jura falconis, jg 38, 2001-2002, nr 3, p. 369-408
De beperkingen op de locus standi voor particulieren in het rechterlijk systeem van de Europese Gemeenschap
Vincent Wellens
‘A generous approach by the courts to standing and a
willingness by judges wherever serious illegality is alleged are … essential if
the rule of law is to be a living precept and not a rhetorical phrase to be
rehearsed in ceremonial speeches.’
1. Inleiding
Een ontwikkeld rechtssysteem zoals dat van de Europese Gemeenschap (EG) vereist ten eerste een effectieve toegang tot een rechtsinstantie om zich te
kunnen beroepen op de geldende regelgeving en ten tweede een mechanisme dat
toelaat regelgeving op haar wettigheid te laten toetsen.
In de onderhavige uiteenzetting wordt na een korte,
doch noodzakelijke conceptuele verduidelijking van het begrip
‘gemeenschapsrechter’
een schets gegeven van de locus standi van particulieren (i.e. natuurlijke
personen en rechtspersonen) in de belangrijkste gerechtelijke procedures
in de EG.
Enerzijds is de uiteenzetting zeer bondig in het
geval men het gemeenschapsrecht wil afdwingen, omdat de particulier dan op een
vrij bevredigend rechtsbeschermingsysteem kan terugvallen.
Anderzijds is de uiteenzetting meer uitgebreid in
het geval men rechtsbescherming wil krijgen tegen het (niet-)handelen van de
gemeenschapsinstellingen, aangezien dit iets moeilijker lijkt te liggen,
misschien wel te moeilijk, hetgeen moet blijken uit een toetsing aan de
artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM),
die het recht op toegang tot een rechtsinstantie in het algemeen waarborgen. Er
wordt eerst kort aandacht besteed aan de werkelijke inhoud van deze artikelen.
Dan wordt onderzocht of het rechtsbeschermingsysteem in de EG wel verenigbaar
is met de artikelen 6 en 13 EVRM. Vervolgens wordt de vraag gesteld of de
gemeenschapsrechter de artikelen 6 en 13 EVRM überhaupt in acht dient te nemen,
en zo ja of een schending van de artikelen 6 en 13 EVRM door de
gemeenschapsrechter kan aangeklaagd worden voor het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens (EHRM). Ten slotte worden enkele mogelijke veranderingen
gesuggereerd in het licht van de rechten die voortvloeien uit de artikelen 6 en
13 EVRM om particulieren een volledig en effectief systeem van toegang tot de
gemeenschapsrechter te waarborgen.
2. De notie ‘gemeenschapsrechter’
Vooraleer men iets kan zeggen over het recht op
toegang tot de gemeenschapsrechter, moet men wel weten wat het begrip
‘gemeenschapsrechter’ precies omvat. Het spreekt vanzelf dat het Gerecht van
eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (GEA) (art. 225 EG-verdrag (EGV))
en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) (art. 220 EGV),
i.e. de rechterlijke gemeenschapsinstanties sensu stricto, hiervan deel
uitmaken.
De nationale rechtscolleges (van de verschillende
Lidstaten) mogen echter niet over het hoofd gezien worden. Als men dit toch
doet, zou men abstractie maken van de eigenheid van het gemeenschapsrechterlijk
systeem, dat een ‘eersterangsrol’
toekent aan de nationale rechter bij de toepassing van het gemeenschapsrecht:het is de nationale rechter tot wie particulieren zich in de eerste plaats
kunnen wenden wanneer het (nalaten te) handelen van overheden van de Lidstaten
of particulieren hun in het gemeenschapsrecht neergelegde rechten schendt.
Het is m.a.w. de nationale rechter, die de afdwinging van het gemeenschapsrecht
verzekert binnen de rechtsorde van zijn Lidstaat-.
Enerzijds komt dit tot uiting in het specifieke
rechtssysteem dat in de EG-verdragen is uitgetekend, en meer bepaald in het systeem
van de prejudiciële vraagstelling van de nationale rechter aan het HvJ ter
uitlegging van het gemeenschapsrecht (art. 234 EGV; infra). Deze prejudiciële
vraagstelling veronderstelt logischerwijze dat de partijen kunnen steunen op
punten van gemeenschapsrecht voor de nationale rechter.
Anderzijds heeft de rechtspraak van het HvJ het
mogelijk gemaakt dat een nationaal rechtscollege in praktijk daadwerkelijk kan
optreden als een gemeenschapsrechter, o.a. door het toekennen van een
rechtstreekse werking in de interne rechtsordes van de Lidstaten aan
verordeningen, aan
sommige Verdragsbepalingen van de Eerste Pijler,
en aan sommige bepalingen in richtlijnen.
Dit is een conditio sine qua non voor de nationale rechter om in de praktijk
als een gemeenschapsrechter te kunnen werken: zonder deze rechtstreekse werking
van het gemeenschapsrecht kan de nationale rechter het merendeel van het
gemeenschapsrecht niet eens rechtstreeks toepassen in zijn interne rechtsorde.
Er zijn nog tal van evoluties merkbaar die
duidelijk maken dat een nationaal rechtscollege wel degelijk als een
gemeenschapsrechter kan beschouwd worden, zoals de schepping van een de facto
systeem van precedent, waarmee het HvJ de nationale rechter wil aansporen geen
prejudiciële vraag te stellen, zelfs al is deze laatste hiertoe verplicht, en
zelf het gemeenschapsrecht toe te passen, indien ‘er al een vaste rechtspraak
van het Hof bestaat over het punt waarop het geding betrekking heeft’.
Verder is er een delegatie van toepassings- en afdwingingstaken van de
gemeenschapsrechter sensu stricto naar de nationale rechter in sommige sectoren
van het gemeenschapsrecht zoals het mededingingsrecht.
3. Het recht op toegang
3.1. In geval van afdwinging van het gemeenschapsrecht
3.1.1. Afdwinging van het gemeenschapsrecht voor de nationale rechter
Zoals reeds werd aangestipt kan
het gemeenschapsrecht door particulieren afgedwongen worden voor de nationale
rechter. Het is zelfs zo dat het gemeenschapsrecht (althans het
gemeenschapsrecht dat rechtstreekse werking heeft; supra) moet kunnen
afgedwongen worden voor een nationaal rechtscollege, m.a.w. de Lidstaten moeten
daarvoor toegang tot een rechtscollege verschaffen en in een rechtsgang
voorzien. Het spreekt vanzelf dat er geen nieuwe nationale rechtscolleges hoeven opgericht te
worden, als dat mogelijk is binnen het bestaande nationale rechterlijke
systeem.
Hoewel de nationale rechter
gemeenschapsrecht zal moeten toepassen, is het een aangelegenheid voor de
nationale rechtsorde van elke Lidstaat om de procesregels vast te leggen ‘voor
de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten welke
justitiabelen aan de rechtstreekse toepassing van het gemeenschapsrecht
ontlenen’. Deze
zogenaamde ‘procedurele autonomie van de Lidstaten’ is echter ondergeschikt aan
enkele gemeenschapsrechtelijke ‘omkaderingsregels’, die de nationale
rechtscolleges dienen te eerbiedigen teneinde ‘de volle werking van het
gemeenschapsrecht’ te waarborgen.
Ten eerste mogen de nationale
procedureregels niet ongunstiger zijn voor rechtsvorderingen gesteund op het
gemeenschapsrecht dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden
(gelijkwaardigheidsbeginsel).
Ten tweede mogen de nationale procedureregels de uitoefening van de door het
gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst
moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).
Nationale regels die de toegang
tot de nationale rechter regelen (zoals regels inzake procesbevoegdheid en
procesbelang) zijn nationale procedureregels en zijn bijgevolg ondergeschikt
zijn aan het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel om de volle
werking van het gemeenschapsrecht te waarborgen.
Indien één van de nationale
procedureregels in strijd is met het gelijkwaardigheids- of
doeltreffendheidsbeginsel, dan mag de rechter deze nationale wetgeving
eenvoudigweg ter zijde schuiven.
3.1.2. De prejudiciële uitlegging van
het gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie
Elke
nationale rechterlijke instantie heeft het recht het HvJ
te verzoeken om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen
over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, indien die nationale rechterlijke
instantie dit noodzakelijk acht om tot een vonnis te kunnen komen (art. 234, 1°
en 2° lid EGV). De nationale rechter kan dit ofwel ambtshalve, ofwel op verzoek
van één van de partijen in het geding doen. De partijen in het geding (het
openbaar ministerie incluis) kunnen echter de nationale rechter hiertoe niet
verplichten, althans
toch niet rechtstreeks. Onrechtstreeks kunnen ze dat wel: nationale
rechterlijke instanties die beslissingen treffen waartegen volgens het
nationale recht geen rechtsmiddel openstaat ,
zijn immers verplicht zich tot het HvJ te wenden (art. 234, 3° lid EGV)
(tenzij het HvJ al eens heeft beslist omtrent de rechtsvraag in kwestie
(supra), of tenzij de correcte toepassing van de regel van gemeenschapsrecht in
kwestie zo voor de hand ligt dat er geen verzoek tot prejudiciële uitlegging
van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is (de zgn. acte clair doctrine)).
Bijgevolg kunnen de partijen in het geding afdwingen dat een prejudiciële vraag
wordt gesteld door rechtsmiddelen aan te wenden tot ze bij een nationale
rechterlijke instantie terechtkomen, die een beslissing treft waartegen geen
rechtsmiddel meer openstaat volgens nationaal recht.
3.1.3. Het specifieke beroep wegens niet-nakoming van het gemeenschapsrecht door een Lidstaat
Het beroep wegens niet-nakoming (art. 226-227 EGV)
beoogt een (niet-)handelen van een Lidstaat, dat in strijd is met een norm van
gemeenschapsrecht die verbindend is voor de Lidstaten, vast te stellen en te
doen ophouden voor het
HvJ.
De Commissie kan krachtens art. 226 EGV deze
procedure instellen tegen een Lidstaat,
zonder een specifiek procesbelang te moeten aantonen:deze bevoegdheid kadert in haar taak om toe te zien op de toepassing van het
gemeenschapsrecht (art. 211 EGV) in het algemeen belang van de EG. Ze is echter
niet verplicht deze procedure te starten bij elke vermeende schending van het
gemeenschapsrecht: ze beoordeelt zelf de opportuniteit ervan.
Bijgevolg is de Commissie niet verplicht gevolg te geven aan de grieven van
particulieren die een schending van het gemeenschapsrecht door een Lidstaat bij
de Commissie hebben aangeklaagd.
De beslissing van de Commissie om geen gevolg te
geven aan klachten van particulieren is trouwens niet vatbaar voor een beroep
tot nietigverklaring (infra),
aangezien de Commissie tijdens de precontentieuze fase geen verbindende
rechtshandelingen vaststelt:in een beslissing om geen gevolg te geven aan een klacht van een particulier,
spreekt de Commissie zich immers niet (definitief) uit of de aangeklaagde
gedraging van de Lidstaat al dan niet in overeenstemming is met het Verdrag.
Een beroep wegens nalaten te besluiten (infra) is eveneens onontvankelijk,
omdat de Commissie geen enkele plicht tot handelen schendt.
