schenden.
De afwezigheid van dagtekening mag na de afsluiting van het proces-verbaal niet hersteld worden.[58]
d. Termijn
In beginsel is de opstelling van een proces-verbaal niet aan termijnen gebonden en kan het worden opgesteld zolang de strafvordering op grond van het vastgestelde misdrijf niet verjaard is. Een uitzondering geldt voor de gevallen waarin de wet uitdrukkelijk een termijn bepaalt of waarbij de wet voorschrijft dat binnen een bepaalde tijd na de vaststelling (een kopie van) het proces-verbaal moet worden toegezonden aan de overtreder (cf. infra, 1.4). Voor deze uitzonderingen zal men moeten nagaan of de desbetreffende bepalingen een nietigheidssanctie voorzien of niet.
Een snel opgesteld proces-verbaal biedt echter meer waarborgen qua juistheid en nauwkeurigheid van de inhoud, aangezien anders de vastlegging niet zozeer de zintuiglijke waarneming van feiten betreft, maar wel wat de opsteller zich van die zintuiglijke waarnemingen herinnert.[59] Een laattijdig opgesteld proces-verbaal kan de geloofwaardigheid ervan ernstig aantasten en de rechten van verdediging schenden, wat kan uitmonden in een vrijspraak. Het is immers goed mogelijk dat na verloop van een langere termijn de verdachte in de onmogelijkheid wordt gesteld om de tegen hem bestaande schuldbewijzen te weerleggen, wat zeker van belang is wanneer het proces-verbaal bekleed is met een bijzondere bewijswaarde.
e. Identiteit en hoedanigheid van de opsteller
Het proces-verbaal moet eveneens de naam, de functie en de standplaats van de verbalisant vermelden.[60] Hieruit zal immers blijken of de opsteller al dan niet binnen zijn bevoegdheid (ratione personae, materiae en loci) heeft gehandeld. Het ontbreken van de naam en de hoedanigheid van de verbalisant brengt niet de nietigheid van het proces-verbaal met zich mee, maar het zal de akte wel zijn wettelijke bewijswaarde ontnemen.
f. Ondertekening door de opsteller
Het proces-verbaal moet op straffe van nietigheid worden ondertekend door de verbalisant.[61] De handtekening is immers een substantieel vormvereiste. Een ongetekend proces-verbaal is geen proces-verbaal, maar eerder een ontwerp met de bewijswaarde van een gewone inlichting. Het betreft hier dus een relatieve nietigheid. Waar TRAEST beweert dat het gebrek aan ondertekening “geenszins de nietigheid van het proces-verbaal tot gevolg heeft vermits dit voor de rechter als inlichting blijft gelden”, meen ik dat hij hier de relatieve nietigheid als mogelijke sanctie uit het oog verliest.[62] Uit het feit dat de akte (inderdaad) nog als inlichting zal gelden, valt niet zomaar af te leiden dat bijgevolg het proces-verbaal als zodanig niet nietig kan zijn. Gebrek aan ondertekening ontneemt de akte wel degelijk het karakter van proces-verbaal.
Ook de afwezigheid van handtekening kan na het afsluiten van het proces-verbaal niet hersteld worden.[63]
De handtekening van de overtreder is uiteraard niet vereist voor de geldigheid van het proces-verbaal.
g. Taal van het proces-verbaal
De taal waarin een proces-verbaal betreffende de opsporing en de vaststelling van een misdrijf moet worden opgesteld, wordt geregeld door artikel 11 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Inbreuken op de taalwetgeving zijn volstrekt (of absoluut) nietig, aangezien de voorschriften inzake taalgebruik van openbare orde zijn. De nietigheid beperkt zich echter tot de gedeelten van het proces-verbaal die niet conform zijn met deze taalwetgeving. Ze strekt zich niet uit tot de andere bestanddelen van het proces-verbaal.[64]
Deze nietige gedeelten hebben geen enkele bewijswaarde, ook niet als eenvoudige inlichting. Uit het absoluut karakter van de nietigheid vloeit eveneens voort dat deze door de rechter ambtshalve moet worden uitgesproken.[65]
De nietigheid kan echter worden gedekt door een op tegenspraak gewezen vonnis of arrest.[66]
h. Randvermeldingen
Onder ‘randvermeldingen’ vallen o.m. de benaming van de politiedienst, het nummer van het proces-verbaal, naam en adres van de persoon tegen wie de vervolging gericht is, naam en adres van de persoon die de klacht of de aangifte heeft gedaan, het ten laste gelegde misdrijf, het notitienummer van de zaak, de datum van de verzending van het proces-verbaal aan de bevoegde magistraat, enz…
Dergelijke gegevens hebben sowieso geen enkele bewijswaarde, aangezien zij geen wettelijk deel uitmaken van het proces-verbaal. Ze zijn enkel noodzakelijk voor een vlotte administratieve verwerking van deze akten. Vergissingen in de randvermeldingen zullen dan ook geen invloed hebben op de bewijswaarde van het proces-verbaal.
i. Vermeldingen ‘Pro Justitia’ en ‘Waarvan akte’
De vermelding ‘Pro Justitia’ geeft aan dat de akte bestemd is voor justitie en derhalve, i.t.t. andere authentieke akten, vrijgesteld is van zegel- en registratierecht. Het vermelden ervan is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.
De slotvermelding ‘Waarvan akte’ is evenmin een geldigheidsvereiste voor het proces-verbaal. Beide vermeldingen hebben geen invloed op de bewijswaarde van het proces-verbaal.
1.3. Toezenden afschrift aan de overtreder
Vele bijzondere wetten schrijven voor dat de verbalisanten een afschrift van het proces-verbaal (van vaststelling) binnen een bepaalde termijn aan de overtreder(s) moeten toezenden, overhandigen of betekenen. Deze verplichting geldt echter niet voor de processen-verbaal opgesteld door verbalisanten die niet expliciet zijn aangewezen in die bijzondere wetten.
Vaak wordt vermeld dat de bedoelde termijn ingaat vanaf de datum van vaststelling van het misdrijf. Dit aanvangspunt is evenwel niet noodzakelijk de dag waarop de overtreding de facto werd geconstateerd. Wanneer de dader onbekend is, kan er immers geen proces-verbaal worden opgesteld ten laste van een bepaalde overtreder. In dit geval moet aan de verbalisant een redelijke termijn worden gelaten om de identiteit van de dader op te sporen.[67]
Eventuele bijlagen van het proces-verbaal moeten niet worden meegedeeld. Het afschrift zelf moet evenmin door de verbalisant ondertekend zijn.
Waar de wet de toezending van een afschrift vereist, zal de niet-naleving hiervan gevolgen hebben voor de bewijswaarde van het proces-verbaal.
Wanneer de toezending op straffe van nietigheid is voorgeschreven, heeft de miskenning van dit voorschrift de nietigheid van het proces-verbaal tot gevolg. Het gaat in deze gevallen om een absolute nietigheid, zodat het proces-verbaal zelfs niet als inlichting kan worden gebruikt. Dit brengt evenwel niet de nietigheid van de vervolging in haar geheel met zich mee. Het bewijs van het misdrijf mag door alle andere middelen van recht worden geleverd, mits inachtneming van de rechten van verdediging.[68]
In de andere gevallen, d.i. wanneer de toezending niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, blijft het proces-verbaal wel geldig, maar verliest het zijn bijzondere bewijswaarde. Het zal dan slechts als eenvoudige inlichting gelden.[69] A fortiori mag ook hier het bewijs van de overtreding door alle middelen rechtens worden geleverd. Toch dient de rechter telkens in concreto na te gaan of de rechten van verdediging niet geschonden werden door de niet-(tijdige) toezending.[70] Het niet of te laat versturen van het afschrift houdt niet ipso facto een schending van dit recht in. De te late toezending krenkt slechts de rechten van verdediging wanneer bewezen is dat uitsluitend door deze laattijdige toezending de verdediging op de tenlastelegging onmogelijk is gemaakt.[71] Het ligt voor de hand dat in dit geval het proces-verbaal elke bewijswaarde zal verliezen.
Ingeval het proces-verbaal werd opgesteld ten laste van meerdere verdachten, dient aan elke overtreder een onderscheiden afschrift te worden toegezonden. De daarvan afhankelijke (wettelijke) bewijswaarde zal vervolgens ten aanzien van elke verdachte afzonderlijk worden beoordeeld.[72] Men kan zich evenwel de vraag stellen of deze regel ook geldt in geval van een cumulatieve vervolging van een rechtspersoon en een natuurlijke persoon. In 1991 heeft het Hof van Cassatie immers beslist dat het toezenden van een afschrift van het proces-verbaal aan de betrokken rechtspersoon ook geldig is voor de latere vervolging van de strafrechtelijk aansprakelijke natuurlijk persoon.[73] Naast het feit echter dat dit arrest m.i. op zich al bekritiseerbaar is, dateert het bovendien van vóór de Wet van 4 mei 1999 inzake de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon. Nu de rechtspersoon zelf ook gestraft kan worden, lijkt het me dat een afschrift van het proces-verbaal aan beide moet worden toegezonden, om het recht van verdediging voor de natuurlijke persoon te garanderen. Een afschrift aan zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon zou aldus vereist zijn opdat het proces-verbaal t.a.v. hen beiden bijzondere bewijswaarde kan bezitten. De datum waarop de termijn voor toezending begint te lopen kan dan eventueel wel verschillend zijn voor respectievelijk de rechtspersoon en de natuurlijke persoon. Ze loopt t.a.v. elk van hen vanaf de dag waarop de rechtspersoon respectievelijk de natuurlijke persoon als dader is geïdentificeerd.  
Vanzelfsprekend zal de niet-toezending van een afschrift geen enkele invloed hebben op de bewijswaarde van het proces-verbaal wanneer de bijzondere wet deze formaliteit niet voorschrijft.[74] Een schending van het recht van verdediging kan hier nog wel worden opgeworpen.
1.4. Wijze waarop de vaststelling gebeurt
Zelfs een naar de vorm volkomen regelmatig opgesteld proces-verbaal zal toch volstrekt nietig zijn wanneer het werd opgesteld door middel van een onwettig optreden of een optreden dat strijdig is met de algemene rechtsbeginselen, m.a.w. ingevolge een in se onregelmatige vaststelling.[75]
Dit zal o.a. het geval zijn wanneer het proces-verbaal werd opgesteld na een onwettige huiszoeking of inbeslagneming, na een door provocatie of dwang verkregen bekentenis, na inlichtingen bekomen door schending van het briefgeheim of ingevolge een onwettige telefoontap, enz…[76]
Aangezien het bewijs in deze gevallen onrechtmatig is verkregen, zal het in geen geval tot de vorming van de rechterlijke overtuiging mogen meewerken. Samen met het betrokken bewijselement en de vruchten ervan moet ook het proces-verbaal uit de debatten worden geweerd. Dit proces-verbaal zal bijgevolg geen enkele bewijswaarde meer bezitten, zelfs niet die van een inlichting. De ondertekening door een tweede agent kan hier niets aan veranderen.[77]
De nietigheid van het proces-verbaal is hier dus louter een gevolg van de regel dat onrechtmatig verkregen bewijs door de rechter in geen geval mag gehanteerd worden om een uitspraak te doen over het al dan niet bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten.
