jura falconis, jg 34, 1997-1998, nr 4, p. 503-548
Wettelijk kader en probleem van kwalificatie bij multi-eigendom
Een rechtsvergelijkende verkenning met Frankrijk
Gunther Schenk
Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. Dr. H. Vandenberghe
I. Timesharing: een kennismaking met een recente vakantieformule
A. Een fenomeen en zijn definitie: een moeilijke relatie
Lange tijd ontbrak elke vorm van wettelijke definitie aangaande
timesharing...
Ten gevolge van dit gegeven wist men -juridisch gesproken- eigenlijk
niet zo goed hoe dit relatief nieuwe fenomeen te omschrijven viel, wat aanleiding gaf tot
een ganse waaier
van juridische begrippen
(multi-eigendom, vakantiebezit, clublidmaatschap, copropriété dans le temps,
pluripropriété, multipropriété, multi-jouissance, propriété spatio-temporelle, temps
partagé,...) omspannen door één verzamelnaam
:
timesharing. Deze 'genusterm', gebruikt naar analogie van de computerterminologie
, wordt heden ten dage bijna automatisch geassocieerd met
de immobiliënsector, hoewel ook roerende goederen
(bv.
plezierboot) in aanmerking kunnen komen. Enkel onroerende goederen vormen het voorwerp van
dit werk.
Onder welke vorm timesharing zich ook aanbiedt, steeds wordt haar
robotfoto door vier determinanten omlijnd
:
a) de koper verwerft eigendom (juridische of economische
)
b) in die zin dat de gebruiksbevoegdheid
c) hem slechts tijdens een beperkte periode toekomt
d) tijdens dewelke hij bovendien recht heeft op medegenot van de
algemene voorzieningen (faciliteiten, beheer en administratie,...) behorend tot het goed.
De kostenspreiding in de tijd, in die zin dat de meest interessante
periode de hoogste bijdrage betaalt, lijkt mij een wezenlijk kenmerk
te zijn veeleer van multi-eigendom (ingekleurd door het begrip (mede-) eigendom) dan van
timesharing. Dit argument vindt steun in het verschillend kostenconcept dat bijvoorbeeld
in België en Frankrijk wordt gehanteerd (cf. infra). Omwille van het element 'beperkte
periode' situeert timesharing zich op het terrein van de tweede woningen en heeft het geen
uitstaans met het begrip 'hoofdverblijfplaats'.
Praktisch gezien wordt een gebruikseenheid overgedragen aan een aantal
particulieren tezamen: elke gerechtigde heeft het exclusieve genot gedurende een vooraf
bepaalde periode van elk jaar (bv. X de maand augustus, Y september, enz.
).
De meeste definities uit de rechtsleer zijn verdienstelijk, maar refereren naar de term
'juridische eigendom' waardoor deze rechtsleer onmiddellijk haar voorkeur aangeeft voor de
constructie als mede-eigendom.
Om niet vooruit te lopen
op de inhoud van mijn studie verkies ik de eerder neutrale definitie van VAN DE VELDE
: "Timesharing is de rechtssituatie waarbij
verschillende personen achtereenvolgens gedurende een telkens weerkerende welbepaalde
periode van het jaar het genot of gebruik hebben van een goed". Het is wenselijker de
door de Franse en Europese wetgever gegeven definities (in 1986 respectievelijk 1994) te
bespreken bij de behandeling
van deze onderscheiden
regimes.
B. Geschiedenis en ontwikkeling: Amerikanen schrijven met Franse ideeën
een succesverhaal
Op het einde van de jaren '60 maakte de 'Société des Grands Travaux de
Marseille' in de Franse Alpen (sportressort Super Dévoluy) voor het eerst gebruik van het
concept 'multipropriété'.