Het lijkt erop dat particulieren niet veel in de
melk te brokkelen hebben in deze procedure, die de enigste procedure is die,
enkele bijzondere procedures
niet te nagesproken, het HvJ toelaat om een gedraging van een Lidstaat direct
te toetsen aan het gemeenschapsrecht.
Prima facie blijven particulieren hier dus een beetje in de kou staan. Wanneer
een (overheidsorgaan van een) Lidstaat echter hun in het gemeenschapsrecht
neergelegde rechten schendt, kunnen ze zich wel tot de nationale rechter (in
die Lidstaat) wenden (supra). Deze kan eventueel een prejudiciële vraag stellen
aan het HvJ (supra).
3.2. In geval van rechtsbescherming tegen het (niet-)handelen van de
gemeenschaps-instellingen
3.2.1. Het beroep tot nietigverklaring
Het beroep tot nietigverklaring bij het GEA
(in eerste aanleg) of bij het HvJ (ingeval van een tot rechtsvragen beperkte
hogere voorziening tegen de beslissing van het GEA) (art. 225, 1° lid EGV), is het meest specifieke beroep om een
wettigheidscontrole uit te voeren op bindende handelingen van
gemeenschapsinstellingen (art. 230, 1° lid EGV), i.e. op alle door de
gemeenschapsinstellingen getroffen, bestaande bepalingen, ongeacht hun vorm of
aard, die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen:d.w.z. als ze ‘de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens
rechtspositie aanzienlijk aantasten’
of deze ongunstig beïnvloeden door de rechten van de verzoeker te beperken.
Een gemeenschapsinstelling kan slechts tot
een bindende handeling besluiten voor zover deze rust op een legitieme
rechtsgrond die de instellingen toelaat om normatief op te treden. De vraag of
de bestreden handeling berust op een legitieme rechtsgrond (d.i. een
ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het beroep tot nietigverklaring) zal dus in de
praktijk meestal samenvallen met de vraag naar de bevoegdheid van de
gemeenschapsinstelling om de bestreden handeling te stellen (onderzoek naar de
gegrondheid van het beroep tot nietigverklaring).
Een
gemeenschapshandeling kan nietig verklaard worden op grond van onbevoegdheid,
schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending het gemeenschapsrecht
(met inbegrip van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, zoals het
respect voor de mensenrechten) of op grond van misbruik van bevoegdheid (art.
230, 1° lid EGV).
De verweerders in dit beroep tot
nietigverklaring van gemeenschapshandelingen kunnen het Europees Parlement en
de Raad gezamenlijk, het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de
Europese Centrale Bank zijn (art. 230 1° lid EGV), maar eigenlijk kan om het
even welke instelling van de gemeenschap verweerder zijn in deze procedure,
voor zover de vermeende onrechtmatige gemeenschapshandeling kan toegeschreven
worden aan de verwerende instelling in kwestie.
Wat de verzoekers in deze procedure betreft,
heeft men de zogenaamde geprivilegieerde verzoekers enerzijds en de
niet-geprivilegieerde verzoekers anderzijds.
De geprivilegieerde verzoekers zijn de
Lidstaten, de Raad en de Commissie (art. 230, 2° lid EGV). Deze verzoekers
mogen altijd een beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling
instellen, zelfs wanneer de gemeenschapshandeling tot een andere persoon of
orgaan is gericht
en bijgevolg zonder een procesbelang te moeten aantonen.
Ook het Europees Parlement, de Rekenkamer en de Europese Centrale Bank kunnen
altijd een beroep tot nietigverklaring instellen voor zover het gericht is op
de vrijwaring van hun prerogatieven (art. 230, 3° lid EGV).
De niet-geprivilegieerde verzoekers zijn de
particuliere verzoekers:iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft het recht een beroep tot
nietigverklaring in te stellen tegen (a) beschikkingen en (b) verordeningen,
tenminste indien hij een persoonlijk belang heeft bij de vernietiging ervan.
(a) Beschikkingen
Een particulier kan zonder meer een beroep
tot nietigverklaring instellen tegen een beschikking die aan hem gericht is
(art. 230, 4° lid EGV).
Indien de bestreden gemeenschapshandeling niet
tot de verzoekende particulier gericht is, is het vereist dat ze hem
rechtstreeks en individueel raakt (art. 230, 4° lid EGV).
Een verzoekende particulier tot wie de bestreden
gemeenschapshandeling niet gericht is, wordt rechtstreeks geraakt, als deze
handeling zelf rechtsgevolgen teweegbrengt voor hem.
Indien de nationale overheid, die de gemeenschapshandeling moet uitvoeren, niet
over een werkelijke discretionaire marge beschikt, gebeurt de uitvoering
‘automatisch’ en raakt de uit te voeren gemeenschapshandeling de verzoeker
rechtstreeks. Beschikt
de nationale overheid hierbij wel over een discretionaire marge, krijgt de
gemeenschapshandeling in kwestie slechts een precieze draagwijdte ten gevolge
van de uitvoering ervan. Bijgevolg kan ze de particulier niet rechtstreeks
raken.
Particulieren zullen zich dan tot de nationale rechter moeten wenden om die
uitvoeringsmaatregelen aan te vechten. De nationale rechter zal verplicht zijn
een prejudiciële vraag aan het HvJ te stellen, indien de wettigheid van de
uitvoeringsmaatregelen door één van de partijen in het geding in twijfel wordt
getrokken op grond van een vermeende ongeldigheid van de uitgevoerde
gemeenschapshandeling (infra).
Het vereiste van het ‘individueel geraakt
zijn’ maakt het quasi-onmogelijk voor particulieren om een beroep tot
nietigverklaring in te stellen tegen een niet tot hen gerichte
gemeenschapshandeling, omdat dit vereiste zo strikt geïnterpreteerd wordt door
het HvJ: in het Plaumann-arrest besliste het HvJ dat particulieren slechts
individueel geraakt worden door een niet tot hen gerichte gemeenschapshandeling
indien deze hen treft ‘uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van
een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert
en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat [van
die handeling]’.
Deze passage geeft het vereiste van het
individueel geraakt zijn een strikte inhoud, maar de toepassing van het HvJ van
deze test (hierna: het Plaumann-criterium) geeft het vereiste van het
individueel geraakt zijn een zo mogelijk meer restrictieve inhoud. Het beste
voorbeeld is de Plaumann-zaak zelf: in 1961 vroeg de Duitse regering de
toelating aan de Commissie om de invoerrechtenheffing op clementines ingevoerd
vanuit niet-lidstaten te schorsen. De Commissie weigerde gevolg te geven aan
dit verzoek en richtte deze beschikking aan de Duitse regering, hoewel de
werkelijke bestemmelingen van deze beschikking eigenlijk de importeurs van
clementines waren, die de Duitse regering verzocht hadden om zo’n toelating te
vragen aan de Commissie. Bijgevolg was de verzoeker in deze zaak dan ook een
importeur van clementines die – tevergeefs - de wettigheid van de beslissing
van de Commissie probeerde aan te vechten. Het HvJ besloot tot het bovenvermeld
criterium, dat het vereiste van het individueel geraakt zijn een streng
karakter geeft, omdat ‘de verzoekende partij moet aantonen dat de bestreden
gemeenschapshandeling die vormelijk niet tot haar gericht is, haar inhoudelijk
op dezelfde wijze raakt alsof die handeling een tot haar gerichte beschikking
was’.
Maar het HvJ ging nog een stap verder in de toepassing van dat criterium: ‘dat
in casu de bestreden verzoekster [geraakt is] … uit hoofde van een commercieel
beroep, hetwelk te allen tijde door iedere justitiabele kan worden uitgeoefend
en haar derhalve ten opzichte van de bestreden beschikking niet karakteriseert
op soortgelijke wijze als een adressaat’.
De toepassing van dit criterium is ten eerste
economisch gezien onrealistisch: het aantal bestaande firma’s in een bepaalde
economische activiteit wordt bepaald door het spel van vraag en aanbod, dus als
er op een bepaalde markt slechts enkele firma’s actief zijn is dit niet
toevallig en is het zeer onwaarschijnlijk dat het aantal firma’s plotseling
fors zal stijgen.
Ten tweede schort er ook conceptueel wat aan
de redenering van het HvJ: het is quasi-onmogelijk voor de particuliere
verzoeker tot wie de bestreden beschikking niet gericht is, om een beroep tot
nietigverklaring in te stellen, omdat altijd kan gesteld worden dat anderen op
een bepaald ogenblik zich met dezelfde activiteiten zouden kunnen bezighouden.
Om wel aan het vereiste van het individueel
geraakt zijn te voldoen, ‘volstaat’ het dat de particuliere verzoeker aantoont
dat hij op het ogenblik dat de bestreden gemeenschaps-handeling werd
uitgevaardigd, behoorde tot een ‘gesloten’ groep rechtsonderhorigen die
daardoor werden geraakt.
De redenering van het HvJ in Plaumann zorgt ervoor dat een groep
rechtsonderhorigen die door een beschikking worden geraakt theoretisch altijd
‘open’ blijft en nooit ‘gesloten’ is.
Een nogal frappant voorbeeld hiervan was de zaak-Spijker.
In casu was de particuliere verzoeker de enige handelaar/importeur van kwasten
van Chinese oorsprong in de Benelux. De gemeenschapshandeling waartegen hij een
beroep tot nietigverklaring wilde instellen was een beschikking die de
Commissie vastgesteld had op vraag van de Nederlandse autoriteiten naar
aanleiding van het specifieke geval van de particuliere verzoeker. Er werd hem
echter geen locus standi verleend in deze procedure, omdat de beschikking enkel
gericht was tot de Benelux-Lidstaten. Het HvJ besloot vervolgens dat het
vereiste van het individueel geraakt zijn niet vervuld was, omdat de bestreden beschikking
de verzoeker enkel betreft ‘in haar objectieve hoedanigheid van importeur van
de bedoelde producten, juist zoals iedere andere handelaar die zich feitelijk
of potentieel in een gelijke situatie bevindt’ (cfr. Plaumann; supra). Is het
echter niet aannemelijk om te stellen dat de groep importeurs van kwasten van
Chinese oorsprong in de Benelux een de facto ‘gesloten’ groep is?
Wanneer de bestreden (bepaling(en)
van de) beschikking echter een volledige retroactieve werking heeft, kan het
aantal rechtsonderhorigen die in het verleden aan de toepassingsvoorwaarden van
de beschikking voldaan hebben, niet meer wijzigen. Bijgevolg is deze
beschikking toepasselijk op een ‘gesloten’ groep, en wordt aan het vereiste van
het individueel geraakt zijn voldaan, indien men tot deze groep behoort.
(b) Verordeningen
Het is in principe vereist dat de
gemeenschapshandeling waartegen een particuliere verzoeker een beroep tot
nietigverklaring wil instellen een beschikking is (art. 230, 4° lid EGV). Een
beschikking is van toepassing op een beperkte kring van personen, terwijl een
verordening een algemeen normatief karakter heeft (art. 249, 2° lid EGV). Een
beschikking kan echter onder de vorm van een verordening verschijnen (art. 230,
4° lid EGV) en een
beschikking kan op haar beurt inhoudelijk als een ‘maatregel van algemene
strekking’ worden aangemerkt,
zodat zich eerst en vooral een inhoudelijke analyse van de bepaling in kwestie
zich opdringt om ‘de aard van de bestreden besluiten en met name de
rechtsgevolgen die daarmee worden beoogd of daaruit in feite voortvloeien’
te bepalen.
