jura falconis, jg 38, 2001-2002, nr 1, p. 89-118
Website development en eerlijke handelspraktijken
Jan-Diederik Lindemans
Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. dr. Herman Cousy
1. Voorwoord
1.1. Algemeen
Hoofdstuk VII van
de Wet op de Handelspraktijken en de bescherming van de Consument
(hierna: W.H.P.C.) is getiteld: "Praktijken strijdig met de eerlijke
gebruiken". Hierover bestaat in België een gevestigde rechtspraak en
rechtsleer met betrekking tot wat men zou kunnen omschrijven als de ‘klassieke’
handel.
Wanneer men echter
een ‘modern’ medium zoals het Internet als middel om handel te drijven gaat
aanwenden, kan men twijfelen aan de transponeerbaarheid van bestaande
regelgeving. Deze onzekerheid is hoofdzakelijk te wijten aan de specifieke
kenmerken van het Internet.
Toen Internet nog hoofdzakelijk voor
academische doeleinden gebruikt werd, was men ervan overtuigd dat er geen recht
op van toepassing was. Cyberspace was een ruimte zonder nationale grenzen en
opereerde bijgevolg in een juridisch vacuüm, genormeerd door zelfregulering. De
Internet-gebruiker werd geacht zich te houden aan de gedragscode die hij
stilzwijgend onderschreef door in te loggen op het World Wide Web
(hierna : WWW).
Snel echter bleek
deze opvatting niet langer houdbaar en drong de nood aan overheidsoptreden
(onder de vorm van regulering) zich op.
De explosieve groei
van het WWW heeft een enorme invloed gehad op de (wereld)handel.
Website s worden steeds minder gebruikt als louter gedigitaliseerde folders van
bedrijven.
Maar zelfs deze ‘primitieve’ vorm van e-commerce leidt reeds tot tal van
juridische problemen. Zowel e-commerce gebruikers als juristen, worden
geconfronteerd met nooit gestelde vragen over cybersquatten, domain name
grabbing, metatagging, hyperlinking,…
Dit seminariewerk werd geschreven met deze brede doelgroep in het achterhoofd.
1.2. Geselecteerde onderwerpen.
In het kader van
dit seminariewerk werden twee onderwerpen geselecteerd: de linking-problematiek
sensu lato en het gebruik van metatags. Niet alleen omdat ze vaak (samen)
behandeld worden en er dus veel meningen te verwerken (en eventueel tegen
mekaar uit te spelen) zijn. Er werden immers even frequent teksten gevonden
over domeinnamen, contracteren en betalen via het Internet, etc. Maar deze
onderwerpen werden reeds door andere studenten van de seminariegroep E-Commerce
behandeld. Het kwam er dus in de eerste plaats op aan de materie duidelijk af
te bakenen en dan de inhoud ervan te analyseren.
Hoewel in deel I
een uitgebreide uitleg volgt, kan het nuttig zijn beide onderwerpen nu al kort
(i.e. begripsmatig) uit te leggen.
Linking sensu lato
betreft het gebruik van een in computertaal geprogrammeerde verbinding tussen
twee webpagina's. Het kan dan gaan over links sensu stricto, de werkelijke
‘hyperlink’ of IMG links. Als tweede onderwerp werd gekozen voor het gebruik
van metatags. Een metatag is “… een digitaal naamkaartje …, waarop een
willekeurige naam kan worden geschreven en dat, wanneer het aan een website
wordt gehangen, ervoor zorgt dat de betreffende website als één van de eerste naar
boven komt wanneer dat woord als een zoekopdracht in een zoekmachine wordt
ingegeven”.
Stellen dat linking
de ‘raison d’être’ is van het WWW is misschien wat overdreven. Echter, zonder
het wijdverspreide gebruik ervan zou het Internet zoals we het vandaag kennen
niet bestaan. Verschillende geconsulteerde auteurs zijn het erover eens :de bereikbaarheid van website s, de efficiëntie en snelheid van opzoekingswerk,
kortom de hanteerbaarheid van het Internet worden enorm verhoogd door het
gebruik van links.
In principe levert
dit geen problemen op voor de eigenaars van website s. De mensen die het WWW
ontwikkelden hoopten dat na een paar jaar een belangrijk deel van de menselijke
kennis zich op het Web zou bevinden en dat deze kennismassa doorkruist zou worden
door links. Vandaar ook de naam “web”. Wanneer men de informatie die men zoekt
niet zou vinden op een eerste pagina, zouden de nodige links de
Internet-gebruiker verder helpen bij zijn zoektocht naar een antwoord.
Dergelijk “kennisweb” kan slechts tot stand komen als mensen niet geremd worden
in het invoegen van alle mogelijke links. Resoluut weigeren dat er links worden
gemaakt naar een site druist in tegen de beginselen van het WWW.
Bovendien, hoe meer
er gelinkt wordt naar iemands website , hoe meer ‘hits’ dit met zich meebrengt.
Het aantal hits is niet alleen van belang voor de naambekendheid van de
commerciële site -eigenaar (doordacht linken maakt het mogelijk klanten
informatie te bezorgen over alle diensten en producten die op de site worden aangeboden),
maar ook voor de reclame-inkomsten uit advertenties die zich op de meerderheid
van deze website s bevinden.
In werkelijkheid is
het echter allemaal niet zo eenvoudig als zonet werd voorgesteld. Zoals hierna
zal blijken, ontstaan er heel wat juridische problemen wanneer links (al dan
niet bewust) verkeerd gebruikt worden.
Een volgende luik, het gebruik (eerder misbruik) van
metatags, is een totaal ander probleem. Men mag deze niet verwarren met
domeinnamen. De lezer dient te beseffen dat, hoewel beide vaak samen behandeld
worden, de metatag-problematiek volledig verschilt van deze van de domeinnamen.
Wat een metatag is werd reeds in randnummer 3
uiteengezet. Een domeinnaam daarentegen is de identificatie van een
Internet-locatie. Domeinnamen bestaan uit tenminste 2 delen. Het linkerdeel
(‘second level domain name’) is de naam van een bedrijf, instituut of andere
organisatie. Het rechterdeel identificeert het hoogste subdomein (‘top level
domain name’). Dat kan een land (‘country code’) zijn, zoals be voor België, fr
voor Frankrijk, of het type organisatie (‘generic code’): com voor commercieel;
edu voor educatief, enz.
Hoe moet deze vrij
technische materie in verband gebracht worden met “eerlijke handelspraktijken”?
De eenvoud waarmee de inhoud van het Internet kan verspreid worden, betekent
dat onvoorzichtig gebruik van bepaalde computer- en/of Internet-technieken
resulteren in schendingen van artikel 93 e.v. W.H.P.C. Hoe dit kan gebeuren zal
hieronder worden uitgelegd.
In het eerste deel
volgt een technische uiteenzetting van de problematiek. Vervolgens komen de
specifieke juridische problemen aan bod, waarna in het laatste deel mogelijke
oplossingen zullen worden besproken.
2. Technische situering
1.1. (Hyper)links
1.1.1. Soorten links
a. HREF.
De Hypertext
REFerence link geeft het commando aan de computer om niet langer het huidig
bestand te lezen, maar wel een bestand dat zich op een andere locatie (URL
genaamd) bevindt. Deze locatie kan zich op dezelfde pagina of binnen dezelfde
site bevinden, maar ook op een andere website . Op een website kunnen zich
tientallen HREF links bevinden en tientallen anderen kunnen op hun beurt linken
naar deze site .
Hoewel ze allen
bovengenoemde basisfunctie gemeen hebben, kunnen HREF links verschillende verschijningsvormen
aannemen.
De meest gebruikte
vorm is echter ‘hypertext’. Deze links zien eruit als oplichtende,
onderstreepte tekst en verwijzen door naar een nieuwe locatie.
