jura falconis, jg 38, 2001-2002, nr 3, p. 369-408
De beperkingen op de locus standi voor particulieren in het rechterlijk systeem van de Europese Gemeenschap
Vincent Wellens
‘A generous approach by the courts to standing and a willingness by judges wherever serious illegality is alleged are … essential if the rule of law is to be a living precept and not a rhetorical phrase to be rehearsed in ceremonial speeches.’ [1]
1. Inleiding
Een ontwikkeld rechtssysteem zoals dat van de Europese Gemeenschap (EG) [2] vereist ten eerste een effectieve toegang tot een rechtsinstantie om zich te kunnen beroepen op de geldende regelgeving en ten tweede een mechanisme dat toelaat regelgeving op haar wettigheid te laten toetsen.
In de onderhavige uiteenzetting wordt na een korte, doch noodzakelijke conceptuele verduidelijking van het begrip ‘gemeenschapsrechter’[3] een schets gegeven van de locus standi van particulieren (i.e. natuurlijke personen en rechtspersonen) in de belangrijkste gerechtelijke procedures [4] in de EG.
Enerzijds is de uiteenzetting zeer bondig in het geval men het gemeenschapsrecht wil afdwingen, omdat de particulier dan op een vrij bevredigend rechtsbeschermingsysteem kan terugvallen.
Anderzijds is de uiteenzetting meer uitgebreid in het geval men rechtsbescherming wil krijgen tegen het (niet-)handelen van de gemeenschapsinstellingen, aangezien dit iets moeilijker lijkt te liggen, misschien wel te moeilijk, hetgeen moet blijken uit een toetsing aan de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), die het recht op toegang tot een rechtsinstantie in het algemeen waarborgen. Er wordt eerst kort aandacht besteed aan de werkelijke inhoud van deze artikelen. Dan wordt onderzocht of het rechtsbeschermingsysteem in de EG wel verenigbaar is met de artikelen 6 en 13 EVRM. Vervolgens wordt de vraag gesteld of de gemeenschapsrechter de artikelen 6 en 13 EVRM überhaupt in acht dient te nemen, en zo ja of een schending van de artikelen 6 en 13 EVRM door de gemeenschapsrechter kan aangeklaagd worden voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Ten slotte worden enkele mogelijke veranderingen gesuggereerd in het licht van de rechten die voortvloeien uit de artikelen 6 en 13 EVRM om particulieren een volledig en effectief systeem van toegang tot de gemeenschapsrechter te waarborgen.
2. De notie ‘gemeenschapsrechter’
Vooraleer men iets kan zeggen over het recht op toegang tot de gemeenschapsrechter, moet men wel weten wat het begrip ‘gemeenschapsrechter’ precies omvat. Het spreekt vanzelf dat het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (GEA) (art. 225 EG-verdrag (EGV)) en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) (art. 220 EGV), i.e. de rechterlijke gemeenschapsinstanties sensu stricto, hiervan deel uitmaken.
De nationale rechtscolleges (van de verschillende Lidstaten) mogen echter niet over het hoofd gezien worden. Als men dit toch doet, zou men abstractie maken van de eigenheid van het gemeenschapsrechterlijk systeem, dat een ‘eersterangsrol’ [5] toekent aan de nationale rechter bij de toepassing van het gemeenschapsrecht:het is de nationale rechter tot wie particulieren zich in de eerste plaats kunnen wenden wanneer het (nalaten te) handelen van overheden van de Lidstaten of particulieren hun in het gemeenschapsrecht neergelegde rechten schendt [6]. Het is m.a.w. de nationale rechter, die de afdwinging van het gemeenschapsrecht verzekert binnen de rechtsorde van zijn Lidstaat [7]- [8].
Enerzijds komt dit tot uiting in het specifieke rechtssysteem dat in de EG-verdragen is uitgetekend, en meer bepaald in het systeem van de prejudiciële vraagstelling van de nationale rechter aan het HvJ ter uitlegging van het gemeenschapsrecht (art. 234 EGV; infra). Deze prejudiciële vraagstelling veronderstelt logischerwijze dat de partijen kunnen steunen op punten van gemeenschapsrecht voor de nationale rechter [9].
Anderzijds heeft de rechtspraak van het HvJ het mogelijk gemaakt dat een nationaal rechtscollege in praktijk daadwerkelijk kan optreden als een gemeenschapsrechter, o.a. door het toekennen van een rechtstreekse werking in de interne rechtsordes van de Lidstaten aan verordeningen [10], aan sommige Verdragsbepalingen van de Eerste Pijler [11], en aan sommige bepalingen in richtlijnen [12]. Dit is een conditio sine qua non voor de nationale rechter om in de praktijk als een gemeenschapsrechter te kunnen werken: zonder deze rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht kan de nationale rechter het merendeel van het gemeenschapsrecht niet eens rechtstreeks toepassen in zijn interne rechtsorde.
Er zijn nog tal van evoluties merkbaar die duidelijk maken dat een nationaal rechtscollege wel degelijk als een gemeenschapsrechter kan beschouwd worden, zoals de schepping van een de facto systeem van precedent, waarmee het HvJ de nationale rechter wil aansporen geen prejudiciële vraag te stellen, zelfs al is deze laatste hiertoe verplicht, en zelf het gemeenschapsrecht toe te passen, indien ‘er al een vaste rechtspraak van het Hof bestaat over het punt waarop het geding betrekking heeft’ [13]. Verder is er een delegatie van toepassings- en afdwingingstaken van de gemeenschapsrechter sensu stricto naar de nationale rechter in sommige sectoren van het gemeenschapsrecht zoals het mededingingsrecht [14].
3. Het recht op toegang
3.1. In geval van afdwinging van het gemeenschapsrecht
3.1.1. Afdwinging van het gemeenschapsrecht voor de nationale rechter
Zoals reeds werd aangestipt kan het gemeenschapsrecht door particulieren afgedwongen worden voor de nationale rechter. Het is zelfs zo dat het gemeenschapsrecht (althans het gemeenschapsrecht dat rechtstreekse werking heeft; supra) moet kunnen afgedwongen worden voor een nationaal rechtscollege, m.a.w. de Lidstaten moeten daarvoor toegang tot een rechtscollege verschaffen en in een rechtsgang voorzien [15]. Het spreekt vanzelf dat er geen nieuwe nationale rechtscolleges hoeven opgericht te worden, als dat mogelijk is binnen het bestaande nationale rechterlijke systeem.
Hoewel de nationale rechter gemeenschapsrecht zal moeten toepassen, is het een aangelegenheid voor de nationale rechtsorde van elke Lidstaat om de procesregels vast te leggen ‘voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten welke justitiabelen aan de rechtstreekse toepassing van het gemeenschapsrecht ontlenen’ [16]. Deze zogenaamde ‘procedurele autonomie van de Lidstaten’ is echter ondergeschikt aan enkele gemeenschapsrechtelijke ‘omkaderingsregels’, die de nationale rechtscolleges dienen te eerbiedigen teneinde ‘de volle werking van het gemeenschapsrecht’ te waarborgen [17].
Ten eerste mogen de nationale procedureregels niet ongunstiger zijn voor rechtsvorderingen gesteund op het gemeenschapsrecht dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) [18]. Ten tweede mogen de nationale procedureregels de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [19].
Nationale regels die de toegang tot de nationale rechter regelen (zoals regels inzake procesbevoegdheid en procesbelang) zijn nationale procedureregels en zijn bijgevolg ondergeschikt zijn aan het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel om de volle werking van het gemeenschapsrecht te waarborgen [20].
Indien één van de nationale procedureregels in strijd is met het gelijkwaardigheids- of doeltreffendheidsbeginsel, dan mag de rechter deze nationale wetgeving eenvoudigweg ter zijde schuiven [21].
3.1.2. De prejudiciële uitlegging van het gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie
Elke nationale rechterlijke instantie heeft het recht het HvJ [22] te verzoeken om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, indien die nationale rechterlijke instantie dit noodzakelijk acht om tot een vonnis te kunnen komen (art. 234, 1° en 2° lid EGV). De nationale rechter kan dit ofwel ambtshalve, ofwel op verzoek van één van de partijen in het geding doen. De partijen in het geding (het openbaar ministerie incluis) kunnen echter de nationale rechter hiertoe niet verplichten [23], althans toch niet rechtstreeks. Onrechtstreeks kunnen ze dat wel: nationale rechterlijke instanties die beslissingen treffen waartegen volgens het nationale recht geen rechtsmiddel openstaat [24], zijn immers verplicht zich tot het HvJ te wenden (art. 234, 3° lid EGV) [25] (tenzij het HvJ al eens heeft beslist omtrent de rechtsvraag in kwestie (supra), of tenzij de correcte toepassing van de regel van gemeenschapsrecht in kwestie zo voor de hand ligt dat er geen verzoek tot prejudiciële uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is (de zgn. acte clair doctrine) [26]). Bijgevolg kunnen de partijen in het geding afdwingen dat een prejudiciële vraag wordt gesteld door rechtsmiddelen aan te wenden tot ze bij een nationale rechterlijke instantie terechtkomen, die een beslissing treft waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat volgens nationaal recht.
3.1.3. Het specifieke beroep wegens niet-nakoming van het gemeenschapsrecht door een Lidstaat
Het beroep wegens niet-nakoming (art. 226-227 EGV) beoogt een (niet-)handelen van een Lidstaat, dat in strijd is met een norm van gemeenschapsrecht die verbindend is voor de Lidstaten, vast te stellen en te doen ophouden [27] voor het HvJ.
De Commissie kan krachtens art. 226 EGV deze procedure instellen tegen een Lidstaat [28], zonder een specifiek procesbelang te moeten aantonen [29]:deze bevoegdheid kadert in haar taak om toe te zien op de toepassing van het gemeenschapsrecht (art. 211 EGV) in het algemeen belang van de EG. Ze is echter niet verplicht deze procedure te starten bij elke vermeende schending van het gemeenschapsrecht: ze beoordeelt zelf de opportuniteit ervan [30]. Bijgevolg is de Commissie niet verplicht gevolg te geven aan de grieven van particulieren die een schending van het gemeenschapsrecht door een Lidstaat bij de Commissie hebben aangeklaagd.
De beslissing van de Commissie om geen gevolg te geven aan klachten van particulieren is trouwens niet vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring (infra) [31], aangezien de Commissie tijdens de precontentieuze fase geen verbindende rechtshandelingen vaststelt [32]:in een beslissing om geen gevolg te geven aan een klacht van een particulier, spreekt de Commissie zich immers niet (definitief) uit of de aangeklaagde gedraging van de Lidstaat al dan niet in overeenstemming is met het Verdrag [33]. Een beroep wegens nalaten te besluiten (infra) is eveneens onontvankelijk, omdat de Commissie geen enkele plicht tot handelen schendt [34].
Het lijkt erop dat particulieren niet veel in de melk te brokkelen hebben in deze procedure, die de enigste procedure is die, enkele bijzondere procedures [35] niet te nagesproken, het HvJ toelaat om een gedraging van een Lidstaat direct te toetsen aan het gemeenschapsrecht [36]. Prima facie blijven particulieren hier dus een beetje in de kou staan. Wanneer een (overheidsorgaan van een) Lidstaat echter hun in het gemeenschapsrecht neergelegde rechten schendt, kunnen ze zich wel tot de nationale rechter (in die Lidstaat) wenden (supra). Deze kan eventueel een prejudiciële vraag stellen aan het HvJ (supra) [37].
3.2. In geval van rechtsbescherming tegen het (niet-)handelen van de gemeenschaps-instellingen
3.2.1. Het beroep tot nietigverklaring
Het beroep tot nietigverklaring bij het GEA (in eerste aanleg) of bij het HvJ (ingeval van een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening tegen de beslissing van het GEA) (art. 225, 1° lid EGV [38]), is het meest specifieke beroep om een wettigheidscontrole uit te voeren op bindende handelingen van gemeenschapsinstellingen (art. 230, 1° lid EGV), i.e. op alle door de gemeenschapsinstellingen getroffen, bestaande bepalingen, ongeacht hun vorm of aard, die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen [39]:d.w.z. als ze ‘de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanzienlijk aantasten’ [40] of deze ongunstig beïnvloeden door de rechten van de verzoeker te beperken [41].
Een gemeenschapsinstelling kan slechts tot een bindende handeling besluiten voor zover deze rust op een legitieme rechtsgrond die de instellingen toelaat om normatief op te treden. De vraag of de bestreden handeling berust op een legitieme rechtsgrond (d.i. een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het beroep tot nietigverklaring) zal dus in de praktijk meestal samenvallen met de vraag naar de bevoegdheid van de gemeenschapsinstelling om de bestreden handeling te stellen (onderzoek naar de gegrondheid van het beroep tot nietigverklaring) [42].
Een gemeenschapshandeling kan nietig verklaard worden op grond van onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending het gemeenschapsrecht (met inbegrip van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, zoals het respect voor de mensenrechten) of op grond van misbruik van bevoegdheid (art. 230, 1° lid EGV).
De verweerders in dit beroep tot nietigverklaring van gemeenschapshandelingen kunnen het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank zijn (art. 230 1° lid EGV), maar eigenlijk kan om het even welke instelling van de gemeenschap verweerder zijn in deze procedure [43], voor zover de vermeende onrechtmatige gemeenschapshandeling kan toegeschreven worden aan de verwerende instelling in kwestie.
Wat de verzoekers in deze procedure betreft, heeft men de zogenaamde geprivilegieerde verzoekers enerzijds en de niet-geprivilegieerde verzoekers anderzijds.
De geprivilegieerde verzoekers zijn de Lidstaten, de Raad en de Commissie (art. 230, 2° lid EGV). Deze verzoekers mogen altijd een beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling instellen, zelfs wanneer de gemeenschapshandeling tot een andere persoon of orgaan is gericht [44] en bijgevolg zonder een procesbelang te moeten aantonen [45]. Ook het Europees Parlement, de Rekenkamer en de Europese Centrale Bank kunnen altijd een beroep tot nietigverklaring instellen voor zover het gericht is op de vrijwaring van hun prerogatieven (art. 230, 3° lid EGV) [46].
De niet-geprivilegieerde verzoekers zijn de particuliere verzoekers [47]:iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft het recht een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen (a) beschikkingen en (b) verordeningen, tenminste indien hij een persoonlijk belang heeft bij de vernietiging ervan [48].
(a) Beschikkingen
Een particulier kan zonder meer een beroep tot nietigverklaring instellen tegen een beschikking die aan hem gericht is (art. 230, 4° lid EGV).
Indien de bestreden gemeenschapshandeling niet tot de verzoekende particulier gericht is, is het vereist dat ze hem rechtstreeks en individueel raakt (art. 230, 4° lid EGV).
Een verzoekende particulier tot wie de bestreden gemeenschapshandeling niet gericht is, wordt rechtstreeks geraakt, als deze handeling zelf rechtsgevolgen teweegbrengt voor hem [49]. Indien de nationale overheid, die de gemeenschapshandeling moet uitvoeren, niet over een werkelijke discretionaire marge beschikt, gebeurt de uitvoering ‘automatisch’ en raakt de uit te voeren gemeenschapshandeling de verzoeker rechtstreeks [50]. Beschikt de nationale overheid hierbij wel over een discretionaire marge, krijgt de gemeenschapshandeling in kwestie slechts een precieze draagwijdte ten gevolge van de uitvoering ervan. Bijgevolg kan ze de particulier niet rechtstreeks raken [51]. Particulieren zullen zich dan tot de nationale rechter moeten wenden om die uitvoeringsmaatregelen aan te vechten. De nationale rechter zal verplicht zijn een prejudiciële vraag aan het HvJ te stellen, indien de wettigheid van de uitvoeringsmaatregelen door één van de partijen in het geding in twijfel wordt getrokken op grond van een vermeende ongeldigheid van de uitgevoerde gemeenschapshandeling (infra).
