jura falconis, jg 39, 2002-2003, nr 2, p. 227-252
De financiële tegemoetkomingen voor gehandicapten: een kritische commentaar
Andy Vandewiele
Onder begeleiding van Prof. Dr. D. SIMOENS
1. Inleiding
Men kan zich afvragen of het de taak is van de sociale zekerheid om
schade aan de mens te vergoeden. De Leuvense school van de sociale zekerheid
vindt dat de sociale zekerheid zich situeert in de wettelijke regelingen die
verband houden met de schade die aan mensen wordt toegebracht.
In die zin wordt schade als fundamenteel uitgangspunt naar voor geschoven. Het
beleid ten aanzien van dat fenomeen kan dan drie vormen aannemen, namelijk
preventie, vervolgens herstel en slechts in laatste orde vergoeding.
Aanbeveling nr. 92/442/EEC van 27 juli 1992 verklaart dat een systeem van
sociale bescherming, die de sociale zekerheid omvat, een inkomstenpeil moet
garanderen die een menswaardig bestaan mogelijk maakt en die de sociale
integratie bevordert van de personen die legaal op het grondgebied van de
lidstaat verblijven. Indien de
sociale zekerheid sociale integratie beoogt, dan zal zij ook trachten
integratie bevorderende maatregelen te nemen die de schade aan mensen trachten
te herstellen.
Het begrip schade staat in dit seminarie
centraal. Schade aan mensen bestaat uit twee gedeelten, namelijk verlies aan
arbeidsinkomen en gezondheid- of welzijnsverlies. De
wereldgezondheidsorganisatie bepaalt dat men zich pas gezond voelt als men in
een toestand verkeert van volledig fysiek, psychisch en sociaal welzijn. Dit
seminarie zal gaan over mensen die de normale dagelijkse handelingen, die voor
een gezond mens evident zijn, niet meer zelfstandig kan stellen en dus last
hebben van een verminderde zelfredzaamheid.
Te denken valt aan het zich niet meer
zelfstandig kunnen wassen, niet meer kunnen genieten van een boswandeling omdat
het fysiek niet meer mogelijk is, het niet meer zelfstandig kunnen eten etc...
Het is een schade die in de eerste plaats optreedt bij bejaarden omdat deze
schade inherent is aan het finale verouderingsproces. Doch het kan ook
voorkomen bij gehandicapten die deze schade opgelopen hebben door de geboorte
of ongeval.
Deze laatst vermelde gevallen van verminderde zelfredzaamheid worden
onder andere vergoed in de sociale zekerheid door de integratietegemoetkoming
en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. De eerste kadert samen met de
inkomensvervangende tegemoetkoming in de wet van 27 februari 1987. De
programmawet van 22 december 1989 heeft er de tegemoetkoming voor hulp aan
bejaarden aan toegevoegd.
Deze twee socialezekerheidsreglementeringen zullen nader bestudeerd worden.
De wet van 27 februari 1987 is de eerste wet die het verschil tussen
verlies aan arbeidsinkomen en welzijnsverlies uitdrukkelijk erkend. Artikel 1
van de wet van 27 februari 1987 is trouwens identiek aan artikel 591. van de ontwerpcodex
van de koninklijke Commissaris Dillemans.
De integratietegemoetkoming kan van belang zijn voor de bejaarde in die
zin dat, als de gehandicapte zijn aanvraag heeft ingediend voor zijn 65ste, hij
na zijn 65ste nog recht heeft op zijn tegemoetkoming. De gehandicapte bejaarde
die zijn aanvraag niet indiende voor zijn 65ste ontving geen
integratietegemoetkoming, terwijl de gehandicapte bejaarde die dit wel deed wel
een integratietegemoetkoming ontving, terwijl zij zich beide in een objectief
dezelfde situatie bevinden. De bejaarde gehandicapten die de
pensioenleeftijd bereikten, bleven het recht behouden op de tegemoetkomingen
die hen waren toegekend.
Volgens de parlementaire stukken deed zich voor de gehandicapte bejaarden
na de pensioenleeftijd een combinatie voor van de handicap en de
ouderdomsverschijnselen. Het leek niet aangewezen deze groep te betrekken in de
hervormingsmaatregelen. Deze bejaarden waren dus aangewezen op het inkomen dat
zij reeds genoten. Men vond
dat het niet aangewezen was de bestaande veroudering van de bevolking te laten
dragen door het stelsel van de gehandicapten. Men oordeelde dat handicaps,
ontstaan na de pensioenleeftijd, grotendeels het gevolg waren van het
verouderingsproces. Een hervorming met betrekking tot de gehandicapte bejaarden
moest volgens de parlementaire voorbereiding kaderen in het raam van het
bejaardenbeleid. Dit maakte
een contradictie uit, enerzijds zei men dat het recht na 65 jaar behouden
blijft, anderzijds zei men dat situaties na 65 jaar moesten worden opgevangen
door de bejaardenzorg. Bovendien was het aanvechtbaar dat
ouderdomsverschijnselen geen recht gaven op een uitkering. Personen van 55 jaar
die leden aan preseniele dementie, ontvingen een uitkering. Iemand van 65 jaar
die deze ziekte opliep ontving niets. Een handicap moet, zo daar aanleiding toe
is, kunnen erkend worden vanaf de geboorte en ook na de leeftijd van 65 jaar.
Het is immers moeilijk om vast te stellen dat een handicap overkomen na de
leeftijd van 65 jaar toe te schrijven is aan seniliteit in plaats van één of
andere aandoening. Volgens de tekst die door de Raad van
State werd voorgesteld, was er wel nog de mogelijkheid om een
integratietegemoetkoming te vragen na de leeftijd van 65 jaar. Deze hele problematiek is wellicht opgelost
door het K.B. van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan
bejaarden. Een bejaarde die met vergelijkbare zelfredzaamheidproblemen te
kampen heeft als een gehandicapte, kan een aanvraag doen tot tegemoetkoming
voor hulp aan bejaarden indien hij voldoende inkomsten heeft en voldoende
punten op de zelfredzaamheidschaal behaalt.
Met betrekking tot deze reglementeringen zullen volgende vragen gesteld
worden:
1.Waaruit bestaat de schade bij de integratietegemoetkoming en de
tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden?
2. Hoe wordt deze schade het best geëvalueerd?
3.Is de schadeloosstelling waarin deze wet voorziet wel geschikt voor
deze schade?
4. In de veronderstelling dat de geldelijke schadeloosstelling geschikt
is, is zij dan voldoende hoog om het door de overheid gevoerde rechtsbeleid na
te komen?
5. Zijn de gevallen waar het schadeloosstellingbeleid meent, dat de
tegemoetkoming in de wettelijke bepaalde gevallen geschorst kunnen worden,
gerechtvaardigd te noemen?
6. Zorgt de administratie dat de reglementeringen voldoende bekend zijn
bij de betrokkenen?
2. Waaruit bestaat de schade?
2.1. Inleiding
De schade bij de
integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden bestaat
uit een verminderde zelfredzaamheid. Het schadeveld wordt hier gezien als de
beperking in mogelijkheden van de gehandicapte tot omgang met zijn wereld,
buiten de betaalde arbeid. Een hoog gestratificeerde gehandicapte, die door te
arbeiden een hoog inkomen geniet, kan immers een enorm welzijnsverlies lijden.
De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de gehandicapte bij wie een
gebrek aan of vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld. De parlementaire
documenten bepalen dat deze tegemoetkoming bestemd is voor gehandicapten die
omwille van hun beperkte zelfredzaamheid bijkomende kosten hebben om zich te
integreren of hiertoe op bijzondere voorzieningen beroep moeten doen.