2. Draagwijdte van de wettelijke bewijswaarde
Aan welke elementen van het proces-verbaal is de wettelijke bewijswaarde verbonden? In verband met deze vraag naar de draagwijdte van de bijzondere bewijswaarde hebben we reeds twee zaken vermeld.
Ten eerste heeft het proces-verbaal slechts bijzondere bewijswaarde voor wat de vaststelling betreft van de misdrijven waarvoor de verbalisant uitdrukkelijke bevoegdheid heeft gekregen. Inzake feiten die een gemeenrechtelijk misdrijf vormen, heeft het proces-verbaal de waarde van een eenvoudige inlichting.
Ten tweede geldt de bijzondere bewijswaarde enkel voor het proces-verbaal van vaststelling van het misdrijf en niet voor latere aanvullende processen-verbaal waarin bepaalde gegevens worden gepreciseerd.
Verder bestaat de wettelijke bewijswaarde van processen-verbaal enkel ten behoeve van de strafvordering en de op het misdrijf steunende burgerlijke vordering, en dan nog enkel voor die processen-verbaal die tegen de verdachte en/of ter gelegenheid van de geïncrimineerde feiten werden opgesteld. De wettelijke bewijswaarde geldt niet ten voordele of ten nadele van particulieren die het proces-verbaal zouden aanwenden bij de beslechting van tussen hen gerezen private geschillen, zelfs niet wanneer een geding gevoerd wordt tegen de verdachte, indien dit geding niet strekt tot vergoeding van schade die werd veroorzaakt door het misdrijf waarop het ingeroepen proces-verbaal betrekking heeft.[78]
De hoofdregel inzake de draagwijdte is dat de wettelijke bewijswaarde enkel gehecht is aan de materiële vaststellingen die de verbalisant zelf heeft gedaan.[79] Het gaat om de zintuiglijke vaststellingen (ex propriis sensibus) betreffende de samenstellende elementen van het misdrijf en de aanklevende omstandigheden, die door de verbalisant persoonlijk werden gedaan binnen de perken van zijn opdracht.
Uit het beginsel dat de bijzondere bewijswaarde uitsluitend de materiële vaststellingen betreft, volgt dat het moreel element van het misdrijf en de schuld van de dader wel volkomen vrij door de rechter kunnen worden beoordeeld. Bovendien sluit het proces-verbaal evenmin het bestaan van rechtvaardigheidsgronden uit. De beklaagde kan steeds een rechtvaardigheidsgrond opwerpen dat tot een vrijspraak kan leiden. Soms kan hij trouwens in het proces-verbaal zelf omstandigheden aantreffen die de geloofwaardigheid van zijn exceptie vergroten.
De wettelijke bewijswaarde strekt zich daarentegen wel uit tot de aanklevende omstandigheden van het misdrijf. Hiertoe behoren eveneens het tijdstip en de plaats van de inbreuk, de gegevens omtrent de identiteit en de persoonsbeschrijving van de overtreders, alsook de gegevens omtrent de identiteit en de hoedanigheid van de opstellers-verbalisanten. Over de begeleidende omstandigheden die niet in het proces-verbaal zijn opgenomen, oordeelt de rechter uiteraard wel volkomen vrij.
Gaandeweg heeft de rechtspraak en de rechtsleer de draagwijdte nog uitgebreid en is men bijzondere bewijswaarde gaan hechten aan alle materiële elementen die op het misdrijf betrekking hebben. Hierdoor komt de wettelijke bewijswaarde eveneens toe aan de verklaringen die door derden (getuigenissen) of door de beklaagde aan de verbalisant worden afgelegd, met inbegrip van een eventuele bekentenis, hoewel deze verklaringen op zich geen constitutief bestanddeel van het misdrijf, noch een inherente omstandigheid ervan vormen. Wel is de wettelijke bewijswaarde enkel gehecht aan de materialiteit van de verklaringen, en niet aan de waarachtigheid ervan. Dit komt er op neer dat de rechter wel gebonden is door de vaststelling dát deze verklaring aan de verbalisanten werd afgelegd, maar de oprechtheid en de inhoud van de verklaring worden daarentegen door hem op onaantastbare wijze beoordeeld.[80]
Alle materiële vaststellingen m.b.t. het misdrijf gelden derhalve tot bewijs van het tegendeel. Het moet echter wel steeds om objectieve vaststellingen gaan. Wanneer de verbalisanten hun persoonlijke bedenkingen akteren, is de rechter niet gebonden door deze subjectieve vaststellingen (vb. de opmerking dat de verdachte ‘in welstand’ leeft).[81] De rechter kan dan perfect tot andere besluiten komen dan de verbalisanten.[82]
De bijzondere bewijswaarde wordt evenmin toegekend aan de feitelijke gevolgtrekkingen of vermoedens die de verbalisanten uit de vaststellingen afleiden.[83] Zo valt uit de vaststelling dat iemand voorbij de stopstreep is gereden, niet zomaar af te leiden dat die persoon ook werkelijk door het rode licht is gereden. De rechter kan uit de materiële vaststellingen volstrekt andere gevolgtrekkingen maken dan de verbalisanten. Dit geldt a fortiori voor de juridische gevolgtrekkingen.[84] Het is zo bijvoorbeeld niet de taak van de verbalisanten om te bepalen wat de hoofdverblijfplaats van de verdachte is, aangezien dit een juridisch begrip is dat uit de feitelijke omstandigheden moet worden afgeleid. Deze juridische beoordeling gebeurt door de rechter. Het verschil tussen materiële vaststellingen enerzijds en afleidingen anderzijds komt ook duidelijk tot uiting bij de douanemisdrijven. Er moet ook hier een onderscheid worden gemaakt tussen wat materieel wordt vastgesteld, met name het over de grens brengen van een bepaald voorwerp, en de juridische beoordeling ervan, dat o.m. slaat op de oorsprong van dit voorwerp.
De bijzondere bewijswaarde geldt evenmin voor de inlichtingen die de verbalisanten buiten hun materiële vaststellingen om verzamelen.[85] De rechter is wel weer gebonden door het feit dát deze inlichtingen werden ingewonnen, maar de juistheid ervan beoordeelt hij vrij.[86] Wanneer bijvoorbeeld de verbalisanten hebben vastgesteld dat er modder op de rijbaan lag en dat deze moddersporen afkomstig waren van de uitweg die door de verweerders werd gebruikt, betekent dit nog niet dat de aanwezigheid van de modder op de rijbaan ook werkelijk door de verweerders was veroorzaakt.
De wettelijke bewijswaarde is bovendien enkel gehecht aan de materiële feiten die door de verbalisant zelf werden vastgesteld. Het gaat dus enkel om de zintuiglijke vaststellingen (propriis sensibus) die door de verbalisant persoonlijk werden gedaan binnen de perken van zijn opdracht.
In de gevallen waarin een bijzondere wet de wettelijke bewijswaarde afhankelijk maakt van de opstelling van het proces-verbaal door twee bevoegde agenten, zal die bewijswaarde m.i. dan ook alleen gehecht zijn aan die materiële vaststellingen die door beide verbalisanten persoonlijk zintuiglijk zijn gedaan.
Een bijzonder geval betrof de situatie waarbij, inzake een verkeersongeval, tijdens de eerste vaststellingen een bekentenis werd gedaan aan een politieagent, waarna deze hierover verslag uitbracht aan een politieofficier. Deze politieofficier stelde vervolgens het proces-verbaal (van vaststelling) op. Hef Hof van Cassatie oordeelde dat in casu bijzondere bewijswaarde was gehecht aan de materiële vaststelling van de bekentenis. Met HOLSTERS meen ik dat het Hof hier verkeerd was.[87] De persoonlijke vaststelling van de verbalisant (politieofficier) bleef beperkt tot het feit dat aan hem verslag was uitgebracht. De bekentenis zelf heeft hij niet persoonlijk zintuiglijk waargenomen. De bijzondere bewijswaarde is m.i. dan ook enkel gehecht aan het feit en de bewoordingen van het verslag, en niet aan de materialiteit van de bekentenis. Het zou natuurlijk anders zijn wanneer de politieagent in casu het proces-verbaal mee zou ondertekenen. Ook de agent heeft immers wettelijke bevoegdheid inzake verkeersovertredingen, waardoor bijzondere bewijswaarde toekomt aan de vaststellingen die door hem persoonlijk werden gedaan, i.c. het feit van de bekentenis.
Het komt er dus steeds op aan na te gaan welke feiten door de verbalisant zelf werden vastgesteld. De in het proces-verbaal vermelde gegevens die daarentegen niet persoonlijk door de verbalisant werden vastgesteld, blijven onderworpen aan de gewone bewijsregels en aan de onaantastbare beoordeling van de feitenrechter. Zoals reeds bij de vormvereisten was opgemerkt, is evenwel niet vereist dat het proces-verbaal ook materieel door de vaststeller is geschreven. Het is voldoende dat het door hem is ondertekend, met vermelding uiteraard dat hij de vaststeller van de feiten was.
Enige toelichting is vereist bij de vaststellingen die gebeuren met behulp van technische apparatuur. Laten we deze problematiek bekijken vanuit artikel 62 van de Wegverkeerswet, aangezien inzake het wegverkeer veelvuldig gebruik wordt gemaakt van toestellen, vooral bij het controleren van de snelheid.
De vaststelling en de meting door dergelijke toestellen zijn geen zintuiglijke waarnemingen die door de verbalisant werden gedaan. De bijzondere bewijswaarde is dan ook beperkt tot de vaststelling door de verbalisant dat het meettoestel een welbepaald resultaat, bijvoorbeeld een bepaalde snelheid, aangaf op het videoscherm. Enkel de resultaatsaflezing geldt dus tot bewijs van het tegendeel. Of het toestel deze snelheid juist heeft gemeten, wordt overgelaten aan de vrije beoordeling van de rechter.[88] De bewijswaarde van de waarachtigheid van de aangegeven snelheid zal uiteraard wel groter worden naargelang het toestel vaker getest werd op zijn nauwkeurigheid en deugdelijke werking.