In Europa kende het
fenomeen echter aanvankelijk weinig succes... tot Amerikaanse projectontwikkelaars er een
der grootste succesverhalen van de toeristische industrie mee schreven. Immers, in de
vroege jaren '70 beleeft de Amerikaanse immobiliënmarkt -als gevolg van de ontdekking van
het fenomeen 'vrije tijd'
- een ware explosie in de
verkoop van zomerverblijven. Het aanbod volgt gretig de vraag: projectontwikkelaars
trekken de ene woning na de andere op met de bedoeling ze als zomerverblijf te kunnen
verkopen. Door de oliecrisis van '74 wordt een vakantiewoning in volle eigendom plots veel
te duur; de markt klapt in elkaar, vakantiehuizen staan leeg...
Amerika importeert het Franse gedachtengoed: via speciale
marketingtechnieken slaagt men erin eenzelfde woning -voor alle weken van het jaar
opnieuw- te verkopen. Het vooruitzicht om z'n vakantie jaar in jaar uit gedurende dezelfde
periode op dezelfde plaats te moeten doorbrengen, is weinig aanlokkelijk.
Vakantieruilorganisaties (zoals bv. RCI) verhielpen aan dit euvel: door zijn lidmaatschap
kan de timeshare-gebruiker participeren aan een wereldwijd netwerk van ressorts. Een
succesverhaal wordt geschreven...
Amerikaanse verkopers zakken af naar Europa en brengen hier 'hun'
producten aan de man
, de cirkel is rond. In België
namen timeshare-projecten -o.a. wegens klimatologische omstandigheden- nimmer een hoge
vlucht, al zijn er wel enkele voorbeelden
te vinden.
C. Evaluatie van timesharing: voor- en nadelen op een rijtje
Voor de koper levert timesharing ongetwijfeld een reeks voordelen op.
Daar het fenomeen gepresenteerd wordt als een alternatief voor het kopen of huren van een
vakantiewoning, is het opportuun vooreerst een vergelijking met deze figuren te maken.
Multi-eigendom blijkt interessanter dan het kopen van een onroerend goed
in volle eigendom om de volgende redenen.
Ten eerste liggen de investeringskosten bij multi-eigendom gevoelig
lager daar men niet betaalt voor de tijd van een ander. Men koopt enkel zijn periode wat
de formule financieel aantrekkelijker maakt.
Vervolgens hoeft de eigenaar zich geen zorgen te maken over zijn goed
(hij moet niet geregeld komen kijken wat hinderlijk kan zijn als men bv. in een ander land
woont). Een beheerder (meestal een vereniging of een vennootschap) onderhoudt het
timeshare-ressort in z'n ruimste aspecten (poetsen, het vervangen van kapotte en versleten
voorwerpen, het maken van inventarissen, het houden van toezicht,...).
Bovendien zijn de kosten van het beheer gespreid over alle eigenaars wat
een daling van de individuele onderhoudskosten impliceert.
Ten slotte staat timesharing voor variatie en flexibiliteit. Als men lid
is van een ruilbeurs, is men niet steeds aan hetzelfde plekje gebonden, maar participeert
men aan een wereldwijd netwerk: you' ve got the world on a string...
Vergeleken met huur dienen enkele voordelen te worden aangestipt.
Initieel speelt de zekerheid van een tweede verblijfplaats voor mensen die niet alleen
naar dezelfde locatie willen terugkeren, maar ook nog eens naar hetzelfde appartement.
Timesharing vermijdt dat men soms zeer lang op voorhand zijn vakantiebestemming moet
vastleggen; huren mist de absolute zekerheid dat je het volgende jaar weer terecht kan in
hetzelfde ressort. Bovendien is de aankoopsom recupereerbaar omdat de gebruiker zijn recht
kan vervreemden.
Multi-eigendom biedt de gebruiker een luxueuze vakantie: niet alleen
wordt de kwaliteit van het leven verhoogd doordat men -gratis of tegen sterk verminderde
prijs- gebruik mag maken van de aanwezige faciliteiten (strand, zwembad, tennis- of
golfbanen, sauna, groenstroken, solarium, fitnessclub,...), tevens treft men steeds een
volledig gemeubeld ressort aan, wat aankoop of nodeloos vervoer van bv. huishoudgerei
vermijdt.