Men kan echter ook
werken met afbeeldingen die, wanneer ze aangeklikt worden, doorverwijzen naar
een andere locatie. Een eenvoudig voorbeeld. Stel dat ik een handelaar in
espresso-koffiemachines ben en een interactieve website wil lanceren op het
WWW, waar mijn klanten alle mogelijke informatie kunnen vinden, bestellingen
plaatsen, klachten melden,…
Omdat zelf een bestand samenstellen met alle technische gegevens en
afbeeldingen van de toestellen te tijdrovend zou zijn, maak ik een link met de
relevante pagina op de website s van de merken die ik verdeel. De bezoeker van
mijn site kan deze activeren door op het logo van het merk dat hem interesseert
te klikken.
b. IMG.
De IMaGe link geeft
de computer de opdracht om een tekst die zich op de geopende pagina bevindt, te
verfraaien met een afbeelding die zich in een apart beeldbestand, op een
afzonderlijke locatie bevindt.Terug
het espresso-voorbeeld aanhalend. Ik heb een bepaald toestel in promotie. Naast
mijn voorwaarden, laad ik een IMG-link met de afbeelding van het toestel
komende van de website van de fabrikant.
Deze ‘inlining’-techniek
is de meest problematische. De integratie van tekst en beeld verloopt naadloos,
ondanks het feit dat het om twee verschillende bestanden gaat. Hier ontstaat er
dus kans op verwarring omtrent de auteur van de afgebeelde informatie. Het is
mogelijk dat de 'gelinkte' website -eigenaar niet geassocieerd wil worden met de'linkende' website -eigenaar.
Bovendien is het mogelijk dat de afbeelding auteursrechtelijk beschermd is. In
deel II worden dezeproblemen nader
bekeken.
1.1.2. Modaliteiten
a. Surface link
Deze ‘eenvoudige’ link brengt een verbinding tot stand met de homepage van een
andere website . De homepage is het visite kaartje van de site -eigenaar. Hier bevindt zich belangrijke informatie
over (en links naar) wat er op de website te vinden is. Bij commerciële
website s zijn hier de meeste (en duurste) advertentieplaatsen en het
telmechanisme voor het aantal hits te vinden. Deze modaliteit van
linken stelt het minste problemen. Alle ‘gelinkte bezoekers’ van de site worden
geregistreerd en de eigenaar van de gelinkte site is zeker van zijn
advertentieopbrengsten.
b. Deep link
Dit soort links
brengt een verbinding tot stand met een door de eigenaar van de oorspronkelijke
site interessant gevonden pagina, die echter niet de homepage van de geviseerde
site is. De eigenaar van de site waarnaar ge-deep-linkt wordt loopt mogelijk
heel wat inkomsten uit reclame mis.
c. Framing
Deze techniek laat
toe op het computerscherm meerdere webpagina’s tezelfdertijd af te beelden. De
gelinkte website verschijnt bijvoorbeeld in een kader gevormd door de
oorspronkelijke website . Deze laatste verdwijnt dus niet helemaal uit beeld,
maar zal vaak de advertenties die er zich op bevinden blijven tonen.
Een bijkomend
probleem, naast het verlies van reclame-inkomsten door de eigenaar van de
gelinkte site , is dat de URL van de oorspronkelijke site afgebeeld blijft,
hoewel de surfer zich op een andere pagina bevindt. Nog meer dan bij IMG links
ontstaat hier kans op verwarring.
d. Framed deep link
Dit is een
combinatie van de twee voorgaande modaliteiten.
1.2. Metatags
Er zijn
verschillende manieren om toegang te krijgen tot een bepaalde website . Als de
Internet gebruiker het adres (de URL) van de website kent kan hij het invoeren
in het ‘web browser adress window’. Hij kan, zoals hierboven besproken, door
links naar een nieuwe locatie worden geloodst. Tenslotte kan hij ook één of
meerdere zoektermen in voeren in daartoe ontwikkelde ‘search engines’ zoals
Yahoo, Alta Vista, FindLaw,…
Elk van deze
‘zoekmotoren’ bevat programma’s die ‘spiders’ of ‘crawlers’ worden genoemd en
die website adressen verzamelen. Hierna rangschikken ze de website s door de
inhoud, de titels en de adressen te scannen, om tenslotte een verband te leggen
tussen de door de Internet-gebruiker ingegeven zoekopdracht en het
scanresultaat. De search engine geeft het resultaat weer op een webpagina,
voorzien van de nodige hyperlinks naar de overeenkomstige adressen.
Voor het te bekomen
scanresultaat gebruiken de search engines, naast inhoud, titels en adressen van
website s, ook metatags. Dit zijn woorden die verborgen zijn in de HTML code van
de website en niet zichtbaar zijn in de www-versie van de site . Website
ontwikkelaars gebruiken in de eerste plaats de woorden uit de titel van de
website en het webadres, maar ook woorden waarmee de website geassocieerd
wordt. Bijvoorbeeld voor www.nokia.be zijn de metatags:
<META
NAME="keywords" CONTENT="nokia, Nokia, NOKIA, mobile phones,
cellular, telecommunications, wireless networks, fixed networks, datacom, GSM,
multimedia terminals, monitors, handsets, customer services, press releases,
financial information, student exchange, open positions, employment
opportunities, career opportunities with Nokia">
De keuze van deze
woorden is belangrijk. Wanneer zij goed gekozen zijn kunnen Internet-gebruikers
makkelijk de site terugvinden als ze ernaar op zoek zijn. Zij kunnen ook
‘strategisch’ gebruikt worden, vooral in commerciële site s. Men kan woorden,
bijvoorbeeld concurrente merken, opnemen, zodat search engines de site gaan
associëren met de site s van concurrenten. Hoewel het misleiden van search
engines een groot tactisch commercieel voordeel biedt, botst men onvermijdelijk
op problemen van schending van intellectuele eigendom, concurrentievervalsing,…
Deze zullen hieronder verder worden uitgediept.
3. Juridische aspecten
Zoals reeds gesteld
in de inleiding, kan men het in de ‘reële wereld’ bestaande recht niet
onveranderd transponeren naar de Internet wereld. Met de nodige juridische
creativiteit kan men echter nog steeds een beroep doen op de bestaande
regelgeving: “… De bescherming moet worden ingepast in een
huidig wettelijk kader dat er niet voor was geschapen. Dat is echter de kunst
[…]: op basis van geijkte concepten nieuwe ontwikkelingen in een kader plaatsen
en zo een rechtvaardige beslissing bereiken.”
3.1. (Hyper)links
Wanneer we
teruggrijpen naar de link op de espresso-website , dan moeten we vaststellen dat
heel wat elementen ervan juridisch niet zo vanzelfsprekend zijn. Los van het
feit dat alle afbeeldingen en technische gegevens van de modellen, via links in
mijn website binnengehaald, beschouwd kunnen worden als een database,
is het mogelijk dat sommige elementen beschermd zijn. Mag ik die afbeelding dan
vrij downloaden, eventueel bewerken en dan gebruiken op mijn website ?
STROWEL bespreekt
deze problematiek door enerzijds gebruik te maken van de vrijheid van
meningsuiting en de begrenzing ervan door rechten van derden en anderzijds te
opperen dat er een soort van impliciete toestemming bestaat om te linken.
Na een kritische
bespreking van beide bovenstaande argumenten, wordt het linking-probleem
hieronder getoetst aan de bestaande regeling inzake Handelspraktijken zowel als
aan het Auteursrecht en het Merkenrecht. Beide materies leunen in deze context
nauw bij mekaar aan.