Deze personen zijn gehandicapt. Gehandicapten zijn mensen die als
eigenschap vertonen dat hun gezondheid voor een min of meer langere duur
beschadigd is. Deze beschadiging kan zeer uiteenlopende oorzaken hebben, zoals
een aangeboren of verworven ziekte. Er is slechts schade voor zover er een
belemmering optreedt voor het maatschappelijk functioneren.
De schade wordt dan eigenlijk bekeken vanuit een fenomenologisch
perspectief. De mens verhoudt zich tot zijn eigen leefwereld. Indien de relatie
tussen de mens en zijn leefwereld niet meer op een ongehinderde manier kan
gebeuren is er sprake van schade. Er kunnen fysieke of psychische hindernissen
zijn waardoor de verhouding van de mens tot zijn medemens en de verhouding van
de mens tot zijn leefwereld problematisch verloopt. Men kan zich niet meer
zelfstandig verplaatsen naar een goede vriend of men is psychisch niet meer in
staat de "ander" te begrijpen. Het kan dat de gehandicapte zijn
geliefde sport niet meer kan uitoefenen, niet meer zelf kan eten of niet meer
zelfstandig zijn huishouding kan voeren.
Bovendien is het zo dat de gehandicapte de intieme zaken van zijn
privé-leven niet meer zelfstandig kan beleven. Men kan zich bijvoorbeeld niet
meer zelfstandig wassen of men ervaart problemen bij de seksuele beleving. Men
is dus een Behinterte in de hem omringende wereld.
De mens dient gezien te worden als een open systeem dat schade kan ondergaan
van binnenuit door een aantasting van zijn psychofysieke gezondheid.
Het is belangrijk in te zien dat de schade, het verlies is zoals het in de
realiteit voorkomt. Op basis van deze laatste overwegingen kunnen we de
gehandicapten dan verstaan als alle personen die omwille van
gezondheidsstoornissen in hun relatie met hun omgeving of leefwereld
beperkingen ondervinden.
2.2. De schade berekend door middel van een puntensysteem
De berekening van de vermindering van de zelfredzaamheid, als schadepost
bij de gehandicapte, gebeurt via een puntenschaal variërend van 0 tot 3
naargelang er geen moeilijkheden (0 punten), kleine moeilijkheden (1 punt),
grote moeilijkheden (2 punten), of een totale onmogelijkheid (3 punten) bestaat
bij de gehandicapte bij het stellen van de volgende sociale en menselijke
daden:
1.het zich verplaatsen.
2.zich voeden en zijn maaltijd bereiden.
3.voor zijn persoonlijke hygiëne instaan en zich kleden.
4.zijn woning onderhouden en huishoudelijk werk verrichten.
5.zonder toezicht leven en zich bewust zijn van de gevaren voor zichzelf
en anderen. mededeelzaam
6.mededeelzaam zijn en sociale contacten leggen met zijn omgeving
Indien de som van de bekomen scores 6 punten of minder bedraagt, wordt de
gehandicapte geacht geen hulp van een derde nodig te hebben. Met 7 tot 8 punten
komt hij terecht in categorie I, met 9 tot 11 punten in categorie II, met 12
tot 14 punten in categorie III, met 15 tot 18 punten in categorie IV, met17 of
18 punten in de categorie V(indien het de tegemoetkoming voor hulp aan
bejaarden betreft). Het bedrag van de tegemoetkoming stijgt naarmate de
gehandicapte zich in een hogere categorie bevindt.
Dit systeem is gebaseerd op de algemene beginselen in verband met de uitvoering
van de wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
Het we ze opgemerkt dat er op de medisch-sociale puntenschaal geen
rekening wordt gehouden met vrijetijdsbesteding. Het is duidelijk dat de
gehandicapte hier een enorm welzijnsverlies leidt die nochtans kan hersteld
worden door hulpmiddelen of via hulp aan derden. Een zinvolle
vrijetijdsbesteding is voor de mens immers even vitaal als eten en drinken.
In het parlement oordeelde men dat dit systeem in zekere mate rekening
houdt met de grote verschillen in zelfredzaamheid die men bij gehandicapten
aantreft. Men meende dat men hierdoor niet in het euvel vervalt van een uiterst
accurate individuele evaluatie met alle administratieve rompslomp die eruit
voortvloeit. Toch kan
men bedenkingen hebben met de benaming "integratietegemoetkoming",
want de eerste vier menselijke daden waar rekening wordt mee gehouden hebben
veeleer betrekking op de zelfredzaamheid dan op integratie. Zelfredzaamheid en
integratie zijn nochtans 2 verschillende begrippen. Iemand die niet zelfstandig
kan eten of zich niet kan wassen heeft recht op een integratietegemoetkoming,
maar bij de berekening ervan wordt in dit geval geen rekening gehouden met
factoren die betrekking hebben op integratie. Alleen de rubrieken over de
verplaatsing en het sociaal contact kunnen in verband kunnen worden gebracht
met integratie. In de hypothese dat aan de twee laatstgenoemde factoren een
overwegend belang zou worden gehecht, moet er besloten worden dat met de
integratietegemoetkoming in de toekomst vooral de hulp van derden zal worden
vergoed.
Professor D. SIMOENS oordeelt dat men de lege ferenda aan deze twee
factoren beter een groter relatief gewicht zou toekennen, bijvoorbeeld voor elk
zes punten in plaats van drie. Bovendien is de term integratietegemoetkoming ongelukkig
gekozen omdat bepaalde mindervaliden zich omwille van de ernst van hun handicap
nooit zullen integreren. Bovendien is de financiële tussenkomst van de overheid
geen garantie voor integratie. Er moeten ook belangrijke materiële en
psychische barrières overwonnen worden.
2.3. De schade is een dynamisch gegeven
Zelfredzaamheid is een dynamisch gegeven. De zelfredzaamheid kan
verbeteren of verslechteren. Het is zo dat men op één bepaald moment de mens
niet kan overschouwen en dus ipso facto ook deschade eraan niet kan bepalen als
een vaststaand gegeven.
Vooreerst is er het element tijd.
Naarmate iemand met een verminderde zelfredzaamheid verouderd is het zo dat de
kans groter is, dat de verminderde zelfredzaamheid nog zal verergeren omdat de
geleidelijke fysieke aftakeling bij een bejaarde verder toeneemt. Dit wordt
bevestigd door het aanbod van welzijnsvoorzieningen. Naarmate men ouder wordt
is de impact van de welzijnsvoorziening groter. In de beginfase van de verminderde
zelfredzaamheid doet de bejaarde bijvoorbeeld beroep op de maaltijdbedeling van
het OCMW, de mindermobielencentrale, poetsdienst etc... Later zal men een
beroep doen op de mantelzorg of een serviceflat. Het laatste moment is
uiteindelijk een rust- of verzorgingstehuis of een psychiatrische instelling.
Op elk van deze tijdsmomenten zal een fictieve persoon die zich bevindt in de
voorgaande hypothese een andere score halen op de zelfredzaamheidschaal. Een
efficiënt en effectief rechtsbeleid zal de schade in zijn evolutie moeten volgen.
Het is in elk geval onmogelijk éénmalig de schade te evalueren en a fortiori te
herstellen.
Ten tweede is het zo dat de omgeving van de omgeving van de persoon in kwestie verandert. Naarmate de
verminderde zelfredzaamheid toeneemt moet de persoon in kwestie telkenmale een
deel van zijn privé-leven of zijn persoonlijke omgeving waar hij vertrouwd mee
is opgeven. De persoon verlaat zijn huis voor een rust -of verzorgingstehuis of
voor een psychiatrische instelling. De psychologische overgang naar het aanvaarden
dat men het contact met zijn persoonlijk opgebouwde leefwereld niet meer fysiek
of psychisch aankan, leidt ongetwijfeld tot een psychologisch deficit.