Het vereiste van het ‘individueel geraakt zijn’ maakt het quasi-onmogelijk voor particulieren om een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een niet tot hen gerichte gemeenschapshandeling, omdat dit vereiste zo strikt geïnterpreteerd wordt door het HvJ: in het Plaumann-arrest besliste het HvJ dat particulieren slechts individueel geraakt worden door een niet tot hen gerichte gemeenschapshandeling indien deze hen treft ‘uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat [van die handeling]’ [52].
Deze passage geeft het vereiste van het individueel geraakt zijn een strikte inhoud, maar de toepassing van het HvJ van deze test (hierna: het Plaumann-criterium) geeft het vereiste van het individueel geraakt zijn een zo mogelijk meer restrictieve inhoud. Het beste voorbeeld is de Plaumann-zaak zelf: in 1961 vroeg de Duitse regering de toelating aan de Commissie om de invoerrechtenheffing op clementines ingevoerd vanuit niet-lidstaten te schorsen. De Commissie weigerde gevolg te geven aan dit verzoek en richtte deze beschikking aan de Duitse regering, hoewel de werkelijke bestemmelingen van deze beschikking eigenlijk de importeurs van clementines waren, die de Duitse regering verzocht hadden om zo’n toelating te vragen aan de Commissie. Bijgevolg was de verzoeker in deze zaak dan ook een importeur van clementines die – tevergeefs - de wettigheid van de beslissing van de Commissie probeerde aan te vechten. Het HvJ besloot tot het bovenvermeld criterium, dat het vereiste van het individueel geraakt zijn een streng karakter geeft, omdat ‘de verzoekende partij moet aantonen dat de bestreden gemeenschapshandeling die vormelijk niet tot haar gericht is, haar inhoudelijk op dezelfde wijze raakt alsof die handeling een tot haar gerichte beschikking was’ [53]. Maar het HvJ ging nog een stap verder in de toepassing van dat criterium: ‘dat in casu de bestreden verzoekster [geraakt is] … uit hoofde van een commercieel beroep, hetwelk te allen tijde door iedere justitiabele kan worden uitgeoefend en haar derhalve ten opzichte van de bestreden beschikking niet karakteriseert op soortgelijke wijze als een adressaat’ [54].
De toepassing van dit criterium is ten eerste economisch gezien onrealistisch: het aantal bestaande firma’s in een bepaalde economische activiteit wordt bepaald door het spel van vraag en aanbod, dus als er op een bepaalde markt slechts enkele firma’s actief zijn is dit niet toevallig en is het zeer onwaarschijnlijk dat het aantal firma’s plotseling fors zal stijgen [55].
Ten tweede schort er ook conceptueel wat aan de redenering van het HvJ: het is quasi-onmogelijk voor de particuliere verzoeker tot wie de bestreden beschikking niet gericht is, om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, omdat altijd kan gesteld worden dat anderen op een bepaald ogenblik zich met dezelfde activiteiten zouden kunnen bezighouden [56].
Om wel aan het vereiste van het individueel geraakt zijn te voldoen, ‘volstaat’ het dat de particuliere verzoeker aantoont dat hij op het ogenblik dat de bestreden gemeenschaps-handeling werd uitgevaardigd, behoorde tot een ‘gesloten’ groep rechtsonderhorigen die daardoor werden geraakt [57]. De redenering van het HvJ in Plaumann zorgt ervoor dat een groep rechtsonderhorigen die door een beschikking worden geraakt theoretisch altijd ‘open’ blijft en nooit ‘gesloten’ is [58]. Een nogal frappant voorbeeld hiervan was de zaak-Spijker [59]. In casu was de particuliere verzoeker de enige handelaar/importeur van kwasten van Chinese oorsprong in de Benelux. De gemeenschapshandeling waartegen hij een beroep tot nietigverklaring wilde instellen was een beschikking die de Commissie vastgesteld had op vraag van de Nederlandse autoriteiten naar aanleiding van het specifieke geval van de particuliere verzoeker. Er werd hem echter geen locus standi verleend in deze procedure, omdat de beschikking enkel gericht was tot de Benelux-Lidstaten. Het HvJ besloot vervolgens dat het vereiste van het individueel geraakt zijn niet vervuld was, omdat de bestreden beschikking de verzoeker enkel betreft ‘in haar objectieve hoedanigheid van importeur van de bedoelde producten, juist zoals iedere andere handelaar die zich feitelijk of potentieel in een gelijke situatie bevindt’ (cfr. Plaumann; supra). Is het echter niet aannemelijk om te stellen dat de groep importeurs van kwasten van Chinese oorsprong in de Benelux een de facto ‘gesloten’ groep is?
Wanneer de bestreden (bepaling(en) [60] van de) beschikking echter een volledige retroactieve werking heeft, kan het aantal rechtsonderhorigen die in het verleden aan de toepassingsvoorwaarden van de beschikking voldaan hebben, niet meer wijzigen. Bijgevolg is deze beschikking toepasselijk op een ‘gesloten’ groep, en wordt aan het vereiste van het individueel geraakt zijn voldaan, indien men tot deze groep behoort [61].
(b) Verordeningen
Het is in principe vereist dat de gemeenschapshandeling waartegen een particuliere verzoeker een beroep tot nietigverklaring wil instellen een beschikking is (art. 230, 4° lid EGV). Een beschikking is van toepassing op een beperkte kring van personen, terwijl een verordening een algemeen normatief karakter heeft (art. 249, 2° lid EGV). Een beschikking kan echter onder de vorm van een verordening verschijnen (art. 230, 4° lid EGV) [62] en een beschikking kan op haar beurt inhoudelijk als een ‘maatregel van algemene strekking’ worden aangemerkt [63], zodat zich eerst en vooral een inhoudelijke analyse van de bepaling in kwestie zich opdringt om ‘de aard van de bestreden besluiten en met name de rechtsgevolgen die daarmee worden beoogd of daaruit in feite voortvloeien’ [64] te bepalen.
Het HvJ besliste in Simet dat, wanneer de bepaling in kwestie algemeen geldende regels neerlegt die van toepassing zijn op objectief omschreven situaties en rechtsgevolgen teweegbrengt voor in abstracto omschreven categorieën van personen, ze als een ‘verordening’ kan worden beschouwd [65], zelfs al kan ‘het aantal, of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie zij op een gegeven ogenblik van toepassing is, min of meer nauwkeurig … worden bepaald’ [66].
Artikel 230, 4° lid EGV wil particuliere verzoekers de kans geven een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen verordeningen die in werkelijkheid een beschikking uitmaken die de particuliere verzoeker rechtstreeks en individueel raken. Het criterium dat neergelegd is in Simet door het HvJ is echter waardeloos, omdat het altijd mogelijk is om een verordening in die bewoordingen op te stellen. Veel verordeningen die volgens het Simet-criterium als ‘echte’ verordeningen worden aangemerkt, hebben echter een beperkte toepassingstermijn en zijn slechts toepasselijk op een zeer beperkte groep, en verschillen dus niet veel van maatregelen die in de interne rechtsordes van de Lidstaten een administratief karakter hebben. Niettemin, ontsnappen zulke verordeningen aan een door particulieren ingesteld beroep tot nietigverklaring [67].
Indien verordeningen (in werkelijkheid [68]) enkel betrekking hebben op gebeurtenissen uit het verleden, en geen verdere impact meer hebben op de toekomst, dan behoren de getroffen rechtsonderhorigen tot een gesloten groep en worden zij bijgevolg rechtstreeks en individueel geraakt door een beschikking genomen in de vorm van een verordening [69].
Wanneer het HvJ besluit dat een bestreden verordening in werkelijkheid geen beschikking is, hoeft ze zich dan ook niet verder af te vragen of de bepaling de verzoekende particulier in kwestie rechtstreeks en individueel raakt.
Evolutie in de rechtspraak toont nu echter aan dat het normatief karakter van een (werkelijke) verordening niet per se verhindert dat ze sommige particulieren individueel kan raken [70]. Een particuliere verzoeker moet dan nog wel bewijzen dat hij individueel geraakt is door de verordening (). Maar zolang op dat gebied het Plaumann-criterium en de toepassing ervan niet versoepeld wordt, staat de particuliere verzoeker eigenlijk nog geen stap verder [71].
Het dient wel opgemerkt te worden dat het HvJ haar ontvankelijkheidsdrempel inzake het vereiste van het individueel geraakt zijn, verlaagd heeft in bepaalde omstandigheden en in bepaalde domeinen van het gemeenschapsrecht. De specifieke gevallen waarin het HvJ dat gedaan heeft, zijn soms niet voor één gat te vangen, maar toch kunnen er enkele tendensen opgemerkt worden, wanneer het HvJ een soepelere houding aanneemt.
Ten eerste wanneer de gemeenschapsinstelling die de bestreden handeling vastlegde verplicht was rekening te houden met negatieve gevolgen van die handeling op de positie van personen zoals de verzoeker [72], of wanneer een particuliere verzoeker aanduidt dat de gemeenschapshandeling zijn specifieke rechten aantast (cfr. de zaak-Codorniu [73]). Deze laatste situatie opent perspectieven: het is immers niet ondenkbaar dat de meest fundamentele grondrechten, de regels van behoorlijk bestuur en bepalingen van gemeenschapsrecht met rechtstreekse werking zulke specifieke rechten inhouden [74].
Ten tweede wanneer de bestreden handeling de verzoekende particulier bij naam noemt (zonder dat hij de bestemmeling is van die handeling) en een situatie die aan haar eigen is direct regelt, of wanneer de verzoekende particulier betrokken was bij een voorafgaande maatregel [75].
Ten derde nemen het GEA en het HvJ een soepele houding aan tegenover de locus standi van de particulier in het beroep tot nietigverklaring in anti-dumpingzaken, staatssteunzaken en mededingings-zaken, hetgeen te verklaren is door de specifieke procedures [76] in die domeinen, waarin particulieren betrokken worden bij het nemen, het uitvoeren en het toezicht van de bestreden gemeenschapshandeling(en).
Ten vierde kan in uitzonderlijke omstandigheden het vereiste van het individueel geraakt zijn discriminerend werken ten aanzien van rechtsonderhorigen die zich in een gelijkaardige positie bevinden [77].
Enerzijds is het voorbarig om overdreven optimistisch te zijn [78]:Plaumann-criterium blijft onverkort gelden indien de particuliere verzoeker zich niet in één van die omstandigheden bevindt. Bovendien zijn de diverse uitzonderingsregimes nogal diffuus en geënt op concrete situaties, en is de meer algemene toepassing ervan een beetje onzeker. Er dient ook op gewezen te worden dat Codorniu het laatste belangrijke arrest is inzake locus standi voor particulieren, dat het HvJ geveld heeft vooraleer het GEA bevoegd werd om over deze materie te beslissen. Het staat vast dat het GEA niet voortborduurt op Codorniu [79]. Wel integendeel, dit blijkt duidelijk uit haar rechtspraak die het vereiste van het individueel geraakt zijn streng blijft beoordelen [80].
Anderzijds wijzen de versoepelingen die ingevoerd zijn, erop dat het HvJ zelf het Plaumann-criterium te streng vindt [81].
(c) Andere bepalingen van gemeenschapsrecht dan beschikkingen en verordeningen.
En wat met andere bindende bepalingen van gemeenschapsrecht dan beschikkingen en verordeningen ? Heeft de verzoekende particulier het recht om een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een verdragsbepaling of een richtlijn ?
Een wettigheidscontrole uitoefenen op primair gemeenschapsrecht (zoals verdragsbepalingen) zou nogal moeilijk liggen omdat het primair gemeenschapsrecht juist de ‘toetssteen’ is om de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te beoordelen [82].
Richtlijnen daarentegen zijn secundair gemeenschapsrecht. Bijgevolg kunnen ze dus getoetst worden aan het primair gemeenschapsrecht. Een particuliere verzoeker in de procedure van een beroep tot nietigverklaring zal echter niet snel locus standi krijgen om bepalingen van een richtlijn aan te vechten, omdat men ervan uitgaat dat het normatief karakter van de richtlijn (art. 249 EGV) impliceert dat ze de particuliere verzoeker niet individueel kan raken [83]. De richtlijn zou enkel eventueel aanvechtbaar zijn in een beroep tot nietigverklaring, indien een bepaling van de richtlijn een verkapte beschikking uitmaakt. Dit argument lijkt niet meer geldig te zijn sinds het Codorniu-arrest [84] waarin het HvJ stelde dat het normatief karakter van een bepaling niet verhindert dat sommige mensen door deze bepaling individueel geraakt kunnen worden, en bijgevolg toch een beroep tot nietigverklaring kunnen instellen. Trouwens, nog voor het Codorniu-arrest, waren er al een paar tekens aan de wand: in het GUNA-arrest werd niet geantwoord op de vraag of een particulier een beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen een richtlijn, maar werd vastgesteld dat de richtlijnbepalingen in casu de verzoeker niet rechtstreeks en individueel raken [85]. Het is inderdaad mogelijk dat een particuliere verzoeker individueel geraakt wordt door een richtlijn, bijvoorbeeld als hij kan bewijzen over een recht te beschikken dat in acht dient genomen te worden door de gemeenschapsinstellingen als zij de richtlijn aannemen [86]. Bijgevolg kan hij locus standi krijgen in het beroep tot nietigverklaring van de richtlijnbepaling in kwestie [87]. Toch blijft de kwestie onduidelijk en niet in het minst door de verwarrende rechtspraak van de gemeenschapsrechters sensu stricto zelf [88].
M.i. wordt wat richtlijnen betreft soms over het hoofd gezien dat ze de particuliere verzoeker niet alleen individueel maar ook rechtstreeks dienen te raken (supra), hetgeen nogal moeilijk ligt voor een richtlijn omwille van haar aard [89]:een richtlijn is een gemeenschapshandeling die tot de Lidstaten gericht is en die nog moet omgezet worden door deze Lidstaten om in werking te treden in de respectievelijke interne rechtsordes (art. 249 EGV).
3.2.2. Het beroep wegens nalaten tot besluiten.
Het beroep wegens nalaten te besluiten is een specifieke procedure die toelaat de onwettigheid [90] van het nalaten van de verwerende gemeenschapsinstelling (de Raad, de Commissie, het Europees Parlement of de Europese Centrale Bank) om een besluit te nemen door het GEA of door het HvJ (ingeval van een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening tegen de beslissing van het GEA (art. 225, 1° lid EGV [91]) te laten vaststellen (art. 232, 1° lid EGV) [92]. Alle gemeenschapsinstellingen (behalve het HvJ en het GEA natuurlijk: die verlenen immers rechtsbescherming en verzoeken er niet om [93]) en de Lidstaten hebben krachtens art. 232, 1° lid EG dit beroepsrecht.
Een particulier heeft een beroepsrecht tegen het nalaten van een gemeenschapsinstelling een gemeenschapshandeling [94] vast te stellen, die tot die particulier moet gericht worden (art. 232, 3° lid EG). Prima facie kan een particulier dus enkel een beroep instellen tegen de nalatigheid van een gemeenschapsinstelling een tot hem gerichte beschikking vast te stellen. Het HvJ heeft echter beslist dat het beroep wegens nalaten te besluiten en het beroep tot nietigverklaring in één en dezelfde rechtsgang voorzien [95]. Bijgevolg staat het beroep wegens nalaten te besluiten open met betrekking tot alle gemeenschapshandelingen die vatbaar zijn voor een beroep tot vernietiging. De particuliere verzoeker kan dus een beroep wegens nalaten te besluiten instellen wanneer hij rechtstreeks en individueel geraakt is door het nalaten van de gemeenschapshandeling in kwestie, zonder de werkelijke bestemmeling ervan te zijn [96].
3.2.3. De prejudiciële geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen
Art. 234, 1° lid EGV kent aan het HvJ de bevoegdheid toe om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van gemeenschapshandelingen. Het mechanisme van de prejudiciële vraag van een nationaal rechtscollege aan het HvJ, is al eerder behandeld. In het kader van een wettigheidscontrole op een handeling van een gemeenschapsinstelling, gaat het om een incidentele geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen: het valt meestal voor wanneer de particuliere verzoeker voor een nationale rechter een maatregel of een handeling van een nationale overheid [97] ter uitvoering van een norm van gemeenschapsrecht, wil aanvechten, en wanneer de wettigheid van die norm van gemeenschapsrecht in vraag wordt gesteld. Zo kan de particuliere verzoeker bijvoorbeeld beweren dat de norm van gemeenschapsrecht in kwestie die aanleiding heeft gegeven tot de nationale maatregel, de algemene beginselen van gemeenschapsrecht (o.a. de mensenrechten) schendt [98].