3.1.1. De vrijheid van meningsuiting
Hoewel slechts heel
bondig, merkt STROWELL terecht op dat zelfs indien men zich zou beroepen op de
vrijheid van meningsuiting, deze gelimiteerd is door de rechten van derden. Dit
is op passende wijze aangetoond in twee buitenlandse beslissingen. De eerste is
de Duitse zaak J. Steinhöfel t. M. Best,
waar er geen schending van intellectuele rechten of eerlijke handelspraktijken
was, maar wel geargumenteerd werd op basis van vrijheid van meningsuiting.Michael Best had op Internet een
‘discussieforum’ gecreëerd op basis van uitspraken gedaan door Joachim Nikolaus
Steinhöfel. Ondanks het feit dat hij een ‘disclaimer’ (cf. infra) had opgenomen
dat hij niet aansprakelijk was voor de inhoud van de site en zich voor het
overige beriep op z’n vrijheid van meningsuiting, werd hij toch veroordeeld
voor schending van het ‘algemeen persoonlijkheidsrecht’ van de eiser.
De tweede
beslissing is er een van de voorzitter van de rechtbank van Den Haag ‘Scientology
t. XS4all e.a.’. De gedaagde partijen stelden dat de Scientology-kerk het
auteursrecht zou gebruiken als middel om critici monddood te maken. De vrijheid
van meningsuiting laat toe de kerk te bekritiseren ‘in eigen bewoordingen’. In
deze zaak echter, namen de gedaagdende
auteursrechtelijk beschermde teksten van de Scientology-kerk integraal over op
hun homepages. De
Scientology-kerk beweerde terecht dat dit neerkwam op een niet toegestane
publieke mededeling en verzocht gedaagden het beschermde materiaal van hun
website s te verwijderen. Gedaagden weigerden, het auteursrecht van de eiser
betwistend, maar vooral stellend dat de vrijheid van meningsuiting prevaleert
boven het auteursrecht.
Dergelijke
argumentatie is ongeldig, vermits men zich in quasi alle situaties op z’n recht
op vrijheid van meningsuiting zou kunnen beroepen om de bescherming geboden
door het auteursrecht te omzeilen. Daarom begonnen de gedaagden in de
Scientololgy-zaak de teksten grondig te herwerken, eens de eiser z’n rechten voor
de rechter had aangetoond. Deze herwerking bestond in het parafraseren en
citeren uit de betreffende documenten.
Voorlopig kan
besloten worden met het volgende. Het in de Grondwet en verschillende
internationale verdragen beschermde recht op vrijheid van meningsuiting is niet
onbeperkt. Het wordt immers begrensd door grondrechten van derden (bv. het
recht op goede naam).
Bij de ontwikkeling
van website s moet men hiermee rekening houden. Men kan niet eender welke inhoud
aan een website geven. Een concreet voorbeeld inzake Handelspraktijken zijn de
voorwaarden om wettig aan vergelijkende reclame te doen.
3.2.2. Impliciete toestemming om te linken.
Sommige auteurs
menen dat de site -eigenaar, door zich op het Internet te begeven, stilzwijgend
toestemt om ‘gelinkt’ te worden. Deze toestemming is echter niet onbeperkt.
De mate van
vrijheid om te linken is afhankelijk van het soort link. De impliciete
toestemming geldt slechts voor eenvoudige hypertext surface links. Zoals reeds
in het voorwoord werd besproken, was dit het uitgangspunt van de ontwikkelaars
van het Internet. STROWEL
is dan ook te progressief wanneer hij stelt dat men rekening moet houden met de
(toenemende) technische mogelijkheden (besproken in deel III) voor de
website -eigenaar om de toegang tot zijn website te beperken. Wanneer hij
hiervan geen gebruik heeft gemaakt, wordt hij volgens de auteur geacht
impliciet te hebben toegestemd met bijvoorbeeld een deep link naar een bepaalde
pagina op zijn site .
Rekening houdende
met het feit dat het slechts een impliciete toestemming betreft, kan men ze dus
opheffen wanneer er expliciet kennis gegeven wordt dat deeplinken naar pagina’s
op de website verboden zijn. Zo een expliciete kennisgeving noemt men een
“disclaimer”.Wat nu de concrete, juridische
waarde ervan is zal later nog onderzocht worden.
Nu echter kan al
het volgende vastgesteld worden: zekerheidshalve blijft het voor modaliteiten
die verder gaan dan louter ‘surface linking’ beter, de toestemming te vragen
van de website -eigenaar, alvorens dergelijke links tot stand te brengen.
a. Buitenlandse regeling.
1. Amerikaanse aanpak.
a. Washington Post Co. v. Total News, Inc.
Deze zaak ging
specifiek over framing. De Washington Post, CNN, ABC, e.a. beschuldigden Total
News van schending van auteurs- en merkenrecht, reclamerecht en van oneerlijke
mededinging. De site was immers zodanig geprogrammeerd dat Total News linkte
naar het nieuws op de website van Washington Post. Deze informatie werd
getoond,zonder er zelf iets aan toe te
voegen,samen met boodschappen van de
adverteerders van Total News. Op het scherm verscheen uiteindelijk een
reclameboodschappenkader van Total News rond de website van Washington Post.
De zaak werd door
een dading afgehandeld: Total News kreeg toestemming om te blijven linken naar
de berichten, maar mocht deze niet langer op het scherm laten verschijnen samen
met haar eigen reclameboodschappen.
Het uiteindelijke
resultaat op de website van Total News is waarschijnlijk net hetzelfde als dat
wat er had op gestaan, indien er vooraf aan Washington Post toestemming was
gevraagd om te linken. Het enige verschil is dat in de laatste hypothese heel
wat kosten waren uitgespaard. Dit duidt op het belang van (een voorafgaande)
toestemming van de eigenaar van de site waarnaar gelinkt wordt. Bij de
bespreking van de oplossingen komt dit element uitgebreider aan bod.
b. Ticketmaster v. Microsoft.
De website van
Microsoft “Sidewalk” bevatte naast toeristische informatie over verschillende
Amerikaanse steden ook een deep link naar de Ticketmaster site (en kwam dus
niet langs de homepage en de zich daarop bevindende reclame). Hier kon men
tickets kopen voor evenementen in Seatle. Ticketmaster had geen bezwaar tegen
de link, maar wilde dat dit gebeurde via haar homepage. Daarom diende het
bedrijf klacht in voor het verlies van inkomsten, inbreuk op haar toebehorende
intellectuele eigendomsrechten en oneerlijke mededinging. Microsoft zou zich
met Ticketmaster laten associëren en daardoor van de goede naam van
Ticketmaster mee profiteren.
Het bedrijf wachtte
niet op een beslissing van de rechter en maakte het technisch onmogelijk om
Microsoft nog langer te laten linken. In tegenstelling tot een voorafgaande
toestemming is dit een remedie ex post, die op het einde besproken wordt.
2. De Britse benadering.
- Shetland Times
In oktober 1996
besliste Lord Hamilton dat in bepaalde gevallen linken naar andere webpagina’s
verboden is, tenzij men de toestemming heeft van de site -eigenaar.
In kort geding
vroeg de krant Shetland Times z’n concurrent Shetland News te verbieden te
linken naar nieuwsartikelen op haar website (een Internet-versie van haar
krant). De Shetland Times publiceerde artikelen op haar website , waarvan de
homepage reclameboodschappen bevat. Shetland News nam de koppen van deze
artikels gewoon over op haar website en maakte er hyperlinks van naar de site
van Shetland Times. Men merkte wel op dat het duidelijk was dat de artikels uit
de Shetland Times kwamen, maar het was onduidelijk dat er naar een andere
website werd gelinkt. De deep-link liet uitschijnen dat Shetland News
geaffilieerd was met Shetland Times.