Het HvJ besliste in Simet dat, wanneer de
bepaling in kwestie algemeen geldende regels neerlegt die van toepassing zijn
op objectief omschreven situaties en rechtsgevolgen teweegbrengt voor in
abstracto omschreven categorieën van personen, ze als een ‘verordening’ kan
worden beschouwd, zelfs al
kan ‘het aantal, of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie zij op
een gegeven ogenblik van toepassing is, min of meer nauwkeurig … worden
bepaald’.
Artikel 230, 4° lid EGV wil particuliere
verzoekers de kans geven een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen
verordeningen die in werkelijkheid een beschikking uitmaken die de particuliere
verzoeker rechtstreeks en individueel raken. Het criterium dat neergelegd is in
Simet door het HvJ is echter waardeloos, omdat het altijd mogelijk is om een
verordening in die bewoordingen op te stellen. Veel verordeningen die volgens
het Simet-criterium als ‘echte’ verordeningen worden aangemerkt, hebben echter
een beperkte toepassingstermijn en zijn slechts toepasselijk op een zeer
beperkte groep, en verschillen dus niet veel van maatregelen die in de interne
rechtsordes van de Lidstaten een administratief karakter hebben. Niettemin,
ontsnappen zulke verordeningen aan een door particulieren ingesteld beroep tot
nietigverklaring.
Indien verordeningen (in werkelijkheid)
enkel betrekking hebben op gebeurtenissen uit het verleden, en geen verdere
impact meer hebben op de toekomst, dan behoren de getroffen rechtsonderhorigen
tot een gesloten groep en worden zij bijgevolg rechtstreeks en individueel
geraakt door een beschikking genomen in de vorm van een verordening.
Wanneer het HvJ besluit dat een bestreden
verordening in werkelijkheid geen beschikking is, hoeft ze zich dan ook niet
verder af te vragen of de bepaling de verzoekende particulier in kwestie
rechtstreeks en individueel raakt.
Evolutie in de rechtspraak toont nu echter
aan dat het normatief karakter van een (werkelijke) verordening niet per se
verhindert dat ze sommige particulieren individueel kan raken.
Een particuliere verzoeker moet dan nog wel bewijzen dat hij individueel
geraakt is door de verordening (). Maar
zolang op dat gebied het Plaumann-criterium en de toepassing ervan niet
versoepeld wordt, staat de particuliere verzoeker eigenlijk nog geen stap
verder.
Het dient wel opgemerkt te worden dat het HvJ haar
ontvankelijkheidsdrempel inzake het vereiste van het individueel geraakt zijn,
verlaagd heeft in bepaalde omstandigheden en in bepaalde domeinen van het
gemeenschapsrecht. De specifieke gevallen waarin het HvJ dat gedaan heeft, zijn
soms niet voor één gat te vangen, maar toch kunnen er enkele tendensen
opgemerkt worden, wanneer het HvJ een soepelere houding aanneemt.
Ten eerste wanneer de gemeenschapsinstelling
die de bestreden handeling vastlegde verplicht was rekening te houden met
negatieve gevolgen van die handeling op de positie van personen zoals de
verzoeker, of wanneer
een particuliere verzoeker aanduidt dat de gemeenschapshandeling zijn
specifieke rechten aantast (cfr. de zaak-Codorniu).
Deze laatste situatie opent perspectieven: het is immers niet ondenkbaar dat de
meest fundamentele grondrechten, de regels van behoorlijk bestuur en bepalingen
van gemeenschapsrecht met rechtstreekse werking zulke specifieke rechten
inhouden.
Ten tweede wanneer de bestreden handeling de
verzoekende particulier bij naam noemt (zonder dat hij de bestemmeling is van
die handeling) en een situatie die aan haar eigen is direct regelt, of wanneer
de verzoekende particulier betrokken was bij een voorafgaande maatregel.
Ten derde nemen het GEA en het HvJ een soepele houding
aan tegenover de locus standi van de particulier in het beroep tot
nietigverklaring in anti-dumpingzaken, staatssteunzaken en mededingings-zaken,
hetgeen te verklaren is door de specifieke procedures
in die domeinen, waarin particulieren betrokken worden bij het nemen, het
uitvoeren en het toezicht van de bestreden gemeenschapshandeling(en).
Ten vierde kan in uitzonderlijke omstandigheden het
vereiste van het individueel geraakt zijn discriminerend werken ten aanzien van
rechtsonderhorigen die zich in een gelijkaardige positie bevinden.
Enerzijds is het voorbarig om overdreven
optimistisch te zijn:Plaumann-criterium blijft onverkort gelden indien de particuliere verzoeker
zich niet in één van die omstandigheden bevindt. Bovendien zijn de diverse
uitzonderingsregimes nogal diffuus en geënt op concrete situaties, en is de
meer algemene toepassing ervan een beetje onzeker. Er dient ook op gewezen te
worden dat Codorniu het laatste belangrijke arrest is inzake locus standi voor
particulieren, dat het HvJ geveld heeft vooraleer het GEA bevoegd werd om over
deze materie te beslissen. Het staat vast dat het GEA niet voortborduurt op
Codorniu. Wel
integendeel, dit blijkt duidelijk uit haar rechtspraak die het vereiste van het
individueel geraakt zijn streng blijft beoordelen.
Anderzijds wijzen de versoepelingen die
ingevoerd zijn, erop dat het HvJ zelf het Plaumann-criterium te streng vindt.
(c) Andere bepalingen van gemeenschapsrecht dan beschikkingen en verordeningen.
En wat met andere bindende bepalingen van
gemeenschapsrecht dan beschikkingen en verordeningen ? Heeft de verzoekende
particulier het recht om een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen
een verdragsbepaling of een richtlijn ?
Een wettigheidscontrole uitoefenen op primair
gemeenschapsrecht (zoals verdragsbepalingen) zou nogal moeilijk liggen omdat
het primair gemeenschapsrecht juist de ‘toetssteen’ is om de wettigheid van de
gemeenschapshandelingen te beoordelen.
Richtlijnen daarentegen zijn secundair
gemeenschapsrecht. Bijgevolg kunnen ze dus getoetst worden aan het primair
gemeenschapsrecht. Een particuliere verzoeker in de procedure van een beroep
tot nietigverklaring zal echter niet snel locus standi krijgen om bepalingen
van een richtlijn aan te vechten, omdat
men ervan uitgaat dat het normatief karakter van de richtlijn (art. 249 EGV)
impliceert dat ze de particuliere verzoeker niet individueel kan raken.
De richtlijn zou enkel eventueel aanvechtbaar zijn in een beroep tot
nietigverklaring, indien een bepaling van de richtlijn een verkapte beschikking
uitmaakt. Dit argument lijkt niet meer geldig te zijn sinds het Codorniu-arrest
waarin het HvJ stelde dat het normatief karakter van een bepaling niet
verhindert dat sommige mensen door deze bepaling individueel geraakt kunnen
worden, en bijgevolg toch een beroep tot nietigverklaring kunnen instellen.
Trouwens, nog voor het Codorniu-arrest, waren er al een paar tekens aan de
wand: in het GUNA-arrest werd niet geantwoord op de vraag of een particulier
een beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen een richtlijn, maar werd
vastgesteld dat de richtlijnbepalingen in casu de verzoeker niet rechtstreeks
en individueel raken.
Het is inderdaad mogelijk dat een particuliere verzoeker individueel geraakt
wordt door een richtlijn, bijvoorbeeld als hij kan bewijzen over een recht te
beschikken dat in acht dient genomen te worden door de gemeenschapsinstellingen
als zij de richtlijn aannemen.
Bijgevolg kan hij locus standi krijgen in het beroep tot nietigverklaring van
de richtlijnbepaling in kwestie. Toch blijft de kwestie onduidelijk en niet
in het minst door de verwarrende rechtspraak van de gemeenschapsrechters sensu
stricto zelf.
M.i. wordt wat richtlijnen betreft soms over
het hoofd gezien dat ze de particuliere verzoeker niet alleen individueel maar
ook rechtstreeks dienen te raken (supra), hetgeen nogal moeilijk ligt voor een
richtlijn omwille van haar aard:een richtlijn is een
gemeenschapshandeling die tot de Lidstaten gericht is en die nog moet omgezet
worden door deze Lidstaten om in werking te treden in de respectievelijke
interne rechtsordes (art. 249 EGV).
3.2.2. Het beroep wegens nalaten tot besluiten.
Het beroep wegens nalaten te besluiten is een
specifieke procedure die toelaat de onwettigheid
van het nalaten van de verwerende gemeenschapsinstelling (de Raad, de
Commissie, het Europees Parlement of de Europese Centrale Bank) om een besluit
te nemen door het GEA of door het HvJ (ingeval van een tot rechtsvragen
beperkte hogere voorziening tegen de beslissing van het GEA (art. 225, 1° lid
EGV)
te laten vaststellen (art. 232, 1° lid EGV).
Alle gemeenschapsinstellingen (behalve het HvJ en het GEA natuurlijk: die verlenen immers rechtsbescherming en
verzoeken er niet om)
en de Lidstaten hebben krachtens art. 232, 1° lid EG dit beroepsrecht.
Een particulier heeft een beroepsrecht tegen
het nalaten van een gemeenschapsinstelling een gemeenschapshandeling
vast te stellen, die tot die particulier moet gericht worden (art. 232, 3° lid
EG). Prima facie kan een particulier dus enkel een beroep instellen tegen de
nalatigheid van een gemeenschapsinstelling een tot hem gerichte beschikking
vast te stellen. Het HvJ heeft echter beslist dat het beroep wegens nalaten te
besluiten en het beroep tot nietigverklaring in één en dezelfde rechtsgang
voorzien. Bijgevolg
staat het beroep wegens nalaten te besluiten open met betrekking tot alle gemeenschapshandelingen
die vatbaar zijn voor een beroep tot vernietiging. De particuliere verzoeker
kan dus een beroep wegens nalaten te besluiten instellen wanneer hij
rechtstreeks en individueel geraakt is door het nalaten van de
gemeenschapshandeling in kwestie, zonder de werkelijke bestemmeling ervan te
zijn.
3.2.3. De prejudiciële geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen
Art. 234, 1° lid EGV kent aan het HvJ de
bevoegdheid toe om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over
de geldigheid van gemeenschapshandelingen. Het mechanisme van de prejudiciële
vraag van een nationaal rechtscollege aan het HvJ, is al eerder behandeld. In
het kader van een wettigheidscontrole op een handeling van een
gemeenschapsinstelling, gaat het om een incidentele geldigheidstoetsing van
gemeenschapshandelingen: het valt meestal voor wanneer de particuliere
verzoeker voor een nationale rechter een maatregel of een handeling van een
nationale overheid
ter uitvoering van een norm van gemeenschapsrecht, wil aanvechten, en
wanneer de wettigheid van die norm van gemeenschapsrecht in vraag wordt
gesteld. Zo kan de particuliere verzoeker bijvoorbeeld beweren dat de norm van
gemeenschapsrecht in kwestie die aanleiding heeft gegeven tot de nationale
maatregel, de algemene beginselen van gemeenschapsrecht (o.a. de mensenrechten)
schendt.