Deze regeling geldt in beginsel zowel voor bemande als voor onbemande automatisch werkende toestellen. Toch is er een onderscheid tussen beide. De resultaatsaflezing van gegevens opgeleverd door bemande camera’s bezit steeds bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel, ongeacht om welke overtreding van de Wegverkeerswet of van haar uitvoeringsbesluiten het gaat.[89] De resultaatsaflezing gesteund op materiële bewijsmiddelen (vb. foto’s) opgeleverd door onbemande camera’s zal daarentegen deze bijzondere bewijswaarde slechts bezitten voor zover het gaat om één van de overtredingen van de Wegverkeerswet of van haar uitvoeringsbesluiten die limitatief worden opgesomd in een in ministerraad overlegd K.B..[90] Omwille van dit onderscheid moet het proces-verbaal dan ook vermelden dat de overtreding werd vastgesteld door een onbemand toestel.[91]
Uiteraard blijft de bijzondere bewijswaarde van de resultaatsaflezing beperkt tot de vaststelling van overtredingen van de Wegverkeerswet (of van haar uitvoeringsbesluiten). Wanneer bijvoorbeeld op een foto, opgeleverd door een al dan niet bemande camera n.a.v. een snelheidsovertreding, eveneens een diefstal zou te zien zijn, heeft de resultaatsaflezing van de verbalisant m.b.t. de feiten die het misdrijf van diefstal vormen, slechts bewijswaarde van een gewone inlichting. Dit is enkel een toepassing van de algemene regel dat de bijzondere bewijswaarde gebonden is aan de uitdrukkelijke opdracht. Een proces-verbaal kan trouwens nooit wettelijke bewijswaarde bezitten wanneer het de vaststelling van een gemeenrechtelijk misdrijf betreft.
De betrouwbaarheid van de apparaten wordt dus steeds op onaantastbare wijze door de rechter beoordeeld. De Wet van 4 augustus 1996 en het K.B. van 11 oktober 1997 hebben artikel 62 van de Wegverkeerswet aangevuld en voorzien in een goedkeurings- en homologatieprocedure voor de automatisch werkende toestellen.[92] Uit de combinatie van deze procedures met de bijzondere bewijswaarde van de resultaatsaflezing, leidt HOLSTERS af dat de goede werking van de gebruikte apparatuur eveneens tot bewijs van het tegendeel zal vaststaan.[93] Dit is m.i. niet correct. Dergelijke goedkeuring of homologatie van een toestel, zal wel een grotere bewijswaarde verlenen aan de betrouwbaarheid van dit toestel, maar zal nooit een bijzondere bewijswaarde tot gevolg kunnen hebben. Er staat immers nergens in de wet omschreven dat de materiële bewijsmiddelen, opgeleverd door dergelijke toestellen, zelf bewijswaarde bezitten tot bewijs van het tegendeel.
Ook hier geldt dat wanneer een verbaliserende agent de snelheid van een voertuig vermeldt die hem door een collega was meegedeeld, de bijzondere bewijswaarde niet gehecht is aan de vaststellingen van die collega die zelf geen proces-verbaal opstelt. De opsteller van het proces-verbaal heeft dan immers niet zelf het resultaat afgelezen van het toestel. Wettelijke bewijswaarde is wel gehecht aan het feit dat zijn collega een bepaalde snelheid aan hem heeft meegedeeld. Of deze collega de snelheid correct van het scherm heeft afgelezen, blijft evenwel onderworpen aan de vrije beoordeling van de rechter.
3. Tegenbewijs
Een proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel vormt bewijs voor de vervolgende partij, althans voor wat betreft de persoonlijke door de opsteller binnen het kader van zijn opdracht gedane materiële vaststellingen. De inhoud van het proces-verbaal moet door de rechter voor waar worden aangenomen, zolang de onjuistheid van de vermeldingen niet is aangetoond, m.a.w. zolang het tegenbewijs niet geleverd is.
3.1. Wie moet het tegenbewijs leveren?
Wie kan dit tegenbewijs leveren? Een cassatie-arrest van 4 oktober 1988 bepaalt dat het de “belanghebbende partij” is die de onjuistheid van de vaststellingen dient aan te tonen.[94]
Wie kan nu in een strafproces belang hebben bij een bewijs van het tegendeel? Meestal zal dit de beklaagde of de civielrechtelijk aansprakelijke partij zijn.
De mogelijkheid voor de beklaagde om dit tegenbewijs te leveren mag niet afhankelijk worden gesteld van een voorbehoud geformuleerd door de beklaagde bij het maken van de vaststellingen. Het tegenbewijs behoort immers tot het recht van verdediging. De rechter zou dit recht van verdediging miskennen indien hij het tegenbewijs op enige manier zou inperken.[95] Toch bepaalt artikel 154 Sv. dat het wettelijk bewijs slechts kan worden bestreden met tegenbewijzen, “indien de rechtbank het geraden oordeelt ze toe te laten”. Dit moet echter in die zin worden opgevat dat de rechter het tegenbewijs moét toelaten telkens wanneer de aangevoerde feiten voldoende ernstig zijn om het misdrijf te kunnen doen verdwijnen. De rechter beschikt in deze gevallen niet over enige discretionaire bevoegdheid. Hij mag derhalve het tegenbewijs slechts afwijzen wanneer dit hem volstrekt nutteloos zou voorkomen.[96] Deze uitzondering verhindert dat een partij het proces onnodig lang zou rekken door volkomen zinloze onderzoekshandelingen aan de rechtbank te vragen. De afwijzing van het tegenbewijs dient dan wel gemotiveerd te worden.[97]
Het is echter geenszins uitgesloten dat de burgerlijke partij zich geroepen voelt om het tegenbewijs te leveren, namelijk wanneer bij de vaststelling een voor haar nadelig element zou zijn opgetekend.
Tenslotte kan ook het Openbaar Ministerie belanghebbende partij zijn. Het parket vordert immers in het belang van de maatschappij, wat o.m. inhoudt dat men geen onschuldigen wil laten veroordelen.[98]
Er heerst discussie in de rechtsleer omtrent de rol van de strafrechter bij het leveren van het tegenbewijs. Men is het er over eens dat de rechter het tegenbewijs niet ambtshalve kan bevelen (vb. door zelf getuigen op te roepen). Wel kan hij steeds aanvullende onderzoekshandelingen laten verrichten.[99] Uiteraard kan de belanghebbende partij uit het bekomen resultaat profijt halen en de nieuwe gegevens gebruiken bij het leveren van het tegenbewijs. De vraag rijst echter in hoeverre de rechter zelf het tegenbewijs voor geleverd mag houden in geval de belanghebbende partij zelf niets onderneemt.
Uit het cassatie-arrest van 4 oktober 1988 leidt TRAEST af dat het initiatiefrecht voor het tegenbewijs exclusief toekomt aan de belanghebbende partij. Het bestaan van een tegenbewijs kan door de rechter dan ook niet worden aanvaard bij stilzwijgen of bij verstek van de belanghebbende partij. Zulk verweer zou minstens voor de rechter moeten worden opgeworpen.[100]
Deze stelling is niet de juiste, meen ik. De strafrechter heeft een actieve rol. Hij is niet lijdzaam onderworpen aan initiatieven van enige partij. De rechter kan zelf op basis van elementen van het dossier aanduiden dat de inhoud van het proces-verbaal met bijzondere bewijswaarde niet met de werkelijkheid overeenstemt. Zo verhindert men dat de rechter gebonden blijft door de ‘getuigenis’ van een politieman, terwijl het tegenbewijs als het ware voor het grijpen ligt. Zelfs wanneer de beklaagde verstek laat gaan, kan de rechter het tegenbewijs voor geleverd verklaren en de beklaagde vrijspreken. Voor de rechter zal de enige vraag zijn of het bewijs van het tegendeel voorhanden is of niet, van waar dit ook moge komen.
Dit is ook de visie van DECLERCQ.[101] Maar, waar velen de problematiek van een proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel beschouwen als een omkering van de bewijslast, meent hij dat het hier geen probleem van bewijslast betreft. Hij leidt dit af uit het feit dat de rechter het tegenbewijs voor geleverd kan houden, zonder dat de beklaagde zelf het bewijs van de onjuistheid dient aan te tonen.[102] Hier is hij m.i. verkeerd. Er is hier wel degelijk sprake van een omkering van de bewijslast. De rol van de rechter doet hieraan niets af. In een gewoon strafproces - zonder processen-verbaal met bijzondere bewijswaarde – speelt de rechter eveneens een actieve rol in de bewijslevering. Daar zegt men toch ook dat de bewijslast op de vervolgende partij rust!?
3.2. Met welke middelen?
Het tegenbewijs kan door alle wettelijke bewijsmiddelen worden geleverd. Artikel 154 Sv. spreekt wel enkel van geschriften en getuigen, maar deze restrictieve termen vormen een algemene formule die in brede zin geïnterpreteerd moet worden.[103] Deze ruime interpretatie van de bewijsmiddelen van het tegenbewijs is logisch, aangezien zo opnieuw wordt aangesloten bij het algemeen beginsel van de vrije bewijslevering in strafzaken. Het tegenbewijs kan aldus worden geleverd door getuigen, geschriften, deskundigen, plaatsopnemingen en alle andere middelen, vermoedens inbegrepen, die een wettelijk karakter bezitten zonder dat de belanghebbende partij in de uitoefening van haar recht van verdediging wordt beperkt.
De belanghebbende die van oordeel is dat het betreffende proces-verbaal vals is, kan ook steeds de bijzondere valsheidsprocedure voeren. Het moet hierbij immers niet noodzakelijk gaan om een proces-verbaal tot bewijs van valsheid. De procedure kan gebruikt worden ongeacht de inhoudelijke bewijswaarde van het proces-verbaal.[104]  
Het tegenbewijs kan geschieden zowel op basis van nieuwe elementen als op basis van gegevens die reeds in het strafdossier voorhanden zijn.[105] Niets belet ook dat de opsteller van het proces-verbaal zelf als getuige zou worden gehoord, zelfs boven of tegen de inhoud van de akte.[106] Men kan m.i. zelfs uit het betreffende proces-verbaal bepaalde elementen halen ter ondersteuning van andere middelen van tegenbewijs. Wanneer een proces-verbaal elementen in zich draagt die als volledig tegenbewijs van datzelfde proces-verbaal kunnen dienen, lijkt het me echter dat dit proces-verbaal nooit de bijzondere bewijswaarde kan hebben gehad, aangezien de akte dan niet alle waarborgen van waarachtigheid biedt.
Het tegenbewijs kan zelfs voor de eerste keer in hoger beroep worden ondernomen.[107]
3.3. Beoordeling door de rechter
De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de elementen die als tegenbewijs worden aangevoerd.[108] Geen enkele wettekst beperkt immers de beoordelingsvrijheid van de rechter ten aanzien van de bewijswaarde van de gegevens die als tegenbewijs worden aangebracht, zodat het algemene beginsel van de vrije bewijswaardering in strafzaken geldt.