Net zoals in het specifieke beroep tot nietigverklaring, is het niet mogelijk om via prejudiciële weg primair gemeenschapsrecht (EGV, …) op zijn geldigheid te laten toetsen. Voor de rest mogen alle (zelfs niet-bindende) handelingen van alle gemeenschapsinstellingen langs deze weg op hun geldigheid getoetst worden: door de EG gesloten internationale verdragen [99], richtlijnen, resoluties van de Raad [100], verordeningen, aanbevelingen [101], beschikkingen (al dan niet gericht tot de particuliere verzoeker) [102], ... [103]. Het begrip ‘handelingen van de instellingen’ die via prejudiciële weg op hun geldigheid kunnen getoetst worden, wordt ruim geïnterpreteerd, omdat dit het ‘volledig karakter’ van het stelsel van rechtsbescherming maximaal verzekert [104].
3.3. Het gemeenschapsrechterlijk systeem is coherent… maar is het ook volledig en effectief ?
3.3.1. In geval van afdwinging van het gemeenschapsrecht
Bij afdwinging van het gemeenschapsrecht wordt er een zekere coherentie nagestreefd in de relatie nationale rechter-gemeenschapsrechter sensu stricto door de procedure van de prejudiciële vraagstelling fijner af te stellen door o.a. het scheppen van een de facto systeem van precedent en de acte claire doctrine (supra).
Belangrijker nog is het feit dat het rechtsbeschermingsysteem bij afdwinging van het gemeenschapsrecht niet alleen vrij coherent is, maar dat het particulieren een vrij vlotte en effectieve rechtsgang aanbiedt. Zoals eerder aangestipt heeft een particuliere verzoeker een effectieve rechtsgang bij de nationale rechter om het gemeenschapsrecht dat rechtstreekse werking heeft (supra) af te dwingen. De nationale rechter kan immers zelf dat gemeenschapsrecht toepassen – eventueel na een vraag om een prejudiciële uitlegging aan het HvJ - en voldoening geven aan de particuliere verzoeker. Wat de toegang tot de nationale rechter betreft in zo een geval, werd verwezen naar de procedureregels van de Lidstaat van het nationale rechtscollege in kwestie, onder voorbehoud van het doeltreffendheids- en het gelijkwaardigheidsbeginsel (supra).
Een particuliere verzoeker krijgt vrij gemakkelijk toegang tot de gemeenschapsrechter sensu lato, omdat bij afdwinging van het gemeenschapsrecht het accent ligt op de volle werking ervan. De volle werking van het gemeenschapsrecht kan immers niet ten volle gewaarborgd worden door het louter toezicht van de openbare instanties die daartoe bevoegd zijn (vb. de Commissie via een 226 EGV-procedure). Er kan pas sprake zijn van een volle werking van het gemeenschapsrecht als particulieren een vordering mogen instellen ter afdwinging van het gemeenschapsrecht [105].
3.3.2. In geval van rechtsbescherming tegen het (niet-)handelen van de gemeenschaps-instellingen
Het rechtsbeschermingsysteem voor particulieren bij de geldigheidscontrole van het (niet-) handelen van gemeenschapsinstellingen is ook vrij coherent: tussen de verschillende procedures is er een systeem van ‘communicerende vaten’ [106] in de rechtspraak van het HvJ ontstaan.
Zo is het niet mogelijk voor een particuliere verzoeker om een gemeenschapshandeling indirect aan te vechten voor de nationale rechter, wanneer hij zonder twijfel in een positie is die hem toelaat de gemeenschapshandeling in kwestie aan te vechten middels een beroep tot nietigverklaring bij het GEA. Bijgevolg zal de particuliere verzoeker die een beschikking die tot hem gericht is op haar geldigheid wil laten toetsen, enkel een beroep tot nietigverklaring bij het GEA kunnen instellen [107]. Ook als de beschikking in kwestie niet tot de particuliere verzoeker is gericht en het vaststaat dat hij niettemin rechtstreeks en individueel geraakt is, dan zal hij zijn zaak niet voor de nationale rechter mogen brengen [108]. Dit teneinde te verhinderen dat de termijn van twee maanden om het beroep tot nietigverklaring in te stellen (art. 230, 5° lid EGV) zou omzeild worden, en dat bijgevolg het rechtszekerheidsbeginsel niet zou gerespecteerd worden door via prejudiciële weg een particulier vooralsnog toe te staan de geldigheid van een gemeenschapshandeling in twijfel te trekken [109]. Gezien de restrictieve interpretatie van het vereiste van het individueel geraakt zijn en de diffuse uitzonderingsregimes daarop, zal het echter in niet veel gevallen duidelijk zijn dat de verzoekende particulier in kwestie zonder twijfel locus standi heeft in een beroep tot nietigverklaring.
Omgekeerd zal in principe een particuliere verzoeker locus standi in het beroep tot nietigverklaring ontzegd worden indien hij de geldigheid van de gemeenschapshandeling kan aanvechten voor de nationale rechter, die dan een prejudiciële vraag kan (of liever gezegd moet (infra) stellen. Het HvJ zal dan vlugger besluiten dat het vereiste van het ‘individueel geraakt zijn’ in de context van het beroep tot nietigverklaring, niet vervuld is [110].
Een ander voorbeeld van het systeem van ‘communicerende vaten’ wat de geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen betreft, is de wisselwerking tussen de procedures van het beroep tot nietigverklaring en het beroep wegens nalaten te besluiten. Zo zal een beroep wegens nalaten te besluiten niet meer ingesteld kunnen worden, of zal een hangend beroep wegens nalaten te besluiten overbodig geacht worden, indien de gemeenschapsinstelling in kwestie een standpunt heeft ingenomen, nadat ze aangemaand is geweest [111]. Logisch aangezien de handeling waarbij de betrokken gemeenschapsinstelling een standpunt heeft ingenomen meestal een bindende handeling inhoudt die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring [112]. Houdt de standpuntbepaling van de gemeenschapsinstelling in kwestie echter geen bindende handeling in en is een beroep tot nietigverklaring bijgevolg niet mogelijk, dan blijft het onmogelijk voor de particuliere verzoeker om een beroep wegens nalaten te besluiten in te stellen [113].
Dat het rechtsbeschermingsysteem voor particulieren bij de geldigheidscontrole van gemeenschapsnormen vrij coherent is, wil nog niet zeggen dat het volledig en effectief is. Volledig wil zeggen dat de particuliere verzoeker elk handelen of elk nalaten van een gemeenschapsinstelling dat in strijd is met het gemeenschapsrecht zou moeten kunnen aanvechten voor een rechtbank [114]. Het HvJ doet zijn best om eventuele lacunes weg te helpen door een teleologische interpretatie te geven aan de Verdragsbepalingen die de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter bepalen. De taak van het HvJ is immers de eerbiediging van het gemeenschapsrecht bij de uitlegging en de toepassing van Verdragsbepalingen (art. 220 EGV). Het rechtsbeschermingsysteem voor particulieren bij geldigheidscontrole van gemeenschapsnormen is vrij volledig, aangezien een particuliere verzoeker toch vrij een groot deel van het gemeenschapsrecht kan laten toetsen op zijn geldigheid als men de procedures van beroep tot nietigverklaring, beroep wegens nalaten te besluiten en de prejudiciële geldigheidstoetsing samenrekent (supra).
Toch zijn er nog een paar lacunes wat de volledigheid van rechtsbescherming bij geldigheidscontrole van gemeenschapshandelingen betreft. Zo is een prejudiciële geldigheids-toetsing geen alternatief voor een beroep wegens nalaten te besluiten, aangezien het HvJ niet over de mogelijkheid beschikt om in een prejudiciële procedure het nalaten van een gemeenschapsinstelling vast te stellen [115]. Wanneer een gemeenschapsinstelling onwettig nalaat een handeling te stellen, dan is de enige mogelijke rechtsgang het beroep wegens nalaten te besluiten. Toch zijn wordt het vereiste van het individueel geraakt zijn in een beroep wegens nalaten te besluiten even stringent uitgelegd als in een beroep tot nietigverklaring, zodat het voor particulieren in een beroep wegens nalaten te besluiten schier onmogelijk is locus standi te verkrijgen.
Verder is er een probleem als er geen nationale maatregel is die de aangevochten gemeenschapshandeling omzet. Dan heeft de verzoekende particulier geen alternatief (i.e. een procedure voor de nationale rechter met een prejudiciële vraagstelling) voor het beroep tot nietigverklaring, waarin hij niet zo gemakkelijk locus standi verkrijgt. Zo ontstaat het risico dat een deficit ontstaat in het rechtsbeschermingsysteem. Dit risico is zeer waarschijnlijk, wanneer de aangevochten gemeenschapshandeling een handeling is van algemene strekking en een rechtstreekse werking heeft. De particuliere verzoekers hebben dan immers geen maatregelen of handelingen van de nationale overheid ter omzetting van de aangevochten gemeenschapshandeling die ze kunnen aanvechten in een procedure voor een nationaal rechtscollege die de weg opent voor een prejudiciële procedure, waarin de aangevochten gemeenschapshandeling op zijn geldigheid kan getoetst worden. Aangezien de aangevochten gemeenschapshandeling rechtstreekse werking heeft, zullen particulieren inbreuk kunnen plegen op de bepalingen van de gemeenschapshandeling in kwestie, en dan als verweerder in een nationale procedure de wettigheid van de gemeenschapshandeling kunnen aanvechten. Dit is natuurlijk absurd en het strookt niet met de opvatting dat de EG gebaseerd is op de ‘rule of law’ hetgeen juist voortvloeit uit het feit dat alle gemeenschapshandelingen onderworpen zijn aan een geldigheidscontrole [116]. Trouwens deze laatste redenering gaat niet op voor bepalingen van richtlijnen die rechtstreekse werking hebben. Richtlijnen zijn immers gericht aan Lidstaten (art. 249, 3° lid EGV) en kunnen geen verplichtingen meebrengen voor particulieren, die de bepalingen van de richtlijn dus ook niet kunnen schenden [117].
Een andere vraag is natuurlijk of het rechtsbeschermingsysteem in casu ook wel werkzaam is. Het grote pijnpunt is natuurlijk de beperkte locus standi van de particuliere verzoeker in het beroep tot nietigverklaring. Het is dus beter eerst deze procedure nog eens extra onder het vergrootglas te nemen, om dan tot een conclusie te komen voor het globale rechtsbescher-mingsysteem voor particulieren bij geldigheidscontrole van het (niet-)handelen van gemeenschapsinstellingen, aangezien geen enkele procedure helemaal losstaat van de andere mogelijke procedures. Vanuit een rechtsbeschermingperspectief doet het er helemaal niet toe of de rechtsbescherming wordt geboden door deze of gene procedure, op gemeenschaps- of nationaal niveau, zolang er maar een werkzame rechtsbescherming wordt geboden [118]. In principe interpreteert HvJ het artikel 230, 4° lid EGV op een strenge wijze (supra). Over het waarom zijn er verschillende theorieën.
Eén van de meest aannemelijke theorieën stelt dat art. 230, 4° lid EGV streng wordt geïnterpreteerd omdat de bewoordingen van art. 230, 4° lid EGV doen vermoeden dat het waarschijnlijk nooit de bedoeling is geweest particuliere verzoekers veel hoop op locus standi te geven in een beroep van nietigverklaring tegen gemeenschapsmaatregelen die niet tot hen gericht zijn, meer bepaald tegen verordeningen en beschikkingen die gericht zijn aan Lidstaten [119]. Het is waar dat de tekst van art. 230, 4° lid EGV duidelijk grenzen stelt aan de mogelijkheid voor particulieren om via het beroep van nietigverklaring de wettigheid van gemeenschapshandelingen te toetsen. Maar het EGV is niet alleen stukje tekst; het houdt ook uitdagingen in. Zo heeft een zwakke tekstuele basis in het EGV het HvJ niet belet een rechtstreekse werking toe te schrijven aan sommige Verdragsbepalingen [120]. Bovendien, wat ook de bedoeling van de ontwerpers van het EGV moge geweest zijn in 1957, heden is de wettigheidscontrole door en via particuliere rechtsvorderingen even belangrijk geworden in de context van de Europese Gemeenschap als in elke nationaalrechterlijk systeem [121]. Argumenten als zou de rechtszekerheid in het gedrang komen door een al te soepel toestaan van locus standi in een beroep tot nietigverklaring, zijn niet geldig, aangezien er een vrij korte verjaringstermijn (nl. twee maanden) voor deze vordering loopt (art. 230 EGV) [122]. Dit rechtszekerheidsargument valt trouwens niet te rijmen met het standpunt van het HvJ dat de prejudiciële procedure (infra) een geschikt alternatief is voor het beroep tot nietigverklaring: het gamma gemeenschapshandelingen die kunnen aangevochten worden in een prejudiciële procedure, is uitgebreider, bovendien is er geen (of toch geen uniforme) verjaringstermijn in een prejudiciële procedure [123]. Het HvJ heeft trouwens zelf in Plaumann gezegd dat de Verdragsbepalingen nopens het beroepsrecht van de justitiabelen niet restrictief uitgelegd mogen worden [124].
Een ander deel van de rechtsleer vindt normaal dat de locus standi voor het GEA (en het HvJ) beperkt is, aangezien het feit dat een particulier zelf een zaak kan aanhangig maken bij een internationaal gerechtshof eerder een revolutionaire gedachte is [125]. Dit argument is zeker niet afdoende aangezien de Europese Gemeenschap een nieuw soort internationale rechtsorde is, die niet alleen de Lidstaten als rechtssubjecten omvat, maar ook hun onderdanen [126], hetgeen op zich vrij revolutionair is.
Een meer gesofisticeerde theorie is de volgende: het HvJ is minder geneigd locus standi te verschaffen, wanneer de bestreden gemeenschapshandeling van ‘discretionaire’ aard is [127]. Zo valt het op dat particulieren vaak een beroep tot nietigverklaring instellen tegen gemeenschapshandelingen die gesteld zijn in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, een domein in het gemeenschapsrecht dat verschillende beleidsdoelstellingen heeft (cfr. artikel 33 EGV), die natuurlijk met elkaar in conflict kunnen komen [128]. Bijgevolg zullen de Commissie en de Raad bij het nemen van gemeenschapsmaatregelen moeilijke beleidskeuzes moeten maken, zodat er altijd winnaars en verliezers zullen zijn. Het spreekt voor zich dat het HvJ niet snel bereid zal gevonden worden (door bijvoorbeeld niet gemakkelijk locus standi te verlenen) deze discretionaire keuzes achteraf te bekritiseren [129]- [130]. Ook de soepelere houding van het HvJ in bijvoorbeeld mededingingszaken valt hiermee te rijmen. In mededingingszaken zijn de gemeenschapsbelangen minder ambigu, en is er hoofdzakelijk één beleidsdoelstelling, nl. ongehinderde mededinging binnen de gemeenschappelijke markt verzekeren (cfr. art. 3(g) EGV). De zojuist uiteengezette theorie is echter slechts een poging om het gedrag van het HvJ inzake de locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring te verklaren, maar ze houdt nog altijd geen rechtvaardiging voor het HvJ om het vereiste van het individueel geraakt zijn, dat op zich al een streng vereiste is, zo streng uit te leggen. Een gemeenschapsinstelling mag dan nog veel beleidskeuzevrijheid hebben, ze zal bij het nemen van gemeenschapsmaatregelen bepaalde rechtsregels (zoals procedurele vereisten, het gemeenschapsrecht in het algemeen [131], …) in acht moeten nemen. Doet ze dat niet dan is de gemeenschapshandeling in kwestie onwettig. Het is deze onwettigheid die in een beroep tot nietigverklaring aangevochten wordt en niet de uiteindelijke beleidskeuze op zich. Bovendien gaat m.i. de kwestie dat de rechter zich niet mag/wil inlaten met de beleidskeuzes van de overheid over de gegrondheid van de vordering van de verzoeker, en niet over de ontvankelijkheid ervan.