Net zoals in het specifieke beroep tot
nietigverklaring, is het niet mogelijk om via prejudiciële weg primair
gemeenschapsrecht (EGV, …) op zijn geldigheid te laten toetsen. Voor de rest
mogen alle (zelfs niet-bindende) handelingen van alle gemeenschapsinstellingen
langs deze weg op hun geldigheid getoetst worden: door de EG gesloten
internationale verdragen,
richtlijnen, resoluties van de Raad,
verordeningen, aanbevelingen,
beschikkingen (al dan niet gericht tot
de particuliere verzoeker),
....
Het begrip ‘handelingen van de instellingen’ die via prejudiciële weg op hun
geldigheid kunnen getoetst worden,
wordt ruim geïnterpreteerd, omdat dit het ‘volledig karakter’ van het stelsel
van rechtsbescherming maximaal verzekert.
3.3. Het gemeenschapsrechterlijk systeem is coherent… maar is het ook
volledig en effectief ?
3.3.1. In geval van afdwinging van het gemeenschapsrecht
Bij afdwinging van het gemeenschapsrecht
wordt er een zekere coherentie nagestreefd in de relatie nationale
rechter-gemeenschapsrechter sensu stricto door de procedure van de prejudiciële
vraagstelling fijner af te stellen door o.a. het scheppen van een de facto
systeem van precedent en de acte claire doctrine (supra).
Belangrijker nog is het feit dat het
rechtsbeschermingsysteem bij afdwinging van het gemeenschapsrecht niet alleen
vrij coherent is, maar dat het particulieren een vrij vlotte en effectieve
rechtsgang aanbiedt. Zoals eerder aangestipt heeft een particuliere verzoeker
een effectieve rechtsgang bij de nationale rechter om het gemeenschapsrecht dat
rechtstreekse werking heeft (supra) af te dwingen. De nationale rechter kan
immers zelf dat gemeenschapsrecht toepassen – eventueel na een vraag om een prejudiciële uitlegging
aan het HvJ - en voldoening geven aan de particuliere verzoeker. Wat de toegang
tot de nationale rechter betreft in zo een geval, werd verwezen naar de
procedureregels van de Lidstaat van het nationale rechtscollege in kwestie,
onder voorbehoud van het doeltreffendheids- en het gelijkwaardigheidsbeginsel
(supra).
Een particuliere verzoeker krijgt vrij
gemakkelijk toegang tot de gemeenschapsrechter sensu lato, omdat bij afdwinging
van het gemeenschapsrecht het accent ligt op de volle werking ervan. De volle
werking van het gemeenschapsrecht kan immers niet ten volle gewaarborgd worden
door het louter toezicht van de openbare instanties die daartoe bevoegd zijn
(vb. de Commissie via een 226 EGV-procedure). Er kan pas sprake zijn van een
volle werking van het gemeenschapsrecht als particulieren een vordering mogen
instellen ter afdwinging van het gemeenschapsrecht.
3.3.2. In geval van rechtsbescherming tegen het (niet-)handelen van de gemeenschaps-instellingen
Het rechtsbeschermingsysteem voor particulieren
bij de geldigheidscontrole van het (niet-) handelen van
gemeenschapsinstellingen is ook vrij coherent: tussen de verschillende
procedures is er een systeem van ‘communicerende vaten’
in de rechtspraak van het HvJ ontstaan.
Zo is het niet mogelijk voor een particuliere
verzoeker om een gemeenschapshandeling indirect aan te vechten voor de
nationale rechter, wanneer hij zonder twijfel in een positie is die hem toelaat
de gemeenschapshandeling in kwestie aan te vechten middels een beroep tot
nietigverklaring bij het GEA. Bijgevolg zal de particuliere verzoeker die een
beschikking die tot hem gericht is op haar geldigheid wil laten toetsen, enkel
een beroep tot nietigverklaring bij het GEA kunnen instellen.
Ook als de beschikking in kwestie niet tot de particuliere verzoeker is gericht
en het vaststaat dat hij niettemin rechtstreeks en individueel geraakt is, dan
zal hij zijn zaak niet voor de nationale rechter mogen brengen.
Dit teneinde te verhinderen dat de termijn van twee maanden om het beroep tot
nietigverklaring in te stellen (art. 230, 5° lid EGV) zou omzeild worden, en
dat bijgevolg het rechtszekerheidsbeginsel niet zou gerespecteerd worden door
via prejudiciële weg een particulier vooralsnog toe te staan de geldigheid van
een gemeenschapshandeling in twijfel te trekken.
Gezien de restrictieve interpretatie van het vereiste van het individueel
geraakt zijn en de diffuse uitzonderingsregimes daarop, zal het echter in niet
veel gevallen duidelijk zijn dat de verzoekende particulier in kwestie zonder
twijfel locus standi heeft in een beroep tot nietigverklaring.
Omgekeerd zal in principe een particuliere
verzoeker locus standi in het beroep tot nietigverklaring ontzegd worden indien
hij de geldigheid van de gemeenschapshandeling kan aanvechten voor de nationale
rechter, die dan een prejudiciële vraag kan (of liever gezegd moet (infra)
stellen. Het HvJ zal dan vlugger besluiten dat het vereiste van het
‘individueel geraakt zijn’ in de context van het beroep tot nietigverklaring,
niet vervuld is.
Een ander voorbeeld van het systeem van
‘communicerende vaten’ wat de geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen
betreft, is de wisselwerking tussen de procedures van het beroep tot
nietigverklaring en het beroep wegens nalaten te besluiten. Zo zal een beroep
wegens nalaten te besluiten niet meer ingesteld kunnen worden, of zal een
hangend beroep wegens nalaten te besluiten overbodig geacht worden, indien de
gemeenschapsinstelling in kwestie een standpunt heeft ingenomen, nadat ze
aangemaand is geweest.
Logisch aangezien de handeling waarbij de betrokken gemeenschapsinstelling een
standpunt heeft ingenomen meestal een bindende handeling inhoudt die vatbaar is
voor een beroep tot nietigverklaring.
Houdt de standpuntbepaling van de gemeenschapsinstelling in kwestie echter geen
bindende handeling in en is een beroep tot nietigverklaring bijgevolg niet
mogelijk, dan blijft het onmogelijk voor de particuliere verzoeker om een
beroep wegens nalaten te besluiten in te stellen.
Dat het rechtsbeschermingsysteem voor
particulieren bij de geldigheidscontrole van gemeenschapsnormen vrij coherent
is, wil nog niet zeggen dat het volledig en effectief is. Volledig wil zeggen
dat de particuliere verzoeker elk handelen of elk nalaten van een
gemeenschapsinstelling dat in strijd is met het gemeenschapsrecht zou moeten
kunnen aanvechten voor een rechtbank.
Het HvJ doet zijn best om eventuele lacunes weg te helpen door een
teleologische interpretatie te geven aan de Verdragsbepalingen die de
bevoegdheden van de gemeenschapsrechter bepalen. De taak van het HvJ is immers
de eerbiediging van het gemeenschapsrecht bij de uitlegging en de toepassing
van Verdragsbepalingen (art. 220 EGV). Het rechtsbeschermingsysteem voor
particulieren bij geldigheidscontrole van gemeenschapsnormen is vrij volledig,
aangezien een particuliere verzoeker toch vrij een groot deel van het
gemeenschapsrecht kan laten toetsen op zijn geldigheid als men de procedures
van beroep tot nietigverklaring, beroep wegens nalaten te besluiten en de
prejudiciële geldigheidstoetsing samenrekent (supra).
Toch zijn er nog een paar lacunes wat de
volledigheid van rechtsbescherming bij geldigheidscontrole van
gemeenschapshandelingen betreft. Zo is een prejudiciële geldigheids-toetsing
geen alternatief voor een beroep wegens nalaten te besluiten, aangezien het HvJ
niet over de mogelijkheid beschikt om in een prejudiciële procedure het nalaten
van een gemeenschapsinstelling vast te stellen.
Wanneer een gemeenschapsinstelling onwettig nalaat een handeling te stellen, dan
is de enige mogelijke rechtsgang het beroep wegens nalaten te besluiten. Toch
zijn wordt het vereiste van het individueel geraakt zijn in een beroep wegens
nalaten te besluiten even stringent uitgelegd als in een beroep tot
nietigverklaring, zodat het voor particulieren in een beroep wegens nalaten te
besluiten schier onmogelijk is locus standi te verkrijgen.
Verder is er een probleem als er geen
nationale maatregel is die de aangevochten gemeenschapshandeling omzet. Dan
heeft de verzoekende particulier geen alternatief (i.e. een procedure voor de
nationale rechter met een prejudiciële vraagstelling) voor het beroep tot
nietigverklaring, waarin hij niet zo gemakkelijk locus standi verkrijgt. Zo
ontstaat het risico dat een deficit ontstaat in het rechtsbeschermingsysteem.
Dit risico is zeer waarschijnlijk, wanneer de aangevochten
gemeenschapshandeling een handeling is van algemene strekking en een
rechtstreekse werking heeft. De particuliere verzoekers hebben dan immers geen
maatregelen of handelingen van de nationale overheid ter omzetting van de
aangevochten gemeenschapshandeling die ze kunnen aanvechten in een procedure
voor een nationaal rechtscollege die de weg opent voor een prejudiciële
procedure, waarin de aangevochten gemeenschapshandeling op zijn geldigheid kan
getoetst worden. Aangezien de aangevochten gemeenschapshandeling rechtstreekse
werking heeft, zullen particulieren inbreuk kunnen plegen op de bepalingen van
de gemeenschapshandeling in kwestie, en dan als verweerder in een nationale
procedure de wettigheid van de gemeenschapshandeling kunnen aanvechten. Dit is
natuurlijk absurd en het strookt niet met de opvatting dat de EG gebaseerd is
op de ‘rule of law’ hetgeen juist voortvloeit uit het feit dat alle
gemeenschapshandelingen onderworpen zijn aan een geldigheidscontrole.
Trouwens deze laatste redenering gaat niet op voor bepalingen van richtlijnen
die rechtstreekse werking hebben. Richtlijnen zijn immers gericht aan Lidstaten
(art. 249, 3° lid EGV) en kunnen geen verplichtingen meebrengen voor
particulieren, die de bepalingen van de richtlijn dus ook niet kunnen schenden.
Een andere vraag is natuurlijk of het
rechtsbeschermingsysteem in casu ook wel werkzaam is. Het grote pijnpunt is
natuurlijk de beperkte locus standi van de particuliere verzoeker in het beroep
tot nietigverklaring. Het is dus beter eerst deze procedure nog eens extra
onder het vergrootglas te nemen, om dan tot een conclusie te komen voor het
globale rechtsbescher-mingsysteem voor particulieren bij geldigheidscontrole
van het (niet-)handelen van gemeenschapsinstellingen, aangezien geen enkele
procedure helemaal losstaat van de andere mogelijke procedures. Vanuit een
rechtsbeschermingperspectief doet het er helemaal niet toe of de
rechtsbescherming wordt geboden door deze of gene procedure, op gemeenschaps-
of nationaal niveau, zolang er maar een werkzame rechtsbescherming wordt
geboden. In
principe interpreteert HvJ het artikel 230, 4° lid EGV op een strenge wijze
(supra). Over het waarom zijn er verschillende theorieën.