Shetland Times was
ontevreden over het feit dat mensen de artikels konden lezen zonder eerst langs
haar homepage (en de reclame erop) te zijn geweest. Shetland Times
argumenteerde dat haar koppen een ‘kabeluitzending’ waren en vielen onder deel
zeven van de Copyright Designs and Patents Act 1988 en dat de handelingen van
Shetland News er een inbreuk op waren.
Shetland News verdedigde zich door te
argumenteren dat artikelkoppen geen auteursrechtelijk beschermde werken waren.
Het Hof aanvaarde dit argument niet en volgde de redenering van Shetland Times
over de kabelprogramma’s.
Hierop antwoordde
Shetland News dat haar activiteit niet het doorsturen van informatie betrof en
dat het een interactieve dienst betrof en dat deze uitgesloten zijn door
artikel 7(2)(a) van bovengenoemde wet. Terecht verwierp de rechter deze
argumentatie en beval als voorlopige maatregel de verwijdering van de
hyperlinks op de website van Shetland News. Wanneer men beweert dat
Internet-activiteit niet het doorsturen van informatie betreft heeft men
duidelijk de bedoeling van het Internet niet begrepen.
b. De benadering naar Belgisch recht.
1. De W.H.P.C.
In de inleiding
werd het belang van een groot aantal hits op de homepage reeds uitgelegd: ze
garanderen bekendheid van de merknaam en de producten die op de website
afgebeeld zijn en genereren mogelijk reclame-inkomsten. Wanneer op een
verkeerde wijze gelinkt wordt naar een website , is het niet ondenkbaar dat de
eiser voor de rechter een schending van de artikelen 93 ev. W.H.P.C. (schending
van de eerlijke handelsgebruiken) zal inroepen.
Een analyse van
deze bepalingen brengt ons tot de belangrijkste toepassingsvoorwaarden die
relevant zijn voor web-site bescherming.
a.
De eerlijke handelsgebruiken.
Dit begrip moet zo
ruim mogelijk worden opgevat. Het Hof van Cassatie
stelde reeds in 1985 dat het niet louter om inbreuken op regels van commerciële
aard gaat. Daarom wordt eralgemeen
aangenomen dat de eerlijke handelsgebruiken niet alleen geschonden worden
wanneer een handelaar zich zuiver onethisch gedraagt bij de uitoefening van een
handel, maar ook wanneer hij specifieke wettelijke of reglementaire bepalingen
(al dan niet opgenomen in de W.H.P.C.) schendt.
Wanneer door die schending de beroepsbelangen van de verkoper geschaad worden,
maakt dit een inbreuk uit op artikel 93 W.H.P.C.. Schendt hij ook de belangen
van de consument, dan is dit een schending van artikel 94 W.H.P.C..
b.
Schaden van de belangen van een (ver)koper.
-
Professionele belangen van een verkoper.
Wat houdt de notie
beroepsbelangen van de verkoper nu concreet in? Net zoals in de oude wet van 14
juli 1971 werd het begrip niet gedefinieerd. BOGAERT omschrijft ze als volgt: “[de belangen]die moeten gevrijwaard worden om de
verkoper toe te laten een normale economische activiteit te ontwikkelen”.
Wie handelt in strijd met de eerlijke handelsgebruiken, voert zelf geen normale
economische activiteit en verhindert zo een andere handelaar een normale
economische activiteit te voeren. Deze laatste lijdt hierdoor mogelijk schade.
-
Belangen van een consument.
De
toepassingsvoorwaarden voor artikel 94 W.H.P.C. zijn dezelfde als deze voor
artikel 93 W.H.P.C.. De consument dient een fout van de verkoper te bewijzen,
de schade door hem geleden en het causaal verband tussen beide. Het is dus een
bijzondere toepassing van de algemene zorgvuldigheidsnorm geformuleerd door
artikel 1382 B.W..
c.
Met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daden.
In elk boek waarin
de W.H.P.C. bespoken wordt, vindt men een resem daden die strijdig zijn met de
eerlijke handelsgebruiken (verboden publiciteit, afwerving van personeel,
verkoops- en leveringsweigering,…). Het lijkt echter interessanter, de voor deze
seminariepaper geselecteerde problemen indachtig, enkele relevante
probleemgevallen te bekijken. Sommige kwamen terloops reeds ter sprake.
-
Onrechtmatig imiteren en kopiëren:parasitaire mededinging.
Het uitgangspunt
inzake handelspraktijken is de vrijheid om na te bootsen of te kopiëren. Dit is
een logisch gevolg van het principe van vrije mededinging. In deze ‘zee van
vrije mededinging’ zijn er echter ‘eilanden van exclusiviteit’,
nl. de intellectuele eigendomsrechten. Deze worden in punt 2 besproken.
Niet alle vindingen
van de menselijke geest kunnen juridisch beschermd worden. Toch kan de persoon
aan wie de geestescreatie toebehoort zich verzetten tegen een nabootsing. Hij
zal het bewijs moeten leveren van begeleidende omstandigheden, die maken dat degene
die kopieert in strijd handelt met de eerlijke handelsgebruiken.
Wanneer men bijvoorbeeld een concurrentieel
voordeel krijgt door te besparen op ontwikkelingskosten, omdat men slaafs een
ander zijn werk overneemt, zonder zelf enige creatieve of financiële inspanning
te leveren, dan is er sprake van parasitaire mededinging. Men merke op dat er
dus een vereiste van verwarringstichting is, wil men spreken van parasitaire
concurrentie!
BALLON geeft in een
bespreking van een beslissing van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel
van Dendermonde een overzicht van door de rechtspraak als parasitaire
concurrentie gekwalificeerde ‘klassieke’ handelingen, bijvoorbeeld het kopiëren
van een brochure.
Een e-commerce
toepassing vindt men in een beslissing van de Rechtbank van Koophandel te
Kortrijk. De zaak
betrof een vordering van B.V.B.A. Ad Valvas tegen Mercator (Alexander Dresen).
Deze laatste had het grootste deel van het adressenbestand van de White
pages-site van Ad Valvas gekopieerd en daarna de Internet-gebruikers, opgenomen
in het adressenbestand, via e-mail laten weten dat ze waren opgenomen in de
Benelux’ grootste interactieve « White Pages: Mercator ». De raadsman
van Ad Valvas trad op tegen deze handeling, waarna Mercator zich verontschuldigde
voor de gerezen verwarring bij de mensen opgenomen in de mailing. In hetzelfde
bericht werd gemeld dat de naam Mercator werd veranderd in
« Sputnik ». Hierop vorderde Ad Valvas in kort geding het stopzetten
van het exploiteren van deze adressen-site onder eender welke naam. Deze
vordering werd evenwel verworpen. DE VUYST concludeert dan ook terecht dat het
vonnis blijk geeft‘… van een gebrek
aan kennis van Internet en waarderingsnormen in interactieve media’.
Ad Valvas had ongetwijfeld tijd en
geld geïnvesteerd in het opstellen van zijn bestand teneinde potentiële
bezoekers beter te kunnen informeren. Wanneer door een eenvoudige link of
‘copy-paste’-handeling dezelfde informatie kan aangeboden worden, dan maakt men
zichschuldig aan parasitaire mededinging.
De aanmaak van het bestand heeft niets gekost en men kan dezelfde service
aanbieden (eventueel goedkoper omdat er bespaard werd op ontwikkelingskosten).
STROWELL stelt dan
ook terecht “Ces formes de “détournement d’investissements” devraient cependant
être sanctionées dans certains cas sur pied de la [L.P.C.C.], notamment lorsqu’il y a framing ou
inlining, puisque ces types de lien engendrent la confusion dans le chef de
l’usager qui ne sait plus quel site lui fournit l’information apparaissant à
l’écran.”en
- Defamation.
Defamation komt
naar Belgisch recht ongeveer overeen met de misdrijven van laster en eerroof.