Misschien is de beste verklaring voor de strenge houding van het HvJ inzake locus standi in het beroep tot nietigverklaring wel te vinden in het systeem van ‘communicerende vaten’. Zoals gezegd wordt in het rechtsbeschermingsysteem voor particulieren bij geldigheids-controle van gemeenschapsnormen naar coherentie en volledigheid gestreefd. Enerzijds zal het HvJ zich wat soepeler opstellen wat het verlenen van locus standi aan particulieren betreft, indien ze niet kunnen beschermd worden door een nationaal rechtscollege [132], anderzijds zal het HvJ niet gemakkelijk locus standi toestaan voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring wanneer ze kunnen beschermd worden door een nationaal rechtscollege (supra). Dit laatste kwam tot uiting in het Greenpeace-arrest.
In deze zaak werd een poging van de milieuvereniging Greenpeace om het vereiste van het individueel geraakt zijn te versoepelen in milieuzaken zowel door het GEA [133] als het HvJ in volle zitting [134] afgewezen. Greenpeace (en anderen) stelden een beroep tot nietigverklaring in tegen een besluit van de Commissie tot toekenning van financiële bijstand uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling voor de bouw van twee elektrische centrales. Het beroep tot nietigverklaring werd onontvankelijk verklaard omdat Greenpeace voldoende rechtsbescherming zou genieten voor de nationale rechter in de zin dat Greenpeace over de mogelijkheid beschikt de administratieve vergunningen voor de bouw van de centrales en de verklaringen inzake de milieu-effecten van de bouwprojecten voor de nationale rechter aan te vechten.
Men kan zich echter terecht vragen stellen bij de – o.a. door LENAERTS [135] verdedigde - stelling dat de procedure voor de nationale rechter met een eventuele prejudiciële vraagstelling een even effectieve rechtsbescherming tegen inbreuken op het gemeenschapsrecht door de gemeenschapsinstellingen waarborgt als het beroep tot nietigverklaring. Men kan zich inderdaad afvragen of het niet efficiënter – en dus ook effectiever - is voor particulieren om onmiddellijk een beroep tot nietigverklaring te kunnen instellen.
In het kader van een wettigheidscontrole op een handeling van een gemeenschapsinstelling, zal een particuliere verzoeker een handeling of een maatregel van een nationale overheid die een norm van gemeenschapsrecht omzet, aanvechten in een nationale procedure tegen een nationale overheidsinstelling, op grond dat de norm van gemeenschapsrecht niet wettig is (supra). Het is niet de nationale maatregel zelf, die getoetst wordt op zijn wettigheid, maar de norm van gemeenschapsrecht. Bijgevolg zullen de argumenten van de verzoekende particulier in deze procedure dezelfde zijn als degene die hij zou aangevoerd hebben in een beroep tot nietigverklaring. Nu is het zo dat een nationale rechter zelf niet tot de onwettigheid van die aangeklaagde norm van gemeenschapsrecht kan besluiten. Dit is een exclusieve bevoegdheid die het HvJ toebehoort: de nationale rechter zal in dat geval een prejudiciële vraag moeten stellen aan het HvJ, zelfs al is hij krachtens art. 234, 3° lid EGV hiertoe niet verplicht [136]. Het zou immers nogal kras zijn als een nationale rechter zomaar de geldigheid van gemeenschapsrecht in twijfel kon trekken, hetgeen de consistentie en de rechtszekerheid van het gemeenschapsrecht niet ten goede zou komen: de beslissing van het nationaal rechtscollege in kwestie zou dan maar beperkt zijn tot de Lidstaat waarin het gelegen is, terwijl de aangevochten handeling in principe verder zou blijven gelden in de andere Lidstaten [137].
Zowel in een nationale procedure met een verplichte prejudiciële vraagstelling, als in een procedure van beroep tot nietigverklaring, komt de verzoekende particulier terecht bij een gemeenschapsrechter sensu stricto. Nu wordt de verzoekende particulier door een nationale procedure met een verplichte prejudiciële vraagstelling gejaagd. De procedure voor de nationale rechter bij een geldigheidstoetsing van een gemeenschapshandeling is dus een nutteloze rechtsgang, die alleen maar dient om de weg te openen naar een prejudiciële procedure. Een meer toegankelijk beroep tot nietigverklaring zou deze overbodige rechtsgang voor een nationaal rechtscollege kunnen vermijden en zo de verzoekende particulier tijd en geld besparen [138]. Bovendien mag in tegenstelling tot een procedure van beroep tot nietigverklaring in een prejudiciële procedure slechts één memorie per partij ingediend worden en is er geen volledige uitwisseling van de pleidooien (art. 20 Statuut Hof van Justitie). Het GEA heeft echter recentelijk in Salamander het argument als zou de prejudiciële procedure geen afdoend alternatief zijn voor het beroep tot nietigverklaring, dat volgens de verzoekers in casu een sneller en doeltreffender rechtsmiddel zou zijn, resoluut afgewezen. De argumenten van het GEA waren o.a. dat het GEA zich niet in de plaats van de primaire communautaire wetgever mag stellen om de in de artikelen 230 en 234 EGV neergelegde procedures te wijzigen [139]. Heeft het HvJ zich dan niet in de plaats van de primaire communautaire wetgever gesteld bij het toekennen van rechtstreekse werking aan sommige verdrags- en richtlijnbepalingen (supra) ? ALSTON en WEILER merken trouwens op dat de expansie en de complexiteit van het gemeenschapsbestuur heeft aangetoond dat de complementariteit (cfr. ‘communicerende vaten’) tussen de prejudiciële procedure en het beroep tot nietigverklaring niet langer gewaarborgd kan worden [140].
Particulieren kunnen echter tussenkomen in procedures tussen particulieren voor het HvJ wanneer ze een belang kunnen aantonen (art. 37 Statuut Hof van Justitie). Het is duidelijk dat zo een recht op tussenkomst de gebrekkige locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring niet kan compenseren, omdat dat recht afhangt van een aanhangigmaking van de zaak door iemand anders. Toch heeft dat recht een zeker nut, bijvoorbeeld om belangengroeperingen de kans te geven hun standpunt kenbaar te maken in hangende procedures voor het HvJ [141].
Ook de exceptie van onwettigheid (art. 241 EGV) kan de gebrekkige locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring slechts verzachten, maar zeker niet compenseren, aangezien het geen zelfstandige rechtsgang is [142]. Het is slechts een bijkomend rechtsmiddel in elk rechtstreeks beroep dat ingesteld kan worden bij het HvJ of het GEA. De exceptie van onwettigheid beoogt de toepassing te vermijden van onwettige gemeenschapshandelingen van algemene strekking ten nadele van hen die niet (meer) het recht hebben om tegen die handelingen in beroep te komen [143]. Zo kan een exceptie van onwettigheid bijvoorbeeld niet ingeroepen worden om de toepassing te vermijden van een beschikking die door een onwettigheid is aangetast [144].
Er weze opgemerkt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die beweert schade te lijden door handelingen of gedragingen van een gemeenschapsinstellingen, haar diensten of personeelsleden bij het GEA (art. 3, 1° lid, b en d, Besluit Gerecht) een beroep tot schadevergoeding kan instellen [145].
Oorspronkelijk leek de rechtspraak van het HvJ te stellen dat de verzoekende partij slechts gerechtigd was een beroep tot schadevergoeding in te stellen na de nietigverklaring van de schadeberokkenende gemeenschapshandeling [146]. Kort daarna brak het HvJ met deze rechtspraak en stelde dat het beroep tot schadevergoeding een zelfstandige rechtsgang uitmaakt [147], aangezien het uitsluitend gericht is op een pecuniaire genoegdoening en zich bijgevolg om die reden onderscheidt van het voorwerp van andere rechtsgangen [148]. Het beroep tot schadevergoeding is een beroep tot vaststelling van de subjectieve rechten van de verzoekende partij in tegenstelling tot een beroep tot nietigverklaring dat een beroep tot de onwettigheid van een gemeenschapshandeling vaststelt en meer verstrekkende gevolgen beoogt (nl. de nietigverklaring van een gemeenschapshandeling). Daarom is het ook logisch dat voor een beroep tot schadevergoeding niet dezelfde stringente ontvankelijkheids-voorwaarden gelden als voor een beroep tot nietigverklaring [149]:voor een beroep tot schadevergoeding volstaat het dat de schade waarvoor de verzoekende partij vergoeding vraagt haar persoonlijk vermogen aantast om tot de ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding te kunnen besluiten.
Prima facie lijkt dit toch een niet te verwaarlozen alternatief voor de gebrekkige locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling [150], ware het niet dat het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is wanneer het als een oneigenlijk beroep tot nietigverklaring of beroep wegens nalaten te besluiten wordt gebruikt, hetgeen een misbruik van procedure zou uitmaken [151].
4. Het recht op toegang tot de gemeenschapsrechter volgens de artikelen 6 en 13 EVRM
4.1. Het recht op toegang tot een rechtsinstantie volgens de artikelen 6 en 13 EVRM
Artikel 6, 1° lid EVRM waarborgt eenieder het recht op een eerlijk proces, ‘bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen [152] (of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging [153])’. Het spreekt voor zich dat vooraleer er sprake kan zijn van een eerlijk proces (‘procedural due process’) er eerst een proces (‘substantive due process’) moet zijn. Bijgevolg heeft het EHRM beslist in het arrest-Golder dat het recht op toegang tot een rechtscollege een recht is dat impliciet wordt toegekend door art. 6, 1° lid EVRM [154]. Een loutere formele toegang tot een rechtscollege is niet voldoende: het EVRM kent geen theoretische of illusoire, maar praktische en effectieve rechten toe. Dit is zeker zo voor het recht op toegang tot de rechter, gezien de prominente plaats die het recht op een eerlijk proces inneemt in een democratische maatschappij [155]. De landen die het EVRM hebben ondertekend, zijn bovendien genoopt tot het nemen van positieve maatregelen teneinde dit recht effectief te maken [156]. Om effectief te zijn, mag het recht op toegang tot de rechter geen enkele hinder ondervinden die het de rechthebbende praktisch onmogelijk maakt dit recht uit te oefenen [157]. Het recht op toegang tot de rechter omvat niet alleen het vereiste dat er een rechter moet zijn die effectief toegankelijk is, maar ook het vereiste dat er een geschikte rechter voorhanden is: i.e. een onafhankelijk, onpartijdig rechtscollege dat ingesteld is door de wet en die het geding dient te beslissen (art. 6, 1° lid EVRM). Verder wordt dit recht op toegang tot de rechter aangevuld door enkele processuele waarborgen, zoals het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn.
Het spreekt voor zich dat dit recht op toegang tot de rechter geen absoluut recht is, maar kan onderworpen worden aan beperkingen. Uit zijn aard heeft het recht op toegang tot de rechter behoefte aan regulering die kan variëren naargelang tijd en plaats, rekening houdend met de behoeften en de middelen van de gemeenschap [158] en de individuen in casu [159]. De beperkingen dienen wel redelijk verantwoord zijn en niet disproportioneel, aangezien een te hoge drempel het recht op toegang substantieel uitholt [160].
Het art. 13 EVRM waarborgt eveneens eenieder het recht op een effectieve rechtsgang, maar wel voor het specifieke geval van schending van zijn in het EVRM neergelegde rechten en vrijheden. Zo zou eenieder zich op een effectieve rechtsgang moeten kunnen beroepen wanneer eender welke handeling van de uitvoerende [161], de wetgevende macht [162] of particulieren zijn rechten en vrijheden die in het EVRM vermeld zijn schendt. Of dat ook mogelijk moet zijn wanneer een rechtscollege één van de rechten en vrijheden neergelegd in het EVRM schendt (en we denken spontaan aan art. 6 EVRM), wordt betwist. Het is immers moeilijk in te denken dat artikel 13 EVRM eenieder de gelegenheid geeft bij de uitvoerende macht schendingen van artikel 6 EVRM door de rechterlijke macht aan te vechten. Dit zou immers het principe van de scheiding der machten niet ten goede komen, hetgeen een belangrijk onderdeel is van de rechtstaat [163].
4.2. Het rechtsbeschermingsysteem van de Europese Gemeenschap : verenigbaar met de artikelen 6 en 13 EVRM?
Zoals eerder aangehaald dient het recht op toegang tot de rechter volgens artikel 6 EVRM een praktisch en effectief en geen theoretisch en illusoir recht te zijn. Het rechtsbescherming-systeem voor particulieren bij de geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen degradeert dit recht tot een on-praktisch en on-effectief recht. Niet alleen zijn er enkele gaten in de rechtsbescherming (supra), maar kunnen er ook vraagtekens geplaatst worden bij werkzaamheid van het systeem.
Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat de gemeenschapsrechter sensu stricto de particulier die een beroep tot nietigverklaring met een kluitje in het riet wil sturen door hem vrij snel locus standi te weigeren en hem door te verwijzen naar een nationaal rechtscollege, die dan maar een prejudiciële vraag moet stellen, aangezien dit nationaal rechtscollege immers niet over de geldigheid van gemeenschapsrecht mag oordelen (supra). Er mag niet uit het oog verloren worden dat de prejudiciële procedure (bij geldigheidstoetsing van het gemeenschapsrecht) niet bedoeld is om rechtstreeks een gemeenschapshandeling op zijn wettigheid aan te vechten, maar oorspronkelijk bedoeld was voor de hypothese dat de vraag van de wettigheid van een gemeenschapsregel zich toevallig zou stellen in een nationale procedure. Daarom is de prejudiciële geldigheidstoetsing dan ook slechts een incidentele geldigheidstoetsing van het gemeenschapsrecht. Toch plaatst de gemeenschapsrechter sensu stricto deze vorm van incidentele vorm van geldigheidstoetsing op hetzelfde niveau van een beroep tot nietigverklaring hetgeen een rechtstreekse geldigheidstoetsing is: de verzoekende particulier moet er maar voor zorgen dat hij in een nationale procedure geraakt en dat in die nationale procedure de vraag wordt gesteld naar de wettigheid van de aangeklaagde gemeenschapshandeling, zodat de nationale rechter verplicht is een prejudiciële vraag te stellen, hetgeen de nationale rechter dan nog (te) vaak nalaat te doen [164]. De gemeenschapsrechter sensu stricto lijkt de particuliere verzoeker te willen ontmoedigen de geldigheid van een gemeenschapshandeling aan te vechten door hem (eventueel na een mislukt beroep tot nietigverklaring) te verplichten een nationale procedure te doorlopen die slechts dient om in een prejudiciële procedure te geraken waarin men toch uiteindelijk voor de gemeenschapsrechter sensu stricto belandt [165]. M.i. is dit een te hoge drempel die een werkzaam recht op toegang tot de gemeenschapsrechter substantieel uitholt.
Trouwens motiveren het GEA of HvJ vrij uitvoerig waarom ze geen locus standi willen verlenen aan particulieren in een procedure van beroep tot nietigverklaring [166]. Men kan zich dan de vraag stellen of het niet beter is nu de partijen toch voor het GEA of HvJ aanwezig zijn met hun argumenten voor het geval het beroep ontvankelijk wordt verklaard, de verzoekende (particuliere) partij locus standi te verschaffen, en zich dan uit te spreken over de grond van de zaak (zij het dan nog op summiere wijze).