Eén van de meest aannemelijke theorieën stelt dat
art. 230, 4° lid EGV streng wordt geïnterpreteerd omdat de bewoordingen van
art. 230, 4° lid EGV doen vermoeden dat het waarschijnlijk nooit de bedoeling
is geweest particuliere verzoekers veel hoop op locus standi te geven in een beroep van nietigverklaring
tegen gemeenschapsmaatregelen die niet tot hen gericht zijn, meer bepaald tegen
verordeningen en beschikkingen die gericht zijn aan Lidstaten.
Het is waar dat de tekst van art. 230, 4° lid EGV duidelijk grenzen stelt aan
de mogelijkheid voor particulieren om via het beroep van nietigverklaring de
wettigheid van gemeenschapshandelingen te toetsen. Maar het EGV is niet alleen
stukje tekst; het houdt ook uitdagingen in. Zo heeft een zwakke tekstuele basis
in het EGV het HvJ niet belet een rechtstreekse werking toe te schrijven aan
sommige Verdragsbepalingen.
Bovendien, wat ook de bedoeling van de ontwerpers van het EGV moge geweest zijn
in 1957, heden is de wettigheidscontrole door en via particuliere rechtsvorderingen
even belangrijk geworden in de context van de Europese Gemeenschap als in elke
nationaalrechterlijk systeem.
Argumenten als zou de rechtszekerheid in het gedrang komen door een al te
soepel toestaan van locus standi in een beroep tot nietigverklaring, zijn niet
geldig, aangezien er een vrij korte verjaringstermijn (nl. twee maanden) voor
deze vordering loopt (art. 230 EGV).
Dit rechtszekerheidsargument valt trouwens niet te rijmen met het standpunt van
het HvJ dat de prejudiciële procedure (infra) een geschikt alternatief is voor
het beroep tot nietigverklaring: het gamma gemeenschapshandelingen die kunnen
aangevochten worden in een prejudiciële procedure, is uitgebreider, bovendien
is er geen (of toch geen uniforme) verjaringstermijn in een prejudiciële
procedure. Het HvJ
heeft trouwens zelf in Plaumann gezegd dat de Verdragsbepalingen nopens het
beroepsrecht van de justitiabelen niet restrictief uitgelegd mogen worden.
Een ander deel van de rechtsleer vindt
normaal dat de locus standi voor het GEA (en het HvJ) beperkt is, aangezien het
feit dat een particulier zelf een zaak kan aanhangig maken bij een
internationaal gerechtshof eerder een revolutionaire gedachte is.
Dit argument is zeker niet afdoende aangezien de Europese Gemeenschap een nieuw
soort internationale rechtsorde is, die niet alleen de Lidstaten als
rechtssubjecten omvat, maar ook hun onderdanen,
hetgeen op zich vrij revolutionair is.
Een meer gesofisticeerde theorie is de
volgende: het HvJ is minder geneigd locus standi te verschaffen, wanneer de
bestreden gemeenschapshandeling van ‘discretionaire’ aard is.
Zo valt het op dat particulieren vaak een beroep tot nietigverklaring instellen
tegen gemeenschapshandelingen die gesteld zijn in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid, een domein in het gemeenschapsrecht dat
verschillende beleidsdoelstellingen heeft (cfr. artikel 33 EGV), die natuurlijk
met elkaar in conflict kunnen komen.
Bijgevolg zullen de Commissie en de Raad bij het nemen van
gemeenschapsmaatregelen moeilijke beleidskeuzes moeten maken, zodat er altijd
winnaars en verliezers zullen zijn. Het spreekt voor zich dat het HvJ niet snel
bereid zal gevonden worden (door bijvoorbeeld niet gemakkelijk locus standi te
verlenen) deze discretionaire keuzes achteraf te bekritiseren-.
Ook de soepelere houding van het HvJ in bijvoorbeeld mededingingszaken valt
hiermee te rijmen. In mededingingszaken zijn de gemeenschapsbelangen minder
ambigu, en is er hoofdzakelijk één beleidsdoelstelling, nl. ongehinderde
mededinging binnen de gemeenschappelijke markt verzekeren (cfr. art. 3(g)
EGV). De zojuist uiteengezette theorie
is echter slechts een poging om het gedrag van het HvJ inzake de locus standi
voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring te verklaren, maar ze houdt
nog altijd geen rechtvaardiging voor het HvJ om het vereiste van het
individueel geraakt zijn, dat op zich al een streng vereiste is, zo streng uit
te leggen. Een gemeenschapsinstelling mag dan nog veel beleidskeuzevrijheid
hebben, ze zal bij het nemen van gemeenschapsmaatregelen bepaalde rechtsregels
(zoals procedurele vereisten, het gemeenschapsrecht in het algemeen,
…) in acht moeten nemen. Doet ze dat niet dan is de gemeenschapshandeling in
kwestie onwettig. Het is deze onwettigheid die in een beroep tot
nietigverklaring aangevochten wordt en niet de uiteindelijke beleidskeuze op
zich. Bovendien gaat m.i. de kwestie dat de rechter zich niet mag/wil inlaten
met de beleidskeuzes van de overheid over de gegrondheid van de vordering van
de verzoeker, en niet over de ontvankelijkheid ervan.
Misschien is de beste verklaring voor de
strenge houding van het HvJ inzake locus standi in het beroep tot
nietigverklaring wel te vinden in het systeem van ‘communicerende vaten’. Zoals
gezegd wordt in het rechtsbeschermingsysteem voor particulieren bij
geldigheids-controle van gemeenschapsnormen naar coherentie en volledigheid
gestreefd. Enerzijds zal het HvJ zich wat soepeler opstellen wat het verlenen
van locus standi aan particulieren betreft, indien ze niet kunnen beschermd
worden door een nationaal rechtscollege,
anderzijds zal het HvJ niet gemakkelijk locus standi toestaan voor
particulieren in een beroep tot nietigverklaring wanneer ze kunnen beschermd
worden door een nationaal rechtscollege (supra). Dit laatste kwam tot uiting in
het Greenpeace-arrest.
In deze zaak werd een poging van de
milieuvereniging Greenpeace om het vereiste van het individueel geraakt zijn te
versoepelen in milieuzaken zowel door het GEA
als het HvJ in volle zitting afgewezen. Greenpeace (en anderen) stelden
een beroep tot nietigverklaring in tegen een besluit van de Commissie tot
toekenning van financiële bijstand uit het Europees Fonds voor regionale
ontwikkeling voor de bouw van twee elektrische centrales. Het beroep tot nietigverklaring
werd onontvankelijk verklaard omdat Greenpeace voldoende rechtsbescherming zou
genieten voor de nationale rechter in de zin dat Greenpeace over de
mogelijkheid beschikt de administratieve vergunningen voor de bouw van de
centrales en de verklaringen inzake de milieu-effecten van de bouwprojecten
voor de nationale rechter aan te vechten.
Men kan zich echter terecht vragen stellen
bij de – o.a. door LENAERTS
verdedigde - stelling dat de procedure voor de nationale rechter met een
eventuele prejudiciële vraagstelling een even effectieve rechtsbescherming
tegen inbreuken op het gemeenschapsrecht door de gemeenschapsinstellingen
waarborgt als het beroep tot nietigverklaring. Men kan zich inderdaad afvragen
of het niet efficiënter – en dus ook effectiever - is voor particulieren om
onmiddellijk een beroep tot nietigverklaring te kunnen instellen.
In het kader van een wettigheidscontrole op
een handeling van een gemeenschapsinstelling, zal een particuliere verzoeker
een handeling of een maatregel van een nationale overheid die een norm van
gemeenschapsrecht omzet, aanvechten in een nationale procedure tegen een
nationale overheidsinstelling, op grond dat de norm van gemeenschapsrecht niet
wettig is (supra). Het is niet de nationale maatregel zelf, die getoetst wordt
op zijn wettigheid, maar de norm van gemeenschapsrecht. Bijgevolg zullen de
argumenten van de verzoekende particulier in deze procedure dezelfde zijn als
degene die hij zou aangevoerd hebben in een beroep tot nietigverklaring. Nu is
het zo dat een nationale rechter zelf niet tot de onwettigheid van die
aangeklaagde norm van gemeenschapsrecht kan besluiten. Dit is een exclusieve
bevoegdheid die het HvJ toebehoort: de nationale rechter zal in dat geval een
prejudiciële vraag moeten stellen aan het HvJ, zelfs al is hij krachtens art.
234, 3° lid EGV hiertoe niet verplicht.
Het zou immers nogal kras zijn als een nationale rechter zomaar de geldigheid
van gemeenschapsrecht in twijfel kon trekken, hetgeen de consistentie en de
rechtszekerheid van het gemeenschapsrecht niet ten goede zou komen: de
beslissing van het nationaal rechtscollege in kwestie zou dan maar beperkt zijn
tot de Lidstaat waarin het gelegen is, terwijl de aangevochten handeling in
principe verder zou blijven gelden in de andere Lidstaten.
Zowel in een nationale procedure met een
verplichte prejudiciële vraagstelling, als in een procedure van beroep tot
nietigverklaring, komt de verzoekende particulier terecht bij een
gemeenschapsrechter sensu stricto. Nu wordt de verzoekende particulier door een
nationale procedure met een verplichte prejudiciële vraagstelling gejaagd. De
procedure voor de nationale rechter bij een geldigheidstoetsing van een
gemeenschapshandeling is dus een nutteloze rechtsgang, die alleen maar dient om
de weg te openen naar een prejudiciële procedure. Een meer toegankelijk beroep
tot nietigverklaring zou deze overbodige rechtsgang voor een nationaal
rechtscollege kunnen vermijden en zo de verzoekende particulier tijd en geld
besparen. Bovendien
mag in tegenstelling tot een procedure van beroep tot nietigverklaring in een
prejudiciële procedure slechts één memorie per partij ingediend worden en is er
geen volledige uitwisseling van de pleidooien (art. 20 Statuut Hof van
Justitie). Het GEA heeft echter recentelijk in Salamander het argument als zou
de prejudiciële procedure geen afdoend alternatief zijn voor het beroep tot
nietigverklaring, dat volgens de verzoekers in casu een sneller en
doeltreffender rechtsmiddel zou zijn, resoluut afgewezen. De argumenten van het
GEA waren o.a. dat het GEA zich niet in de plaats van de primaire communautaire
wetgever mag stellen om de in de artikelen 230 en 234 EGV neergelegde
procedures te wijzigen.
Heeft het HvJ zich dan niet in de plaats van de primaire communautaire wetgever
gesteld bij het toekennen van rechtstreekse werking aan sommige verdrags- en
richtlijnbepalingen (supra) ? ALSTON en WEILER merken trouwens op dat de
expansie en de complexiteit van het gemeenschapsbestuur heeft aangetoond dat de
complementariteit (cfr. ‘communicerende vaten’) tussen de prejudiciële
procedure en het beroep tot nietigverklaring niet langer gewaarborgd kan worden.
Particulieren kunnen echter tussenkomen in
procedures tussen particulieren voor het HvJ wanneer ze een belang kunnen
aantonen (art. 37 Statuut Hof van Justitie). Het is duidelijk dat zo een recht
op tussenkomst de gebrekkige locus standi voor particulieren in een beroep tot
nietigverklaring niet kan compenseren, omdat dat recht afhangt van een
aanhangigmaking van de zaak door iemand anders. Toch heeft dat recht een zeker
nut, bijvoorbeeld om belangengroeperingen de kans te geven hun standpunt
kenbaar te maken in hangende procedures voor het HvJ.