Bejaarden hebben moeite met het feit dat ze vroeger voor zichzelf konden zorgen
en nu aangewezen zijn op andere personen. Bovendien is het zo dat iemand met
een verminderde zelfredzaamheid die verzorgd wordt door iemand uit zijn directe
omgeving een psychologisch deficit zal vertonen, indien deze vertrouwenspersoon
sterft of zelf niet meer in staat zal zijn hulp te bieden.
Ten derde is het zo dat de schade reflecteert.
De schade van de verminderd zelfredzame persoon reflecteert naar de personen in
de directe omgeving die deze persoon dierbaar zijn. Zij hebben moeite met het
feit dat de psychologische en fysische toestand van een dierbaar persoon
vermindert. Kinderen ondergaan evenzeer de beperkingen van gehandicapte ouders.
3. Hoe wordt de schade
geëvalueerd?
Het verlies aan welzijn bestaat uit een verstoring van de vrije omgang
van de gehandicapte met zijn vertrouwde omgeving, dus zowel met zijn medemensen
als met de dingen. Men kan de evaluatie benaderen in het licht van de
herstelacties die kunnen gevoerd worden om
deze relatie te herstellen.
Om dit probleem op te lossen kunnen we vooreerst pogen de gehandicapte
medisch te verzorgen of te revalideren. Mevr. Spaak merkte op in het kader van
de artikelsgewijze bespreking, dat gehandicapten die grote inspanningen leveren
voor hun revalidatie, ongerust zijn en vrezen dat zij hun tegemoetkoming zullen
verliezen of dat hun tegemoetkoming zal verminderd worden. De staatssecretaris
voor sociale zaken oordeelde dat er steeds rekening zal worden gehouden met de
eigen inspanningen. Na de zelfs grote inspanningen van de bejaarde zal de
gehandicapte in kwestie steeds een zekere hinder van zijn handicap ondervinden.
Daarnaast kan het probleem opgelost worden door bepaalde maatregelen te nemen
die gericht zijn op het herstel van de vertrouwde omgeving van de persoon in
kwestie.
De evaluatie van het welzijnsverlies zal er vooral in bestaan te kijken
hoe sterk de menselijke relaties en de relatie met de omgeving van de
gehandicapte beschadigd zijn tengevolge van zijn handicap. De
gezondheidstoestand van de gehandicapte zal wellicht ook een rol spelen. De
geneesheren van het RIZIV en het Ministerie van sociale voorzorg staan in voor
de evaluatie. Doch, moeilijkheden bij voeding, hygiëne, huishoudelijk werk,...
kunnen waarschijnlijk het best ingeschat worden door revalidatiedeskundigen en
specialisten in de gezinshulp. Vandaar dat de mogelijkheid bestaat omeen onderzoek door een
multidisciplinair team aan te vragen.
Tot op heden is deze belangrijke vernieuwing, die een doorbraak kan betekenen
in de evaluatie van de gezondheidsschade, dode letter gebleven, aangezien het
artikel van het uitvoeringsbesluit nog niet in werking is getreden. Waarschijnlijk zijn de kosten
verbonden aan het multidisciplinair onderzoek niet vreemd aan de houding van de
overheid.
Schade onder de vorm van welzijnsverlies kan dus de meest diverse vormen
aannemen. De gehandicaptenvergoedingenwet werkt met een systeem dat volledige
punten toekent in stijgende lijn naarmate de activiteiten van het dagelijkse
leven met een verminderde zelfredzaamheid gepaard gaan. De toekenning van een
half punt is niet voorzien in het ministerieel besluit van 30 juli 1987, ook al
zou dat een billijkere weergave zijn van de handicap.
Het puntensysteem dat gebaseerd is opde
algemene beginselen houdt het midden tussen een standaardisering van de
evaluatie en een overdreven individuele kijk. Men krijgt toch de indruk dat de
balans overweegt naar standaardisering in de vorm van en mathematische
toekenning van punten door de geneesheer in zijn kabinet. Een evaluatie die
louter en alleen daarop gebaseerd is, is strijdig met de handleiding voor de
evaluatie van de graad van zelfredzaamheid bij het ministerieel besluit van 30
juli 1987.
Een louter mathematische vergelijking tussen de quotering van de
geneesheerinspecteur en de behandelend geneesheer kan niet aanvaard worden
ingeval er geen afdoende argumentatie of deskundig onderzoek gebeurd is. Toch
komt er rechtspraak voor in die zin. De Arbeidsrechtbank te Brugge besliste op
24 oktober 1989 immers dat iemand naar redelijkheid en billijkheid toegelaten
was tot de derde categorie, omdat de behandelend geneesheer geen punten had
toegekend bij de eerste twee functies en voor de eerste vier functies samen
vier punten hoger had gequoteerd dan de geneesheerinspecteur. Dergelijke rechtspraak kan niet
aanvaard worden, omdat men de evaluatie van de persoon die zich verhoudt tot
zijn leefwereld reduceert tot een wiskundige berekening. Merkwaardig is dat
dezelfde rechtbank overgaat tot een categorieverhoging, maar dan op basis van
verklaringen van mensen die in de dagelijkse praktijk te maken hebben met de
persoon in kwestie. In casu werd er rekening gehouden met het verslag van de
orthopedagoge, de behandelend geneesheer en het personeel dat dagelijks met de
betrokkene geconfronteerd werd.
Deze evaluatiemethode van de integratietegemoetkoming probeert door zijn
puntensysteem een waarheidsgetrouw beeld weer te geven van de schade van de
gehandicapte. Het moet toch kunnen om in dit systeem ook rekening te houden met
de onmiddellijke omgeving van de gehandicapte en zijn eigen visie op het
welzijnsverlies. Het is onmogelijk een individu correct te evalueren ingeval
men hem volledig uit zijn omgeving isoleert. Voor een correcte beoordeling en
herstel van de menselijke schade is steeds een terugkoppeling naar de
leefwereld van de gehandicapte vereist.
Voorbeeld: verplaatsingsmogelijkheden hangen af van de ligging en de
inrichting van de verblijfplaats; de voedselbereiding hangt af van de
keukeninrichting; sanitaire voorzieningen zijn bepalend voor de evaluatie van
de problemen bij de hygiëne.
Zo wordt duidelijk welke maatregelen nodig zijn om het hoofd te bieden
aan de verminderde zelfredzaamheid van de betrokkene. Een bezoek aan de
gehandicapte of de persoon die het meest vertrouwd is met de problemen van de
betrokkene zal dus in veel gevallen aangewezen zijn, om een correct beeld te
krijgen over de zelfredzaamheid en de problemen inzake integratie.
De visies van maatschappelijk assistenten, verpleegkundigen en psychologen zijn
hierbij belangrijk. De rechtbank kan nochtans rekening houden met dergelijke
correcte evaluatiemethodes door gemotiveerd het advies van een gerechtelijk
deskundige naast zich neer leggen wat de puntentoekenning van de graad van
vermindering van zelfredzaamheid betreft.
Bovendien is het zo dat het artikel 9 van de gehandicaptenvergoedingenwet en de
artikelen 16 en 17 van het K.B. van 6 juli 1987 die bepalen door wie de
medische onderzoekingen betreffende het recht op tegemoetkomingen geschieden,
geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank om zelf een
deskundige aan te wijzen.
Indien we concreet kijken naar het formulier 4, afgeleverd door de
gemeentelijke overheid, zien we dat daar onderscheiden rubrieken vermeld staan,
die slaan op de zeer concrete evaluatie van de zelfredzaamheid in het dagelijkse
leven. Dit formulier wordt door de behandelend geneesheer ingevuld, maar de
uiteindelijke evaluatie gebeurt door de geneesheer-inspecteur. Doch indien men
geconfronteerd wordt met een subject, is het steeds zo dat u zich een beeld
schept van de ander dat persoonlijk ingekleurd is. Dit is niet anders met een
evaluatie van zelfredzaamheid in zijn meest diverse facetten. Vandaar dat het
ook normaal is dat de evaluatie nogal verschild naargelang de geneesheer, de
regio en de kennis van de specifieke handicap.