Voor sommige kopers fungeert het fenomeen als een investerings- of
beleggingsmogelijkheid. Vandaag koopt men zijn timeshare aan tegen een vaststaande (en dus
tegen inflatie beschermde prijs) in de hoop het -binnen pakweg vijf jaar- met winst van de
hand te doen. In de praktijk durft dit wel eens in een financiële kater resulteren...
Ook voor de verkoper biedt de formule interessante perspectieven. Immers
eenzelfde appartement is -tegen een groter totaalbedrag- meerdere keren verkoopbaar.
Daarnaast is er de groeiende vraag op de markt omdat ook de vakantieganger met een modaal
inkomen bereikt wordt: deze wil wél een tweede verblijfplaats, maar zonder de nadelen
ervan (hoge investeringskosten, zware onderhoudskosten, het feit dat men gebonden is aan
één locatie).
Finaliter vaart ook de lokale economie van het land waar het
timeshare-project werd ingeplant wel bij het gebeuren. Middenstanders die een bedrijfje
runnen dat afhankelijk is van toeristen, zien het hele jaar door volk over de vloer komen.
De plaatselijke tewerkstelling wordt aangewakkerd door de creatie van nieuwe banen en last
but not least: de overheid kan de staatskas spekken zonder dat dit gepaard gaat met een
proportionele verhoging van de infrastructuur (nieuwe hotels) om gasten te herbergen. Het
milieu ontsnapt aan een extra belasting.
Toch moet men ook oog hebben voor de negatieve aspecten van het begrip.
Het onpersoonlijk karakter van de formule wordt vaak als storend ervaren. Men is geen heer
en meester van zijn vakantieverblijf, de koper kan er geen persoonlijk cachet aan geven.
Veranderingen op eigen initiatief zijn uit den boze (nadeel in vergelijking met kopen in
volle eigendom). Ook speelt altijd een zekere argwaan bij de koper: anderen krijgen het
genot van 'zijn' goed. Wie zijn ze en gedragen ze zich wel zoals het hoort?
Ten tweede beschikt de koper niet altijd over een even duidelijk beeld
betreffende de extra kosten (kosten van beheer, instandhouden vakantieverblijf, onroerende
voorheffing) welke flink kunnen doorrekenen. De omvang van de lasten neemt -bv. gelet op
de slijtage van het goed- niet af, maar toe. De kostenberekening verschilt
trouwens
van deze in Frankrijk
waar men kijkt naar de reële
kosten, althans voor wat 'les charges liées à l'occupation' betreft. In België
daarentegen wordt aan elke periode een waarde toegekend,
rekening houdend met de duur van het verblijf en met het seizoen. Dit leidt er toe dat
drie maanden winter in vergelijking met één maand zomer goedkoper zullen zijn in België
(laagseizoen) en duurder in Frankrijk (hogere kosten door verwarming). Ook al zorgt de
ruilorganisatie dikwijls voor een gunsttarief, de reizen naar de verschillende
vakantieverblijven moeten door de koper zelf worden bekostigd. Op zijn vakantiebestemming
aangekomen, moet men zelf koken of elke dag op restaurant gaan: vol pension bestaat
meestal niet.
Ten derde moet de onvrijheid bij het plannen worden gesignaleerd. De
koper is gebonden door wat hij kocht: als het hem ergens bevalt, kan hij er niet langer
blijven dan de gekochte periode.
Een laatste negatief element betreft de soms zeer agressieve
verkoopmethodes van bepaalde dubieuze firma's. De koper tast dikwijls in het duister
omtrent de aard van zijn recht (cf. Hoofdstuk II). Ook is het opletten geblazen voor
kleine lettertjes in bepaalde contracten die mensen, onder het mom van een
vakantie-enquête, een timeshare-contract aansmeren.