Ook de exceptie van onwettigheid (art. 241
EGV) kan de gebrekkige locus standi voor particulieren in een beroep tot
nietigverklaring slechts verzachten, maar zeker niet compenseren, aangezien het
geen zelfstandige rechtsgang is.
Het is slechts een bijkomend rechtsmiddel in elk rechtstreeks beroep dat
ingesteld kan worden bij het HvJ of het GEA. De exceptie van onwettigheid
beoogt de toepassing te vermijden van onwettige gemeenschapshandelingen van
algemene strekking ten nadele van hen die niet (meer) het recht hebben om tegen
die handelingen in beroep te komen.
Zo kan een exceptie van onwettigheid bijvoorbeeld niet ingeroepen worden om de
toepassing te vermijden van een beschikking die door een onwettigheid is
aangetast.
Er weze opgemerkt dat iedere natuurlijke of
rechtspersoon die beweert schade te lijden door handelingen of gedragingen van
een gemeenschapsinstellingen, haar diensten of personeelsleden bij het GEA
(art. 3, 1° lid, b en d, Besluit Gerecht) een beroep tot schadevergoeding kan
instellen.
Oorspronkelijk leek de rechtspraak van het
HvJ te stellen dat de verzoekende partij slechts gerechtigd was een beroep tot
schadevergoeding in te stellen na de nietigverklaring van de schadeberokkenende
gemeenschapshandeling.
Kort daarna brak het HvJ met deze rechtspraak en stelde dat het beroep tot
schadevergoeding een zelfstandige rechtsgang uitmaakt,
aangezien het uitsluitend gericht is op een pecuniaire genoegdoening en zich
bijgevolg om die reden onderscheidt van het voorwerp van andere rechtsgangen.
Het beroep tot schadevergoeding is een beroep tot vaststelling van de
subjectieve rechten van de verzoekende partij in tegenstelling tot een beroep
tot nietigverklaring dat een beroep tot de onwettigheid van een
gemeenschapshandeling vaststelt en meer verstrekkende gevolgen beoogt (nl. de
nietigverklaring van een gemeenschapshandeling). Daarom is het ook logisch dat
voor een beroep tot schadevergoeding niet dezelfde stringente
ontvankelijkheids-voorwaarden gelden als voor een beroep tot nietigverklaring:voor een beroep tot schadevergoeding volstaat het dat de schade waarvoor de
verzoekende partij vergoeding vraagt haar persoonlijk vermogen aantast om tot
de ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding te kunnen besluiten.
Prima facie lijkt dit toch een niet te
verwaarlozen alternatief voor de gebrekkige locus standi voor particulieren in
een beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling,
ware het niet dat het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is wanneer
het als een oneigenlijk beroep tot nietigverklaring of beroep wegens nalaten te
besluiten wordt gebruikt, hetgeen een misbruik van procedure zou uitmaken.
4. Het recht op toegang tot de gemeenschapsrechter volgens de artikelen 6 en 13 EVRM
4.1. Het recht op toegang tot een rechtsinstantie volgens de artikelen 6 en 13 EVRM
Artikel 6, 1° lid EVRM waarborgt eenieder het
recht op een eerlijk proces, ‘bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten
en verplichtingen
(of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde
strafvervolging)’.
Het spreekt voor zich dat vooraleer er sprake kan zijn van een eerlijk proces
(‘procedural due process’) er eerst een proces (‘substantive due process’) moet
zijn. Bijgevolg heeft het EHRM beslist in het arrest-Golder dat het recht op
toegang tot een rechtscollege een recht is dat impliciet wordt toegekend door
art. 6, 1° lid EVRM.
Een loutere formele toegang tot een rechtscollege is niet voldoende: het EVRM
kent geen theoretische of illusoire, maar praktische en effectieve rechten toe.
Dit is zeker zo voor het recht op toegang tot de rechter, gezien de prominente
plaats die het recht op een eerlijk proces inneemt in een democratische
maatschappij. De landen
die het EVRM hebben ondertekend, zijn bovendien genoopt tot het nemen van
positieve maatregelen teneinde dit recht effectief te maken.
Om effectief te zijn, mag het recht op toegang tot de rechter geen enkele
hinder ondervinden die het de rechthebbende praktisch onmogelijk maakt dit
recht uit te oefenen.
Het recht op toegang tot de rechter omvat niet alleen het vereiste dat er een
rechter moet zijn die effectief toegankelijk is, maar ook het vereiste dat er
een geschikte rechter voorhanden is: i.e. een onafhankelijk, onpartijdig
rechtscollege dat ingesteld is door de wet en die het geding dient te beslissen
(art. 6, 1° lid EVRM). Verder wordt dit recht op toegang tot de rechter
aangevuld door enkele processuele waarborgen, zoals het recht op een
behandeling binnen een redelijke termijn.
Het spreekt voor zich dat dit recht op
toegang tot de rechter geen absoluut recht is, maar kan onderworpen worden aan
beperkingen. Uit zijn aard heeft het recht op toegang tot de rechter behoefte
aan regulering die kan variëren naargelang tijd en plaats, rekening houdend met
de behoeften en de middelen van de gemeenschap
en de individuen in casu.
De beperkingen dienen wel redelijk verantwoord zijn en niet disproportioneel,
aangezien een te hoge drempel het recht op toegang substantieel uitholt.
Het art. 13 EVRM waarborgt eveneens eenieder
het recht op een effectieve rechtsgang, maar wel voor het specifieke geval van
schending van zijn in het EVRM neergelegde rechten en vrijheden. Zo zou
eenieder zich op een effectieve rechtsgang moeten kunnen beroepen wanneer
eender welke handeling van de uitvoerende,
de wetgevende macht
of particulieren zijn rechten en vrijheden die in het EVRM vermeld zijn
schendt. Of dat ook mogelijk moet zijn wanneer een rechtscollege één van de
rechten en vrijheden neergelegd in het EVRM schendt (en we denken spontaan aan
art. 6 EVRM), wordt betwist. Het is immers moeilijk in te denken dat artikel 13
EVRM eenieder de gelegenheid geeft bij de uitvoerende macht schendingen van artikel 6 EVRM door de
rechterlijke macht aan te vechten. Dit zou immers het principe van de scheiding
der machten niet ten goede komen, hetgeen een belangrijk onderdeel is van de
rechtstaat.
4.2. Het rechtsbeschermingsysteem van de Europese Gemeenschap : verenigbaar
met de artikelen 6 en 13 EVRM?
Zoals eerder aangehaald dient het recht op toegang
tot de rechter volgens artikel 6 EVRM een praktisch en effectief en geen theoretisch
en illusoir recht te zijn. Het rechtsbescherming-systeem voor particulieren bij
de geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen degradeert dit recht tot een
on-praktisch en on-effectief recht. Niet alleen zijn er enkele gaten in de
rechtsbescherming (supra), maar kunnen er ook vraagtekens geplaatst worden bij
werkzaamheid van het systeem.
Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat de
gemeenschapsrechter sensu stricto de particulier die een beroep tot
nietigverklaring met een kluitje in het riet wil sturen door hem vrij snel
locus standi te weigeren en hem door te verwijzen naar een nationaal
rechtscollege, die dan maar een prejudiciële vraag moet stellen, aangezien dit
nationaal rechtscollege immers niet over de geldigheid van gemeenschapsrecht
mag oordelen (supra). Er mag niet uit het oog verloren worden dat de
prejudiciële procedure (bij geldigheidstoetsing van het gemeenschapsrecht) niet
bedoeld is om rechtstreeks een gemeenschapshandeling op zijn wettigheid aan te
vechten, maar oorspronkelijk bedoeld was voor de hypothese dat de vraag van de
wettigheid van een gemeenschapsregel zich toevallig zou stellen in een
nationale procedure. Daarom is de prejudiciële geldigheidstoetsing dan ook
slechts een incidentele geldigheidstoetsing van het gemeenschapsrecht. Toch
plaatst de gemeenschapsrechter sensu stricto deze vorm van incidentele vorm van
geldigheidstoetsing op hetzelfde niveau van een beroep tot nietigverklaring
hetgeen een rechtstreekse geldigheidstoetsing is: de verzoekende particulier moet
er maar voor zorgen dat hij in een nationale procedure geraakt en dat in die
nationale procedure de vraag wordt gesteld naar de wettigheid van de
aangeklaagde gemeenschapshandeling, zodat de nationale rechter verplicht is een
prejudiciële vraag te stellen, hetgeen de nationale rechter dan nog (te) vaak
nalaat te doen.
De gemeenschapsrechter sensu stricto lijkt de particuliere verzoeker te willen
ontmoedigen de geldigheid van een gemeenschapshandeling aan te vechten door hem
(eventueel na een mislukt beroep tot nietigverklaring) te verplichten een
nationale procedure te doorlopen die slechts dient om in een prejudiciële
procedure te geraken waarin men toch uiteindelijk voor de gemeenschapsrechter
sensu stricto belandt.
M.i. is dit een te hoge drempel die een werkzaam recht op toegang tot de
gemeenschapsrechter substantieel uitholt.
Trouwens motiveren het GEA of HvJ vrij uitvoerig
waarom ze geen locus standi willen verlenen aan particulieren in een procedure
van beroep tot nietigverklaring.
Men kan zich dan de vraag stellen of het niet beter is nu de partijen toch voor
het GEA of HvJ aanwezig zijn met hun argumenten voor het geval het beroep
ontvankelijk wordt verklaard, de verzoekende (particuliere) partij locus standi
te verschaffen, en zich dan uit te spreken over de grond van de zaak (zij het
dan nog op summiere wijze).
Een ander pijnpunt is natuurlijk ook het vereiste
dat een zaak binnen een redelijke termijn moet worden behandeld (art. 6, 1° lid
EVRM): de termijn tussen de instelling van de vordering en de definitieve
beslissing over de grond van de zaak mag niet te lang zijn. Anders ontstaat er
immers rechtsonzekerheid en moet men te lang wachten op wat rechtmatig toekomt.
In de termijn worden bijkomende en/of voorafgaande procedures inbegrepen. Zo schendt
een prejudiciële procedure op zich misschien niet art. 6, 1° lid EVRM, maar
heel het geheel van procedures in één zaak daarom nog niet. Zo is het meer
waarschijnlijk – hoewel dat soms betwist wordt
– dat een (overbodige) nationale procedure met een verplichte prejudiciële
vraagstelling aan het HvJ bij een geldigheidstoetsing van het
gemeenschapsrecht, meer tijd in beslag zal nemen dan een rechtstreeks beroep
bij het GEA. Bijgevolg is het meer waarschijnlijk dat in een nationale
procedure met prejudiciële vraagstelling de zaak niet binnen een redelijke
termijn zal kunnen behandeld worden. Het EHRM rekende echter in Pafitis de
periode van prejudiciële procedure niet mee,
omdat het niet wou niet tussenkomen in de gemeenschappelijke rechtsorde.