Bovendien is het zo dat degenen die de gehandicapte evalueren omzichtig moeten
omspringen met de puntentoekenning.
Bijvoorbeeld: Een beschutte
werkplaats voor gehandicapten bevindt zich op 1 km van de woonplaats van de
gehandicapte. Na vele inspanningen slaagt hij er in zich recurrent zelfstandig
naar zijn werk te begeven. Deze persoon kan respectievelijk in aanmerking komen
voor categorie 1, 2, 3. Maar het is niet omdat deze persoon zich zonder
inspanningen naar zijn werk kan begeven, dat hij zich vb. ook naar de kapper
kan begeven op een straat die hem niet vertrouwd is. Vandaar dat deze persoon,
die niet ernstig gehandicapt hoeft te zijn, toch in categorie 2, 3, 4 of 5 kan
gerangschikt worden, terwijl anderen dit misschien niet zo zullen beoordelen.
Men moet realistisch blijven
en personen die vaak met grote inspanningen meer zelfredzaamheid verwerven niet
benadelen. De facto is het zo dat de categorie 4 en 5 eerder theoretisch
blijven en voorbehouden blijven voor personen met een zeer ernstige aandoeningen,
namelijk meervoudig gehandicapte personen. Personen, aan wie men vroeger onder
de oude gehandicaptenreglementering 100% ongeschiktheid en een tegemoetkoming
voor hulp aan derden toekende bevinden zich soms in categorie 4 of 5 maar
krijgen deze categorie niet toegewezen op basis van hoger vermelde redenen.
4. Hoe kan men de
schadevaluatie betwisten?
4.1. Algemeen
Men kan de schade-evaluatie betwisten door middel van:
- Overeenkomstig het Handvest Sociaal Verzekerde kan er een beroep
ingesteld worden binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing of na
de kennisneming van de beslissing door de betrokkene. De wet van 27 februari
1987 voorziet immers maar in een termijn van 30 dagen. De termijn van het
Handvest is toepasselijk daar hij gunstiger is voor de betrokkene.
- Een nieuwe aanvraag met het oog op een medische of administratieve
herziening.
4.2. Nieuwe aanvraag voor gehandicaptentegemoetkoming bij betwisting van
schade-evaluatie
Het kan voorkomen dat een beroep bij de arbeidsrechtbank ingesteld wordt,
omdat er volgens de betrokkene door de administratie een negatieve beslissing
genomen is. Vroeger kon de betrokkene niet rechtstreeks een nieuwe aanvraag tot
toekenning van integratietegemoetkoming eisen als hoofdvordering of in het
kader van een uitbreiding van een hoofdvordering. Het Arbeidshof te Brussel
oordeelde dat arbeidsrechtbanken niet in de plaats kunnen treden van de
gemeente. De
arbeidsrechtbank beschikte immers over een toegewezen bevoegdheid en nam
krachtens artikel 582, 1e Ger. W. slechts kennis van een beroep tegen een
beslissing van de minister inzake tegemoetkoming aan gehandicapten. Daarbij
hield zij enkel rekening met de gegevens die op de datum van de beslissing de
uit wet ontstane rechten bepalen.
Men moest dus bij elke verandering van zijn zelfredzaamheid opnieuw een
aanvraag indienen bij de gemeente. Het arbeidsgerecht kon dus geen kennis nemen
van aanspraken die aan het bestuur zelf niet zijn voorgelegd. Het Arbitragehof oordeelde bovendien
dat artikel 582, le Ger. W., waarop bovenstaande redenering van toepassing is,
niet strijdig is met de artikelen 10 en 11
van de grondwet.
De rechter mocht zich immers niet in de plaats stellen van het bestuur.
Bovenstaande redenering gold eveneens voor de tegemoetkoming voor hulp
aan bejaarden. Indien een bejaarde 7 punten toegekend kreeg, zou zijn aanvraag
bij de gemeente geweigerd worden. Tijdens de beroepsprocedure verergerde de
zelfredzaamheid tot 11 punten. Het arbeidshof van Brussel stond de bejaarde
geen tegemoetkoming toe. Er moest namelijk een nieuwe aanvraag
ingediend worden bij de gemeente.
Toch is er lagere rechtspraak die oordeelde dat de rechtbank die moet oordelen
over een verzoek tot tegemoetkoming aan gehandicapten ook rekening moet houden
met de omstandigheden van na de administratieve beslissing indien dit de
rechten van de gehandicapten op een tegemoetkoming gunstig beïnvloedt.
Deze laatste visie is nu bevestigd door het Hof van Cassatie. Artikel
582, 1e Ger. W. werd immers gewijzigd door de wet van 19 april 1999. Deze wet
verruimde de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, om zo aan de gehandicapten de
mogelijkheid te bieden tijdens de gerechtelijke procedure te vragen dat
rekening zou worden gehouden met de wijzigingen van zijn toestand. De rechtbank
dient immers niet alleen de wettigheid maar ook de gegrondheid van de aanspraak
van de gehandicapte na te gaan. Daarbij belet niks dat men met de
verslechtering van de gezondheidstoestand in de loop van het geding erkenning
wordt gehouden.
4.3. Betwisting van de zelfredzaamheidcategorie.
De vermindering van de zelfredzaamheid van de gehandicapte bejaarde moet
in concreto bekeken worden. Het maakt een wezenlijk verschil uit om
respectievelijk negen of achttien punten toegekend te krijgen. De geneesheer
die de zelfredzaamheid evalueert kan bepaalde aspecten uit het oog verloren
zijn. Vandaar dat het van wezenlijk belang is dat men de diagnose kan
betwisten, omdat die belangrijke financiële implicaties heeft. Artikel 5 van
het koninklijk besluit van 6 juli 1987 maakt het mogelijk een beroep in te
stellen. De beroepen op medische gronden maken de meerderheid uit van de
procedures bij de arbeidsrechtbanken.
Daar worden de tegenstrijdigheden van de medische vaststellingen van de
geneesheren-inspecteurs en de behandelende geneesheren van de betrokkene
behandeld. Het is belangrijk dat de arbeidsrechtbank nagaat of de
geneesheer-inspecteur met alle aspecten van de gezondheidstoestand van de
aanvrager rekening heeft gehouden. Het is aan de behandelende geneesheer van de
betrokkene om in zijn verslag de verkeerde inschatting van de moeilijkheden
duidelijk te maken. Indien men een verhoging van de punten toelaat mag men zich
wel enkel baseren op activiteiten van het dagelijkse leven en niet op
uitzonderlijke situaties. Op te merken valt dat de rechter krachtens artikel
986 Oer. W. niet verplicht is het advies van deskundigen te volgen, ingeval het
strijdig is met hun overtuiging. Het is zelfs mogelijk dat de rechter autonoom,
zonder expertise besluit tot een categorieverhoging van de
integratietegemoetkoming.
Voorbeeld: de Arbeidsrechtbank te Brugge op 26 april 1990 besliste twee
punten toe te voegen aan de quotering van de geneesheer-inspecteur omdat deze
in een beperkte mate rekening had gehouden met het feit dat de betrokkene
bestendig bedlegerig was en de voeding half vloeibaar diende te worden
toegediend. De Arbeidsrechtbank te Kortrijk op 2 juni 1989 besliste tot een
categorieverhoging omdat de betrokkene zich onmogelijk kon verplaatsen zonder
de hulp van een derde.
Wat de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden betreft is er vanaf 1 maart
1991 wel een minimum vereist van 9 punten op 18 op de zelfredzaamheidschaal, om
een aanspraak te kunnen maken op de tegemoetkoming. De bejaarde kan hier
eveneens beroep aantekenen tegen de puntenscore op de zelfredzaamheidschaal bij
de arbeidsrechtbank.