Een ander pijnpunt is natuurlijk ook het vereiste dat een zaak binnen een redelijke termijn moet worden behandeld (art. 6, 1° lid EVRM): de termijn tussen de instelling van de vordering en de definitieve beslissing over de grond van de zaak mag niet te lang zijn. Anders ontstaat er immers rechtsonzekerheid en moet men te lang wachten op wat rechtmatig toekomt. In de termijn worden bijkomende en/of voorafgaande procedures inbegrepen. Zo schendt een prejudiciële procedure op zich misschien niet art. 6, 1° lid EVRM, maar heel het geheel van procedures in één zaak daarom nog niet. Zo is het meer waarschijnlijk – hoewel dat soms betwist wordt [167] – dat een (overbodige) nationale procedure met een verplichte prejudiciële vraagstelling aan het HvJ bij een geldigheidstoetsing van het gemeenschapsrecht, meer tijd in beslag zal nemen dan een rechtstreeks beroep bij het GEA. Bijgevolg is het meer waarschijnlijk dat in een nationale procedure met prejudiciële vraagstelling de zaak niet binnen een redelijke termijn zal kunnen behandeld worden. Het EHRM rekende echter in Pafitis de periode van prejudiciële procedure niet mee [168], omdat het niet wou niet tussenkomen in de gemeenschappelijke rechtsorde [169].
Wat artikel 13 EVRM betreft is het duidelijk dat een particuliere verzoeker een werkzaam recht op toegang tot de gemeenschapsrechter zou moeten hebben, wanneer een gemeenschapshandeling (zijn) fundamentele rechten en vrijheden (zoals neergelegd in het EVRM) schendt. Het HvJ heeft in 1969 gesteld dat ‘de fundamentele rechten van de mens … besloten liggen in de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert’ [170]. Dit principe werd in 1992 verankerd in het Verdrag van Maastricht: ‘De Unie verzekert de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien, als algemene beginselen van gemeenschapsrecht’ (art. 6, 2° lid EU-Verdrag). Aangezien grondrechten deel uitmaken van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, zijn de gemeenschapshandelingen die deze grondrechten schenden onwettig [171].
Particuliere verzoekers vinden het restrictieve Plaumann-criterium weer op hun weg, indien ze een gemeenschapshandeling op haar geldigheid willen toetsen aan het door hun beweerde geschonden grondrecht. Codorniu lijkt hier prima facie een beter perspectief te bieden, maar de aarzelend [172] ingeslagen weg door het HvJ wordt blijkbaar niet verdergezet door het GEA dat nu in eerste instantie kennis neemt van de beroepen tot nietigverklaring (supra).
4.3. Wie kan aangeklaagd worden voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wanneer het Europees Hof van Justitie de artikelen 6 en 13 EVRM schendt?
Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de gemeenschapsinstellingen de grondrechten (als beginselen van gemeenschapsrecht) uit het EVRM dienen te respecteren. De vraag is natuurlijk of ook het HvJ en het GEA de grondrechten, en meer bepaald de artikelen 6 en 13 EVRM dienen te respecteren. In ieder geval is het zo dat het recht op een effectief rechterlijk toezicht (artikelen 6, 1° lid en 13 EVRM) [173], en het recht dat een zaak behandeld wordt binnen een redelijke termijn (artikel 6, 1° lid EVRM) [174] door het HvJ en het GEA beschouwd worden in hun rechtspraak als te respecteren grondrechten (lees: algemene beginselen). Het recht op een effectief rechterlijk toezicht en het recht dat een zaak behandeld wordt binnen een redelijke termijn, werden trouwens nadrukkelijk opgenomen in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie [175]. Hoewel dit Handvest (nog) niet juridisch bindend is, heeft het toch een grote symbolische waarde.
Het HvJ kan er op toezien dat het GEA deze artikelen 6 en 13 EVRM niet schendt [176]- [177]. Aangezien het HvJ in het rechtsbeschermingsysteem van de EG de rechter in laatste instantie is, is er echter geen rechterlijke controle mogelijk op eventuele schendingen van de artikelen 6 en 13 EVRM door het HvJ [178]. De gemeenschapsverdragen, het Statuut HvJ en het Reglement voor de procesvoering van het HvJ bevestigen immers de status van het HvJ als het hoogste gerechtshof in gemeenschappelijke rechtsorde, waartegen geen verder rechtsmiddel mogelijk is [179]… ook niet voor het EHRM. De EG is immers geen partij bij het EVRM, en zal het waarschijnlijk nooit worden nadat het HvJ zich heeft in een advies negatief uitgelaten over een eventuele toetreding van de EG tot het EVRM [180].
De toenmalige Europese Commissie voor de rechten van de Mens (ECRM), die sinds de inwerkingtreding van het Elfde Protocol bij het EVRM (1 november 1998) opgeslorpt is door het EHRM, besliste bijgevolg in de CFTD-zaak dat schendingen door organen van de Europese Gemeenschappen buiten het toepassingsgebied van het EVRM vallen, omdat ze de Europese Gemeenschappen als dusdanig niet gebonden achtte door het EVRM. Daarom viel de beoordeling van de klacht buiten de rechtsmacht van de ECRM. Hetzelfde gold voor de klacht gericht tegen de lidstaten van de EG gezamenlijk. Ook op de vraag van de verzoeker in deze zaak of de EG-lidstaten die partij zijn bij het EVRM afzonderlijk verantwoordelijk kunnen zijn onder het EVRM wegens hun rol in de aangevochten handeling, antwoordde de ECRM afwijzend [181].
Op dit arrest kwam felle kritiek, nl. dat de EG vanaf haar oprichting gebonden was aan het EVRM, omdat de Lidstaten die de EG oprichtten al verdragspartij bij het EVRM waren en bijgevolg slechts bevoegdheden konden overdragen aan de EG voor zover deze in overeenstemming waren met de verplichtingen die onder het EVRM op hen rustten [182]. Deze theorie, de zgn. substitutieleer is trouwens niet nieuw: zo heeft het HvJ in de context van douanetarieven en handel aanvaard dat de EG als dusdanig uit hoofde van substitutie materieel aan de GATT gebonden was, hoewel de EG-lidstaten en niet de EG zelf formeel ‘contracting parties’ waren [183].
Hoewel deze theorie zeer aantrekkelijk oogt, staan er enkele belangrijke hinderpalen aan in de weg. Ten eerste zou de EG in de logica van de substitutieleer niet gebonden zijn door mensenrechtennormen die neergelegd worden in protocols en dergelijke na de oprichting van de EG [184]. Ten tweede verbiedt het internationale verdragenrecht (cfr. Weens Verdragenverdrag) niet dat Staten verdragen kunnen sluiten die onverenigbaar zijn met reeds bestaande verdragsverplichtingen. Wel stipuleert het Weens Verdragenverdrag dat een Staat aansprakelijk kan gesteld worden als die haar aangegane verdragsverplichtingen niet nakomt [185]. Ten derde voldoet het EVRM niet aan de criteria van het HvJ opdat er sprake zou kunnen zijn van een substitutie van de EG-lidstaten door de EG: men kan niet stellen dat de EG-lidstaten wat mensenrechten betreft al hun bevoegdheden hebben overgedragen aan de EG, hetgeen inzake douane en tarifering wel het geval is (supra) [186].
Een ander argument om de EG vooralsnog gebonden aan het EVRM te achten is het fundamenteel karakter van de bepalingen in het EVRM. Men zou inderdaad kunnen stellen dat de bepalingen in het EVRM jus cogens zijn, d.w.z. dwingende normen van algemeen volkerenrecht. Volgens artikel 53 van het Weens Verdragenverdrag is een dwingende norm van algemeen volkerenrecht ‘een norm die aanvaard en erkend is door de internationale gemeenschap van Staten in haar geheel als een norm, waarvan geen afwijking is toegestaan en die slechts kan worden gewijzigd door een latere norm van algemeen volkerenrecht van dezelfde aard’. Het is echter moeilijk te bepalen welke normen nu juist de status van jus cogens bekleden. In het geval van verbod op rassendiscriminatie, slavernij en genocide is het duidelijk dat deze normen die status bekleden [187]. Maar het is hoogst twijfelachtig of dit ook zo is voor het hele EVRM. Men zou evenwel kunnen aanvoeren dat het EVRM regionaal jus cogens is. Hoewel het EHRM het EVRM beschouwt als een grondwettelijk instrument van Europese openbare orde [188], blijft de erkenning in het positieve recht achterwege dat het EVRM regionaal jus cogens vormt [189].
Ondanks het feit dat deze argumenten niet houdbaar zijn, is de beslissing in CFDT verre van ideaal, omdat Staten die partij zijn bij het EVRM volgens deze rechtspraak hun verplichtingen onder het EVRM zouden kunnen omzeilen door willekeurig organisaties op te richten die vrijelijk mensenrechten kunnen schenden [190]. De rechtspraak in CFDT werd echter enigszins genuanceerd in M & Co.
In M & Co argumenteerde de klager voor de ECRM dat Duitsland zijn verplichtingen onder het EVRM niet nagekomen was door gevolg te geven aan een volgens hem met art. 6 EVRM strijdige totstandgekomen uitspraak van het HvJ, waarbij de staat in kwestie, Duitsland, geen eigen beoordelingsruimte werd gelaten. In feite kwam de klacht erop neer dat het HvJ artikel 6 EVRM geschonden had en dat Duitsland om die reden geen gevolg mocht geven aan die uitspraak van het HvJ. De ECRM besliste dat bij de implementatie van de uitspraak de Duitse overheid niet als een ‘quasi-orgaan’ van de EG mocht beschouwd worden: dus waar staten zelf uitvoering geven aan regelingen of besluiten van internationale organisaties, blijven ze in principe verantwoordelijk voor eventuele schendingen van het EVRM. De overdracht van bevoegdheden aan een internationale organisatie zoals de EG sluit op zich niet de aansprake-lijkheid uit ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheden. De ECRM stelde dat een overdracht van bevoegdheden naar een internationale organisatie alleen toegestaan is als binnen die organisatie fundamentele rechten op een met een EVRM gelijkwaardig niveau beschermd worden [191]. De ECRM lijkt echter uit te gaan van een onweerlegbaar vermoeden dat de bescherming van fundamentele rechten in de EG afdoende gewaarborgd is, een vermoeden dat niet gehanteerd wordt ten aanzien van nationale rechters [192].
Recentelijk heeft het EHRM een belangwekkend arrest geveld dat de stand van zaken wel eens grondig doorheen zou kunnen schudden: in Matthews / Verenigd Koninkrijk stelde het EHRM het Verenigd Koninkrijk, samen met alle andere EG-lidstaten verantwoordelijk in de hoedanigheid van partijen bij het EVRM voor de uitsluiting van Gibraltar uit het toepassingsgebied van de Akte van 20 september 1976 (die bij de Beschikking 76/787 van de Raad hoorde) betreffende de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het Europees Parlement door een algemeen rechtsreeks stemrecht. Het EHRM besliste dat de beschikking van de raad en de Akte niet kunnen aangevochten worden voor het HvJ omdat ze in de gemeenschappelijke rechtsorde niet de status bekleden van een normale gemeenschaps-handelingen, maar van een verdrag dat door het Verenigd Koninkrijk en alle andere EG-lidstaten vrij is gesloten. Het EHRM stelde vervolgens dat het Verenigd Koninkrijk, samen met alle andere EG-lidstaten artikel 3 van het 1° Aanvullend Protocol bij het EVRM [193] geschonden hadden door Gibraltar uit te sluiten van het toepassingsgebied van het systeem van algemene rechtstreekse verkiezing van de Europarlementariërs. Wanneer de aangevochten gemeenschapshandeling een ‘normale’ gemeenschapshandeling is en geen verdrag, dan blijft de rechtspraak neergelegd door M & Co echter onverkort gelden [194]. Bijgevolg kunnen voor een uitspraak van het HvJ, dat artikel 6 EVRM schendt, de EG-lidstaten niet verantwoordelijk gesteld worden, aangezien een uitspraak van het HvJ een ‘normale’ gemeenschapshandeling is en zeker geen verdrag.
Wat m.i. wel zou kunnen is stellen dat voor een geldigheidstoetsing van gemeenschaps-handelingen door particulieren het EGV voorwaarden neerlegt wat de locus standi betreft, die niet verenigbaar zijn met artikel 6 en 13 EVRM. Die EGV palingen hebben wél de status van een verdrag. Zo zouden de EG-lidstaten op basis van de rechtspraak van het EHRM in Matthews / Verenigd Koninkrijk wél verantwoordelijk gesteld kunnen worden, hetgeen hen zou verplichten om die strenge voorwaarden (art. 230, 4° lid EGV in het bijzonder) in het EGV te wijzigen.
CANOR vraagt zich trouwens af waarom het EHRM in Matthews / Verenigd Koninkrijk niet de ‘full Monty’ [195] doet door middels een teleologische interpretatie van artikel 1 EVRM [196] te besluiten dat de EG een verdragsluitende partij is en bijgevolg als dusdanig kan aangeklaagd worden voor het EHRM, aangezien de EG nog niet bestond toen het EVRM gesloten werd. De EG-lidstaten hoeven dan immers niet meer ‘gegijzeld’ te worden voor iets dat buiten hun directe invloed ligt [197].
5. De lege ferenda?
Het rechtsbeschermingsysteem bij een geldigheidstoetsing van het gemeenschapsrecht door particulieren heeft te kampen met felle kritiek. Bij de kritiek dat het niet zo moet, horen natuurlijk suggesties hoe het dan wel zou moeten zijn. Het belangrijkste element zal natuurlijk de concrete invulling van een eventuele verandering zijn van de vereisten van het ‘individueel en rechtsreeks geraakt zijn’ (art. 230, 4° lid EGV). Nu worden er immers voor de meest efficiënte en werkzame rechtsgang, i.e. het beroep tot nietigverklaring, te strikte ontvankelijk-heidsvoorwaarden neergelegd, met tal van onoverzichtelijke uitzonderingen. Codorniu heeft de verwarring er alleen maar groter op gemaakt. Nu weten de particulier en zijn advocaat niet meer waar ze aan toe zijn omdat er geen duidelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden voorhanden zijn voor een beroep tot nietigverklaring. Men krijgt de indruk dat het HvJ à la carte uitzonderingen uitvindt, hetgeen niet geduld kan worden in een rechtsorde zoals die van de EG, die op rechtsregels gebaseerd is: het lijkt alsof het HvJ en het GEA eerst nagaan of ze het beroep tot nietigverklaring in kwestie ontvankelijk willen verklaren, en dan pas het geschikte criterium kiezen [198]. Een rationalisatie van de locus standi in een beroep tot nietigverklaring zou al een hele opluchting zijn voor de particuliere verzoekers en hun advocaten [199], die niet meer weten in welke procedure een geldigheidscontrole van de aangeklaagde gemeenschapshandeling het best aanhangig kan gemaakt worden.
Dikwijls wordt geopperd dat het vereiste van het individueel geraakt zijn moet versoepeld worden, wanneer de grondrechten van particulieren geschonden worden door gemeenschapshandelingen. Deze bezorgdheid is natuurlijk ingegeven door het artikel 13 EVRM. De gemeenschapsrechters sensu stricto delen die bezorgdheid ook, hetgeen tot uiting kwam in het rapport over de toepassing van het Verdrag van Maastricht dat gepubliceerd werd in mei 1995 in de aanloop naar de Intergouvernementele Conferentie van 1996. Daarin stelde het HvJ zich de vraag of het recht om een beroep tot nietigverklaring in te stellen dat particulieren enkel hebben als ze een individueel en rechtstreeks belang kunnen aantonen, een voldoende werkzame rechtsbescherming verleent tegen mogelijke schendingen van hun fundamentele rechten bij de wetgevende activiteiten van de gemeenschapsinstellingen [200]. Ook ALSTON en WEILER delen die zorg [201]. Maar een eventuele versoepelende wijziging van het Verdrag en/of de rechtspraak van het HvJ, enkel in het geval van een schending van grondrechten, gaat niet ver genoeg. Particuliere verzoekers zouden dan immers geneigd zijn om hun zaak in te kleden als een grondrechtenzaak om te profiteren van het versoepelde regime inzake locus standi in een beroep tot nietigverklaring [202].
ARNULL stelt dat het Verdrag zo moet gewijzigd worden dat elke bindende gemeenschapshandeling, wat ook haar formele status is, moet kunnen aangevochten worden door de particuliere verzoeker die erdoor nadelig getroffen wordt [203], m.a.w. de particuliere verzoeker moet enig belang kunnen aantonen. Deze stelling verdient een beetje uitleg en moet waar nodig genuanceerd worden.