Hoewel in beginsel alle wettelijke middelen bruikbaar zijn bij het leveren van het tegenbewijs, zal nochtans niet elk van die middelen op zich voldoende zijn om als tegenbewijs te gelden. Zo zal een loutere ontkenning van de feiten door de belanghebbende partij niet volstaan om de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal aan te tasten.[109] De rechter die in dit geval toch (op onaantastbare wijze) oordeelt dat het vereiste tegenbewijs geleverd is, neemt een onwettige beslissing. Dit is logisch. Wanneer loutere ontkenningen of loutere vermoedens voldoende zouden zijn als tegenbewijs, kan men zich afvragen wat dan nog het nut is van de wettelijke bewijswaarde.
De onaantastbare beoordeling betreft dan ook slechts het vaststaan en de inhoud van de feiten die als tegenbewijs worden voorgebracht, en niét de vaststelling dat die vaststaand geoordeelde feiten het vereiste tegenbewijs vormen. Het Hof van Cassatie bezit een marginaal toetsingsrecht aangaande de vraag of de aangevoerde en de door de rechter aangenomen feiten voldoende zijn om het vereiste tegenbewijs te leveren.[110] De aangebrachte middelen kunnen slechts tegenbewijs vormen wanneer er sprake is van met elkaar overeenstemmende gegevens.[111] De bijzondere bewijswaarde mag niet al te gemakkelijk aan het proces-verbaal worden ontnomen.
Daarom ook kan een eenvoudige schriftelijke verklaring of één enkele getuigenis op zich evenmin volstaan. Waar HOLSTERS stelt dat het tegenbewijs door getuigen getuigenverklaringen onder eed veronderstelt, ‘aangezien getuigenverklaringen zonder eed slechts eenvoudige inlichtingen zijn die de wettelijke bewijswaarde van een proces-verbaal niet kunnen aantasten’, meen ik dat deze stelling correct is in die zin dat een loutere verklaring zonder eedaflegging onvoldoende is om het vereiste tegenbewijs te vormen.[112] In combinatie met andere gegevens kunnen eenvoudige inlichtingen echter wel de bijzondere bewijswaarde aantasten. Daarom kan ik de stelling van HOLSTERS niet volledig bijtreden.
Voor de rechter komt het er op aan om uit te maken of er een tegenbewijs voorhanden is of niet. Een volledig, beslissend bewijs van de onjuistheid van de materiële vaststellingen moet geleverd zijn. Het enkele feit dat er twijfel bestaat omtrent de inhoud van het proces-verbaal kan niet als tegenbewijs gelden en kan een eventuele vrijspraak dan ook niet wettigen.[113] Ook de omstandigheid dat de rechter, vb. ingevolge openbare bekendheid of persoonlijke kennis, twijfels zou hebben omtrent de oprechtheid van de verbalisanten of de gedane vaststellingen onwaarschijnlijk zou achten, ontslaat hem niet van de verplichting de wettelijke bewijswaarde van het proces-verbaal te eerbiedigen. Wanneer twijfel blijft, moet de veroordeling volgen. In tegenstelling tot een proces-verbaal zonder wettelijke bewijswaarde is de regel “in dubio pro reo” hier dus niet toepasselijk. Over een eventuele schending met artikel 6.2 EVRM, zie infra 3.4.
Bij zijn beoordeling dient de rechter uiteraard eveneens rekening te houden met de aanvullende bewijzen aangebracht door de andere partijen, tot staving van de gegevens van het proces-verbaal en tot bestrijding of weerlegging van de door de belanghebbende partij als tegenbewijs aangevoerde middelen.[114]
De beklaagde kan echter steeds een rechtvaardigingsgrond (vb. overmacht of wettige verdediging), een schulduitsluitingsgrond, een beslissende verschoningsgrond of dergelijke opwerpen. De afwezigheid van dergelijke strafuitsluitingsgronden behoort in beginsel niet tot de materiële vaststellingen die de verbalisanten moeten doen, zodat die afwezigheid niet de bijzondere bewijswaarde bezit.[115] Een volledig tegenbewijs dient hier dus niet te worden geleverd.[116] Het is, naar algemene regel, voldoende dat de beklaagde een rechtvaardigingsgrond e.d. op zulkdanige wijze aanbrengt dat de ingeroepen omstandigheid niet van elke geloofwaardigheid is ontbloot. De bewijslast komt dan opnieuw op de vervolgende partij te liggen. Ook hier mag de rol van de strafrechter niet uit het oog worden verloren. Zelfs een stilzwijgen van de beklaagde sluit niet uit dat de strafrechter zelf een strafuitsluitingsgrond opwerpt. Deze actieve rol van de rechter kan echter eveneens in het nadeel van de beklaagde spelen. Wanneer de beklaagde met een zekere graad van geloofwaardigheid een strafuitsluitingsgrond inroept, kan de rechter, bij stilzwijgen van de vervolgende partij, zelf de onjuistheid ervan aantonen en de ingeroepen strafuitsluitingsgrond afwijzen.[117]
De rechter kan aanvaarden dat het tegenbewijs werd geleverd wat bepaalde materiële vaststellingen betreft, maar dat het niet werd geleverd voor andere vaststellingen van datzelfde proces-verbaal.[118]
In de gevallen waarin hij het tegenbewijs bewezen acht, moet hij dit vaststellen in een gemotiveerde beschikking. Dit is essentieel. Hier komt dus duidelijk het verschil tot uiting met de processen-verbaal die gelden als gewone inlichting. Waar bij de gewone processen-verbaal de rechter de inhoud ervan in beginsel - geen rekening houdend met de antwoordverplichting bij conclusies – zonder meer naast zich kan neerleggen, zal bij een proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel de rechter moeten preciseren op grond van welke elementen hij tot de onjuistheid van dit proces-verbaal besluit.[119] De rechter kan niet, zonder enige verklaring, een beslissing nemen die in strijd is met de vaststellingen van het proces-verbaal.[120]
De enkele vaststelling dat de materiële feiten niet voldoende bewezen zijn, is onvoldoende. De rechter moét een tegenbewijs aanhalen. Door deze motiveringsplicht kan het Hof van Cassatie nagaan of de rechter uit de door hem (op onaantastbare wijze) aangenomen feiten het tegenbewijs kon afleiden, om te vermijden dat de rechter de wettelijke bewijswaarde van het proces-verbaal zou ‘omzeilen’ door al te gemakkelijk het tegenbewijs voor geleverd te houden.
3.4. Verenigbaarheid met het EVRM?
We hebben reeds besproken welke houding de rechter moet aannemen wanneer het tegenbewijs niet volledig kan geleverd worden, maar waarbij er niettemin in hoofde van de rechter twijfel ontstaat omtrent de juistheid van de materiële feiten. Er zijn naar intern Belgisch recht slechts 2 mogelijkheden voor de rechter: ofwel is er tegenbewijs geleverd, ofwel niet. De twijfel is geen volledig tegenbewijs, zodat de rechter in dit geval moet veroordelen. De regel “in dubio pro reo” is, volgens de heersende opvatting, niet van toepassing bij processen-verbaal met een bijzondere bewijswaarde.
Men kan zich evenwel afvragen of deze opvatting verenigbaar is met artikel 6 EVRM of artikel 14 IVBPR. Uit het arrest Salabiaku van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt immers dat veel belang moet worden gehecht aan het vermoeden van onschuld en de regel “in dubio pro reo”.[121]
Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 11 september 1990 duidelijkheid gebracht.[122] Een veroordeling ondanks twijfel omtrent inhoud van het proces-verbaal is niet in strijd met het vermoeden van onschuld. De bijzondere bewijswaarde is immers enkel gehecht aan de materiële vaststellingen. Artikel 6.2 EVRM daarentegen betreft de schuld van de beklaagde en is zodoende ruimer dan het domein dat door de wettelijke bewijswaarde wordt ingenomen. Hoewel de regel “in dubio pro reo” dus niet toepasselijk is op de materiële elementen van het misdrijf, speelt het vermoeden van onschuld wél voluit t.a.v. het morele element van het misdrijf. Het is bijgevolg perfect denkbaar dat het tegenbewijs van de materiële vaststellingen niet wordt geleverd, maar dat er toch twijfel bestaat omtrent de schuld van de beklaagde. De regel “in dubio pro reo” is hier wel van toepassing en een vrijspraak dringt zich op.[123]
Volgens VAN DEN WYNGAERT moet men bij de vraag naar de al dan niet verenigbaarheid met het vermoeden van onschuld in artikel 6 EVRM, rekening houden met de ernst van de inbreuk.[124] Staten zijn volgens de rechtspraak van het EHRM gerechtigd om, binnen zekere grenzen, met schuldpresumpties te werken, op voorwaarde evenwel dat de procesrechten van artikel 6 EVRM er niet door worden uitgehold. Daarom is volgens haar de techniek van de processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel waarschijnlijk aanvaardbaar zolang het minder ernstige misdrijven betreft. Deze argumentering is m.i. niet helemaal correct. De bijzondere bewijswaarde van een proces-verbaal houdt geen ‘schuldpresumptie’ in. De wettelijke bewijswaarde betreft enkel de materiële vaststellingen, en laat het vermoeden van onschuld onaangeroerd. VAN DEN WYNGAERT haalt hier de bijzondere bewijswaarde van een proces-verbaal enerzijds en een wettelijk vermoeden van schuld anderzijds, door elkaar. Voor de wettelijke vermoedens van schuld gaat de redenering sowieso op.[125] Dergelijke schuldvermoedens zijn inderdaad slechts aanvaardbaar wanneer het om minder ernstige misdrijven gaat.   
Deze stelling gaat m.i. ook wel op voor processen-verbaal met bijzondere bewijswaarde, maar dan niet omwille van de redenering dat deze een schuldpresumptie zouden inhouden, maar wel in het algemene kader van het recht van verdediging. Voor de zwaarste misdrijven kan er geen bijzondere bewijswaarde toekomen aan de vaststellingen van de verbalisanten. Er moet hier volledige wapengelijkheid zijn tussen de procespartijen. Het Belgische rechtssysteem geeft hier gevolg aan door te bepalen dat geen wettelijke bewijswaarde kan toekomen aan processen-verbaal tot vaststelling van misdaden.
De huidige regeling omtrent de processen-verbaal tot bewijs van het tegendeel blijkt trouwens in zijn totaliteit verenigbaar te zijn met het recht van verdediging. De belangrijkste elementen die hierop wijzen, zijn ongetwijfeld de beperking van de draagwijdte van de wettelijke bewijswaarde tot de materiële vaststellingen, en het feit dat het tegenbewijs op geen enkele wijze mag worden ingeperkt. Ook worden er in het licht van het recht van verdediging strenge vormvereisten gesteld opdat een proces-verbaal de bijzondere bewijswaarde zou bezitten. Dat de rechter de gedane vaststellingen niet terzijde mag schuiven zonder op andere gegevens een beroep te doen en de opvatting dat twijfel niet kan volstaan als tegenbewijs, lijkt aanvaardbaar vanuit de ratio legis van de wet, namelijk vanuit de bedoeling om bepaalde misdrijven, die normaal moeilijk te bewijzen zijn, toch efficiënt te kunnen aanpakken.