Na deze inleidende beschouwingen, wordt het onderwerp 'multi-eigendom'
verder uitgediept in twee aparte hoofdstukken: het eerste evalueert de juridische
omkadering in België en Frankrijk, het tweede behandelt de bescherming van de consument.
II. De jurist en zijn activiteit: de kunst van de kwalificatie
"Slechts het verhalend tot stand brengen van
juridische werkelijkheid postuleert recht. Die gedachte is de jurist vreemd. Hij verbindt
immers de zekerheid van alle recht met een ontologische basis die als het ware van buiten
af gegeven is." Jan M. Broekman
Eén van de prilste juridische vragen die bij de bestudering van het
concept rijst, is de vraag naar de kwalificatie. Wat koopt de vakantieganger in spe
eigenlijk? Wat is de aard van zijn recht: wordt hij -tezamen met anderen- werkelijk
eigenaar van een bepaald goed of heeft zijn recht een ander karakter?
De Europese richtlijn betreffende timesharing
laat zich niet in met de juridische kwalificatie welke de verschillende Lid-Staten aan het
begrip zouden moeten toekennen.
Trouwens, gelet op
art. 222 EG-Verdrag, dient de regeling van het eigendomsrecht te worden overgelaten aan de
Lid-Staten.
De classificatie van multi-eigendom roept
-zowel in als tussen Lid-Staten- heel wat twistvragen op: er bestaat onenigheid over het
juridisch raster dat het concept schraagt. Dit gebrek in eensgezindheid gaf aanleiding tot
een ganse waaier van juridische constructies die allen, in meerdere of mindere mate,
geschikt kunnen zijn. Een met Frankrijk rechtsvergelijkend overzicht...
A. De kwalificatie als het zakelijk recht par excellence, multi-eigendom
als een bijzondere vorm van mede-eigendom
1. Constructie
Steeds gaat het bij timesharing over die rechtssituatie waarbij
verschillende personen achtereenvolgens -gedurende een telkens weerkerende welbepaalde
periode van het jaar- het exclusief genot of gebruik hebben van een goed. Bijvoorbeeld:
mijnheer A koopt de maand augustus, mevrouw B de maand september, enz.
Probleem...zowel in België als in Frankrijk is de factor tijd nergens wettelijk
ingecalculeerd. Tijd is geen gegeven waarop eigendom toepasselijk is in de zin van een
steeds terugkerend tijdelijk recht op een zaak. Dergelijk steeds herlevend zakelijk recht
(droit à ) bestaat niet.
Wat is dan de aard van het
aldus door de multi-eigenaars verworven recht van 'delen in tijd' (timesharing)?
De oplossing die de Belgische rechtsleer aan dit probleem geeft, wijkt
af van de Franse. Frankrijk verkiest 'multipropriété' te schuiven onder het
vennootschapsrecht
en past resoluut voor de
kwalificatie als mede-eigendom zoals deze in België gangbaar is.
Dit verschil is het gevolg van een fundamenteel andere interpretatie van het van openbare
orde zijnde art. 815 B.W./C.civ.
:
"Niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven; en de
verdeling kan ten alle tijde worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige
verbodsbepaling of overeenkomst.
Men mag echter overeenkomen de verdeling voor een bepaalde tijd uit te
stellen; zodanige overeenkomst kan voor niet langer dan vijf jaren verbindend zijn; maar
zij kan vernieuwd worden.
Die overeenkomst kan aan derden worden tegengeworpen. Zij moet in de
registers van de hypotheekbewaarder worden overgeschreven, indien zij op een of meer
onroerende goederen slaat."