Uitgaande van het feit dat het secundair gemeenschapsrecht voornamelijk bestaat uit regels van administratief recht [204], kan opgemerkt worden dat in de interne rechtsordes van de EG-lidstaten een soepel regime voorhanden is inzake locus standi voor particuliere verzoekers in een procedure om administratieve regelgeving (zowel van algemene strekking, als van individuele strekking) op haar wettigheid te laten toetsen [205]. De regimes inzake locus standi in zulke procedures in de interne rechtsordes van de EG-lidstaten wijzen allen in de richting dat er een zeker belang moet aangetoond worden. Natuurlijk zijn er nog altijd verschillen. Zo neemt de Franse Conseil d’Etat een heel soepele houding aan inzake locus standi door verzoekers toe te laten wier belang slechts onrechtstreeks is. In Duitsland is er ook een versoepeling doorgevoerd, maar het regime inzake locus standi is er toch beduidend strenger dan in Frankrijk [206]. Voor de afdeling administratie van de Belgische Raad van State moet een particuliere verzoeker in een beroep tot nietigverklaring tegen handelingen die uitgaan van een administratieve overheid en die eenzijdig uitvoerbaar zijn [207] slechts een (actueel) belang moet aantonen (art. 19 gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State). De verzoeker moet niet aantonen dat een subjectief recht werd geschonden, maar dat hij belang heeft bij de nietigverklaring van een administratieve handeling, d.w.z. wanneer door de nietigverklaring een situatie ontstaat die voor de verzoeker kan leiden tot een beter resultaat dan de vernietigde administratieve handeling [208]. Aangezien het belang persoonlijk en rechtstreeks dient te zijn, is een actio popularis uitgesloten. Voor de Raad van State wordt binnen zekere grenzen echter een ruimer belang aanvaard van verenigingen, die ter bescherming van hun maatschappelijk – dus zelf te creëren – doel mogen opkomen. Dezelfde tendens is ook merkbaar in de andere EG-lidstaten. Het spreekt voor zich dat dit regime inzake locus standi veel minder streng is dan in een beroep tot nietigverklaring voor het GEA.
Hoewel zulke nationale procedures niet automatisch kunnen overgenomen worden op het niveau van de Europese Gemeenschap, omwille van het specifieke karakter van deze rechtsorde, zou een eventuele wijziging (van de interpretatie) van het art. 230, 4° lid EGV toch moeten geïnspireerd zijn door de regimes inzake locus standi voor particuliere verzoekers in een beroep tot nietigverklaring van bindende administratieve handelingen in de verschillende lidstaten [209]. Deze techniek is trouwens niet vreemd aan het gemeenschapsrecht. Zo worden de aansprakelijkheidsvoorwaarden in een beroep tot schadevergoeding (supra) door het HvJ en het GEA bepaald ‘overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben’ (art. 288, 2° lid EGV). Dus waarom de locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring voor het GEA niet enten op een soort ‘common core’ der EG-lidstaten inzake locus standi voor particulieren (en belangengroeperingen) in een beroep tot nietigverklaring van bindende administratieve handelingen ?
Het argument dat door een versoepeld regime inzake locus standi voor particulieren in een beroep tot nietigverklaring voor het GEA voor een overbelasting zou zorgen, heeft aan belang ingeboet sinds het Foto-Frost-arrest dat aan de gemeenschapsrechters sensu stricto een exclusieve bevoegdheid toekent inzake het ongeldig verklaren van gemeenschapshandelingen [210]. Een korte verjaringstermijn zorgt er trouwens voor dat een stormvloed van beroepen tot nietigverklaring ingedijkt kan worden en de rechtszekerheid gewaarborgd kan worden (supra). Bovendien sluit de noodzaak om een zeker belang aan te tonen een actio popularis uit. Tenslotte zou een regime inzake locus standi in een beroep tot nietigverklaring dat geënt is op het administratieve recht van de verschillende EG-lidstaten, een gunstige zaak zijn voor belangengroeperingen zoals Greenpeace, …
Noch het Verdrag van Amsterdam, noch het Verdrag van Nice hebben echter wijzigingen aangebracht aan het artikel 230, 4° lid EGV. Er zullen waarschijnlijk geen hervormingen doorgevoerd worden tot er een oplossing gevonden wordt voor de werkdruk van de gemeenschapsrechters sensu stricto [211]. Toch zijn er aanwijzingen dat de Lidstaten meer openstaan voor een verdragswijziging van de regels inzake locus standi in een beroep tot nietigverklaring. Indien het Handvest van de Grondrechten (cfr. artikel 47) van de Europese Unie ooit bindend wordt, zouden de argumenten voor zo een verdragswijziging trouwens overweldigend zijn [212].
6. Besluit
Bij de afdwinging van het gemeenschapsrecht heeft de particuliere verzoeker een goede rechtsbescherming. Dit draagt immers bij tot de volle werking van het gemeenschapsrecht. Wanneer de particuliere verzoeker een gemeenschapshandeling in een beroep tot nietigverklaring voor het GEA op zijn geldigheid wil laten toetsen liggen de zaken niet zo eenvoudig. Door (te) strenge ontvankelijkheidsvoorwaarden ratione personae wordt dit beroep maar al te vaak afgewezen. De gemeenschapsrechter sensu stricto stelt dan vast dat de particuliere verzoeker voldoende rechtsbescherming geniet voor de nationale rechter die dan maar een prejudiciële vraag moet stellen aan het HvJ. Deze procedure is echter minder werkzaam dan een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring bij de geldigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen. Het rechtsbeschermingsysteem in geval van een geldigheids-controle, legt de lat (te) hoog voor particuliere verzoekers. Zo hoog dat het in aanvaring lijkt te komen met de artikelen 6 en 13 EVRM (recht op toegang tot de rechter). De kans op slagen van een particulier die deze praktijk wil aanklagen bij het EHRM is echter bijzonder klein. Op basis van de rechtspraak van het EHRM is het onmogelijk de EG en schier onmogelijk om de EG-lidstaten die allen partij zijn bij het EVRM, verantwoordelijk te stellen voor deze praktijk. Toch zouden de EG en de EG-lidstaten enige moeite aan de dag mogen leggen om het EG-procesrecht, en de procedure van het beroep tot nietigverklaring in het bijzonder, in overeenstemming te brengen met de artikelen 6 en 13 EVRM: een werkzaam recht op toegang tot de rechter is immers noodzakelijk voor de EG die gebaseerd is op de ‘rule of law’. Hierbij kunnen ze zich kunnen laten leiden door het regime inzake locus standi voor particulieren in de procedures die in de verschillende EG-lidstaten voorhanden zijn om (administratieve) bindende handelingen op hun geldigheid te laten toetsen.

[1] P. NEILL, Administrative Justice: Some Necessary Reforms (Report of the Committee of the Justice-All Souls Review of Administrative Law in the United Kingdom), Oxford, Clarendon, 1988, 179-180.
[2] De term ‘Europese Unie’ wordt niet gebruikt, aangezien de uiteenzetting beperkt wordt tot de Eerste (communautaire/gemeenschappelijke) Pijler van de Europese Unie.
[3] I.e. rechter van de Europese Gemeenschap.
[4] Aan de procedures die voorzien zijn in het EGKS-Verdrag, hoeft trouwens niet veel aandacht besteed te worden, aangezien de termijn van dat Verdrag toch binnen afzienbare tijd afloopt: het EGKS-Verdrag is in werking getreden op 25 juli 1952 voor een periode van 50 jaar (art. 97 EGKS-Verdrag). Andere meer specifieke procedures, zoals de procedures in het mededingingsrecht zullen enkel in de marge behandeld worden .
[5] T. TRIDIMAS, ‘Enforcing community rights in national courts’, in the Annual European Law Conference, London, King’s College, 3 March 2000, 1; Report of the Court of Justice on Certain Aspects of the Application of the Treaty on European Union, § 15 in the Proceedings of the Court of Justice and Court of First Instance of the European Communities, 15/95, 22 to 26 May 1995: ‘national courts are called upon to play a central role as courts with general jurisdiction for Community law’.
[6] H.v.J. 5 februari 1963, Van Gend & Loos, nr. 26/62, Jur. H.v.J., 1963, (1) 23.
[7] LORD SLYNN OF HADLEY, ‘What is a European Community Law Judge ?’, C.L.J., 1993, 240.
[8] K. LENAERTS en D. ARTS, Europees Procesrecht, Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 1999 (2de ed.), 33 : Het rechtsbeschermingstelsel neergelegd in de EG-Verdragen voorziet immers niet in de oprichting van ‘gemeenschapsrechtbanken’ in de verschillende Lidstaten van de EU .
[9] H.v.J. 5 februari 1963, Van Gend & Loos, nr. 26/62, Jur. H.v.J., 1963, (1) 23.
[10] H.v.J. 7 februari 1973, Commissie / Italië, nr. 39/72, Jur. H.v.J., 1973, (101) 113-114. De directe werking van verordeningen vindt niet zozeer haar grondslag in rechtspraak van het HvJ, maar eerder in art. 249, al. 2 EG.
[11] H.v.J. 5 februari 1963, Van Gend & Loos, nr. 26/62, Jur. H.v.J., 1963, (1) 21-25. De Verdragsbepaling moet duidelijk en onvoorwaardelijk zijn en niet afhankelijk van een discretionaire uitvoeringsmaatregel.
[12] H.v.J. 19 januari 1982, Becker / Finanzamt Münster-Innenstadt, nr. 8/81, Jur. H.v.J., 1982, (53) 76. Wanneer een bepaling van een richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk is, mag ze door een particulier tegen een overheidsorgaan ingeroepen worden, wanneer de Lidstaat in kwestie deze bepaling van de richtlijn niet tijdig en/of niet correct heeft omgezet in haar interne rechtsorde.
[13] H.v.J. 6 oktober 1982, CILFIT/Ministerie van Volksgezondheid, nr. 283/81, Jur. H.v.J., 1982, (3415) 3429.
[14] Cfr. H.v.J. 28 februari 1991, Delimitis, nr. C-234/89, Jur. H.v.J., 1991, I, 935; Witboek van de Commissie van mei 1999 (P.B., C 132, 1999, 1); … (P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, EU Law: Text, Cases and Materials, Oxford, Oxford University Press, 1998 (2nd ed.), 414-427)
[15] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 99 : Dit teneinde volle werking te geven aan het gemeenschapsrecht en het recht op een effectief rechterlijk toezicht (algemeen rechtsbeginsel en artt. 6 en 13 EVRM, infra) te waarborgen.
[16] H.v.J. 16 december 1976, Rewe/Landwirtschaftskammer Saarland, nr. 33/76, Jur. H.v.J., 1976, (1989) 1998.
[17] H.v.J 19 juni 1990, Factortame e.a., nr. C-213/89, Jur. H.v.J., (2433) 2474. Iedere Lidstaat is immers verplicht de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren, bijgevolg moeten al de bevoegde overheidsorganen (in casu de (nationale) rechtscolleges) samenwerken om dit doel te bereiken zoals voorzien in art. 10 EGV (Cfr. M. HECQUARD-THERON, ‘La notion d’Etat en droit communautaire’, R..T.D.E.,708).
[18] H.v.J. 16 december 1976, Rewe / Landwirtschaftskammer Saarland, nr. 33/76, Jur. H.v.J., 1976, (1989) 1998.
[19] Ibid.
[20] Cfr. H.v.J. 11 juli 1991, Verholen e.a., nr. C-87/90, Jur. H.v.J., 1991, I, (3757) 3790-3791: rechtsonderhorigen die niet onder de personele werkingssfeer van een norm van gemeenschapsrecht vallen, kunnen er toch rechtstreeks belang bij hebben dat die norm jegens de beschermde personen in acht genomen wordt en zijn bijgevolg procesbevoegd.
[21] H.v.J. 9 maart 1978, Administratie van de Staatsfinanciën/ Simmenthal, nr.106/77, Jur.H.v.J., 1978, (629) 646.
[22] Het is niet mogelijk het GEA om een prejudiciële uitlegging van het gemeenschapsrecht te verzoeken (art. 225, 1° lid, in fine EGV). Art. 2-31 van het Verdrag van Nice van 26 februari 2001 (P.B., C. 80, 10 maart 2001) heeft daar echter verandering in gebracht door een nieuw artikel 225 EGV in te voeren dat in punt 3. stipuleert dat het GEA bevoegd is ‘kennis te nemen van prejudiciële vragen uit hoofde van artikel 234 en beperkt blijven tot, specifieke, in het Statuut bepaalde aangelegenheden’. Moet volgens het GEA een principiële beslissing genomen worden in de zaak, dan kan het GEA de zaak nog altijd doorverwijzen naar het HvJ. Wanneer er en ernstig gevaar bestaat voor de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht kan het HvJ de zaak nog altijd ‘heroverwegen’.
[23] H.v.J. 22 november 1978, Mattheus / Doego, nr. 93/78, Jur. H.v.J., (2203) 2210.
[24] In de eerste plaats zijn dit de organiek hoogste rechtscolleges in de verschillende Lidstaten, maar ook andere rechtscolleges die beslissingen treffen waartegen geen rechtsmiddel, vb. een vrederechter die een beslissing treft waartegen geen enkel rechtsmiddel mogelijk is omdat het bedrag van de vordering te laag ligt (H.v.J. 15 juli 1964, Costa / ENEL, nr. 6/64, Jur. H.v.J., 1964, (1199), 1217).
[25] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 82-84: Hiermee wil men voorkomen dat de hoogste rechtspraak in een Lidstaat, die trouwens wordt geacht de lagere rechtscolleges te binden, zich ontwikkelt in strijd met het gemeenschapsrecht.
[26] H.v.J. 6 oktober 1982, CILFIT / Ministerie van Volksgezondheid, nr. 283/81, Jur. H.v.J., 1982, (3415) 3429-3430; Note for Guidance on References by National Courts for Preliminary Rulings, E.L.Rev., 1997, 55.
[27] H.v.J. 7 februari 1979, Frankrijk / Commissie, nr. 15 en 16/76, Jur. H.v.J., 1979, (321) 339.
[28] Ook een Lidstaat kan krachtens art. 227 EGV een beroep wegens niet-nakoming van het gemeenschapsrecht door een (noodzakelijkerwijze) andere Lidstaat instellen. Deze procedure is slechts een vermelding in de marge waard, aangezien er tot op heden slechts drie beroepen op grond van art. 227 EGV ingesteld zijn, waarvan één enkel tot een arrest heeft geleid (K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 142).
[29] H.v.J. 10 mei 1995, Commissie / Duitsland, nr. C-422/92, Jur. H.v.J., 1995, I, (1097) 1130-1131.
[30] H.v.J. 17 mei 1990, Sonito e.a. / Commissie, nr. C-87/89, Jur. H.v.J., 1990, I(1981), 2008-2009.
[31] Het stilzitten van de Commissie maakt geen schending van art. 226 EGV uit en kan bijgevolg niet als een fout kan aanzien worden die aanleiding zou geven tot een beroep tot schadevergoeding: H.v.J. 23 mei 1990, Asia Motor France / Commissie, nr. C-72/90, Jur. H.v.J., 1990, I, (2181) 2185.
[32] H.v.J. 1 maart 1966, Lütticke / Commissie, nr. 48/65, Jur. H.v.J., 1966, (27) 39.
[33] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 140.
[34] Ger. 19 februari 1997, Intertronic / Commissie, nr. T-117/96, Jur. H.v.J., 1997, II, (141) 152.
[35] Cfr. art. 88, lid 2 en art. 86, lid 3 EGV.
[36] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 126.
[37] Ibid., 139.
[38] Cfr. Beschikkingen 88/591, P.B., C 215/1, 1989; 93/350, P.B., L 144/21, 1993; 94/149, P.B., L 66/29, 1994.
[39] H.v.J. 31 maart 1971,Commissie/Raad, nr.22/70, Jur. H.v.J.,1971, (263) 277. De categorie van gemeenschaps-handelingen die op hun wettelijkheid kunnen getoetst worden krachtens art. 230 EGV is dus niet beperkt tot de in art. 249 EGV opgesomde bindende handelingen, maar houdt ook sui generis handelingen in, voor zover die bindend zijn of rechtsgevolgen doen ontstaan (P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 454).