3.5. Arbitragehof 14 juli 1997
Van oudsher was bloed- of aanverwantschap van de verbalisant met de verdachte, met het slachtoffer, met de benadeelde of met de gehoorde getuigen geen grond van nietigheid van het proces-verbaal.
In een arrest van 14 juli 1997 zei het Arbitragehof evenwel dat “artikel 62 Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre aan de in die wetsbepaling bedoelde processen-verbaal een bijzondere bewijswaarde wordt toegekend tot bewijs van het tegendeel, zonder een onderscheid te maken naargelang de verbalisant al dan niet persoonlijk betrokken is bij de feiten die hij heeft vastgesteld”.[126] In geval van persoonlijke betrokkenheid van de verbalisant blijft het proces-verbaal als zodanig alleszins geldig (want opgesteld door een bevoegd persoon,…), maar de akte zal wel zijn bijzondere bewijswaarde verliezen.
De concrete feiten voor de bodemrechter die leidden tot het arrest waren eenvoudig. Een automobiliste verleende op een kruispunt geen voorrang, waardoor een fietser werd gehinderd. Deze laatste diende immers te remmen om een aanrijding met het voertuig te vermijden. Van die feiten werd door de fietser zelf, daartoe bevoegd als openbaar ambtenaar, een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal bezat in principe bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel.
Men merkt hier onmiddellijk het probleem op. Het proces-verbaal werd opgesteld door de betrokken benadeelde en bezat niettemin bijzondere bewijswaarde, zodat de rechter gebonden was door de gedane vaststellingen. De automobiliste meende vervolgens dat hierdoor de wapengelijkheid tussen de procespartijen was geschonden.
Het Arbitragehof gaf de geverbaliseerde gelijk. Uit dit arrest volgt derhalve dat aan een proces-verbaal geen bijzondere bewijswaarde meer kan toekomen, voor zover het gaat om de vaststelling van feiten waarbij de verbalisant persoonlijk betrokken is.[127] De vraag rijst dan uiteraard wat deze “persoonlijke betrokkenheid” precies inhoudt.[128]
Wat is vooreerst de draagwijdte van het woord “persoonlijk”? Is een onrechtstreekse binding met de feiten voldoende? In dit geval zouden de mogelijke situaties waarbij de verbalisant ‘persoonlijk’ betrokken is, quasi onbegrensd zijn. Zo kan het slachtoffer een vriend zijn van de verbalisant. Het kan eveneens gaan om een collega, zijn hiërarchisch overste, de leraar van zijn kind, de verhuurder van het door de verbalisant bewoonde appartement, enz… En wat met de verbalisant die bij een verkeersongeval een dier ziet sterven, terwijl hij lid is van GAIA? Of een verbalisant-voetbalspeler die geconfronteerd wordt met een supporter van een andere voetbalploeg? Gezien de nadruk waarmee het Arbitragehof in haar arrest de eerlijke manier van procesvoering onderstreepte (het Hof sprak van “strijdigheid met artikel 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met de regels van eerlijk proces bevestigd door artikel 6 EVRM”), zal elke subjectiviteit in hoofde van de verbalisant de bijzondere bewijswaarde van het door hem opgestelde proces-verbaal aantasten. Deze subjectiviteit zal tot de feitelijke beoordeling van de feitenrechter behoren, waarop een marginale toetsing door het Hof van Cassatie mogelijk is. Deze marginale toetsing zal echter niet veel voorstellen aangezien het de bodemrechter is die op onaantastbare wijze de feiten gaat vastleggen die op persoonlijke betrokkenheid kunnen wijzen.
En wat houdt het woord “betrokkenheid” in? Bij de weergave van de feiten sprak het arrest van een ‘gehinderd zijn’ van de verbalisant. In haar eigenlijke beslissing zegt het Arbitragehof niets over een eventuele materiële of morele schade (of een risico hiervoor), dat vereist zou zijn. Het louter ‘gehinderd zijn’ leidt er bijvoorbeeld toe dat een verbalisant geen proces-verbaal zal kunnen opstellen met een bijzondere bewijswaarde wanneer hij toevallig deel uitmaakt van het verkeer in de buurt van een ongeval en hierdoor als gewone weggebruiker gehinderd wordt. Dit zou dan zelfs gelden zonder dat er sprake is van enige schademogelijkheid.
M.i. mag men de notie “persoonlijke betrokkenheid” niet al te ruim interpreteren. Een extensieve uitlegging holt het principe van een proces-verbaal met bijzondere bewijswaarde voor een groot deel uit. De bijzondere bewijswaarde is immers in wezen niet zozeer afhankelijk van de hoedanigheid van de verbalisant, maar wel van de aard van de misdrijven. Men wil de moeilijke bewijsbaarheid ervan verhelpen. Door de nabijheid van de verbalisant is hij trouwens juist in staat om de meest nauwkeurige vaststellingen te doen.
Vooral de mate van zgn. ‘betrokkenheid’ moet m.i. beperkt blijven tot het geval waarin de verbalisant zelf enig risico op schade liep. Anders zou door de uitbreiding naar o.a. vrienden en familie, het proces-verbaal eveneens slechts de waarde van een gewone inlichting hebben wanneer bijvoorbeeld de verbalisant proces-verbaal opstelt van een ongeval waarbij een familielid zou ‘gehinderd’ worden ten gevolge van een door het ongeval veroorzaakte file.
Hopelijk slaagt het Hof van Cassatie er toch in om de komende jaren een min of meer vaste rechtspraak uit te bouwen omtrent de juiste draagwijdte van het begrip “persoonlijke betrokkenheid”.
4. Rechtsvergelijking
4.1. Frankrijk
In Frankrijk is de bewijswaarde van processen-verbaal grotendeels op dezelfde wijze geregeld als in België. Het grote verschil ligt evenwel in het feit dat deze regeling in Frankrijk in veel grotere mate bij wet is voorzien. Dit is ongetwijfeld een gevolg van het recentere karakter van de Code de Procédure Pénale (C.P.P.).
Ook in Frankrijk geldt een proces-verbaal van vaststelling in beginsel slechts als een gewone inlichting voor de rechter.[129] Toch maakt men ook hier veelvuldig gebruik van processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel. Het gaat om de processen-verbaal die regelmatig zijn opgesteld door officieren van gerechtelijke politie of door ambtenaren, aan wie de wet uitdrukkelijk de bevoegdheid toekent om overtredingen of bijzondere wanbedrijven vast te stellen.[130] De meeste overtredingen en een deel van de wanbedrijven bezitten de bijzondere bewijswaarde.[131] De misdaden en de wanbedrijven van de Code Pénal hebben, zoals in België, slechts de waarde van een gewone inlichting.
Uiteraard moet het proces-verbaal aan alle vormvereisten voldoen en zijn opgesteld door een bevoegd persoon.[132] Zoniet bezit het proces-verbaal slechts de gewone bewijswaarde. Vanzelfsprekend kent men in Frankrijk niet de problemen omtrent de taalwetgeving waarmee wij in België steeds geconfronteerd worden. Elk proces-verbaal dient er in het Frans te zijn opgesteld.[133]
Ook in Frankrijk is de bijzondere bewijswaarde enkel gehecht aan de materiële feiten die de verbalisant persoonlijk en zintuiglijk (ex propriis sensibus) heeft vastgesteld.[134] Subjectieve bevindingen en feitelijke of juridische gevolgtrekkingen van de verbalisant dringen zich geenszins aan de rechter op. Wat de getuigenverklaringen en de bekentenissen betreft, geldt hetzelfde als in België. De rechter is enkel gehouden door de vaststelling dát deze aan de verbalisant werden gedaan. Over de waarachtigheid of de oprechtheid van de verklaringen oordeelt de rechter volkomen vrij.[135]
Artikel 537, 3de lid C.P.P. bepaalt uitdrukkelijk dat het tegenbewijs enkel kan worden geleverd door geschriften of door getuigen. Vermoedens, loutere ontkenningen van de verdachte of inlichtingen zijn op zich onvoldoende om als tegenbewijs te dienen.[136] In 1996 werd geoordeeld dat deze bepaling niet onverenigbaar is met het beginsel van de wapengelijkheid.[137] Op het eerste gezicht lijkt deze Franse regeling verschillend van de Belgische, waar het tegenbewijs met alle middelen kan worden geleverd. Toch is in België evenmin elk van die middelen op zich voldoende als tegenbewijs. De Belgische en de Franse regeling verschillen op dit punt dan ook niet zo veel van elkaar. In Frankrijk kan men immers eveneens gebruik maken van vermoedens e.d. om aan de geschriften of aan de getuigenverklaringen een grotere geloofwaardigheid te verlenen. Het enige verschil zou dan kunnen ontstaan wanneer het tegenbewijs wordt ondernomen met allerlei wettelijke bewijsmiddelen die echter geen geschriften of getuigenverklaringen zijn. In België oordeelt de rechter vrij over hun bewijswaarde en kan, in principe, vervolgens besluiten dat het tegenbewijs geleverd is, op voorwaarde uiteraard dat er sprake is van ‘verscheidene met elkaar overeenstemmende gegevens’. In Frankrijk daarentegen lijkt er geen juridische grondslag te zijn om het tegenbewijs in dit geval voor geleverd te houden. Toch kan m.i. worden opgemerkt dat ook in België normaal gezien steeds enige vorm van geschrift of getuigenis voorhanden moet zijn opdat de rechter het tegenbewijs voor geleverd zal houden. Zoniet komt men al snel in een situatie terecht waarbij het woord van de verdachte tegenover het woord van de verbalisant wordt geplaatst. In het licht van de ratio legis van de bijzondere bewijswaarde moet in deze gevallen dan ook de voorkeur worden gegeven aan de getuigenis van de verbalisant. Het verschil tussen de Franse en de Belgische regeling betreffende de middelen die kunnen worden aangewend ter bestrijding van de vaststellingen, lijkt dan ook eerder van theoretische aard te zijn.
Over de rol van de strafrechter bij het leveren van het tegenbewijs lopen de meningen in Frankrijk eveneens uiteen. Na een arrest van 1991 oordeelt RASSAT dat de beklaagde geen enkele hulp kan verwachten van de rechtbank. Toch lijkt ook bij onze zuiderburen het laatste woord hierover nog niet gezegd.[138]
4.2. Nederland
In Nederland is de situatie grondig verschillend. Het proces-verbaal van vaststelling is slechts één van de vijf wettige bewijsmiddelen waarop de rechter zich bij zijn beoordeling kan steunen.[139] Aan dergelijk proces-verbaal wordt eveneens bijzondere waarde verleend, maar dan wel in een volledig andere betekenis dan in België en Frankrijk.