4.4. Ambtshalve betwisting door de overheid.
De integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden
worden om de 5 jaar ambtshalve door de overheid onderzocht, maar deze
automatische herziening heeft dan geen betrekking op de evaluatie van de
zelfredzaamheid. Deze beslissing tot
herziening dient echter wel afdoende gemotiveerd te zijn. Zoniet kan de
arbeidsrechtbank de beslissing vernietigen omdat het de gehandicapte zo
onmogelijk gemaakt wordt de juiste reden te kennen overeenkomstig artikel 21
van het koninklijk besluit van 6 juli 1987.
5. Wat zijn de voorwaarden om
een vergoeding te kunnen krijgen voor de opgelopen schade?
5.1. Nationaliteit
Om een tegemoetkoming te kunnen ontvangen moet men Belg zijn of behoren
tot de volgende categorieën van bevoorrechte vreemdelingen:
1.personen die vallen onder de toepassing van de E.G.-verordening nr.
1408/71.
2.erkende vluchtelingen.
3.staatlozen.
4.personen van onbepaalde nationaliteit.
5.2. Verblijf
De betrokkene moet zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben. Dit
betekent dat de gehandicapte zijn hoofdverblijfplaats in België moet hebben en
er daadwerkelijk en bestendig moet verblijven. Een verblijf in het buitenland
van minder dan 90 dagen onderbreekt de verblijfsvoorwaarde niet. In volgende
gevallen mag het buitenlands verblijf langer dan 90 dagen duren zonder dat het
recht op uitkeringen hierdoor in het gedrang komt:
1. Bij een opname in een ziekenhuis.
2. In geval van uitzonderlijke omstandigheden en mits toelating van de
minister van socialezaken.
3. Bij verblijf bij een familielid dat een buitenlandse
zending vervult in dienst van de Belgische Staat.
Wanneer de gehandicapte België verlaat, is hij verplicht de minister van
sociale zaken in te lichten, en de duur van zijn buitenlands verblijf mee te
delen. Indien van bejaarden van andere
lidstaten die aan de Belgische wetgeving onderworpen zijn, geëist wordt dat ze
tijdens een bepaalde tijd op het Belgische grondgebied moet verblijven om
aanspraak te maken op de tegemoetkomingen aan gehandicapten, dan kan men
besluiten dat België tekortgeschoten is aan zijn verplichtingen krachtens het
EG -verdrag.
5.3. Leeftijd
Om recht te hebben op een integratietegemoetkoming moet de gehandicapte
minstens 21 jaar zijn. De volgende personen beneden deze leeftijd worden
gelijkgesteld met een eenentwintigjarige:
1. de gehuwde gehandicapten, de uit de echt gescheiden
gehandicapten of de weduwen of weduwnaars.
2. de gehandicapten die één of meer kinderen ten laste
hebben voor wie zij kinderbijslag ontvangen.
3. diegenen van wie de handicap pas ontstaan is nadat
zij geen recht meer geven op gezinsbijslagen. De gehandicapte moet zijn
aanvraag indienen voor hij 65 jaar geworden is. Als de aanvraag voor die
leeftijd werd ingediend, heeft de gehandicapte ook na zijn 65ste nog recht op
de tegemoetkoming.
Om recht te hebben op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden dient de
bejaarde 65 jaar te zijn, Bovendien moet er een gebrek aan zelfredzaamheid
vastgesteld worden.
Zoals vermeld is deze tegemoetkoming een oplossing voor de bejaarden in
gevallen waar de verminderde zelfredzaamheid na hun 65ste vastgesteld wordt.
Het spreekt vanzelf dat deze tegemoetkoming niet toegekend wordt aan de
bejaarde die reeds geniet van een integratietegemoetkoming.
5.4. Verminderde zelfredzaamheid
Cfr. Supra
5.5. Men dient over onvoldoende inkomsten te beschikken
Gemeenschappelijk aan de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor
hulp aan bejaarden is het zo dat men zowel het inkomen van de betrokkene als
dat van zijn echtgenoot of feitelijke partner in aanmerking neemt. De lege
ferenda zijn er wel voorstellen om het inkomen van de echtgenoot of de
feitelijke partner niet meer in rekening te brengen, doch dit is nog lang geen
realiteit.
1. Deze integratietegemoetkoming wordt
slechts toegekend indien de betrokkenen over onvoldoende inkomsten beschikt. De
toekenning gebeurt in functie van de reële noden. Men past hier een inkomenstoets
toe. Van de genieter van een integratietegemoetkoming wordt echter niet
verwacht dat hij zijn bezittingen ten gelde maakt. De nationale raad voor
mindervaliden had zelfs liever een integratietegemoetkoming gehad die volledig
los stond van enig onderzoek naar bestaansmiddelen. Dhr. Sleeckx vindt dat de
gehandicapten reeds hun leven lang het slachtoffer van hun handicap zijn. Door
een bestaansmiddelenonderzoek dreigt de gehandicapte zelf te moeten instaan
voor de door zijn handicap veroorzaakte kosten. De staatssecretaris voor
sociale zaken antwoordde hierop dat, hoe royaal de integratietegemoetkoming ook
weze of hoe gunstig de voorwaarden ook zijn, altijd zal kunnen bewezen worden
dat het vooral de gehandicapte zelf is die voor zijn handicap betaalt.
Er zijn 2 vrijstellingsgrenzen, waarvan de gehandicapte de meest
voordelige mag toepassen. De eerste vrijstellingsgrens bestaat uit een
variabel, te indexeren deel, verhoogd met een vast deel
1. 8461,62(8979,47) euro+ 310 euro = 9289,47 euro voor gerechtigden met
personen ten laste.
2. 6346,22 (6734,61) euro + 250 euro = 6984,61 euro voor alleenstaande
gerechtigden.
3. 4230,82(4489,75) euro + 155 euro= 4644,75 euro voor samenwonende
gerechtigden.
De tweede grens is gelijk aan het minimumjaarloon (momenteel 14511,96
euro), maar dan alleen van de inkomsten uit de werkelijk door de gehandicapte
gepresteerde arbeid.
Bij het inkomensonderzoek wordt gewoon uitgegaan van de
be1astingsaangifte.
Als basis wordt genomen het belastbaar inkomen van het tweede jaar voorafgaand
aan dat waarin de tegemoetkomingen worden gevraagd. Wanneer echter de gegevens
inzake burgerlijke staat, samenstelling van het gezin of inkomen gewijzigd
zijn, wordt evenwel met de nieuwe toestand rekening gehouden voor zover het
verschil tenminste 20% bedraagt tegenover het fiscaal inkomen.
Voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming aan
gehandicapten wordt er slechts rekening gehouden met een wijziging van het
inkomen van de gehandicapte, als die wijziging is ingetreden voor de datum
waarop de administratieve beslissing over de aanvraag ingaat.
Voor het bepalen van het bedrag van de tegemoetkoming aan een gehandicapte, kan
op de ingangsdatum ervan geen rekening worden gehouden met een vermindering van
het inkomen tijdens het jaar waarin de tegemoetkoming ingaat.
Concreet is het dus zo dat een gehandicapte die geconfronteerd wordt met een
vermindering van zijn inkomen met betrekking tot het jaar van de ingangsdatum
van de bestuurlijke beslissing, slechts een hogere tegemoetkoming zal krijgen
als hij een nieuwe aanvraag indient. Het kan niet dat de feitenrechter tot een
verhoging van de tegemoetkoming besluit zonder dat een nieuwe aanvraag is
gebeurd.
Voorbeeld: Indien iemand zijn aanvraag indient op 5 juli 1988 en vanaf 1
april 1989 geniet de bejaarde een rustpensioen, dan kan vanaf 1 april 1989 een
tegemoetkoming toegekend worden overeenkomstig de gewijzigde omstandigheden. Er
was immers een vermindering van 20% van de inkomsten. De Arbeidsrechtbank te
Gent besliste in die zin op 27 maart 1990.