[40] H.v.J. 11 november 1981, IBM / Commissie, nr. 60/81, Jur. H.v.J., 1981, (2639) 2651; Ger. 22 maart 2000, The Coca-Cola Company / Commissie, nr. T-125/97 en T-127/97, Jur. H.v.J., 2000, II, 1733.
[41] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 197.
[42] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 196.
[43] H.v.J. 23 april 1986, Les Verts / Europees Parlement, nr. 294/83, Jur. H.v.J., 1339.
[44] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 457.
[45] H.v.J. 26 maart 1987, Commissie / Raad, nr. 45/86, Jur.H.v.J., 1987, (1493) 1518.
[46] Art. 2-34 van het Verdrag van Nice heeft hierin verandering gebracht en het Europees Parlement dezelfde locus standi toegekend als deze van de Lidstaten, de Raad en de Commissie. Betreurenswaardig is het feit dat het Comité van de Regio’s door het Verdrag van Nice niet in de categorie van geprivilegieerde verzoekers is opgenomen.
[47] Het spreekt voor zich dat deze (natuurlijke of rechts-)persoon rechtspersoonlijkheid (volgens het toepasselijke nationale recht) moet bezitten om een beroep tot nietigverklaring te kunnen instellen, hoewel het HvJ aanvaardt dat entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring kunnen instellen, als ze gerechtigd en in staat zijn om in rechtsbetrekkingen als een verantwoordelijke eenheid op te treden (H.v.J. 8 oktober 1974, Union syndicale, Massa en Kortner / Raad, nr. 175/73, Jur. H.v.J., 1974, (917) 924-925.
[48] Conclusie van Advocaat-Generaal G.F. MANCINI bij H.v.J. 17 november 1987, BAT en Reynolds / Commissie, nr. 142 en 156/84, Jur. H.v.J., 1987, (4487) 4549: De verzoeker moet voordeel hebben bij de vernietiging van de bestreden gemeenschapshandeling; dit voordeel bestaat in het verdwijnen van de nadelige gevolgen van de bestreden gemeenschapshandeling op hun rechtspositie.
[49] H.v.J. 23 april 1986, Les Verts / Europees Parlement, nr. 294/83, Jur. H.v.J., 1986, (1339) 1367.
[50] Vb. H.v.J. 13 mei 1971, NV International Fruit Company, nr. C-41-44/70, Jur. H.v.J., 1971, (411) 422-423.
[51] Vb. H.v.J. 11 juli 1984, Gemeente Differdange / Commissie, nr. 222/83, Jur. H.v.J., 1984, 2889.
[52] H.v.J. 15 juli 1963, Plaumann & Co. / Commissie, nr. 25/62, Jur. H.v.J., 1963, (205) 232.
[53] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 225.
[54] H.v.J. 15 juli 1963, Plaumann & Co. / Commissie, nr. 26/62, Jur. H.v.J., 1963, (205) 232.
[55] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 462.
[56] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 463:‘The ‘possibility’ of locus standi for an applicant would be like a mirage in the desert, everreceding and never capable of being grasped.’; H.v.J. 10 december 1969, Società ‘Eridiana’ Zuccherifici Nazionali / Commissie, nr. 10 en 18/68, Jur. H.v.J., 1969, 459, conclusie van Advocaat-Generaal ROEMER .
[57] H.v.J. 21 mei 1987, Deutsche Lebensmittelwerke / Commissie, nr. 97/85, Jur. H.v.J., 1987, (2265) 2287.
[58] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 463; vgl. T. HARTLEY, The Foundations of European Community Law, Oxford, Oxford University Press, 1994 (3rd ed.), 366, 375-376:Hartley gaat er van uit dat in Plaumann niet aan het vereiste van het individueel geraakt zijn was voldaan, aangezien de verzoekende partij geen deel uitmaakte van een gesloten groep rechtsonderhorigen die geraakt zijn door de bestreden beschikking. Hij staat er echter niet bij stil dat de redenering in Plaumann het schier onmogelijk maakt dat er zo’n gesloten groep ontstaat.
[59] H.v.J. 14 juli 1983, Spijker / Commissie, nr. 231/82, Jur. H.v.J., 1983, 2559.
[60] H.v.J. 23 november 1971, Bock / Commissie, nr. 62/70, Jur. H.v.J., 1971, (897) 907.
[61] H.v.J. 1 juli 1965, Töpfer e.a. / Commissie, nr. 106 en 107/63, Jur. H.v.J., 1965, (507) 516-517.
[62] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 218. Sommige bepalingen uit gemeenschapshandelingen die inhoudelijk als verordeningen kunnen worden aangemerkt, kunnen echter op zich beschikkingen zijn waartegen voor particulieren een beroep tot nietigverklaring openstaat, voor zover deze bepalingen geen onlosmakelijk geheel vormen met de overige bepalingen van de verordening.
[63] H.v.J. 14 juli 1983, Spijker / Commissie, nr. 231/82, Jur. H.v.J., 1983, (2559) 2566.
[64] H.v.J. 5 mei 1977, Koninlijke Scholten Honig / Raad en Commissie, nr. 101/76, Jur. H.v.J., 1977, (797), 806.
[65] H.v.J. 17 juli 1959, Simet / Hoge Autoriteit, nr. 36-38 en 40-41/58, Jur. H.v.J., 1958-1959, (357) 379-380; zie ook H.v.J. 17 juni 1980, Calpak SpA en Società Emiliana Lavorazione Frutta SpA / Commissie, nr. 789 en 790/79, Jur. H.v.J., 1980, 1949.
[66] H.v.J. 11 juli 1968, Zuckerfabrik Watenstedt / Raad, nr. 6/68, Jur. H.v.J., 1968, (569) 579.
[67] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 468.
[68] H.v.J. 18 november 1975, CAM / Commissie, nr. 100/74, Jur. H.v.J., 1975, (1393) 1403.
[69] H.v.J. 13 mei 1971, International Fruit Company BV / Commissie, nr. 41-44/70, Jur. H.v.J., 1971, 411.
[70] H.v.J. 18 mei 1994, Codorniu / Raad, nr. C-309/89, Jur. H.v.J., 1994, I, (1853) 1861.
[71] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 469.
[72] Ger. 14 september 1995, Antillean Rice Mills NV / Commissie, nr. T-480 en 483/93, Jur. H.v.J., 1995, II, 2305.
[73] H.v.J. 23 november 1995, Asocarne / Raad, nr. C-10/95, Jur. H.v.J., 1995, I, (4149) 4163; H.v.J. 18 mei 1994, Codorniu / Raad, nr. C-309/89, Jur. H.v.J., 1994, I, 1853 (in casu schond de gemeenschapshandeling een handelsmerk).
[74] N. NEUWAHL, ‘Article 173, Paragraph 4 EC : Past, Present and Possible Future’, E.L.Rev., 1996, 28.
[75] Bijv. H.v.J. 29 oktober 1980, Roquette Frères / Raad, nr. 138/79, Jur. H.v.J., 1980, (3333) 3355-3356; H.v.J. 29 oktober 1980, Maizena / Raad, nr. 139/79, Jur. H.v.J, 1980, (3393) 3418-3419; H.v.J. 21 februari 1984, Allied Corporation / Commissie, nr. 239 en 275/82, Jur. H.v.J., 1984, (1005) 1027.
[76] Cfr. Respectievelijk Verordening nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 (P.B., 1996, L 56/1) (anti-dumping); art. 88, 3° lid EG (staatssteun); Verordening nr. 17/62 (P.B., 1962, 13/204) (mededinging).
[77] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 229.  Vb. H.v.J. 23 april 1986, Les Verts / Europees Parlement, nr. 294/93, Jur. H.v.J., 1986, 1339: wanneer de Europese Gemeenschap moet bevestigd worden als een gemeenschap die open staat voor alle partijen van het politieke spectrum.
[78] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 486:‘one Codorniu, does not an applicant’s summer make’. Uit de lezing van het Codorniu-arrest in H.v.J. 23 november 1995, Asocarne / Raad, nr. C-10/95 P, Jur. H.v.J., I, (4149) 4163 blijkt meteen dat het HvJ de feiten in Codorniu als een uitzonderlijke situatie beschouwt.
[79] ARNULL, A., The European Union and its Court of Justice, Oxford, Oxford University Press, 1999, 44-45.
[80] Bijv. Ger. 20 oktober 1994, Asocarne / Raad, nr. T-99/94, Jur. H.v.J., II, 871; Ger. 9 augustus 1995, Greenpeace / Commissie, nr. T-585/93, Jur. H.v.J., 1995, II, 2205; H.v.J. 15 februari 1996, Buralux e.a. / Raad, nr. C-209/94 P, Jur. H.v.J., 1996, I, 615.
[81] A. ARNULL, ‘Private Applicants and the Action for Annulment under Article 173 of the EC Treaty’, C.M.L. Rev. , 1995, 35.
[82] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 303.
[83] H.v.J. 7 december 1988, Flourez/Raad, nr. 138/88, Jur. H.v.J., 1988, (6393) 6397; H.v.J 29 juni 1993, Gibraltar/Raad, nr. C-298/89, Jur. H.v.J., 1993, I, (3605) 3653-3656; Ger. 20 oktober 1994, Asocarne/Raad, nr. T-99/94, Jur. H.v.J., 1994, II, (871) 879-881.
[84] H.v.J. 18 mei 1994, Codorniu / Raad, nr. C-309/89, Jur. H.v.J., 1994, I, (1853) 1861.
[85] Ger. 29 oktober 1993, GUNA / Raad, nr. T-463/93, Jur. H.v.J., 1993, II, (1206) 1210.
[86] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 220-221.
[87] Ger. 17 juni 1998, UEAPME / Raad, nr. T-135/96, Jur. H.v.J., 1998, II, 2335.
[88] Zo stelt het GEA enerzijds vast in Ger. 27 juni 2000, Salamander AG & Co. / Parlement en Raad, nr. T-172/98 en T-175/98 – T-177/98, Jur. H.v.J., 2000, II, 2478 dat art. 230, 4° lid EG ‘particulieren niet de bevoegdheid verleent om bij de gemeenschapsrechter een rechtstreeks beroep in te stellen tegen richtlijnen’ (§27.), en anderzijds dat ‘in bepaalde omstandigheden zelfs een normatieve handeling die op alle belanghebbende marktdeelnemers van toepassing is, enkelen van hen rechtstreeks en individueel kan raken’ (§30., zelfde arrest).
[89] P. NIHOUL, ‘La recevabilité des recours en annulation introduits par un particulier à l’encontre d’un acte communautaire de portée générale’, R.T.D.E., 1994, 174-175.
[90] M.a.w. de verzoeker moet aantonen dat er volgens het gemeenschapsrecht een verplichting was te besluiten.
[91] Cfr. Beschikkingen 88/591, P.B., C 215/1, 1989; 93/350, P.B., L 144/21, 1993; 94/149, P.B., L 66/29, 1994.
[92] Het beroep wegens nalaten te besluiten is slechts ontvankelijk indien de betrokken gemeenschapsinstelling vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling twee maanden na die uitnodiging haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep ingesteld worden binnen een termijn van twee maanden (art. 230, 2° lid EGV).
[93] Conclusie van Advocaat-Generaal C.O. LENZ bij H.v.J. 22 mei 1985, Europees Parlement / Raad, nr. 13/83, Jur. H.v.J., 1985, (1513) 1519.
[94] Adviezen of aanbevelingen vallen hier niet onder: art. 232, 3° lid, in fine EG.
[95] H.v.J. 18 november 1970, Chevalley / Commissie, nr. 15/70, Jur. H.v.J., 1970, (975) 979.
[96] H.v.J. , 16 februari 1993, ENU / Commissie, nr. C-107/91, Jur. H.v.J., 1993, I, 599; A.G. TOTH, ‘The Law as it Stands on the Appeal for Failure to Act’, L.I.E.I., 1975/2, 85-86.
[97] Het begrip ‘nationale overheid’ moet uiteraard ruim worden uitgelegd. Het zijn immers al de bevoegde nationale overheidsorganen die verplicht zijn samen te werken teneinde de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren (cfr. art. 10 EGV).
[98] P. CRAIG, ‘Legality, Standing and Substantive Review in Community Law’, O.J.L.S., 1994, 528-529.
[99] Het HvJ beschouwt door de Gemeenschap gesloten internationale Verdragen als handelingen van de gemeenschapsinstellingen wat haar prejudiciële uitleggingsbevoegdheid betreft (H.v.J. 30 april 1974, Haegeman / België, nr. 181/73, Jur. H.v.J., 1974, (449) 460), en art. 234,, 1° lid, b EG maakt geen onderscheid tussen een prejudiciële beslissing over de geldigheid of de uitlegging van de handelingen van de gemeenschapsinstellingen.
[100] H.v.J. 3 februari 1976, Openbaar Ministerie / Manghera, nr. 59/75, Jur. H.v.J., 1976, (91) 102.
[101] H.v.J. 13 december 1989, Grimaldi / Fonds voor Beroepsziekten, nr. C-322/88, Jur. H.v.J., 1989 (4407) 4419.
[102] Bv. H.v.J. 27 september 1983, Universität Hamburg / Hauptzollamt Hamburg-Kehrwieder, nr. 216/82, Jur. H.v.J., 1983, 2771.
[103] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 307.
[104]Cfr. H.v.J. 15 juli 1963, Plaumann & Co. / Commissie, nr. 25/62, Jur. H.v.J., 1963, (205) 231.
[105] P. CRAIG, ‘Once upon a Time in the West: Direct Effect and the Federalization of EEC Law’, O.J.L.S., 1992, 453.
[106] K. LENAERTS, ‘The legal protection of private parties under the EC Treaty: a coherent and complete system of judicial review ?’ in Scritti in onore di Giuseppe Frederico Mancini,Milan, Dott. A.Giuffrè Editore,1998, II,595.
[107] H.v.J. 30 januari 1997 , Wiljo, nr. C-178/95, Jur. H.v.J., 1997, I, 585.
[108] H.v.J. 9 maart 1994, TWD Deggendorf, nr. C-188/92, Jur. H.v.J., 1994, I, 833.
[109] K. LENAERTS, op.cit., 596.
[110] K. LENAERTS, op.cit., 597 .
[111] Ger. 18 september 1992, Asia Motor France e.a. / Commissie, nr. T-28/90, Jur. H.v.J., II, 2285.
[112] K. LENAERTS, op.cit., 601.
[113] H.v.J. 1 maart 1966, Lütticke / Commissie, nr. 48/65, Jur. H.v.J., 1966, (27) 39-41.
[114] Conclusie van Advocaat-Generaal DARMON bij H.v.J. 3 december 1992, Oleificio Borelli / Commissie, nr. C-97/91, Jur. H.v.J., 1992, I, 6313.
[115] H.v.J. 26 november 1996, T. Port, nr. C-68/95, Jur. H.v.J., 1996, I, 6065.
[116] K. LENAERTS, ‘Respect for fundamental rights as a constitutional principle of the European Union’, Col.J.E.L., 2000, 18.
[117] Cfr. H.v.J. 11 juni 1987, Strafzaak / X, nr. 14/86, Jur. H.v.J., 1987, 2545.
[118] W. VAN GERVEN, ‘The Role and the Structure of the European Judiciary Now and in the Future’, in J.A. WINTER, D. CURTIN, A. KELLERMAN and B. DE WITTE (eds.) Reforming the Treaty on European Union – The Legal Debate, The Hague, Boston, London, Kluwer Law International, 1996, 223.
[119] C. HARDING, ‘The Private Interest in Challenging Community Action’, E.L.Rev., 1980, 355.
[120] H.v.J. 5 februari 1963, Van Gend & Loos, nr. 26/62, Jur. H.v.J., 1963, (1) 23.
[121] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 483.
[122] De termijn van de rechtszaak echter kan wel zeer lang duren.
[123] A. ARNULL, The European Union and its Court of Justice, Oxford, Oxford University Press, 1999, 63.