In Nederland wordt de bevoegdheid om zich te steunen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar gezien als een uitzondering op de volgens artikel 342, 3de lid Ned. Sv. geldende regel dat een bewezenverklaring niet mag worden aangenomen op basis van de verklaring van één enkele getuige. Het proces-verbaal wordt door de wet wel opgenomen in de categorie van de “schriftelijke bescheiden”, maar eigenlijk gaat het veeleer om een bevoorrechte getuigenis, dat op zichzelf voldoende kan zijn om de ten laste gelegde feiten bewezen te verklaren. Er is hier geen tweede getuigenverklaring vereist.
De processen-verbaal met bijzondere bewijswaarde zoals in België en Frankrijk zijn in Nederland dus niet gekend. Toch is het duidelijk dat de uitzondering op de regel van twee getuigen geïnspireerd is door dezelfde motieven die in België en in Frankrijk aan de oorsprong lagen van het ontstaan van de bijzondere bewijswaarde, met name de moeilijkheid bij de vaststelling van bepaalde misdrijven. De stap van de gewone bewijswaarde naar de bijzondere bewijswaarde in het Belgische en Franse recht is vergelijkbaar met de stap van de eis van twee getuigen naar het proces-verbaal van één ambtenaar in het Nederlandse recht. Telkens overheerst de bedoeling om bepaalde inbreuken op een gemakkelijkere manier te bewijzen.[140]
De rechter kán dus zijn beslissing steunen op één proces-verbaal. Toch is hij, i.t.t. in België en Frankrijk, geenszins gebonden aan de inhoud van het proces-verbaal. De rechter beoordeelt volkomen vrij de betrouwbaarheid van het proces-verbaal. Het Nederlandse recht kent immers geen positief-wettelijke bewijstheorie. Nederland wordt daarentegen gekenmerkt door een negatief-wettelijk bewijsstelsel gecombineerd met het bestaan van bewijsminimumregels.[141]
De rechter zal echter slechts kunnen volstaan met dat ene proces-verbaal voorzover het in de wettelijke vorm is opgesteld door een daartoe bevoegd college of persoon.[142] Bovendien moet het proces-verbaal mededeling maken van de door de opsporingsambtenaar waargenomen feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van wat een opsporingsambtenaar beschouwt als ‘door hem zelf waargenomen’, houdt de Hoge Raad rekening met diens bijzondere deskundigheid en ervaring. Deze elementen verhogen de mate van betrouwbaarheid van het proces-verbaal.[143]
De verbalisant moet zorgvuldig vaststellen wat hij waarneemt, zodat de rechter tot een zelfstandig oordeel kan komen omtrent deze feiten. Desnoods dient een proces-verbaal voor gebruik te worden “gesplitst”. Dit is het geval wanneer het proces-verbaal zowel feitelijke waarnemingen als gissingen en meningen bevat. Persoonlijke meningen van de verbalisant kunnen op zich niet volstaan als uitzondering op de eis van twee getuigen. De rechter moet dan ook in zijn vonnis behoorlijk aanduiden op welke passages van het proces-verbaal hij steunt om het bewijs voor geleverd te verklaren. Enkel de passages met werkelijke ‘waarnemingen’ zullen op zich kunnen volstaan als bewijs van het misdrijf.[144]
Hoewel de Belgische en de Nederlandse regeling conceptueel zeer verschillend zijn, zien we dat er niettemin veel regels uit het Belgische recht, vooral wat betreft de draagwijdte van de bijzondere bewijswaarde en de motiveringsplicht van de rechter, zeer herkenbaar zijn in de Nederlandse regeling. Dit is uiteraard een gevolg van het feit dat beide regelingen i.v.m. de bewijswaarde van processen-verbaal dezelfde ratio legis hebben.
5. Besluit
Het strafprocesrecht, en het bewijsrecht in het bijzonder, tracht steeds een evenwicht te vinden tussen efficiëntie (= belangen van de maatschappij) en het recht van verdediging (= belangen van het individu). De laatste jaren zijn de rechten van het individu zeer sterk toegenomen. Dit geeft overigens de beschavingsgraad van onze cultuur aan. Toch mag men hierin niet overdrijven. De overheid moet de misdrijven nog steeds op efficiënte wijze kunnen vervolgen, bewijzen en bestraffen. Daarom is het verantwoord om bepaalde processen-verbaal te bekleden met een wettelijke bewijswaarde. Zo is het bijvoorbeeld zeker geoorloofd om bijzondere bewijswaarde toe te kennen aan de processen-verbaal opgesteld bij vaststelling van snelheidsovertredingen.
Het beginsel van de vrije bewijswaardering is echter fundamenteel in ons Belgisch strafprocesrecht. De uitzonderingen op deze vrije bewijswaardering door de rechter dienen dan ook zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Daarom moet gewaarschuwd worden voor een veelvuldig gebruik door de wetgever (of decreetgever) van processen-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. De toekenning van bijzondere bewijswaarde aan processen-verbaal moet beperkt blijven tot de misdrijven waarvan het bewijs niet op even efficiënte wijze via andere middelen kan worden geleverd.
Wat zien we nu echter in de praktijk? Telkens wanneer de wetgever een nieuwe bijzondere strafwet invoert, geeft ze quasi-automatisch aan bepaalde ambtenaren de bevoegdheid om processen-verbaal op te stellen met een wettelijke bewijswaarde. Men houdt geen (of alleszins veel te weinig!) rekening met de ratio legis van dergelijke processen-verbaal. Hoewel ik de deskundigheid en de betrouwbaarheid van de aangewezen ambtenaren zeker niet in twijfel wil trekken, moet er toch aan herinnerd worden dat de bijzondere bewijswaarde in wezen niet afhangt van de hoedanigheid van de verbalisant, maar wel van de aard van het vastgestelde misdrijf en de daarmee samenhangende bewijsmoeilijkheden. De wetgever dient dit steeds in het achterhoofd te houden bij het toekennen van bijzondere bewijswaarde aan processen-verbaal opgesteld in het kader van de nieuwe wet of het nieuwe decreet.
Maar hiermee is het probleem niet van de baan. Zelfs wanneer de wet niet expliciet aangeeft dat de betrokken processen-verbaal een bijzondere bewijswaarde bezitten, dan nog kan zulks worden afgeleid uit de uitdrukkelijke opdracht aan bepaalde ambtenaren om specifieke inbreuken vast te stellen. Dit is reeds lange tijd een vaste interpretatie in de rechtspraak en de rechtsleer. Hoe kan men dan nog vermijden dat er systematisch gebruik wordt gemaakt van processen-verbaal met een wettelijke bewijswaarde? Moet men de wetgever verbieden om specifieke ambtenaren te belasten met een bepaalde opdracht? Of moet men aannemen dat een proces-verbaal voortaan enkel nog de bijzondere bewijswaarde kan bezitten voor zover de wet dit uitdrukkelijk bepaalt, en zo komaf maken met de heersende visie? Beide hypothesen lijken erg onwaarschijnlijk.
Toch moet men ingrijpen om een overtollig gebruik van processen-verbaal met een wettelijke bewijswaarde tegen te gaan. De enige oplossing lijkt er m.i. in te bestaan dat de wetgever uitdrukkelijk bepaalt dat de processen-verbaal opgesteld in het kader van de nieuwe wet slechts de waarde van een gewone inlichting zullen hebben. Op die manier kan de wetgever ambtenaren blijven belasten met de controle op de naleving van de wet, zonder dat de door hen opgestelde processen-verbaal evenwel bijzondere bewijswaarde verkrijgen. Dit lijkt enigszins vreemd. Men zou immers de algemene regel (=vrije bewijswaardering) uitdrukkelijk moeten vermelden om deze toepasselijk te kunnen maken. De regel wordt dan plots de uitzondering. Toch lijkt deze oplossing noodzakelijk om te vermijden dat, door de combinatie van het aanwijzings- en specialiteitsbeginsel, bijzondere bewijswaarde toekomt aan de betreffende processen-verbaal.
Het toekennen van een wettelijke bewijswaarde aan bepaalde processen-verbaal is op zich niet onverenigbaar met het vermoeden van onschuld. De bijzondere bewijswaarde blijft beperkt tot de materiële vaststellingen van de verbalisant, en laat het adagium “in dubio pro reo” voluit spelen ten aanzien van de schuld van de beklaagde. De vereiste van een volledig tegenbewijs en de stelling dat in geval van twijfel omtrent de feiten de rechter moet veroordelen, zijn een logisch gevolg van de wettelijke bewijswaarde. Omwille van de aard van de betrokken misdrijven zal er in deze gevallen juist regelmatig twijfel rijzen omtrent de vastgestelde feiten. Het proces-verbaal is vaak het enige element waarop de rechter kan steunen om tot een veroordeling te komen. Plaats hier de getuigenis van de beklaagde tegenover en men begrijpt dat twijfel niet uit te sluiten valt. De functie van de wettelijke bewijswaarde bestaat er nu net in om de rechter meer geloof te doen hechten aan het woord van de verbalisant dan aan dat van de beklaagde.
De verenigbaarheid van dergelijke processen-verbaal met het vermoeden van onschuld sluit echter geenszins uit dat de wapengelijkheid tussen de procespartijen kan worden verstoord. Dit is, zoals reeds gezegd, verantwoord voor zover het misdrijf van die aard is dat het niet met de gewone bewijsmiddelen kan worden bewezen. Maar zelfs dan moet men het recht van verdediging zo veel mogelijk respecteren. De Belgische regeling komt hieraan tegemoet door het tegenbewijs op geen enkele wijze in te perken. Ook de rechter moet hierbij een actieve rol kunnen spelen om te verhinderen dat hij te veel zou afhangen van de politieman. De rechter moet het tegenbewijs voor geleverd houden, zelfs bij stilzwijgen van de beklaagde.
Conceptueel is een proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel zodoende verantwoord op voorwaarde dat men de ratio legis respecteert en het recht van verdediging niet schendt. Het kan een zeer nuttig bewijsmiddel zijn in de gevallen waarin men het misdrijf (bijna) onmogelijk met andere middelen kan bewijzen. In situaties van woord tegen woord kan zo vermeden worden dat de rechter omwille van het vermoeden van onschuld dient vrij te spreken.
Tenslotte hoeft het ook geen ramp te betekenen dat de wettelijke bewijswaarde niet wordt uitgebreid tot alle elementen van het proces-verbaal. Zo wordt bijvoorbeeld inzake de vaststellingen door middel van technische apparatuur de goede werking van het toestel wel vrij door de rechter beoordeeld, maar deugdelijke en geslaagde testresultaten zullen aan deze toestellen zulke betrouwbaarheid verlenen dat de rechter er de facto niet om heen kan. De correcte werking van de apparatuur verkrijgt op die manier een soort oneigenlijke bijzondere bewijswaarde.