In België maakt men gebruik van de vrijwillige onverdeeldheid om
multi-eigendom als vrijwillige mede-eigendom te construeren teneinde een oplossing te
kunnen bieden aan het probleem van 'scheiding in tijd': "En Belgique, la
multipropriété est une propriété fondée sur l'indivision conventionelle"
De techniek van onverdeeldheid bekoort de Franse rechtsleer niet:
"Il est vrai que l'indivision peut être organisée et que cette
organisation pourrait conduire à une division dans le temps de la jouissance de
l'immeuble. Mais l'article 815 du Code civil, prévoyant la possibilité de demander le
partage à tout moment, constitue un obstacle juridique incompatible avec la finalité
même de l'opération"
Hoe dient deze controverse te worden begrepen? Volgens de Franse
redenering legden de opstellers van het Burgerlijk Wetboek een afkeer aan de dag t.o.v. de
onverdeeldheid. Zij hadden daarbij echter slechts één soort onverdeeldheid voor ogen: de
toevallige of gewone (typevoorbeeld: de erfrechtelijke onverdeeldheid). Inderdaad, deze
vorm ervaren de meeste eigenaars terecht als een onprettige en onpraktische situatie
waaruit ze zo vlug mogelijk willen ontsnappen door de verdeling van artikel 815 B.W. te
vragen.
Verschillende personen worden onvoorbereid
samengebracht in een hen opgedrongen toestand: ze hebben noch de onverdeeldheid gewild,
noch de onverdeeldheid met juist die personen die hun deelgenoten blijken te zijn.
Gelet op de nadelen van een onverdeeldheid kreeg art.
815 C.civ. een algemene draagwijdte toebedeeld en transponeerde de Franse rechtsleer het
op alle onverdeeldheden, ook de niet-hereditaire.
Artikel 815 C.civ. reikt dus verder dan de materie 'erfenissen' waarin
het werd geplaatst. Enkel de verplichte of gedwongen onverdeeldheid (archetype: de gemene
muur) ontsnapt aan haar ongebreidelde expansiedrang.
In tegenstelling tot de toevallige is de verplichte onverdeeldheid niet meer tijdelijk van
aard. Bijgevolg wordt -omwille van de aard of bestemming van bepaalde goederen of omwille
van de omstandigheden die de onverdeeldheid creëerden- de verdeling voor een zekere tijd
uitgesloten.
In feite kent men in Frankrijk slechts 2 grote categorieën
onverdeeldheden: de toevallige (of gewone) waarop art. 815 C.civ. volledig toepasselijk
is, en de verplichte (of gedwongen) die ontsnapt aan de toepassing van art. 815 C.civ. De
toevallige onverdeeldheid omvat ook de gewilde
(of
conventionele) hoewel beiden toch fundamenteel verschillend zijn: partijen wensen de
vrijwillige onverdeeldheid en sluiten daartoe een overeenkomst teneinde de onverdeeldheid
te organiseren en haar gebruikelijke hinder zo veel mogelijk te vermijden.
Volgens vigerend Frans recht ontkomt zij echter niet aan art. 815 C.civ. wat haar -omwille
van voor de hand liggende praktische redenen- ongeschikt maakt als grondstof voor het
wettelijk kader aangaande multi-eigendom. Immers de mogelijkheid dat een overeenkomst van
onverdeeldheid (voor een maximale termijn van 5 jaar gesloten) niet zou worden hernieuwd
en sommige deelgenoten de verdeling zouden vorderen, is manifest onverenigbaar met de
stabiliteit die kandidaat-kopers hopen te vinden: "L'efficacité des conventions
d'indivision est limitée à cinq ans (art.815 C.civ.) ce qui rend ce procédé peu
pratique"
Art. 1873 C.civ. voorziet een contract voor onbepaalde duur om de
verdeling uit te sluiten. Dit levert wederom niet de gewenste stabiliteit op omdat de
onverdeeldheid kan worden opgezegd als ze niet ongelegen komt of de deelgenoot te goeder
trouw is.
Met een boutade kan men besluiten dat de Franse theorie -door aan
artikel 815 C.civ. een zo algemene draagwijdte toe te kennen- het kind met het badwater
heeft weggegooid: aan een conventionele onverdeeldheid kleven immers niet dezelfde
bezwaren als aan een toevallige...