De integratietegemoetkoming wordt evenwel geweigerd of verminderd ingeval
van samenloop met uitkeringen die hun grond vinden in een gebrek aan of
vermindering van de zelfredzaamheid, bijvoorbeeld in geval van samenloop met de
verhoogde arbeidsongevallenuitkering wegens nood aan hulp van een derde.
Artikel 13 wijst immers op het suppletief karakter van de tegemoetkoming, door
te stellen dat zij niet kan gecumuleerd worden met uitkeringen die erop gericht
zijn het inkomen geheel of gedeeltelijk te vervangen of de beperking van de
zelfredzaamheid te compenseren.
2. Het inkomensonderzoek voor de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden
lijkt veel meer op het onderzoek naar de bestaansmiddelen. Dit kan een
discriminatie uitmaken aangezien bij de integratietegemoetkoming een
inkomenstoets volstaat. Er is weliswaar wel een vrijstellingsgrens die bestaat
uit een variabel te indexeren deel, verhoogd met een vast deel:
* 8903,59 (9448,49)+310 = 9758,49 euro
voor bejaarden met personen ten laste.
* 6690,77 (7100,25) + 250 = 7350,25 euro voor alleenstaande bejaarden.
* 4451,82(4724,27) + 155 = 4879,27 euro voor
samenwonende bejaarden.
Doch er wordt eveneens rekening gehouden met het onroerend goed dat de
bejaarde bewoont, op basis van het kadastraal inkomen. De bejaarde wordt
weliswaar niet gedwongen zijn huis te verkopen, maar men rekent wel een fictief
inkomen aan. Voor roerende kapitalen worden de inkomsten geacht een fictieve
opbrengst te hebben van 6%, de pensioeninkomsten worden voor 90% aangerekend.
Vanzelfsprekend wordt ook met de beroeps inkomsten rekening gehouden.
De bejaarde moet eveneens zijn rechten laten gelden op uitkeringen die
hun grond vinden in een gebrek of vermindering aan zelfredzaamheid. Zoniet
wordt zijn tegemoetkoming geweigerd. De bejaarde moet bovendien zijn rechten
doen gelden op het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en op het rust- en
overlevingspensioen waarop hij aanspraak kan maken. De tegemoetkoming voor hulp
aan bejaarden kan niet gecumuleerd worden met een inkomensvervangende
tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming.
Conclusie: Van zodra de
gehandicapte en of diens partner meer dan het bestaansminimum bezitten, moeten
ze zelf opdraaien voor het gedeelte van de kosten van zijn handicap dat het
bestaansminimumbedrag overschrijdt. Dit duidt dus op een sterk antirevaliderend
effect, omdat indien een gehandicapte grote persoonlijke of financiële
inspanningen levert, zijn inkomsten zwaar aangerekend worden. Indien men alleen
de integratietegemoetkoming aanvraagt en geniet van de hogere
vrijstellingsgrens, zal men bij fulltime tewerkstelling bijna nooit recht
hebben op een integrale tegemoetkoming, maar enkel op een gedeelte ervan.
6. Hoe hoog is de vergoeding voor de
opgelopen schade?
6.1. Op welke prestaties heeft de
gehandicapte recht?
Vanaf één september 2000 bedraagt de geïndexeerde
integratietegemoetkoming in de categorie I 870,60 (923,88euro) (7 tot 8
punten), in de categorie II 2966,67 (3148,23euro) (9 tot 11 punten), in de
categorie III 4740,37 (5030,48 euro). (12 tot 14 punten), in de categorie IV
6906,12 (7328,77 euro)(15 tot 18 punten) De tegemoetkoming voor hulp aan
bejaarden bedraagt voor de categorie I, (9 tot 11 punten) 743,98 (789,51 euro)
fr.; voor de categorie II, (12 tot 14 punten) 2839,94 (3013,74euro); voor de
categorie III, (15 tot 16 punten) 3452,91 (3664,23 euro), voor de categorie IV,
(17 tot 18 punten) 4065,70 (4314,52 euro), voor de categorie V (17 of 18
punten) 4994,14 (5299,78 euro).
6.2. Is deze vergoeding hoog genoeg?
Normaliter zou de integratietegemoetkoming of de tegemoetkoming voor hulp
aan bejaarden een vergoeding moeten uitmaken voor de verminderde
zelfredzaamheid waarmee de betrokkenen geconfronteerd worden. De facto gaat het
er niet zozeer om de schade integraal te vergoeden doch eerder om de
minstbedeelden bestaanszekerheid te waarborgen. Men geeft gehandicapten een
vergoeding, niet zozeer om hen te laten integreren, maar om hen niet te laten
concurreren met de validen in de arbeidsmarkt. Nochtans zou het herstelbeleid
moeten centraal staan, doch de vergoeding staat nauwelijks in verband met de
werkelijke welzijnsverlies.
De graad van zelfredzaamheid
in het systeem van de integratietegemoetkoming is immers geen indicator voor
financiële middelen, wel voor integratiemaatregelen. Als iemand bijvoorbeeld
niet zelf koffie kan zetten, heeft deze persoon geen behoefte aan geld, doch
aan maatregelen van diverse aard met name aanpassing van de omgeving,
hulpmiddelen, etc..., die verschillen van geval tot geval. Bovendien volstaat
in de meeste gevallen het geld niet om de noden van de gehandicapte te
bekostigen. Het is eigenlijk een vorm van morele schadevergoeding. Indien een
gerechtigde van een integratietegemoetkoming zich niet kan verplaatsen, en toch
graag naar de bioscoop wil, geeft de overheid hem wat geld, waardoor het
eigenlijke probleem niet opgelost is. Als een gehandicapte van tijd tot tijd
iemand nodig heeft om hem te helpen met zijn verminderde zelfredzaamheid, zal
hij niemand vinden die voor het bedrag van de integratietegemoetkoming
halftijds zal willen komen werken.
Vandaar dat de gehandicapte
zal terugvallen op zijn moeder/vader, echtgenote/echtgenoot of zijn jong
gebleven zuster/broer. Indien het een bejaarde gehandicapte betreft zal die
misschien terugvallen op haar jong gebleven dochter. Als de gehandicapte naast
de integratietegemoetkoming ook nog de inkomensvervangende tegemoetkoming
ontvangt, zal het gezin wel een stukje meer inkomen hebben, doch een groot deel
van de financiële kost wordt de facto toch door de gehandicapte zelf gedragen.
De integratietegemoetkoming is een uitgesproken minimumvergoeding. Zij is lager
dan de tegemoetkoming in de arbeidsongevallenregeling waar tenminste een
minimumloon uitbetaald wordt, ingeval hulp van derden vereist is. Deze sociale
zekerheidsuitkering heeft een dekking beneden het absolute minimum.
Men zou kunnen denken dat, indien de vergoedingen niet voldoende hoog
zijn voor de financiering van de welzijnsvoorzieningen van de gehandicapte, hij
een beroep zou kunnen doen op het Vlaams fonds voor de sociale integratie van
personen met een handicap.
Het fonds richt zich tot personen die getroffen zijn door langdurige en
belangrijke beperkingen van hun kansen tot sociale integratie ten gevolge van
een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke
mogelijkheden en die de volle leeftijd van 65 jaar nog niet bereikt hebben op
het ogenblik van hun aanvraag of inschrijving. Het Vlaams fonds heeft als
opdracht de sociale integratie van personen met een handicap te bevorderen. Men
kan er terecht voor:
1.Tegemoetkoming in de kosten van een speciaal hulpmiddel of in de kosten
voor de aanpassing van een woning.