[1] R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Antwerpen, Kluwer, 1994, 123.
[2] M.n. art. 16, 18 t.e.m. 22, 29, 32, 33, 42, 45, 48 t.e.m. 54, 78, 154, 189, 448 en 450 Sv..
[3] M. BOCKSTAELE, Processen-verbaal, Antwerpen, Maklu, 1997, nr. 1; M. BOCKSTAELE, “Processen-verbaal en verhoren in de Wet Franchimont”, Panopticon 1999, 340; D. HOLSTERS, “De bewijswaarde van het proces-verbaal betreffende de vaststelling van misdrijven”, R.W. 1980-81, k. 1359, nr. 13.
[4] Cass. 19 februari 1991, Arr. Cass. 1990-91, nr. 330; J. VANHALEWIJN en L. DUPONT, Valsheid in geschriften, in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1975, nr. 104-105.
[5] Art. 154 Sv.; F. HELIE, Traité de l’instruction criminelle, II, Brussel, Bruylant, 1865, nr. 1655; Ph. TRAEST, Het Bewijs in Strafzaken, Gent, Mys en Breesch, 1992, nr. 484. De processen-verbaal die akten van rechtspleging zijn, zoals bijvoorbeeld het proces-verbaal van de terechtzitting, komen hier niet aan bod.
[6] G. BELTJENS, Encyclopédie du droit criminel belge, I, Brussel, Bruylant, 1906, art. 154, nr. 1-4; D. HOLSTERS, “Bewijsvoering in strafzaken”, in X. (ed.), Comm. Strafr., s.l., 1995, afl. 20, nr. 2; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 1999, p. 643, nr. 1535.
[7] Cass. 26 maart 1991, Arr. Cass. 1990-91, nr. 400; Cass. 25 april 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 131.
[8] Zie o.a. artikel 90 septies Sv. voor wat betreft de maatregelen inzake telecommunicatie.
[9] R. VERSTRAETEN, o.c., p. 656-657, nr. 1567-1571.
[10] D. HOLSTERS, l.c., k. 1362, nr. 19; M. BOCKSTAELE, o.c., nr. 173.
[11] Cass. 27 november 1834, Pas. 1835, I, 329; Cass. 15 februari 1842, Pas. 1842, I, 67.
[12] R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, Prolegomena, nr. 13, Brussel, Swinnen, 1988, 72-73; F. HELIE, o.c., nr. 1821; D. HOLSTERS, l.c., k. 1378, nr. 56; P.E. TROUSSE, Les Novelles. Droit pénal, I/2, Brussel, Bruylant, 1962, nr. 3527.
[13] R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, 73; R. VERSTRAETEN, o.c., p. 661, nr. 1582.
[14] Cass. 26 april 1926, Pas. 1926, I, 350, R.D.P. 1926, 689. Zie ook recent: Brussel 9 mei 1990, J.L.M.B. 1991, 226.
[15] D. HOLSTERS, l.c., k. 1360, nr. 14.
[16] R. DECLERCQ, Beginselen van Stafrechtspleging, p. 459, nr. 1191; C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1998, 934-935. Merk ook hier het verschil op met de bewijskracht van het proces-verbaal. Waar de rechter bij de bewijskracht de ‘termen’ moet eerbiedigen, moet hij hier de ‘inhoud’ respecteren.
[17] R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, p. 459, nr. 1191; D. HOLSTERS, “Over ‘in de vlucht’ gedane ‘vaststellingen’ inzake verkeer”, in X. (ed.), Liber Amicorum Marc Chatêl, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 299, nr. 8; D. HOLSTERS, l.c., k. 1361, nr. 18 en p. 1390, nr. 86.
[18] M.L. RASSAT, Procédure Pénale, Paris, Presses Universitaires de France, 1995, p. 344, nr. 217.
[19] R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, p. 459, nr. 1191; Ph. TRAEST, “Enkele bemerkingen bij de processen-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel”, (noot onder Cass. 4 oktober 1988), R.W. 1988-89, p. 884-885, nr. 3.
[20] C. VAN DEN WYNGAERT, o.c., 934.
[21] Cass. 4 januari 1994, R.W. 1993-94, 1054, noot A. VANDEPLAS.
[22] M. BOCKSTAELE, o.c., nr. 176.
[23] D. HOLSTERS, l.c., k. 1379, nr. 59.
[24] Voor minderjarigen is het beter te spreken van ‘een als misdrijf omschreven feit’ dan van ‘een misdrijf’. Gezien het onweerlegbaar vermoeden van niet-toerekeningsvatbaarheid van de minderjarige is er, bij gebrek aan een moreel bestanddeel, immers geen “misdrijf”.
[25] Mil. Ger. 22 juni 1966, Rev. dr. pén. 1966-67, 193.
[26] Zie bijvoorbeeld art. 7 Drugwet 24 februari 1921, art. 24 Jachtwet 28 februari 1882, art. 81 Veldwetboek 7 oktober 1886, art. 62 Wegverkeerswet,… Voor een volledigere opsomming, zie D. HOLSTERS, l.c., k. 1445, nr. 119.
[27] Cass. 25 september 1961, Rev. dr. pén. 1961-62, 1023; Cass. 20 januari 1964, Pas. 1964, I, 537, R.W. 1964-65, 524; Brussel 7 november 1823, Pas. 1822-23, 530; D. HOLSTERS, l.c., k. 1436, nr. 102-104 en de verwijzingen aldaar.
[28] Cass. 16 oktober 1933, Pas. 1934, I, 38; Cass. 18 maart 1993, Arr. Cass. 1993, 304; J. D’HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Gent, Story, 1985, nr. 378; HAYOIT DE TERMICOURT, conclusie voor Cass. 17 maart 1952, Pas. 1952, I, 441; D. HOLSTERS, l.c., k. 1448, nr. 124; Ph. Traest, o.c.,p. 440, nr. 870.
[29] Vb. art. 3 K.B. van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.
[30] D. HOLSTERS, l.c., k. 1447, nr. 122.
[31] Vb. art. 7 Drugwet 24 februari 1921; art. 3 Wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter, art. 66 Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw, enz… Voor meer voorbeelden, zie D. HOLSTERS, l.c., k. 1446, nr. 121.
[32] Vb. art. 6 Wet van 30 december 1950 tot regeling van de diamantnijverheid.
[33] Art. 32 Wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij; D. HOLSTERS, l.c., k. 1449, nr. 124.
[34] Cass. 22 januari 1980, Arr. Cass. 1979-80, nr. 303; J. D’HAENENS, o.c., nr. 378; Ph. TRAEST, o.c., p. 440, nr. 870.
[35] Art. 35, 36 en 46 Sv.
[36] Ph. TRAEST, o.c., p. 441, nr. 872.
[37] D. HOLSTERS, l.c., k. 1554, nr. 136.
[38] Art. 62 Wegverkeerswet.
[39] P. VANDERNOOT, noot onder Arbitragehof 13 juni 1991, J.L.M.B. 1991, 1024-1025.
[40] Artikel 11 B.W.H.I. spreekt verkeerdelijk van ‘bewijskracht’.
[41] D. HOLSTERS, l.c., k. 1454-1455, nr. 137-138.
[42] Cass. 28 september 1976, Arr. Cass. 1977, 115, Pas. 1977, I, 115; A. VANDEPLAS, noot onder Gent 9 januari 1979, R.W. 1979-80, 1869.
[43] Uitzondering voor wat betreft de taalwetgeving. M. BOCKSTAELE, o.c., nr. 108.
[44] D. HOLSTERS, l.c., k. 1363, nr. 24.
[45] Cass. 25 februari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 599; D. HOLSTERS, l.c., k. 1371, nr. 42.
[46] Dit beginsel werd herinnerd door het artikel 272 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen.
[47] M. BOCKSTAELE, o.c., nr. 179-183.
[48] M. BOCKSTAELE, o.c., nr. 183.
[49] Luik 7 april 1965, J.T. 1965, 366, Rev. dr. pén. 1964-65, 1111, terecht gecasseerd door Cass. 24 januari 1966, Rev. dr. pén. 1965-66, 591.
[50] Luik 7 april 1965, J.T. 1965, 366.
[51] Cass. 23 juni 1992, Arr. Cass. 1991-92, nr. 559.
[52] D. HOLSTERS, l.c., k. 1365, nr. 28.
[53] Cass. 1 oktober 1986, Pas. 1987, I, 130.
[54] Brussel 30 juli 1959, J.T. 1960, 323; M. BOCKSTAELE, o.c.n nr. 27; D. HOLSTERS, l.c., k. 1371, nr. 43; contra Corr. Kortrijk 16 maart 1955, R.W. 1955-56, 1862.
[55] Cass. 20 juli 1978, R.W. 1979-80, 303.
[56] D. HOLSTERS, l.c., k. 1366, nr. 25.
[57] M. BOCKSTAELE, o.c., nr. 137; D. HOLSTERS, l.c., k. 1366, nr. 32.
[58] D. HOLSTERS, l.c., k. 1366, nr. 33.
[59] F. HELIE, o.c., nr. 1689.
[60] M. BOCKSTAELE, o.c., nr. 141; D. HOLSTERS, l.c., k. 1366, nr. 31bis.
[61] Cass. (fr.) 13 november 1968, Bull. Crim., nr. 294; F. HELIE, o.c., nr. 1716; D. HOLSTERS, l.c., k. 1366, nr. 33.
[62] Ph. TRAEST, o.c., p. 439, nr. 867.
[63] D. HOLSTERS, l.c., k. 1366, nr. 33.
[64] Cass. 23 april 1991, Arr. Cass. 1990-91, nr. 442.
[65] Gent 29 juni 1970, R.W. 1970-71, 181; Corr. Tongeren 13 februari 1956, J. Liège 1957-58, 50.
[66] Art. 40 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; R. VERSTRAETEN, o.c., p. 229, nr. 491.
[67] Cass. 18 september 1973, R.W. 1973-74, 1204, Pas. 1974, 50, Arr. Cass. 1974, 59.
[68] Cass. 24 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, nr. 119, Pas. 1990, I, nr. 119; Brussel 25 oktober 1961, R.W. 1961-62, 1203; Gent 2 maart 1972, Rev. dr. pén. 1972-73, 528; H. BOSLY, “La régularité de la preuve en matière pénale”, J.T. 1992, 128; R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, 80-81.
[69] R. VERSTRAETEN, o.c., 664, nr. 1590.
[70] Luik 7 januari 1988, J.L.M.B. 1988, 506; Antwerpen 18 oktober 1990, R.W. 1990-91, 856, noot B. SPRIET.
[71] Cass. 23 januari 1990, Arr. Cass. 1989-90, nr. 322.
[72] D. HOLSTERS, l.c., k. 1373, nr. 45.