Het is het uiten aan derden van valse beweringen over een persoon of een
organisatie, die schadelijk zijn voor hun reputatie (zie artikel 443 SW.).
In Amerika is ‘the
law of defamation’ zeer ingewikkeld, omdat ze eerder bepaald is door
rechtspraak en doorkruist wordt door het eerste Amendement.
Omdat een degelijke analyse van dit onderwerp ons te ver af zou brengen van de
hoofdlijn van deze paper, volgt hierna slechts een voorbeeld van een
probleem-link.
Wanneer ik op mijn
website volgende zin plaats : « Deze man is geen officieel verdeler
van espresso machines, een afzetter en zo goed als failliet, koop daarom bij
ons ! » identificeer ik de persoon in kwestie niet. Door echter deze
zin te veranderen in een link naar een concurrent’s webpagina, kan er sprake
zijn van laster omdat het geheel van de betekenis van de bewering wijzigt. Ik
kan de identiteit van de betrokken persoon immers achterhalen door de link te
activeren.
-(Reverse) Passing off.
In het Amerikaanse
recht is « passing off »het
resultaat van de techniek die gebruikt wordt om eigen werk te laten doorgaan
voor dat van een ander.Zoals de term het
reeds zegt, is « reverse passing off » hetzelfde, maar dan in de ‘omgekeerde’ richting. Men laat het
werk van een ander doorgaan voor eigen werk.
Hoewel dit later
nog aan bod komt, is het interessant nu reeds er op te wijzen dat mogelijk
verwarringsgevaar kan vermeden worden door elke mogelijke, niet toegestane
associatie met iemand anders (beschermde eigendom) te ‘disclaimen’. Door
duidelijk te stellen dat website X niet geaffilieerd is met website Y, voorkomt
men verwarring bij de ‘consument’, de Internet-gebruiker.
Een zelfde advies
kan gegeven worden aan de partij aan de andere zijde, de eigenaar van de
website waarnaar werd gelinkt. Men kan veel problemen vermijden door duidelijk
te vermelden dat het om beschermd materiaal gaat. Dit kan door een ander of
groter lettertype en de symbolen ©, ® en ™ te gebruiken.
- Vergelijkende reclame.
Wanneer men op z’n
website impliciet of expliciet verwijst naar een concurrent en z’n goederen kan
er reeds sprake zijn van vergelijkende reclame. Zoals bij zo vele andere
aspecten van het Internetgebeuren, wordt men hier opnieuw geconfronteerd met
tegenstellingen in de verschillende nationale wetgevingen.
Waar de Verenigde
Staten en het Verenigd Koninkrijk traditioneel voorstanders zijn van
vergelijkende reclame, omdat dit de consument ten goede zou komen, zijn de
meeste landen van de Europese Unie er fervent tegenstander van, omdat dit een
vorm van oneerlijke mededinging zou uitmaken. Conclusie, een vergelijkende
‘webvertentie’ kan volkomen geldig zijn in een bepaalde staat en flagrant in
overtreding zijn met de bepalingen aangaande vergelijkende reclame van een
andere staat.
De houding van de
Belgische rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot vergelijkende reclame
is, samen met de Luxemburgse, steeds de strengste van Europa geweest.
Een mildering is echter tot stand gekomen met de Richtlijn van de Europese
Commissie over Vergelijkende Reclame
(hierna Richtlijn Vergelijkende Reclame), in
België geïmplementeerd door de Wet van 25 mei 1999.
Artikel 23bis W.H.P.C. bepaalt voortaan dat vergelijkende reclame is toegestaan
wanneer :
1° ze niet
misleidend is
2° ze gelijke
goederen of diensten met elkaar vergelijkt ;
3° ze op een
objectieve wijze één of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en
representatieve kenmerken van de goederen en diensten met mekaar vergelijkt ;
4° ze geen
verwarring sticht op de markt ;
5° ze niet de goede
naam schaadt of zich kleinerend uitlaat over de concurrent;
6° ze voor
producten met benaming van oorsprong betrekking heeft op
producten met
dezelfde benaming;
7° ze geen oneerlijk
voordeel oplevert door de bekendheid van het merk of het product van de
concurrent;
8° ze niet goederen
of diensten voorstelt als reproducties of imitaties van goederen of diensten
met een beschermd handelsmerk of handelsnaam.
Wanneer men de
voorwaarden bekijkt, blijkt deze bepaling een synthese van alle aspecten van
handelspraktijken die hierboven reeds behandeld werden. Elementen als
oneerlijke concurrentie, maar ook bepalingen die we terugvinden in het
Amerikaanse recht (verwarringstichting, aantasting goede naam) werden opgenomen
onder de voorwaarden. Toeval of een teken van uniformisering op internationaal
vlak?
2. Het Auteursrecht.
Inzake Auteursrecht
is de belangrijkste tekst in België nog steeds de Wet van 30 juni 1994
betreffende het auteursrecht en de naburige rechten.
Artikel 1, §1 A.W. vermeldt de vermogensrechten die exclusief toekomen aan de
auteur, met name het reproductierecht en het recht van mededeling aan het
publiek. In welke mate raakt het linken aan een van deze rechten?
a. Het reproductierecht.
De inhoudsbepaling
van 'reproduceren' is van belang om te weten of bestaand auteursrecht kan
toegepast worden. In de parlementaire voorbereiding bij de A.W. vinden we
volgende definitie van reproductie: "het maken van één of meer exemplaren
van een vastlegging of van een wezenlijk gedeelte van die vastlegging.”
Er zijn dus twee elementen noodzakelijk: een beschermd werk en een materiële
drager waarop het gereproduceerd werd.
Voor de link
problematiek kan men gebruik maken van het bestaande recht om na te gaan of het
voorwerp beschermd is. Sommige auteurs
stellen evenwel dat eenvoudige HREF links niet kunnen worden aangemerkt als een
reproductie, omdat het hoofdzakelijk gaat om een eenvoudige weergave van het
adres van de pagina met dewelke ze zijn verbonden. Enkel wanneer deze adressen
zelf als auteursrechtelijk beschermd werk zouden gelden, zouden zij onder de
vermogensrechten van de auteur vallen.
Het is nog minder
evident het geheugen van de computer aan te duiden als materiële drager van de
reproductie. Het bijzondere van een IMG link is dat er geen blijvende kopie
wordt gemaakt. Het gelinkte bestand blijft onveranderd bestaan, maar wordt wel
ingeladen in een nieuw ‘kader’. Internet-technisch heeft dit het voordeel dat
men minder plaats in het geheugen van de eigen server moet innemen. STROWEL
spreekt van «une forme toute temporaire de copie ». Maar gaat het, ondanks
haar vluchtige natuur, werkelijk om een bestendig kopie? Voor zover bekend is
er tot op heden door de Belgische rechtspraak nog niet aanvaard dat tijdelijke
opslag in het RAM-geheugen een ‘reproductie’ zou uitmaken. In de Verenigde
Staten werd dit voor het eerst aanvaard in MAI Systems Corp. v. Peak Computer,
Inc.
De fel betwiste beslissing van de rechter luidde dat het wel degelijk gaat om
een reproductie, vermits permanent (wat niet het geval is bij RAM opslag) en
bestendig geen synoniemen zijn. Hoewel dit een zeer consequente en technische
benadering van het reproductieproces is, heeft ze verregaande gevolgen. Ze
stelt bovendien bijkomende problemen die soms zeer ongewenst zijn.
DE COCK BUNNING en
VERMEER argumenteren, zonder in te gaan op de problematiek zelf, dat niet de
maker van de hyperlink de daarmee verbonden site reproduceert, maar de
eindgebruiker. Dit door de
link aan te klikken bij raadpleging en de verbinding tot stand te brengen.