Terwijl in Frankrijk grote eensgezindheid bleef bestaan over de
interpretatie van art. 815 C.civ., verdedigden in België LAURENT en later ook DE PAGE met
succes een andere zienswijze.
Hun nieuwe theorie
steunden ze op volgende redenering
: gelet op de plaats
van art. 815 in het Burgerlijk Wetboek (onder hoofdstuk VI van titel I 'Erfenissen' van
Boek III ) is de draagwijdte van het artikel beperkt tot de door de wetgever op die plaats
geviseerde onverdeeldheden, nl. de hereditaire. Artikel 815 is -net als in Frankrijk-
vatbaar voor uitbreiding, maar slechts tot die onverdeeldheden die een soortgelijk
karakter (toevallig ontstaan en dus ongewild; ongeorganiseerd) vertonen als de
hereditaire, nl. de toevallige onverdeeldheid.
De
Belgische rechtsleer huldigt de opvatting dat art. 815 B.W. geen toepassing kan vinden op
de conventionele onverdeeldheden, juist omwille van haar fundamenteel afwijkend karakter
in vergelijking met de toevallige.
Immers vooreerst zijn bij een conventionele onverdeeldheid zowel de
toestand van onverdeeldheid als de personen der deelgenoten gewild. Een tweede
verschilpunt betreft het al dan niet georganiseerd zijn van de onverdeeldheid: bij de
gewilde werd de toestand in min of meerdere mate -naargelang de behoeften der partijen-
voorafgaandelijk geregeld en fungeert de graad van organisatie juist als een voorafgaande
voorwaarde voor het afsluiten van de overeenkomst van onverdeeldheid; de toevallige
daarentegen is ongeorganiseerd: de deelgenoten hebben alleen oog voor hun individuele
belangen. Waar de toevallige onverdeeldheid ten slotte geen bestemming kende en -gelet op
de concurrerende belangen van de partijen- niet anders kon dan tenderen naar een
verdeling, valt er wel een bestemming te onderscheiden bij de conventionele
onverdeeldheid.
Deze bestemming omvat een dubbele gelaagdheid: collectief en
individueel. Onder individuele bestemming verstaat men het motief waarom elke deelgenoot
afzonderlijk heeft ingestemd met de onverdeeldheid (bv. om te investeren, om te kunnen
ruilen, ...): ze heeft een subjectief karakter. De steeds noodzakelijke collectieve
bestemming daarentegen behelst de reden waarom -objectief gezien- alle medecontractanten
tezamen de onverdeeldheid aangingen (voor het bezitten van een vakantiewoning). De
collectieve bestemming is een wezenskenmerk van de conventionele onverdeeldheid omdat ze
bepalend is voor haar lot als geheel.
Uit deze
fundamentele verschillen volgt dat de verdeling bij toevallige onverdeeldheden hét middel
bij uitstek is om er uit te treden, terwijl het slechts een eerder hypothetische
mogelijkheid is bij conventionele onverdeeldheden.
Daarom is art. 815 B.W. niet van toepassing op conventionele onverdeeldheden...
Lopen deze dan echter niet het risico een eeuwigdurend karakter te
krijgen en een onbeperkte verbintenis in het leven te roepen? Uiteraard niet. DELVOIE
bewijst dat er geen sprake kan zijn van eeuwigdurigheid,
veeleer is de onverdeeldheid van onbepaalde duur. Zo kan het onroerend goed teniet gaan of
haar karakter als vakantieverblijf verliezen (de bestemming heeft geen reden van bestaan
meer door bv. pollutie). Bovendien kan elke partij aan de toestand van onverdeeldheid in
zijnen hoofde een einde maken door afstand te doen van zijn deel -hetzij aan deelgenoten,
hetzij aan derden- zonder dat aan de collectieve bestemming in hoofde van anderen een
einde hoeft te komen. Als de overeenkomst tot onverdeeldheid intuitu personae gesloten
werd, is ze voor elke deelgenoot slechts gebonden aan de grenzen van zijn leven. Ten
slotte kan de overeenkomst tot onverdeeldheid expliciet in een bepaalde duur voorzien of
kan een onderling akkoord van alle deelgenoten de toestand van onverdeeldheid opheffen.