2. Thuisbegeleiding
3. Opvang in een tehuis voor kortverblijf of dagcentrum
4. Onderzoek van de handicap, observatie, oriëntering en medische,
psychologische en pedagogische behandeling.
Dit fonds besteedt jaarlijks een budget van ongeveer 30 miljard frank.
Toch is het zo dat fysiek gehandicapten vaak hun toevlucht moeten nemen
tot het plaatselijk OCMW om een leven te kunnen leiden dat enigszins
beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Het inkomen van de gehandicapte en a fortiori het bedrag van de
integratietegemoetkoming is vaak onvoldoende om een menswaardig leven te leiden
in de zin van artikel 1 van de OCMW-wet. Luidens artikel 1 van de OCMW-wet
heeft elke persoon recht op maatschappelijke dienstverlening die tot doel heeft
eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan
de menselijke waardigheid. Bovendien heeft het OCMW krachtens artikel 57,
eerste lid tot doel aan de personen en de gezinnen, de dienstverlening te
verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.
Voorbeeld: Een maandelijks inkomen van een gehandicapte kan bijvoorbeeld
42.474 fr. bedragen. Daarvan zijn 28756 fr. ziekenfondsuitkeringen, 5861 fr.
tegemoetkoming voor gehandicapten, 5000 fr. steun van de ouders en 2857 fr.
diverse inkomsten. Dit bedrag van 5861 fr. per maand kan onmogelijk een
compensatie zijn voor de verminderde zelfredzaamheid en zeker niet ingeval deze
gehandicapte zelfstandig wenst te leven en niet louter en alleen beroep doet op
welzijnsvoorzieningen aangeboden door het OCMW. Op 24 september werd het OCMW
van Heusden-Zolder veroordeeld tot het verlenen van een maandelijkse steun van
10000 fr., indien de gehandicapte in bovenvermelde inkomenshypothese zich
wenste te beroepen op door hem zelf gekozen persoonlijke assistentie bij zijn
zelfstandig leven. De zelfstandigheid van een gehandicapte is immers een
element van diens menselijke waardigheid.
Vaak redeneert het OCMW dat alleen de assistentie bij levensnoodzakelijke
activiteiten in het kader van de OCMW-dienstverlening betaalbaar kan worden
gesteld Het gaat er vaak van uit dat de georganiseerde dienstverlening zoals
deze door het OCMW wordt georganiseerd (thuisverpleging, klusjesdienst, warme
maaltijdbedeling en mindermobielencentrale) voldoende waarborgen bieden voor
het menswaardig leven van de gehandicapte. Deze hulpverlening vertoond echter
vaak gebreken (vb. de dienstverleners en hun uurroosters worden bepaald door de
overheid, waar de gehandicapte zich moet bij neerleggen, na 17.00u is niemand
meer beschikbaar, etc...) Vandaar dat het OCMW moet tussenkomen indien de
georganiseerde hulpverlening tekortschiet. Het Arbeidshof te Antwerpen oordeelde
op 12 november eveneens dat het OCMW moest tussenkomen.
De betrokkene had een inkomen van 46038 fr. (inkomensvervangende- en
integratietegemoetkoming en kinderbijslag) Hij wenste een zekere keuzevrijheid
teneinde te bepalen hoe hij zijn leven zelfstandig wou organiseren d.m.v. een
door hem gekozen persoonlijke assistent. De kosten daarvan waren hoger dan zijn
inkomen. Het OCMW moest hier een financiële steun van 18200 fr. per maand
toekennen omdat de toereikende georganiseerde diensten niet beschikbaar en
onvoldoende waren en de door hem gekozen dienstverlening noodzakelijk was om
een menswaardig leven te leiden.
Op basis van bovenstaande
overwegingen is het duidelijk dat de puntenschaal betreffende de verminderde
zelfredzaamheid, die de basis vormt voor de tegemoetkomingen aan gehandicapten
slechts een indicator is voor integratiemaatregelen en niet voor een geldbedrag
dat ter beschikking gesteld moet worden aan de gehandicapte.
7. Uitsluiting of schorsing van de
vergoeding
7.1. Algemeen
De algemene filosofie achter de schorsing is dat men de mening toegedaan
is dat door het verblijf in een instelling de kosten van de zelfredzaamheid
verminderen. Doch de gehandicapte moet toch ook over voldoende middelen kunnen
beschikken om zich buiten de instelling te kunnen verplaatsen en zich sociaal
te integreren.
De regeling van de gedeeltelijke opschorting kan tot gevolg hebben dat
men in bepaalde gevallen de gehandicapte kost wat kost thuis poogt te blijven
verzorgen ten einde het verlies van een deel van de integratietegemoetkoming te
vermijden. En dit als een verblijf van de gehandicapte in een instelling zich
eigenlijk opdringt.
7.2. Uitsluiting of schorsing van de tegemoetkoming
Art 12 §1 van de wet van 27 februari 1987 bepaalt dat bij een opname van
de gehandicapte in een instelling die geheel of gedeeltelijk ten laste is van
de overheid of de sociale zekerheid, de uitbetaling van de
integratietegemoetkoming voor één derde, en deze van de tegemoetkoming voor
hulp aan bejaarden voor twee derden wordt opgeschort. Bejaarden die
bijvoorbeeld ten laste van een OCMW in een rusthuis verblijven zien de
tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden dus met twee derden gereduceerd. Nog
niet stilstaand bij het feit dat een integratietegemoetkoming kan geschorst
worden zonder dat de instelling integratiemaatregelen neemt, is dit toch een
discriminatie die te wensen overlaat.
De tegemoetkoming is niet verschuldigd wanneer de gehandicapte ten laste
van de overheid is opgenomen in een psychiatrische instelling. Een cassatiearrest
van 4 januari 1988
besliste dat wanneer het verblijf in een psychiatrische instelling betaald
wordt door de mutualiteit, de tegemoetkomingen behouden blijven. Dit is een
discriminatie die moeilijk te rechtvaardigen is. Beide bevinden zich immers in
dezelfde situatie. Mijns inziens moet die tegemoetkoming in beide gevallen
behouden blijven indien de instelling geen integratiebevorderende maatregelen
voorziet. Dit geld zou dan moeten gebruikt worden om diensten buiten de
instelling te financieren die de integratie van deze mensen pogen te
bevorderen.
De integratietegemoetkoming wordt eveneens voor een derde geschorst
wanneer de gehandicapte in een instelling verblijft op kosten van de overheid
of van de sociale zekerheid, met name andere instellingen dan psychiatrische
instellingen. Men kan hier ook denken aan de
financiële tussenkomst van een ziekenfonds of een OCMW.
Het Hof van Cassatie
besliste op 16 maart 1992 dat deze schorsing wettig is, ook wanneer de
instelling niet tot taak heeft integratie bevorderende diensten te verlenen of
wanneer de gehandicapte voor zijn integratie op eigen kosten andere
voorzieningen en andere hulp buiten de instelling gebruikt. De memorie van
toelichting oordeelt nochtans dat de opschorting verantwoord is omdat er in de
meeste instellingen een dienstverlening is die het gebrek aan zelfredzaamheid
compenseert. Het kan verantwoord zijn dat de integratietegemoetkoming voor één
derde opgeschort wordt als de instellingen waarin de gehandicapten verblijven
dienstverlening genieten die de zelfredzaamheid van die personen compenseren en
het gebrek aan integratie bevorderen.
Zelfs dan kunnen nog vragen rijzen, omdat het verblijf in een instelling
met de dag duurder wordt en de familie van de betrokkene in vele gevallen zelfs
nog moet bijbetalen. Doch indien dit niet gebeurt maakt dit een flagrante
discriminatie uit voor deze mensen. Integratie is belangrijk, ook in een
instelling. Een patiënt kan toch niet verondersteld worden constant op zijn
kamer te verblijven. Integratie bestaat er ook in de contacten te bevorderen
tussen medepatiënten. Het is belangrijk dat de patiënt vertrouwd raakt met de
structuur van de instelling, kan genieten van de tuin, etc... Indien de
instelling daar niet voor zorgt, moet de tegemoetkoming behouden blijven om
diensten buiten de instelling te financieren die dit wel verwezenlijken. De
hervorming van 1987 wilde het stelsel eenvoudiger, rechtvaardiger en
efficiënter maken. De rechtvaardigheid in bovenstaande geschetste situatie is
wel miniem.