BOLIN werpt terecht als tegenargument op dat de link-legger eventueel
aansprakelijk kan gehouden worden op basis van de theorie van ‘contributory
infringement’. Naar Belgisch
recht zou dit neerkomen op medeplichtigheid aan een onrechtmatige daad en
bijgevolg aansprakelijkheid op basis van artikel 1382 B.W. met zich meebrengen.
De argumentatie van
DE COCK BUNNING zou ook weerlegd kunnen worden op basis van aansprakelijkheid
voor schending van het recht van mededeling aan het publiek door ‘primaire
openbaarmaking’. Dit wordt hieronder uiteengezet.
b. Het recht van mededeling aan het publiek.
Kan het op het
Internet ter beschikking stellen van auteursrechtelijk beschermde informatie
gelijk gesteld worden met een mededeling ‘aan het publiek’? Veel van de
informatie op het WWW staat er gewoon op, maar wordt nooit geconsulteerd. Is er
dan nog sprake van openbaarmaking? Omdat men dit nooit met zekerheid kan
nagaan, dient men ‘beschikbaarstelling’ als beslissend criterium te hanteren.
‘Het begrip openbaarmaking moet derhalve worden losgezien, geabstraheerd, van
de feitelijke informatie-overdracht.’
Rest nog na te gaan
of gebruiker kan beschouwd worden als een ‘publiek’? Het is niet omdat de leden
van het Internetpubliek zich niet op dezelfde plaats bevinden en niet op
hetzelfde tijdstip van het werk gebruik maken, dat zij geen publiek zouden
vormen. Ook hier moet de inhoud van een klassiek begrip als het ware worden
‘ge-updated’ in het licht van het hele Internetgebeuren.
Bijkomende
argumenten kunnen gevonden worden in de Nederlandse rechtspraak in verband met
kabeltelevisie en een arrest vanhet
Hof van Den Haag uit 1994.
Daar kwalificeert men ‘openbaarmaking’ als het beschikbaar maken van een werk
voor meerdere personen, zelfs indien het slechts door (g)één persoon wordt
waargenomen.’
BRUNT geeft de nog
overblijvende critici de nodige stof tot nadenken met zijn onderscheid tussen
‘primaire en secundaire openbaarmaking’.
‘Primaire openbaarmaking’ zou gebeuren door de eigenaar van de website die de
link naar de beschermde informatie ter beschikking stelt. Wanneer deze link
aangeklikt wordt door een Internetgebruiker, is er sprake van een tweede,
‘secundaire’, openbaarmaking.
3. Merkenrecht.
De eenvormige
Beneluxwet op de Merken
(hierna: B.M.W.) verschaft de merkhouder op basis van artikel 13.A.1
verschillende mogelijkheden om zich te verdedigen tegen elk gebruik dat van z’n
merk of van een overeenstemmend teken wordt gemaakt in het economisch verkeer.
Er zijn dus twee toepassingsvoorwaarden: 1) er bestaat een merk of een
overeenstemmend teken; 2) waarvan gebruik wordt gemaakt in het economisch
verkeer. Zijn door het maken van een link de voorwaarden van bovenvermelde bepaling
vervuld?
Hierboven werd
reeds vermeld dat het leeuwendeel van de links die men aantreft op website s
“hypertext”-links zijn. Alvorens deze soort links een inbreuk zouden uitmaken
op artikel 13.A.1 B.M.W., moeten ze een naam bevatten die reeds zelfstandig
gebruikt en geregistreerd is als merk. Vervolgens moet worden nagegaan of de
naam gebruikt werd ‘in het economisch verkeer’, namelijk ‘… in het kader van
een onderneming of een beroep, met als doel een economisch voordeel te
verkrijgen’.
Meer specifiek kan
de eigenaar van de site waarnaar gelinkt wordt zich beroepen op artikel
13.A.1.d, behalve wanneer de ‘linker’ een geldige reden had.
Hij kan deze bepaling ook inroepen wanneer er afbreuk wordt gedaan aan het
onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. Zo iets kan gebeuren
wanneer er bijvoorbeeld een link werd gecreëerd vanaf een website waarmee de
merkhouder niet ‘gelinkt’ wil worden. Dit op een zodanige manier dat de
Internet-gebruiker de indruk krijgt dat er een associatie is tussen beide.
3.2. Metatags.
3.2.1. De fundamenten gelegd door de Amerikaanse rechtspraak.
Zoals
gebruikelijk bij e-commerce, situeert de meerderheid van de rechtspraak en
rechtsleer zich op het Amerikaanse continent. Hier bestaat reeds een gevestigde
rechtspraak i.v.m. ‘metatag manipulation’.
a. De voorlopers.
Enkele van de
eerste beslissingen erover waren Insituform Technologies, Inc. v. National
Envirotech Group, L.L.C.,
Oppendahl & Larson L.L.P. v. Advanced concepts
en Nilton Corp. v. Radiation Monitoring Devices, Inc..
Deze zijn echter minder interessant omdat ze geen uitgebreide motivering
bevatten en slechts verplichten tot het verwijderen van de metatags.
1.
De Playboy-zaken.
De Playboy zaken
zijn veel interessanter. In een eerste beslissing Playboy enterprises, Inc. v.
Calvin Designer, betrof het
een onbekende pornosite die wou profiteren van de naambekendheid van Playboy
Magazine, door in de metatags het woord ‘Playboy’ op te nemen om zo meer
bezoekers naar de site te lokken. Het Hof beval Calvin Designer om te stoppen
met het gebruik van merknamen “in burried code or metatags on their home page
or Web pages or in connection with the retrieval of data”.
De beslissing werd
echter bekritiseerd omdat ze zowel aspecten van de metatag-, als van de domain
name-problematiek bevatte.
De beslissing van het Hof zou volgens deze critici geen duidelijk gescheiden
oordeel bevatten over beide elementen, maar een algemene oplossing bevatten
voor beide problemen.
De tweede zaak was
Playboy Enterprises, Inc. v. AsiaFocus International, Inc.
De eigenaars van de site www.asian-playmate.com
verkochten allerlei Asian-playmate hebbedingetjes zoals speelkaarten,
kalenders, horloges,… Zoals in de vorige Playboy-zaak hebben we te maken met
een vermenging van metatag- en domeinnaam problemen. Het belang van deze
beslissing is echter dat de rechter uitdrukkelijk stelde dat het gebruik van de
woorden ‘playboy’ en ‘playmate’ in de metatags vanwww.asian-playmate.com kon beschouwd
worden als doelbewust uitgekozen misleidingstechnieken. Dergelijk handelen
duidde op een gebrek aan goede trouw en doet een verdediging op grond van ‘fair
use’ teniet.
In Playboy
Enterprises, Inc. v. Welles,
de laatste en belangrijkste Playboy-zaak werd ‘geruled’ ten nadele van Playboy
Enterprises. Mevrouw Terry Welles was een Playmate van het jaar voor Playboy in
1981. Zij had een website ontworpen,
waar o.a. volgende metatags in opgenomen waren: ‘Playmate of the Year’, ‘pmoy
‘81’, ‘playboy’, ‘playmate’,… Playboy vorderde de verwijdering van alle
voornoemde metatags. Mevrouw Welles verdedigde zich op grond van het principe
‘rechtmatig gebruik’ (the Defense of Fair Use).
In de Verenigde
Staten is dit een klassieke verdediging voor een inbreuk op het auteurs- of
merkenrecht. Deze houdt in dat het gebruik, waarvan gezegd wordt dat het een
inbreuk uitmaakt, rechtmatig is omdat het dient:
-
om z’n zaak de naam van de eigenaar
te geven;
-
om eerlijk en te goeder trouw goederen en
diensten of hun geografische oorsprong te omschrijven aangeboden door het
individu;
-
om onderzoek naar te doen of kritiek op,
commentaar bij of onderwijs over te geven.