De overeenkomst van gewilde onverdeeldheid fungeert zo als de stabiele
fundering voor de constructie van multi-eigendom als vrijwillige mede-eigendom.
Inderdaad bij mede-eigendom wordt het eigendomsrecht
verkaveld tussen verschillende personen (de mede-eigenaars) in abstracte breukdelen: ze
hebben geen recht op een welbepaald concreet stuk van de zaak. De zaak zelf daarentegen
blijft materieel en onverdeeld intact: ze is in onverdeeldheid.
Mede-eigendom kan m.a.w. steeds onverdeeldheid worden genoemd. Praktisch gezien wordt een
vakantiewoning tegelijkertijd aan meerderen verkocht. Ieder heeft recht op zijn onverdeeld
aandeel waaraan een exclusief cyclisch genotsrecht voor een welbepaalde periode van het
jaar gekoppeld is.
De mede-eigenaars bezitten een
rechtstreekse zeggenschap op de vakantiewoning die echter cyclisch in de tijd is beperkt
(geregeld in het reglement van de timeshare): X heeft slechts het genot in januari, Y
slechts in februari, enz. Zo biedt men in België een oplossing voor het probleem van
'scheiding in tijd'.
Op het eerste gezicht verzet niets er zich tegen dat multi-eigendom
opgevat zou worden als een bijzondere vorm van mede-eigendom. Het is dan een conventionele
onverdeeldheid met cyclische regeling van uitsluitend genot voor ieder der deelgenoten:
"Zo gezien is multi-eigendom opgevat als werkelijke eigendom een juridisch sluitend
geheel en kan de geldigheid van dergelijke overeenkomst niet betwist worden".
Het resultaat van voorgaande denkoefening is dat in België 3 soorten
onverdeeldheden (tegenover 2 in Frankrijk) aan de juridische oppervlakte drijven: de
toevallige (waarop artikel 815 B.W. van toepassing is), de gedwongen en de gewilde (voor
deze laatsten speelt artikel 815 B.W. niet).
Voor de
gedwongen mede-eigendom wordt de uitsluiting van verdeling wettelijk geregeld door het
dwingende artikel 577-2§9 B.W.
De Belgische
rechtsleer leek zich nooit te storen aan de vraag of het wel mogelijk is om -naast de
gedwongen mede-eigendom als bijzaak- een ander soort mede-eigendom te creëren waarop art.
815 B.W. (van openbare orde!) niet toepasselijk is...
In 1985 -bijna een perfect anagram met 815- haalde de stelling
LECHIEN-PIRSON
de heersende meerderheidsopvatting
onderuit. Beide auteurs
zoeken opnieuw aanknoping bij
de traditionele Franse interpretatie die art. 815 B.W. een absoluut algemene
draagwijdte toekent. In globo ontwikkelen zij hun pleidooi om art. 815 B.W. ook toe te
passen op gewilde onverdeeldheden als volgt
:
1) Artikel 815 B.W. werd in algemene termen opgesteld en voorziet
nergens een beperking in haar toepassingsgebied: "Niemand kan worden genoodzaakt in
onverdeeldheid te blijven; en de verdeling kan te allen tijde worden gevorderd,
niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst". Bovendien
worden alle andere bepalingen onder hoofdstuk VI (Verdeling en Inbreng) geacht niet louter
en alleen te gelden voor toevallige of hereditaire onverdeeldheden (exegetisch argument).