Wat artikel 13 EVRM betreft is het duidelijk dat
een particuliere verzoeker een werkzaam recht op toegang tot de
gemeenschapsrechter zou moeten hebben, wanneer een gemeenschapshandeling (zijn)
fundamentele rechten en vrijheden (zoals neergelegd in het EVRM) schendt. Het
HvJ heeft in 1969 gesteld dat ‘de fundamentele rechten van de mens … besloten
liggen in de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, waarvan het Hof de
eerbiediging verzekert’.
Dit principe werd in 1992 verankerd in het Verdrag van Maastricht: ‘De Unie
verzekert de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november
1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien, als algemene
beginselen van gemeenschapsrecht’ (art. 6, 2° lid EU-Verdrag). Aangezien
grondrechten deel uitmaken van de algemene beginselen van het
gemeenschapsrecht, zijn de gemeenschapshandelingen die deze grondrechten
schenden onwettig.
Particuliere verzoekers vinden het restrictieve
Plaumann-criterium weer op hun weg, indien ze een gemeenschapshandeling op haar
geldigheid willen toetsen aan het door hun beweerde geschonden grondrecht.
Codorniu lijkt hier prima facie een beter perspectief te bieden, maar de
aarzelend ingeslagen
weg door het HvJ wordt blijkbaar niet verdergezet door het GEA dat nu in eerste
instantie kennis neemt van de beroepen tot nietigverklaring (supra).
4.3. Wie kan aangeklaagd worden voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wanneer het Europees Hof van
Justitie de artikelen 6 en 13 EVRM schendt?
Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de
gemeenschapsinstellingen de grondrechten (als beginselen van gemeenschapsrecht)
uit het EVRM dienen te respecteren. De vraag is natuurlijk of ook het HvJ en
het GEA de grondrechten, en meer bepaald de artikelen 6 en 13 EVRM dienen te
respecteren. In ieder geval is het zo dat het recht op een effectief
rechterlijk toezicht (artikelen 6, 1° lid en 13 EVRM),
en het recht dat een zaak behandeld wordt binnen een redelijke termijn (artikel
6, 1° lid EVRM)
door het HvJ en het GEA beschouwd worden in hun rechtspraak als te respecteren
grondrechten (lees: algemene beginselen). Het recht op een effectief
rechterlijk toezicht en het recht dat een zaak behandeld wordt binnen een redelijke
termijn, werden trouwens nadrukkelijk opgenomen in het Handvest van de
Grondrechten van de Europese Unie.
Hoewel dit Handvest (nog) niet juridisch bindend is, heeft het toch een grote
symbolische waarde.
Het HvJ kan er op toezien dat het GEA deze
artikelen 6 en 13 EVRM niet schendt-.
Aangezien het HvJ in het rechtsbeschermingsysteem van de EG de rechter in
laatste instantie is, is er echter geen rechterlijke controle mogelijk op
eventuele schendingen van de artikelen 6 en 13 EVRM door het HvJ.
De gemeenschapsverdragen, het Statuut HvJ en het Reglement voor de
procesvoering van het HvJ bevestigen immers de status van het HvJ als het
hoogste gerechtshof in gemeenschappelijke rechtsorde, waartegen geen verder
rechtsmiddel mogelijk is…
ook niet voor het EHRM. De EG is immers geen partij bij het EVRM, en zal het
waarschijnlijk nooit worden nadat het HvJ zich heeft in een advies negatief
uitgelaten over een eventuele toetreding van de EG tot het EVRM.
De toenmalige Europese Commissie voor de rechten
van de Mens (ECRM), die sinds de inwerkingtreding van het Elfde Protocol bij
het EVRM (1 november 1998) opgeslorpt is door het EHRM, besliste bijgevolg in
de CFTD-zaak dat schendingen door organen van de Europese Gemeenschappen buiten
het toepassingsgebied van het EVRM vallen, omdat ze de Europese Gemeenschappen
als dusdanig niet gebonden achtte door het EVRM. Daarom viel de beoordeling van
de klacht buiten de rechtsmacht van de ECRM. Hetzelfde gold voor de klacht
gericht tegen de lidstaten van de EG gezamenlijk. Ook op de vraag van de
verzoeker in deze zaak of de EG-lidstaten die partij zijn bij het EVRM
afzonderlijk verantwoordelijk kunnen zijn onder het EVRM wegens hun rol in de
aangevochten handeling, antwoordde de ECRM afwijzend.
Op dit arrest kwam felle kritiek, nl. dat de
EG vanaf haar oprichting gebonden was aan het EVRM, omdat de Lidstaten die de
EG oprichtten al verdragspartij bij het EVRM waren en bijgevolg slechts
bevoegdheden konden overdragen aan de EG voor zover deze in overeenstemming waren
met de verplichtingen die onder het EVRM op hen rustten.
Deze theorie, de zgn. substitutieleer is trouwens niet nieuw: zo heeft het HvJ
in de context van douanetarieven en handel aanvaard dat de EG als dusdanig uit
hoofde van substitutie materieel aan de GATT gebonden was, hoewel de
EG-lidstaten en niet de EG zelf formeel ‘contracting parties’ waren.
Hoewel deze theorie zeer aantrekkelijk oogt,
staan er enkele belangrijke hinderpalen aan in de weg. Ten eerste zou de EG in
de logica van de substitutieleer niet gebonden zijn door mensenrechtennormen
die neergelegd worden in protocols en dergelijke na de oprichting van de EG.
Ten tweede verbiedt het internationale verdragenrecht (cfr. Weens
Verdragenverdrag) niet dat Staten verdragen kunnen sluiten die onverenigbaar
zijn met reeds bestaande verdragsverplichtingen. Wel stipuleert het Weens
Verdragenverdrag dat een Staat aansprakelijk kan gesteld worden als die haar
aangegane verdragsverplichtingen niet nakomt.
Ten derde voldoet het EVRM niet aan de criteria van het HvJ opdat er sprake zou
kunnen zijn van een substitutie van de EG-lidstaten door de EG: men kan niet
stellen dat de EG-lidstaten wat mensenrechten betreft al hun bevoegdheden
hebben overgedragen aan de EG, hetgeen inzake douane en tarifering wel het
geval is (supra).
Een ander argument om de EG vooralsnog
gebonden aan het EVRM te achten is het fundamenteel karakter van de bepalingen
in het EVRM. Men zou inderdaad kunnen stellen dat de bepalingen in het EVRM jus
cogens zijn, d.w.z. dwingende normen van algemeen volkerenrecht. Volgens
artikel 53 van het Weens Verdragenverdrag is een dwingende norm van algemeen
volkerenrecht ‘een norm die aanvaard en erkend is door de internationale
gemeenschap van Staten in haar geheel als een norm, waarvan geen afwijking is
toegestaan en die slechts kan worden gewijzigd door een latere norm van
algemeen volkerenrecht van dezelfde aard’. Het is echter moeilijk te bepalen
welke normen nu juist de status van jus cogens bekleden. In het geval van
verbod op rassendiscriminatie, slavernij en genocide is het duidelijk dat deze
normen die status bekleden.
Maar het is hoogst twijfelachtig of dit ook zo is voor het hele EVRM. Men zou
evenwel kunnen aanvoeren dat het EVRM regionaal jus cogens is. Hoewel het EHRM
het EVRM beschouwt als een grondwettelijk instrument van Europese openbare orde,
blijft de erkenning in het positieve recht achterwege dat het EVRM regionaal
jus cogens vormt.
Ondanks het feit dat deze argumenten niet
houdbaar zijn, is de beslissing in CFDT verre van ideaal, omdat Staten die
partij zijn bij het EVRM volgens deze rechtspraak hun verplichtingen onder het
EVRM zouden kunnen omzeilen door willekeurig organisaties op te richten die
vrijelijk mensenrechten kunnen schenden.
De rechtspraak in CFDT werd echter enigszins genuanceerd in M & Co.
In M & Co argumenteerde de klager voor de
ECRM dat Duitsland zijn verplichtingen onder het EVRM niet nagekomen was door
gevolg te geven aan een volgens hem met art. 6 EVRM strijdige totstandgekomen
uitspraak van het HvJ, waarbij de staat in kwestie, Duitsland, geen eigen
beoordelingsruimte werd gelaten. In feite kwam de klacht erop neer dat het HvJ
artikel 6 EVRM geschonden had en dat Duitsland om die reden geen gevolg mocht
geven aan die uitspraak van het HvJ. De ECRM besliste dat bij de implementatie
van de uitspraak de Duitse overheid niet als een ‘quasi-orgaan’ van de EG mocht
beschouwd worden: dus waar staten zelf uitvoering geven aan regelingen of
besluiten van internationale organisaties, blijven ze in principe
verantwoordelijk voor eventuele schendingen van het EVRM. De overdracht van
bevoegdheden aan een internationale organisatie zoals de EG sluit op zich niet
de aansprake-lijkheid uit ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheden.
De ECRM stelde dat een overdracht van bevoegdheden naar een internationale
organisatie alleen toegestaan is als binnen die organisatie fundamentele
rechten op een met een EVRM gelijkwaardig niveau beschermd worden.
De ECRM lijkt echter uit te gaan van een onweerlegbaar vermoeden dat de
bescherming van fundamentele rechten in de EG afdoende gewaarborgd is, een
vermoeden dat niet gehanteerd wordt ten aanzien van nationale rechters.
Recentelijk heeft het EHRM een belangwekkend
arrest geveld dat de stand van zaken wel eens grondig doorheen zou kunnen
schudden: in Matthews / Verenigd Koninkrijk stelde het EHRM het Verenigd
Koninkrijk, samen met alle andere EG-lidstaten verantwoordelijk in de
hoedanigheid van partijen bij het EVRM voor de uitsluiting van Gibraltar uit
het toepassingsgebied van de Akte van 20 september 1976 (die bij de Beschikking
76/787 van de Raad hoorde) betreffende de verkiezingen van de
vertegenwoordigers van het Europees Parlement door een algemeen rechtsreeks
stemrecht. Het EHRM besliste dat de beschikking van de raad en de Akte niet
kunnen aangevochten worden voor het HvJ omdat ze in de gemeenschappelijke
rechtsorde niet de status bekleden van een normale gemeenschaps-handelingen,
maar van een verdrag dat door het Verenigd Koninkrijk en alle andere EG-lidstaten
vrij is gesloten. Het EHRM stelde vervolgens dat het Verenigd Koninkrijk, samen
met alle andere EG-lidstaten artikel 3 van het 1° Aanvullend Protocol bij het
EVRM
geschonden hadden door Gibraltar uit te sluiten van het toepassingsgebied van
het systeem van algemene rechtstreekse verkiezing van de Europarlementariërs.
Wanneer de aangevochten gemeenschapshandeling een ‘normale’
gemeenschapshandeling is en geen verdrag, dan blijft de rechtspraak neergelegd
door M & Co echter onverkort gelden. Bijgevolg kunnen voor een uitspraak van het
HvJ, dat artikel 6 EVRM schendt, de EG-lidstaten niet verantwoordelijk gesteld
worden, aangezien een uitspraak van het HvJ een ‘normale’ gemeenschapshandeling
is en zeker geen verdrag.