Voor schendingen
van het auteursrecht, zal de Amerikaanse rechter nagaan (1) waarvoor het werk
wordt gebruikt; (2) wat de aard van het werk is (3) hoeveel van het werk
werd overgenomen en (4) in welke mate de marktwaarde van het werk beïnvloed
wordt door het potentieel ‘rechtmatig gebruik’. Bij merkenrechtelijke inbreuken controleert hij of het gebruik en
de wijze waarop het werd gebruikt, te goeder trouw was en niet tot doel had het
potentiële cliënteel te verwarren.
Zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep werd gezegd dat mevrouw Welles rechtmatig en te
goeder trouw gebruik had gemaakt van de woorden en dat deze haar eerlijk en
duidelijk omschreven. Er was bijgevolg geen sprake van een merkenrechtelijke
inbreuk.
Het is belangrijk
te vermelden dat mevrouw Welles op nagenoeg alle pagina’s van haar website
‘disclaimers’ had opgenomen waarin duidelijk gezegd werd dat zij, noch haar
website , geaffilieerd waren met Playboy Enterprises.
2.
Brookfield Communications, Inc. v. West Coast Entertainment Corp.
Pas met deze zaak
is er werkelijk specifiek uitspraak gedaan over merkenrechtelijke gevolgen van
metatags. De feiten waren de volgende. Brookfield was een software bedrijf dat
ook een database had met informatie over de ‘entertainment’-markt, MovieBuff
TM. West Coast was een keten van videoverhuurwinkels, die een website uitbaatte
met de naamwww.moviebuff.com en
Brookfields’ merk in de metatags had opgenomen.
Net zoals in
Playboy Enterprises, Inc. v. Calvin Designer en Playboy Enterprises, Inc. v.
AsiaFocus International, Inc. hebben we te maken met een merkenrechtelijk
probleem in de metatag- zowel als in de domeinnaam-context. In deze zaak echter
heeft het Hof een belangrijk onderscheid gemaakt tussen beide. Volgens het Hof
gaat het om twee totaal verschillende zaken.
Het gebruik van de
merknaam als metatag was niet enkel verboden voor de site die de merknaam als
domeinnaam had (www.moviebuff.com), maar voor eender welke website met een
ander adres. Er was risico voor verwarring, niet zozeer op het moment van de
mogelijke aankoop (eens de Internet gebruiker zich op de site bevond, wist hij
dat deze niet degene van Brookfield was), maar wel ‘pre sale’, ook wel ‘initial
intrest confusion’ genoemd. De rechter maakt een passende vergelijking met
bedrijf Y dat een richtingaanwijzer van bedrijf X langs de weg plaatst in de
richting van bedrijf Y, met de bedoeling klanten van bedrijf X af te snoepen.
De klant, hopeloos zoekend naar bedrijf X, doet uiteindelijk uit gemak zijn
inkopen bij bedrijf Y. Hij besluit door te stellen:
“Customers are not
confused in the narrow sense: they are fully aware that they are purchasing
from company Y… Nevertheless, the fact that there is only initial consumer
confusion does not alter the fact that company Y would be misappropriating
company X’s acquired goodwill”.
3.2.2. Europese beslissingen.
a. Nederland
VNU t. The Monster Board
Beide partijen exploiteerden een website
met jobaanbiedingen. The Monster Board had een publiciteitsovereenkomst
gesloten met de uitbater van de search engine Vindex. Deze hield in dat de
reclamebanner van en link naar ‘The Monster Board’-website zou verschijnen
telkens bepaalde (sleutel)zoekwoorden werden ingegeven door een
Internet-gebruiker. Wanneer men ‘Intermediair’ (de naam van de site van VNU)
intypte, verscheen de reclame van The Monster Board.
De
Arrondissementsrechtbank van Den Haag vond dat deze praktijk het ongeoorloofd
gebruik van een anders’ merknaam door The Monster Board uitmaakte.
Deutz t. ADT
De gedeponeerde
merknaam ‘Deutz’ hoort toe aan een fabrikant van scheepsmotoren. ADT is een
bedrijf dat scheepsmotoren van Deutz onderhoudt, maar het is geen officiële
verdeler noch licentiehouder van het merk.
ADT had o.m. als
metatag ‘Deutz’ gebruikt. Deutz klaagde dit aan als een merkenrechtelijke
inbreuk en onrechtmatig handelen vanwege ADT. De President van de
Arrondissementsrechtbank oordeelde dat dit een inbreuk betrof op artikel 13A,
lid 1, d van de Benelux Merkenwet (zie infra).
b. Duitsland
Het gebruik van de
merknaam van een concurrent is onrechtmatig. De doelgroep van de site zou in de
onjuiste veronderstelling kunnen verkeren dat beide merken met mekaar
geassocieerd dienen te worden.
c. Frankrijk
Kaysersberg
Packaging t. Kargil
Kargil gebruikte de
merken van Kaysersberg als titel- en sleutelwoorden op haar website om
zoekmotoren te misleiden. Volgens het Tribunal de Grande Instance de Paris, is
dit een onwettig middel om mogelijk cliënteel te lokken met de koopwaar in
werkelijkheid verkocht door Kaysersberg.
3.2.3. Benadering naar Belgish recht.
In België kan men
vorderen op basis van artikel 93 e.v. van de W.H.P.C., zowel als op grond van
artikel 13 B.M.W.
a. Artikel 93 e.v. W.H.P.C.
In de meeste
gevallen zal een beroep op de B.M.W. volstaan om een einde te maken aan het
onrechtmatig gebruik van de merknaam als metatag. Wanneer echter de naam niet
sterk genoeg is om als merk gekwalificeerd te worden, kan men vorderen op grond
van ongeoorloofde mededinging. Omdat men op een quasi dezelfde wijze kan
argumenteren als voor de links,volgt
slechts een samenvatting van de problematiek.
Het opnemen van een
naam met de nodige bekendheid is op zich geen daad die strijdig is met de
eerlijke handelspraktijken. De wijze waarop echter kan onrechtmatig zijn. Zo is
er bijvoorbeeld strijdigheid met de W.H.P.C. wanneer het gebruik van de naam
verwarring creëert bij de Internet-gebruiker, mogelijk cliënteel weglokt bij de
concurrent, zorgt voor een door de eigenaar van de naam ongewenste associatie,…
b. Artikel 13 B.M.W.
Zowel artikel 13,
A, 1°, d als A, 2°, d bieden vorderingsmogelijkheden wanneer men geconfronteerd
wordt met onrechtmatig gebruik van een merknaam als metatag.
Voor de bescherming
geboden door artikel 13, A, 1°, d wordt verwezen naar de bespreking ervan bij
de hyperlinks.
Wanneer het een
‘gebruik van het teken in stukken voor zakelijk gebruik en reclame’ betreft
gebruiken we artikel 13, A, 2°, d. Elk gebruik van de merknaam voor commerciële
promotie valt mogelijk binnen het toepassingsgebied van deze bepaling. De
bedoeling van een bepaalde selectie metatags is het zo vaak mogelijk
verschijnen als resultaat van een ‘search request’ in een search engine. Met
wat creatief denken kan men dit beschouwen als een vorm van publiciteit.
Bijgevolg valt het binnen de toepassingssfeer van bovenvermeld artikel.
4. Mogelijke oplossingen
Hierboven kwamen in
de besproken rechtzaken reeds meerdere oplossingen terloops aan bod. Hieronder
worden ze, samen met nog andere, geordend en overlopen.
4.1. (Hyper)links.
4.1.1. Praktische / Technische oplossingen.
a. Deep linking vermijden.