[73] Cass. 19 maart 1991, Arr. Cass. 1990-91, nr. 373.
[74] Cass. 23 januari 1980, Arr. Cass. 1979-80, 589.
[75] Cass. 9 december 1974, Arr. Cass. 1975, 411, Pas. 1975, I, 379; D. HOLSTERS, l.c., k. 1369, nr. 41; Ph. TRAEST, o.c., p. 438, nr. 866.
[76] Gent 22 juni 1979, R.W. 1979-80, 645; A. DE NAUW, “La provocation à l’infraction par un agent de l’autorité”, Rev. dr. pén. 1980, 321-326.
[77] D. HOLSTERS, l.c., k. 1369, nr. 41.
[78] D. HOLSTERS, l.c., k. 1362, nr. 20.
[79] Art. 137 Boswetboek (Vl.); Cass. 28 april 1969, R.W. 1969-70, 239, Pas. 1969, I, 759; Cass. 8 december 1970, Pas. 1971, I, 322; Cass. 13 juni 1978, Arr. Cass. 1978, 1204, Pas. 1978, I, 1171; R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, 75-76, J. D’HAENENS, o.c., nr. 378; F. HELIE, o.c., nr. 1128; P.E. TROUSSE, o.c., nr. 3534; C. VAN DEN WYNGAERT, o.c., 772-773.
[80] Cass. 8 december 1970, R.W. 1970-71, 469, noot H. PERSOONS.
[81] Gent 2 februari 1989, R.W. 1989-90, 1094, noot A. VANDEPLAS.
[82] Cass. 23 maart 1988, Arr. Cass. 1987-88, nr. 463.
[83] Cass. 27 mei 1980, Arr. Cass. 1979-80, II, 1188.
[84] Cass. 3 juni 1980, Arr. Cass. 1979-80, II, 1227; Cass. 28 mei 1986, Arr. Cass. 1985-86, nr. 605; Cass. 14 december 1988, Arr. Cass. 1988-89, nr. 225.
[85] Cass. 10 maart 1987, Arr. Cass. 1986-87, nr. 409; Cass. 12 april 1988, Arr. Cass. 1987-88, 1011.
[86] R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, 76.
[87] D. HOLSTERS, l.c., k. 1383, nr. 70.
[88] Cass. 21 juni 1978, Pas. 1978, I, 1195; Cass. 24 december 1991, R.W. 1991-92, 1062, noot M. DE SWAEF; Cass. 15 januari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 427; Cass. 21 januari 1992, Arr. Cass. 1991-92, nr. 262; D. HOLSTERS, “Over ‘in de vlucht’ gedane ‘vaststellingen’ inzake verkeer”, in X. (ed.), Liber Amicorum Marc Chatêl, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 302, nr. 16; D. HOLSTERS, “Bewijsvoering in strafzaken”, in X. (ed.), Comm. Strafr., s.l., 1995, afl. 20, 20-21.
[89] Art. 62, lid 2 Wegverkeerswet.
[90] Art. 62, lid 3 Wegverkeerswet; K.B. 11 oktober 1997 tot aanwijzing van de overtredingen waarvan de vaststelling gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, bewijskracht heeft zolang het tegendeel niet bewezen is, B.S. 24 oktober 1997, 28320. Het betreft hier de overtreding van de maximum toegelaten snelheid, de rood-licht-miskenning en het niet in acht nemen van technische voorschriften inzake massa’s van voertuigen.
[91] Art. 62, lid 3 in fine Wegverkeerswet.
[92] K.B. 11 oktober 1997 betreffende de goedkeuring en homologatie van de automatisch werkende toestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie op het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten, B.S. 24 oktober 1997, 28294.
[93] D. HOLSTERS, “Enkele aspecten van verkeersrecht”, in Ph. TRAEST en A. DE NAUW, Wie is er bang van het strafrecht?, Gent, Mys en Breesch, 1992, p. 165, nr. 336
[94] Cass. 4 oktober 1988, Arr. Cass. 1988-89, nr. 69, R.W. 1988-89, 883, noot Ph. TRAEST.
[95] Antwerpen 2 juni 1989, R.W. 1989-90, 580.
[96] Cass. (fr.) 4 februari 1925, Bull. Crim., nr. 18; F. HELIE, o.c., nr. 1849; D. HOLSTERS, l.c., k. 1390-1391, nr. 86.
[97] J.F.C. CARNOT, De l’instruction criminelle, II, Brussel, 1831, 329.
[98] R. VERSTRAETEN, o.c., p. 664, nr. 1588.
[99] Cass. 23 november 1993, R.W. 1993-94, 1053; P.E. TROUSSE, “La preuve des infractions”, R.D.P. 1958-59, 738.
[100] Ph. TRAEST, “Enkele bemerkingen bij de processen-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel”, (noot onder Cass. 4 oktober 1988), R.W. 1988-89, p. 885, nr. 4.
[101] R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, 79-80.
[102] R. DECLERCQ, Beginselen van strarechtspleging, nr. 1199.
[103] A. BRAAS, Précis de procédure pénale, I, Brussel, Bruylant, 1950, nr. 368; D. HOLSTERS, l.c., k. 1391, nr. 87; contra: F. HELIE, o.c., nr. 1846-1847; G. SCHUIND, Traité pratique de droit criminel, II, Brussel, Swinnen, 1981, 340-350.
[104] R. VERSTRAETEN, o.c., p. 661, nr. 1580.
[105] R. VERSTRAETEN, o.c., p. 663, nr. 1587.
[106] D. HOLSTERS, l.c., k. 1392, nr. 87.
[107] F. HELIE, o.c., nr. 1855; Ph. TRAEST, “Enkele bemerkingen bij de processen-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel”, (noot onder Cass. 4 oktober 1988), R.W. 1988-89, p. 885, nr. 5.
[108] Cass. 29 januari 1997, Arr. Cass. 1997, nr. 52; Cass. AR P990397N,16 januari 2001, onuitg.
[109] Cass. 27 februari 1967, Pas. 1967, I, 802.
[110] Ph. TRAEST, o.c., 446, nr. 881.
[111] Arbh. Antwerpen 11 maart 1983, onuitg.
[112] D. HOLSTERS, l.c., k. 1391-1392, nr. 87.
[113] Cass. 7 september 1983, Arr. Cass. 1983-84, nr. 9, Pas. 1984, I, nr. 9; Cass. 29 januari 1986, Arr. Cass. 1985-86, nr. 335; A. BRAAS, o.c., nr. 368; HAYOIT DE TERMICOURT, conclusie voor Cass. 17 maart 1952, Pas. 1952, I, 439-440; D. HOLSTERS, l.c., k. 1392, nr. 88-89.
[114] D. HOLSTERS, l.c., k. 1392, nr. 87.
[115] Ph. TRAEST, o.c., nr. 877.
[116] M.b.t. overmacht: contra, m.i. ten onrechte: D. HOLSTERS, l.c., k. 1393, nr. 89.
[117] R. VERSTRAETEN, o.c., p. 639-640, nr. 1524 en 1526.
[118] Cass. 23 februari 1970, Arr. Cass. 1970, 592, Pas. 1970, I, 554; D. HOLSTERS, l.c., k. 1393, nr. 89.
[119] R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, 79-80; R. VERSTRAETEN, o.c., p. 664, nr. 1588.
[120] Cass. 7 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, nr. 572.
[121] Hof Mensenrechten, arrest Salabiaku van 7 oktober 1988, Publ. Cour eur. D.H., Serie A, vol. 141, nr. 29-30.
[122] Cass. 11 september 1990, Arr. Cass. 1990-91, nr. 16.
[123] Ph. TRAEST, o.c., nr. 885, R. VERSTRAETEN, o.c., p. 664, nr. 1589.
[124] C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1998, 936.
[125] Zie bijvoorbeeld art.67bis Wegverkeerswet waar een vermoeden van schuld is ingebouwd ten aanzien van de houder van een nummerplaat.
[126] Arbitragehof nr. 48/97, 14 juli 1997, B.S. 27 september 1997, 25614.
[127] Corr. Brugge 24 november 1997, R.W. 1997-98, 987, noot A. VANDEPLAS.
[128] D. HOLSTERS, “Enkele aspecten van verkeersrecht”, in Ph. TRAEST en A. DE NAUW, Wie is er bang van het strafrecht?, Gent, Mys en Breesch, 1992, p. 172-176.
[129] Art. 430 C.P.P.
[130] P. BOUZAT en J. PINATEL, Traité de droit pénal et de criminologie, II, Paris, Dalloz, 1970, nr. 1243.
[131] Crim. 2 december 1948, Bull. Crim., nr. 276; Crim. 23 mei 1984, Bull. Crim., nr. 189; Crim. 25 maart 1992, Bull. Crim., nr. 127. Merk op dat bijvoorbeeld de vaststellingen inzake bosmisdrijven (art. 176-177 C. for.) en inzake douanemisdrijven (art. 336 C. douanes), i.t.t. in België, niet gelden tot bewijs van het tegendeel, maar wel tot inschrijving wegens valsheid.
[132] M.L. RASSAT, Procédure pénale, Paris, Presses Universitaires de France, 1995, nr. 126.
[133] J. PRADEL, Procédure Pénale, Paris, Cujas, 1995, 392-393.
[134] Crim. 18 maart 1957, Bull. Crim., nr. 853; Crim. 5 november 1996, Bull. Crim., nr. 392; P. BOUZAT en J. PINATEL, o.c., nr. 1245; R. MERLE en A. VITU, Traité de droit criminel, II, Paris, Cujas, 1973, nr. 1028.
[135] Art. 428 C.P.P.
[136] Crim. 7 februari 2001, Bull. Crim., nr. 39; Ph. TRAEST, o.c., nr. 886; P. BOUZAT en J. PINATEL, o.c., nr. 1241-1245; R. MERLE en A. VITU, o.c., nr. 1027-1028; J. PRADEL, o.c., nr. 565; M.L. RASSAT, o.c., nr. 194.
[137] Crim. 10 juli 1996, Bull. Crim., nr. 289.
[138] Crim. 28 mei 1991, Bull. Crim., nr. 227; M.L. RASSAT, o.c., p. 344-345, nr. 217.
[139] Art. 339 Ned. Sv.
[140] Ph. TRAEST, o.c., nr. 887; E. POLAK, “De bewijskracht van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar”, T.v.S. 1927, 157.
[141] A. MINKENHOF, de Nederlandse Stafvordering, Arnhem, Gouda Quint, 1999, 337.
[142] Art. 344 Ned Sv.; HR 12 september 1978, NJ 1979, 95.
[143] HR 26 oktober 1971, NJ 1972, 34; HR 15 juni 1976, NJ 1977, 107.
[144] HR 24 juli 1967, NJ 1970, 122; HR 5 november 1974, NJ 1974, 113; A. MINKENHOF, o.c., 350-351.