Wat m.i. wel zou kunnen is stellen dat voor
een geldigheidstoetsing van gemeenschaps-handelingen door particulieren het EGV
voorwaarden neerlegt wat de locus standi betreft, die niet verenigbaar zijn met artikel 6 en 13 EVRM. Die
EGV palingen hebben wél de status van een verdrag. Zo zouden de EG-lidstaten
op basis van de rechtspraak van het EHRM in Matthews / Verenigd Koninkrijk wél
verantwoordelijk gesteld kunnen worden, hetgeen hen zou verplichten om die
strenge voorwaarden (art. 230, 4° lid EGV in het bijzonder) in het EGV te
wijzigen.
CANOR vraagt zich trouwens af waarom het EHRM
in Matthews / Verenigd Koninkrijk niet de ‘full Monty’
doet door middels een teleologische interpretatie van artikel 1 EVRM
te besluiten dat de EG een verdragsluitende partij is en bijgevolg als dusdanig
kan aangeklaagd worden voor het EHRM, aangezien de EG nog niet bestond toen het
EVRM gesloten werd. De EG-lidstaten hoeven dan immers niet meer ‘gegijzeld’ te
worden voor iets dat buiten hun directe invloed ligt.
5. De lege ferenda?
Het rechtsbeschermingsysteem bij een
geldigheidstoetsing van het gemeenschapsrecht door particulieren heeft te
kampen met felle kritiek. Bij de kritiek dat het niet zo moet, horen natuurlijk
suggesties hoe het dan wel zou moeten zijn. Het belangrijkste element zal
natuurlijk de concrete invulling van een eventuele verandering zijn van de
vereisten van het ‘individueel en rechtsreeks geraakt zijn’ (art. 230, 4° lid
EGV). Nu worden er immers voor de meest efficiënte en werkzame rechtsgang, i.e.
het beroep tot nietigverklaring, te strikte ontvankelijk-heidsvoorwaarden
neergelegd, met tal van onoverzichtelijke uitzonderingen. Codorniu heeft de
verwarring er alleen maar groter op gemaakt. Nu weten de particulier en zijn
advocaat niet meer waar ze aan toe zijn omdat er geen duidelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden
voorhanden zijn voor een beroep tot nietigverklaring. Men krijgt de indruk dat
het HvJ à la carte uitzonderingen uitvindt, hetgeen niet geduld kan worden in
een rechtsorde zoals die van de EG, die op rechtsregels gebaseerd is: het lijkt
alsof het HvJ en het GEA eerst nagaan of ze het beroep tot nietigverklaring in
kwestie ontvankelijk willen verklaren, en dan pas het geschikte criterium
kiezen. Een rationalisatie van de locus standi in
een beroep tot nietigverklaring zou al een hele opluchting zijn voor de
particuliere verzoekers en hun advocaten,
die niet meer weten in welke procedure een geldigheidscontrole van de
aangeklaagde gemeenschapshandeling het best aanhangig kan gemaakt worden.
Dikwijls wordt geopperd dat het vereiste van het
individueel geraakt zijn moet versoepeld worden, wanneer de grondrechten van
particulieren geschonden worden door gemeenschapshandelingen. Deze bezorgdheid
is natuurlijk ingegeven door het artikel 13 EVRM. De gemeenschapsrechters sensu
stricto delen die bezorgdheid ook, hetgeen tot uiting kwam in het rapport over
de toepassing van het Verdrag van Maastricht dat gepubliceerd werd in mei 1995
in de aanloop naar de Intergouvernementele Conferentie van 1996. Daarin stelde
het HvJ zich de vraag of het recht om
een beroep tot nietigverklaring in te stellen dat particulieren enkel hebben
als ze een individueel en rechtstreeks belang kunnen aantonen, een voldoende
werkzame rechtsbescherming verleent tegen mogelijke schendingen van hun
fundamentele rechten bij de wetgevende activiteiten van de
gemeenschapsinstellingen.
Ook ALSTON en WEILER delen die zorg.
Maar een eventuele versoepelende wijziging van het Verdrag en/of de rechtspraak
van het HvJ, enkel in het geval van een schending van grondrechten, gaat niet
ver genoeg. Particuliere verzoekers zouden dan immers geneigd zijn om hun zaak
in te kleden als een grondrechtenzaak om te profiteren van het versoepelde
regime inzake locus standi in een beroep tot nietigverklaring.
ARNULL stelt dat het Verdrag zo moet gewijzigd
worden dat elke bindende gemeenschapshandeling, wat ook haar formele status is,
moet kunnen aangevochten worden door de particuliere verzoeker die erdoor
nadelig getroffen wordt,
m.a.w. de particuliere verzoeker moet enig belang kunnen aantonen. Deze
stelling verdient een beetje uitleg en moet waar nodig genuanceerd worden.
Uitgaande van het feit dat het secundair
gemeenschapsrecht voornamelijk bestaat uit regels van administratief recht,
kan opgemerkt worden dat in de interne rechtsordes van de EG-lidstaten een
soepel regime voorhanden is inzake locus standi voor particuliere verzoekers in
een procedure om administratieve regelgeving (zowel van algemene strekking, als
van individuele strekking) op haar wettigheid te laten toetsen.
De regimes inzake locus standi in zulke procedures in de interne rechtsordes
van de EG-lidstaten wijzen allen in de richting dat er een zeker belang moet
aangetoond worden. Natuurlijk zijn er nog altijd verschillen. Zo neemt de
Franse Conseil d’Etat een heel soepele houding aan inzake locus standi door
verzoekers toe te laten wier belang slechts onrechtstreeks is. In Duitsland is
er ook een versoepeling doorgevoerd, maar het regime inzake locus standi is er
toch beduidend strenger dan in Frankrijk.
Voor de afdeling administratie van de Belgische Raad van State moet een
particuliere verzoeker in een beroep tot nietigverklaring tegen handelingen die
uitgaan van een administratieve overheid en die eenzijdig uitvoerbaar zijn
slechts een (actueel) belang moet aantonen (art. 19 gecoördineerde wetten
van 12 januari 1973 op de Raad van
State). De verzoeker moet niet aantonen dat een subjectief recht werd
geschonden, maar dat hij belang heeft bij de nietigverklaring van een administratieve
handeling, d.w.z. wanneer door de nietigverklaring een situatie ontstaat die
voor de verzoeker kan leiden tot een beter resultaat dan de vernietigde
administratieve handeling.
Aangezien het belang persoonlijk en rechtstreeks dient te zijn, is een actio
popularis uitgesloten. Voor de Raad van State wordt binnen zekere grenzen
echter een ruimer belang aanvaard van verenigingen, die ter bescherming van hun
maatschappelijk – dus zelf te creëren – doel mogen opkomen. Dezelfde tendens is
ook merkbaar in de andere EG-lidstaten. Het spreekt voor zich dat dit regime
inzake locus standi veel minder streng is dan in een beroep tot
nietigverklaring voor het GEA.
Hoewel zulke nationale procedures niet automatisch
kunnen overgenomen worden op het niveau van de Europese Gemeenschap, omwille
van het specifieke karakter van deze rechtsorde, zou een eventuele wijziging
(van de interpretatie) van het art. 230, 4° lid EGV toch moeten geïnspireerd
zijn door de regimes inzake locus standi voor particuliere verzoekers in een
beroep tot nietigverklaring van bindende administratieve handelingen in de
verschillende lidstaten.
Deze techniek is trouwens niet vreemd aan het gemeenschapsrecht. Zo worden de
aansprakelijkheidsvoorwaarden in een beroep tot schadevergoeding (supra) door
het HvJ en het GEA bepaald ‘overeenkomstig de algemene beginselen welke de
rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben’ (art. 288, 2° lid EGV). Dus waarom
de locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring voor het
GEA niet enten op een soort ‘common core’ der EG-lidstaten inzake locus standi
voor particulieren (en belangengroeperingen) in een beroep tot nietigverklaring
van bindende administratieve handelingen ?
Het argument dat door een versoepeld regime inzake
locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring voor het GEA
voor een overbelasting zou zorgen, heeft aan belang ingeboet sinds het
Foto-Frost-arrest dat aan de gemeenschapsrechters sensu stricto een exclusieve
bevoegdheid toekent inzake het ongeldig verklaren van gemeenschapshandelingen.
Een korte verjaringstermijn zorgt er trouwens voor dat een stormvloed van
beroepen tot nietigverklaring ingedijkt kan worden en de rechtszekerheid
gewaarborgd kan worden (supra). Bovendien sluit de noodzaak om een zeker belang
aan te tonen een actio popularis uit. Tenslotte zou een regime inzake locus
standi in een beroep tot nietigverklaring dat geënt is op het administratieve
recht van de verschillende EG-lidstaten, een gunstige zaak zijn voor
belangengroeperingen zoals Greenpeace, …
Noch het Verdrag van Amsterdam, noch het Verdrag
van Nice hebben echter wijzigingen aangebracht aan het artikel 230, 4° lid EGV.
Er zullen waarschijnlijk geen hervormingen doorgevoerd worden tot er een
oplossing gevonden wordt voor de werkdruk van de gemeenschapsrechters sensu stricto.
Toch zijn er aanwijzingen dat de Lidstaten meer openstaan voor een
verdragswijziging van de regels inzake locus standi in een beroep tot
nietigverklaring. Indien het Handvest van de Grondrechten (cfr. artikel 47) van
de Europese Unie ooit bindend wordt, zouden de argumenten voor zo een
verdragswijziging trouwens overweldigend zijn.
6. Besluit
Bij de afdwinging van het gemeenschapsrecht
heeft de particuliere verzoeker een goede rechtsbescherming. Dit draagt immers
bij tot de volle werking van het gemeenschapsrecht. Wanneer de particuliere
verzoeker een gemeenschapshandeling in een beroep tot nietigverklaring voor het
GEA op zijn geldigheid wil laten toetsen liggen de zaken niet zo eenvoudig.
Door (te) strenge ontvankelijkheidsvoorwaarden ratione personae wordt dit
beroep maar al te vaak afgewezen. De gemeenschapsrechter sensu stricto stelt
dan vast dat de particuliere verzoeker voldoende rechtsbescherming geniet voor
de nationale rechter die dan maar een prejudiciële vraag moet stellen aan het
HvJ. Deze procedure is echter minder werkzaam dan een rechtstreeks beroep tot
nietigverklaring bij de geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen. Het
rechtsbeschermingsysteem in geval van een geldigheids-controle, legt de lat
(te) hoog voor particuliere verzoekers. Zo hoog dat het in aanvaring lijkt te
komen met de artikelen 6 en 13 EVRM (recht op toegang tot de rechter). De kans
op slagen van een particulier die deze praktijk wil aanklagen bij het EHRM is
echter bijzonder klein. Op basis van de rechtspraak van het EHRM is het
onmogelijk de EG en schier onmogelijk om de EG-lidstaten die allen partij zijn
bij het EVRM, verantwoordelijk te stellen voor deze praktijk. Toch zouden de EG
en de EG-lidstaten enige moeite aan de dag mogen leggen om het EG-procesrecht,
en de procedure van het beroep tot nietigverklaring in het bijzonder, in
overeenstemming te brengen met de artikelen 6 en 13 EVRM: een werkzaam recht op
toegang tot de rechter is immers noodzakelijk voor de EG die gebaseerd is op de
‘rule of law’. Hierbij kunnen ze zich kunnen laten leiden door het regime
inzake locus standi voor particulieren in de procedures die in de verschillende
EG-lidstaten voorhanden zijn om (administratieve) bindende handelingen op hun
geldigheid te laten toetsen.