Dit lijkt een
vanzelfsprekende oplossing, maar is het allesbehalve. Wanneer men enkel links
naar homepages tot stand zou brengen, zou de Internetgebruiker vaak tientallen,
soms honderden webpagina’s moeten doorlopen eer hij tot de gezochte informatie
komt.
Daarom is het te
verkiezen een van onderstaande alternatieven te gebruiken.
b. Programmeren.
Wanneer men wil
vermijden dat er gelinkt wordt naar een website , is men niet enkel aangewezen
op de goede wil van de linklegger. Men kan website s en hun pagina’s op zodanige
wijze programmeren dat men een foutmelding te zien krijgt wanneer men een link
ernaar tot stand brengt, of dat men automatisch op de homepage terecht komt.
c. Publiciteit en tellers op alle pagina’s.
Dit lijkt weer een
vanzelfsprekende oplossing. Men zou er gewoon voor moeten zorgen dat elke
pagina van een website in staat is ‘hits’ te registreren en reclameboodschappen
kan verspreiden. Hoewel dit enkel wat bijkomend programmeerwerk vergt, is het
vanuit praktisch en esthetisch oogpunt heel wat minder evident.
Hoe meer
reclamebanners er zich op de webpagina’s bevinden, hoe langer het duurt om ze
te laden. Bovendien zijn website s vol reclameboodschappen geen lust voor het
oog. Dit lijken triviale euvels, maar het is belangrijk voor het imago van het
bedrijf.MILLER schrijft terecht: “A
poorly designed or poorly functioning web site could destroy the company’s
hard-earned goodwill, or even its business”.
Dit is zeker zo voor ondernemingen die enkel opereren op virtuele markten.
d. Netiquette.
Met netiquette
duidt men op een gedragscode die zou gelden op het WWW. Waar deze misschien
werkzaam was binnen het (academische) beginstadium van het Internet, is ze het
vandaag de dag zeker niet meer.
Dagelijks komen er
meer en mindere (il)legale activiteiten bij op het Internet. Netiquette doet
een beroep op de moraliteit van de Internetgebruiker. Door bepaalde
Internetpraktijken benadeelde personen zullen een beroep moeten doen op de
overheid (politie, rechters, politici,…).
Toch is het niet
één en al pessimisme dat de klok slaat. Vele mensen zijn zich niet bewust van
de inbreuken die ze plegen. Vaak volstaat het hen te wijzen op hun inbreuken om
deze ongedaan te maken. Een goed voorbeeld hiervan is de zaak Dan Wallach. Deze
Princeton University student had op zijn website stripfiguurplaatjes van United
Media aangebracht met inline links. United Media beriep zich op haar rechten op
de plaatjes en vroeg hem deze te verwijderen. Het kwam nooit tot een rechtzaak
vermits Dan Wallach onmiddellijk gehoor gaf aan het verzoek.
4.1.2. Juridische oplossingen.
a. Linking agreement.
In Shetland Times
werd gezegd dat linken mogelijk verboden is, tenzij men de toestemming heeft
van de site -eigenaar. Dit mogelijk verbod betreft alle modaliteiten van links,
behalve de surface link. Voor deze laatste kan men argumenteren dat ze geacht
moeten worden steeds toegelaten te zijn, omwille van de specifieke kenmerken
van het ‘kennisweb’. Voor alle andere modaliteiten dient men een voorafgaande
toestemming te krijgen van de eigenaar van de site waarnaar gelinkt zal worden.
Deze toestemming wordt in het Internetmilieu een ‘linking agreement’ genoemd.
In verschillende
teksten schuift men dit als meest zekere oplossing naar voren.
Het betreft een (aan het maken van de link) voorafgaand akkoord over de
bereikbaarheid en het onderhoud van de website en eventueel over de verdeling
van de reclameopbrengsten.
b. Disclaimers.
In de Internet
context dient men onder ‘disclaimer’ te verstaan: een tekst, te lezen op een website ,
die de aandacht van de bezoeker wil vestigen op een bepaald feit. Bijvoorbeeld
dat de verschafte informatie geen juridisch advies betreft, dat de prijzen van
producten kunnen wijzigen of dat bepaalde elementen op de website auteurs- of
merkenrechtelijke bescherming genieten. Bijvoorbeeld: “Deze website bevat
elementen beschermd onder het intellectueel eigendomsrecht. Elk gebruik ervan
is onderhevig aan voorafgaande toestemming van de eigenaar van deze website .”
Wat is nu de precieze juridische waarde van een disclaimer?
Naar
Amerikaans recht zou dit geen enkel juridisch effect hebben, maar enkel een
aanspraak maken op de netiquette (zie onder).
4.2. Metatags.
De lezer
dient er op gewezen te worden dat het WWW op het vlak van metatag manipulatie zijn
laatste dagen als ‘Wilde Westen’ kent. Er is zich een uniforme rechtspraak aan
het ontwikkelen die dergelijke praktijken systematisch veroordeelt. Men kan
beter twee maal nadenken of metatag manipulatie wel voldoende commercieel
voordeel oplevert in vergelijking met de eraan gekoppelde (juridische)
problemen. Hier geldt dus net als voor (hyper)links dat ‘voorkomen beter is dan
genezen’. Men vermijdt een heleboel problemen door vooraf de toestemming te
vragen om een term, die eigendom is van iemand anders, op te nemen als metatag
van de eigen site .
Inroepen dat men
als website -eigenaar niet wist dat de website -ontwikkelaar onwettige metatags
heeft opgenomen in de HTML-code van de website wordt in principe niet
aanvaardt. De Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel verwierp
deze argumentatie reeds, onder meer omdat "[…] de gangbare praktijk inzake
de realisatie van website s op het Internet [compleet anders is]. De bedrijven
die Internetsite s realiseren exonereren zich in het algemeen immers voor hun
aansprakelijkheid m.b.t. de door hun cliënten verstrekte inhoud. Ook wordt hen
aangeraden zich door hun cliënten te laten garanderen dat de verstrekte inhoud
noch illegaal is, noch de rechten van derden schendt (HANCE, O., ‘Business en
droit’, Best of Editions, 1996, 322, deel V.1.)."
Er op rekenen dat,
omwille van de uitgebreidheid van het Internet, de meeste bedrijven niet de
tijd hebben om de inbreuken vast te stellen, gaat niet langer op. Tegenwoordig
bestaan er verschillende bedrijven die inbreuken op de rechten van hun cliënten
voortdurend opsporen en indien nodig vaststellen.
Dit om het verlies van cliënteel en inkomsten van deze laatsten te
beperken.
Conclusie
Net zoals de
materie zelf, blijft de juridische regeling van e-commerce voortdurend
evolueren. Desondanks blijven vele aspecten van het gebeuren ongeregeld.
Zolang er geen
werkelijke vaststaande juridische bepalingen voorhanden zijn zullen e-commerce
ontwikkelaars en gebruikers blijven opereren in een wereld gekarakteriseerd
door een bepaalde onzekerheid. Een ‘bepaalde’ onzekerheid, vermits het op z’n
hoede zijn voor mogelijke juridische gevolgen van bepaalde ‘e-praktijken’ en
een beroep op de bestaande regelgeving nu reeds een beperkte juridische
bescherming kunnen bieden.
Na een grondige
studie van de materie en het vaststellen van specifieke problemen werden in
deel IV verschillende oplossingen geformuleerd. De ene al wat evidenter en
makkelijker toe te passen dan de andere. Vaak volstaat het achter de feiten de
grond van de zaak op te zoeken. Geval per geval dient onderzocht te worden,
zonder al te enge regels en begrippen te hanteren.
In zulke
omstandigheden is de bestaande regelgeving « … flexible enough to adapt to
the evera nging medium of the Internet ».