[124] H.v.J. 21 december 1962, Plaumann & Co. / Commissie, nr. 25/62, Jur. H.v.J., 1963, (95) 107.
[125] E. STEIN and G.J. VINNING, ‘Citizen Access to Judicial Review of Administrative Action in a Transnational and Federal Context’, A.J.I.L., 1976, 222.
[126] H.v.J. 5 februari 1963, Van Gend & Loos, nr. 26/62, Jur. H.v.J., 1963, (1) 12.
[127] T. HARTLEY, op.cit., 383.
[128] Een voorbeeld dat zich niet in gemeenschappelijk landbouwbeleid bevindt, maar waar de Commissie ook moeilijke en soms complexe beleidskeuzes dient te maken: Ger. 28 oktober 1993, Zunis Holding e.a. Commissie, nr. T-83/92, Jur. H.v.J., 1993, II, 1169.
[129] P. CRAIG AND G. DE BÚRCA, op.cit., 483-484.
[130] M. BOES, Administratief recht, Leuven, Acco, 1998-1999, 226. In het Belgisch interne recht (zoals in de meeste Lidstaten) zal de rechter in principe ook niet bereid gevonden worden zich over het beleid en over de opportuniteit van een beslissing uit te spreken.
[131] Dit omvat ook de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht die de gemeenschapsinstellingen in acht dienen te nemen, zoals het proportionaliteitsbeginsel (vb. H.v.J. 13 december 1979, Hauer / Land Rheinland-Pfalz, nr. 44/79, Jur. H.v.J., 1979, 3727), rechtszekerheid en gewekte verwachtingen (vb. H.v.J. 28 april 1988, Mulder / Ministerie van Landbouw en Visserij, nr. 120/86, Jur. H.v.J., 1988, 2321). Deze beginselen zijn te vergelijken met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het interne (administratief) recht in Nederland en België (M. BOES, op.cit., 47-65).
[132] Cfr. H.v.J. 21 februari 1984, Allied Coroporation / Commissie, nr. 239 en 275/82, Jur. H.v.J., 1984, 1005.
[133] Ger. 9 augustus 1995, Greenpeace / Commissie, nr. T-585/93, Jur. H.v.J., 1995, II, 2205.
[134] H.v.J. 2 april 1998, Greenpeace Council e.a. / Commissie, nr. C-321/95, Jur. H.v.J., 1998, I, 1651.
[135] K. LENAERTS, op.cit., 608.
[136] H.v.J. 22 oktober 1987, Foto-Frost / Hauptzollamt Lübeck-Ost, nr. 314/85, Jur. H.v.J., 1987, 4199.
[137] A. ARNULL, op.cit., 61.
[138] Ibid., 64. Cfr. ook conclusie van Advocaat-Generaal F.G JACOBS bij H.v.J. 16 mei 1991, Extramet / Raad, nr. C-358/89, Jur. H.v.J., 1991, I, (2501) 2524-5.
[139] Ger. 27 juni 2000, Salamander AG & Co. / Parlement en Raad, nr. T-172/98 en T-175/98 – T-177/98, Jur. H.v.J., 2000, II, 2478, §§72-80. Men zou kunnen stellen dat het GEA impliciet de argumenten van de verzoekers bevestigd heeft, maar dat een eventuele versoepeling van de ontvankelijkheidsvoorwaarden in een beroep tot nietigverklaring de taak is van de primaire communautaire wetgever.
[140] P. ALSTON and J. WEILER, ‘The European Union and Human Rights: Final Project Report on an Agenda for the Year 2000’, in Leading by Example: A Human Rights Agenda for the European Union for the Year 2000 , Florence, European University Institute, 1998, 87-88
[141] P. CRAIG and G. DE BÚRCA, op.cit., 488-489.
[142] H.v.J. 16 juli 1981, Albini / Raad en Commissie, nr. 33/80, Jur. H.v.J., 1981, (2141) 2157.
[143] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 291. H.v.J. 6 maart 1978, Simmenthal / Commissie, nr. 92/78, Jur. H.v.J., 1979, (777) 800. Hier schuilt weer de idee van ‘communicerende vaten’ tussen de verschillende procedures.
[144] H.v.J. 12 oktober 1978, Commissie / België, nr. 156/77, Jur. H.v.J., 1978, (1881) 1896.
[145] H.v.J. 10 juli 1985, CMC / Commissie, nr. 118/83, Jur. H.v.J., 1985, (2325) 2346.
[146] H.v.J. 15 juli 1962, Plaumann & Co. / Commissie, nr. 25/62, Jur. H.v.J., 1963, (205) 233. In het kader van het beroep tot nietigverklaring moeten de vaststelling van een onwettig nalaten te besluiten of de prejudiciële ongeldigverklaring van een gemeenschapshandeling gelijkgesteld worden met de nietigverklaring (K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 321).
[147] H.v.J. 28 april 1971, Lütticke / Commissie, nr. 4/69, Jur. H.v.J., 1971, (325) 337.
[148] Conclusie van Advocaat-Generaal F. CAPOTORTI bij H.v.J. 14 februari 1978, IFG / Commissie, nr. 66/77, Jur. H.v.J., 1978, (353) 375.
[149] Conclusie van Advocaat-Generaal A. DUTHEILLET DE LAMOTHE bij H.v.J. 13 juni 1972, Cie d’approvisionnement / Commissie, nr. 9 en 11/71, Jur. H.v.J., 1972, (391) 413.
[150]Cfr . Ger. 27 juni 2000, Salamander AG & Co. / Parlement en Raad, nr. T-172/98 en T-175/98 – T-177/98, Jur. H.v.J., 2000, II, 2478, §77.
[151] K. LENAERTS en D. ARTS, op.cit., 322.
[152] I.e. geschillenprocedures waarvan de uitkomst rechtstreeks bepalend is voor rechten en verplichtingen van hoofdzakelijk privaatrechtelijke aard.
[153] Strafzaken in het EVRM is een autonome notie en omvat alle repressieve en preventieve rechtssancties, m.i.v. tucht- en administratieve sancties en vervolgingen.
[154] Hof Mensenrechten, arrest Golder / Verenigd Koninkrijk van 21 februari 1975, Publ. Eur. Court H.R. , Serie A, nr. 18, p. 18.
[155] Hof Mensenrechten, arrest Airey / Ierland van 9 oktober 1979, Publ. Eur. Court H.R. , Serie A, nr. 32.
[156]Ibid.
[157] J.C. SOYER et M. DE SALVIA, ‘Article 6’, in L.E. PETTITI, E. DECAUX et Ph. IMBERT (ed.), La Convention européenne des droits de l’homme. Commentaire article par article, Paris, Economica, 1995, 258.
[158] Met gemeenschap wordt hier niet de Europese Gemeenschap bedoeld.
[159] Hof Mensenrechten, arrest Lithgow e.a. van 8 juli 1986, Publ. Eur. Court H.R. , Serie A, nr. 102, p. 71.
[160]Ibid.
[161] Rapport van de Commissie van 8 oktober 1980 bij Sporrong en Lönnroth / Zweden, B nr. 46, §158: « Le but de l’article 13 ne peut être atteint que s’il existe ‘une instance [nationale]’ compétente, à un titre quelconque, pour corriger les violations découlant des décisions administratives de tous les niveaux ».
[162] Dit kan natuurlijk wel voor delicate vragen op grondwettelijk vlak zorgen. Opdat art. 13 EVRM ten volle zou kunnen spelen tegen de wetgevende macht, zou dit artikel in de interne rechtsorde moeten ingecorporeerd worden, zou het in die interne rechtsorde een hogere rechtsnorm moeten zijn dan de aangevochten wetten en zou er een controlesysteem voorhanden moeten zijn dat wetten op hun overeenstemming met het EVRM toetst, of ten minste met de Grondwet die ongeveer dezelfde rechten en verplichtingen zou toekennen als degene die gewaarborgd zijn door het EVRM. Het is weinig waarschijnlijk dat de opstellers van het EVRM zo’n betekenis aan het art. 13 EVRM hebben willen geven (A. DRZEMCZEWSKI et C. GIAKOUMOPOULOS, ‘Article 13’, in L.E. PETTITI, E. DECAUX et Ph. IMBERT (ed.), La Convention européenne des droits de l’homme. Commentaire article par article, Paris, Economica, 1995, 461).
[163] A. DRZEMCZEWSKI et C. GIAKOUMOPOULOS, op.cit., 462.
[164] B.H. TER KUILE, ‘Het verband tussen art. 177 EG, aalschovers en pursers’, N.J.B., 1993, 1136-1141, noot 2.
[165] A. ARNULL, ‘Private Applicants and the Action for Annulment since Codorniu’, C.M.L.Rev., 2001, 51. Het is inderdaad hoogst onwaarschijnlijk dat alle onontvankelijk verklaarde beroepen tot nietigverklaring, die naar nationale rechter doorverwezen worden hun weg terug zullen vinden via prejudiciële weg naar de gemeenschapsrechter sensu stricto.
[166] A. ARNULL, The European Union and its Court of Justice, Oxford, Oxford University Press, 1999, 48.
[167] P. NIHOUL, op.cit., 189
[168] Hof Mensenrechten, arrest Pafitis / Griekenland van 26 februari 1998, Publ. Eur. Court H.R. , Application n° 20323/92.
[169] H. SCHERMERS, noot onder arrest Matthews / Verenigd Koninkrijk van 18 februari 1999 van het E.H.R.M., C.M.L.Rev., 1999, 675.
[170] H.v.J. 12 november 1969, Stauder / Ulm, nr. 29/69, Jur. H.v.J., (419) 425.
[171] H.v.J. 5 oktober 1994, X. / Commissie, nr. C-404/92 P, Jur. H.v.J., 1994, I, (4737) 4789-4792.
[172] A. ARNULL, op.cit., 44-45. Deze zaak heeft een discussie teweeggebracht binnen het HvJ zelf: het HvJ heeft er lange tijd over gedaan vooraleer het (met een nipte meerderheid rechters) tot dit verwarrend arrest kwam.
[173] Cfr. H.v.J. 15 mei 1986, Johnston / Chief Constable of the Royal Ulster Constabulary, nr. 222/84, Jur. H.v.J., 1986, 1651; H.v.J. 15 oktober 1987, Unectef / Heylens , nr. 222/86, Jur. H.v.J. , 1987, 4097; H.v.J. 3 december 1992, Oleificio Borelli / Commissie, nr. C-97/91, Jur. H.v.J., 1992, I, 6313.
[174] Cfr. Ger. 22 oktober 1997, SCK en FNK / Commissie, nr. T-213/95 en T-18/96, Jur. H.v.J., 1997, II, 1739.
[175] Artikel 47:‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, …’
[176] H.v.J. 17 december 1998 , Baustahlgewebe / Commissie, nr. C-185/95, Jur. H.v.J., 1998, I, 8417.
[177] Tegen een arrest van het GEA kan men immers een beroep, beperkt tot rechtsvragen, aantekenen bij het HvJ (art. 225 EGV, art. 51 Statuut Hof van Justitie), ongeacht de aard van de beslissing van het GEA waartegen zij wordt ingeleid (H.v.J. 11 juli 1996, Goldstein / Commissie, nr. C-148/96 P (R), Jur. H.v.J., 1996, I,(3883) 3897).
[178] K. LENAERTS, op.cit., 17.
[179] Ibid.
[180] H.v.J. 28 maart 1996, Toetreding van de Gemeenschap tot het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, advies 2/94, Jur. H.v.J., 1996, I, 1759. Het hoofdargument van het HvJ was dat de Europese Gemeenschap niet over de bevoegdheid beschikt om algemene regelgeving vast te stellen inzake mensenrechten, of om terzake internationale verdragen te sluiten (art.3 EGV). MATHIEU ziet er echter een vrees in van het HvJ om haar soevereiniteit kwijt te spelen (S. MATHIEU, ‘L’adhésion de la Communauté à la Convention européenne des droits de l’homme : un problème de compétence ou un problème de soumission ?’, Rev. de Marché Commun et de l’Union européenne, 1998, 31).
[181] E.C.R.M., arrest CFDT / Europese Gemeenschappen van 10 juli 1978, D.R., nr. 13, 231.
[182] P. PESCATORE, ‘La Cour de justice des Communautés européennes et la Convention européenne des Droits de l’homme’, in F. MATSCHER and H. PETZOLD (eds.), Protecting Human Rights :The European Dimension (Essays in Honour of G.J. WIARDA), 1988, 450.
[183] H.v.J. 12 december 1972, International Fruit Company / Productschap voor Groenten en Fruit, nr. 21-24/72, Jur. H.v.J., 1972, (1219) 1228.
[184] LAWSON, R.A., Het EVRM en de Europese Gemeenschappen:Bouwstenen voor een aansprakelijkheids-regime voor het optreden van internationale organisaties, Deventer, Kluwer, 1999, 99-100.
[185]Ibid. , 68-73.
[186]Ibid. , 80-84.
[187]Ibid. , 167.
[188] Hof Mensenrechten, arrest Loizidou / Turkije van 23 maart 1995, Publ. Eur. Court H.R. , Serie A, nr. 310.
[189] LAWSON, R.A., op.cit., 175-177.
[190] Ibid., 57.
[191] E.C.R.M., arrest M & Co. / Duitsland van 9 februari 1990, D.R., nr. 64, 138.
[192] T. BARKHUYSEN, Artikel 13 EVRM: effectieve nationale rechtsbescherming bij schending van mensenrechten, Lelystad, Koninklijke Vermande, 1998, 105-106.
[193] Art. 3 van het 1° Aanvullend Protocol bij het EVRM stipuleert dat de verdragsluitende partijen zich verbinden ‘om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder de voorwaarden welke de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen’.
[194] K. LENAERTS, op.cit., 15-16.
[195] I. CANOR, ‘Primus inter pares. Who is the ultimate guardian of fundamental rights in Europe ?’, E.L.Rev., 2000, 12.
[196] Een techniek die het EHRM in Matthews / Verenigd Koninkrijk zelf heeft toegepast door het Europees Parlement, een instantie die nog niet bestond bij het sluiten van het EVRM, aan te merken als ‘wetgevende macht’ in de zin van art. 3 van het 1° Aanvullend Protocol bij het EVRM.
[197]Ibid.
[198] T. HARTLEY, op.cit., 368.
[199] N. NEUWAHL, op.cit., 22.
[200] ‘Proceedings of the Court of Justice and Court of First Instance of the European Communities’, nr. 15/95 (22-26 mei 1995).
[201] P. ALSTON and J. WEILER, op.cit., 87-89. Cfr. W. VAN GERVEN, op.cit., 224.
[202]Ibid. , 48-49.
[203]Ibid. , 49.
[204] J. SCHWARZE, European Administrative Law, London, Sweet & Maxwell, 1992, 4.
[205] A. ARNULL, ‘Private Applicants and the Action for Annulment under Article 173 of the EC Treaty’, C.M.L.Rev., 1995, 9.
[206]Ibid. , 9. Cfr. ook C. HARLOW, ‘Access to Justice as a Human Right : The European Convention and the European Union’, in P. ALSTON (ed.), The EU and Human Rights, Oxford, Oxford University Press, 1999, 193.
[207] Cfr. artikel 14 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (B.S., 21 maart 1973): Dit zijn de ‘akten en reglementen van de onderscheidene administratieve overheden’, i.e. alle administratieve rechtshandelingen, zowel met een algemene draagwijdte als met een individueel karakter; en de ‘administratieve beslissingen in betwiste zaken’, i.e. de jurisdictionele uitspraken van de administratieve rechtscolleges.
[208] M. BOES, op.cit., 260. Cfr. R. DE CORTE, ‘Hoe autonoom is het procesrecht ?’, T.P.R., 1980, 22: ‘Belang is ieder materieel voordeel dat door de persoon die de vordering instelt mag verwacht worden en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd zou kunnen worden’.
[209] N. NEUWAHL, op.cit., 29.
[210]Ibid. , 30.
[211] A. ARNULL, op.cit. 49.
[212] A. ARNULL, ‘Private Applicants and the Action for Annulment since Codorniu’, C.M.L.Rev., 2001, 52.