8. De administratieve verplichtingen
met betrekking tot de aanvraag van de tegemoetkoming.
8.1.
Verplichtingen van de aanvrager
Krachtens artikel 8 van de wet van 27 februari 1987 moet de betrokkene
een aanvraag indienen bij de burgemeester van de gemeente waar hij is
ingeschreven in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister.
Krachtens artikel 14 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 kan de dienst
voor tegemoetkomingen aan gehandicapten om bijkomende inlichtingen verzoeken.
Erwordt van de betrokkene eveneens
vereist dat hij meewerkt aan een eventueel geneeskundig onderzoek. De
rechtspraak blijkt bij het nakomen van deze formaliteiten rekening te houden
met de zelfredzaamheid van de betrokkene. De administratie moet bovendien
rekening houden met alle eventuele wijzingen die zich voordoen in de
zelfredzaamheid tot dat de administratieve beslissing geveld wordt.
Op 13 december 1989 vonniste de Arbeidsrechtbank te Antwerpen dat de
betrokkene opgeroepen diende te worden voor een geneeskundig onderzoek. De
betrokkene was niet aanwezig omdat zij een behandeling aan de kunstnier diende
te ondergaan. Men oordeelde dat de betrokkene geen enkele schuld betrof.
Op 16 februari hield de Arbeidsrechtbank te Hasselt rekening met overmacht van
de betrokkene. Haar aanvraag werd afgewezen omdat zij de nodige inlichtingen
niet verschafte. Door doktersattesten werd aangetoond dat haar gezondheid in
slechte staat was. Indien men met vage argumenten komt aandraven zal men de
betrokkene geen gelijk geven. Bijvoorbeeld indien men zijn
inlichtingenformulier niet terugzond omdat men al in zijn kindertijd aan
geheugenverlies leed. In die zin werd beslist door de Arbeidsrechtbank te
Antwerpen op 11 april 1990.
8.2. Voldoende bekend?
Normaliter zouden alle bejaarden die recht hebben op de tegemoetkoming
voor hulp aan bejaarden en die de tegemoetkoming werkelijk nodig hebben, ze ook
moeten aanvragen. Dit blijkt niet altijd het geval te zijn. In de gemeente
Willebroek werd bij de gebruikers van de dienst maaltijdbereiding nagegaan of
de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden hen bekend was. Van 54 gebruikers,
bleek dat er 17 waren die de tegemoetkoming niet kenden. Het blijkt dat er naar
schatting 450000 zorgbehoevende bejaarden waren op 1 januari 1996.
Op dat moment genoten naar schatting 27,6 % van de bejaarde gezinnen een
inkomen dat lager lag dan de bestaansonzekerheidgrens. Naar schatting zouden er
dus 124200 bejaarden in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor hulp aan
bejaarden. Vele zorgbehoevende bejaarden ontvangen deze tegemoetkoming niet al
hoewel ze er recht op hebben. Het is onverantwoord dat mensen die
welzijnsverlies lijden en recht hebben op deze tegemoetkoming deze niet
ontvangen.
Priesters, huisartsen, verpleegsters en maatschappelijk werkers komen
vaak in contact met bejaarden. Zij zouden de bejaarde moeten wijzen op hun
rechten. Doch velen van hen kennen de tegemoetkoming ook niet. Erzouden brochures gemaakt en verspreid
moeten worden naar deze tussenpersonen, zodat zij de hulpbehoevende bejaarde
kunnen wijzen op hun rechten.
Deze hele problematiek kan vermeden worden indien men over de
onwetendheid van de burger heen stapt door de integratietegemoetkoming en de
tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden ambtshalve toe te kennen. De sociale
zekerheidsinstelling kan dan zelf contact met de gerechtigde opnemen en hem de
nodige inlichtingen verschaffen over de uitkeringen waar hij niet van op de
hoogte was of die hij op zijn geval blijkbaar niet toepasselijk achtte.
9. Traagheid van de
tegemoetkoming
Gehandicapte personen, die vaak niet over andere bestaansmiddelen
beschil<ken, moeten soms maanden -en jarenlang wachten op hun
integratietegemoetkoming, respectievelijk tegemoetkoming voor hulp aan
bejaarden. Het tijdsverloop tussen de aanvraag en de betekening van de
beslissing is veel te lang. Vandaar dat het nodig is dat de wachttijd tussen de
aanvraag en de beslissing korter wordt.
Dit probleem wordt opgelost door de bijstandsverlening van het OCMW. Zij
verleent dan financiële steun in de vorm van een voorschot op een sociale
zekerheidsuitkering aan personen die een integratietegemoetkoming of een
tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden hebben aangevraagd maar die nog niet
hebben bekomen. Bijvoorbeeld beschikte in 1978 een feitelijk gezin van bejaarden
over een maandelijks inkomen van 18.220 BEF. Ondertussen wachtten zij op de
uitbetaling van hun verplicht pensioen. Hun uitgaven beliepen 11.618 BEF. Het
OCMW besliste om maandelijks 3000 BEF toe te kennen als voorschot op het
pensioen. De provinciale beroepskamer van Namen
besliste bijvoorbeeld dat: " In afwachting van een mogelijke regularisatie
of definitieve behandeling van het dossier verleent het bestuur een geldelijke
steun als voorschot op bijvoorbeeld een pensioen of het gewaarborgd inkomen
voor bejaarden. Indien de
bejaarde dan zijn sociale zekerheidsuitkering ontvangt, kan men de
steunverlening terugvorderen.
De OCMW dienstverlening kan hier voor de bejaarde een complementaire rol
spelen tegenover de sociale zekerheid.
Professor Van Langendonck beschouwd bijstand als een deel van de sociale
zekerheid, in die zin dat zij beide sociale bescherming beogen.
10. Besluit
Uit bovenstaande overwegingen is gebleken dat de integratietegemoetkoming
en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden slechts een bedrag ter beschikking
stellen aan de gehandicapte. Daarbij wordt dan nog vastgesteld dat deze
tegemoetkomingen bij vele rechthebbenden niet gekend zijn of dat de betaling
ervan met veel achterstand gebeurt. De gehandicapte, die zijn aanvraag tot een
tegemoetkoming indiende, wordt dan op zijn beurt verondersteld zich met dat
bedrag, welzijnsvoorzieningen op maat te verschaffen. Het is duidelijk dat de welzijnsvoorzieningen aangeboden door het
OCMW of de gemeente of door het Vlaams Fonds hier een cruciale rol spelen. Deze
vertonen deficits omdat deze vaak niet afgestemd zijn op de individuele
situatie of behoeften van de betrokkene.
Indien de gehandicapte een beroep doet
op privé-welzijnsvoorzieningen om het hoofd te bieden aan zijn verminderde
zelfredzaamheid, daar waar de dienstverlening van het OCMW tekortschiet,
volstaat het bedrag van de tegemoetkoming niet. In dergelijke gevallen moet het
OCMW steun verlenen op basis van artikel 1 OCMW-wet.
Het OCMW betekent dus een individuele aanvulling bovenop de
integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Daaruit
kan men alleen maar besluiten dat de puntentoekenning in het kader van de
gehandicaptenwetgeving een correct beeld geeft van de individuele verminderde
zelfredzaamheid, maar dat ze geen indicator is voor een geldbedrag, maar wel
voor de individuele welzijnsvoorzieningen die de gehandicapte nodig heeft.