2) De wet van 8 juli 1924, die in België een algemene regeling voor
mede-eigendom uitwerkte, had niet de bedoeling te innoveren en de gewilde onverdeeldheid
een aparte plaats toe te kennen: deze vindt haar thuis onder de toevallige onverdeeldheid
en bijgevolg geldt artikel 815 B.W.; de verdeling is enkel uitgesloten in het geval van
artikel 577-2§9 B.W.
3) De wil van de zich in onverdeeldheid bevindende personen volstaat
niet om artikel 815 B.W. zo maar terzijde te schuiven. Dit kan enkel in het kader van een
wettelijke rechtsfiguur zoals de door LEVY MORELLE
bepleitte vereniging (cf. Afdeling 4).
Feit is wel dat de stelling LECHIEN-PIRSON de stabiele ondergrond van de
conventionele onverdeeldheid herschept in een drassig moeras. Multi-eigendom
gekwalificeerd als vrijwillige mede-eigendom biedt niet langer een juridisch onbetwistbare
oplossing....
2. Evaluatie
Als men multi-eigendom kan kwalificeren onder de hoofding mede-eigendom,
heeft dit belangrijke gevolgen. Mede-eigendom behoort immers tot de door de wetgever
aangenomen limitatieve lijst der zakelijke rechten (numerus-clausus beginsel van de
zakelijke rechten
). Een zakelijk recht maakt de
positie van de timeshare-gebruiker aantrekkelijker dan wanneer deze slechts over een
persoonlijk recht (zoals de Franse multipropriétaire) zou beschikken.
Zakelijke rechten verlenen een directe zeggenschap
over een bepaalde zaak en kunnen m.a.w. aan iedereen worden tegengeworpen. Ze hebben een
tweepolig karakter (de titularis van het zakelijk recht en de zaak zelf): de tussenkomst
van een derde is overbodig. Bovendien gaat een zakelijk recht steeds gepaard met een
volgrecht en een voorkeursrecht
dat aan de houder
toelaat het goed op te eisen waar en in wiens handen het zich ook moge bevinden. Het
aandeel in mede-eigendom met periodiek genotsrecht kan perfect overgedragen, verkocht of
verhuurd worden. Het dooft niet uit bij overlijden (overerfbaar). De multi-eigenaar kan
het als hypothecaire waarborg aanbieden
: zijn recht
wordt dan aangewend als onderpand, maar weinig geldschieters zullen geneigd zijn een
hypothecaire lening toe te staan (cf. infra).
Tot slot is het aandeel vatbaar voor beslag. (art. 1561 Ger. W. beperkt
het beslag tot het onverdeeld aandeel, het onverdeeld goed zelf is niet vatbaar voor
beslag door een privé-schuldeiser van een deelgenoot). Wel dient worden opgemerkt dat het
beslag eerder een theoretische dan een praktische mogelijkheid zal zijn. De schuldeisers
moeten -artikel 1561, al.1 Ger. W. in acht genomen- de overeenkomst van onverdeeldheid die
werd afgesloten voor de vordering tot verdeling of voor de vestiging van de hypotheek
eerbiedigen. Als artikel 815 B.W. van toepassing is op multi-eigendom (stelling
LECHIEN-PIRSON) kunnen zij -in het beste geval na afloop van de heersende overeenkomst van
onverdeeldheid (maximum vijf jaar)- deze verdeling bekomen; bij de stelling DE
PAGE-LAURENT staan zij in de kou en kunnen ze alleen bewarend beslag
leggen: de debiteur verliest zijn eigendomsrecht niet, maar wordt beschikkingsonbevoegd.
Een oplossing
voor
dit probleem ligt in een soort uitkoopregeling of door te bepalen in de overeenkomst van
onverdeeldheid dat elk aandeel afzonderlijk verhandelbaar is. De schuldeisers kunnen nu op
het onverdeeld aandeel beslag leggen en dit executeren zonder dat de onverdeeldheid voor
de andere deelgenoten een einde neemt.
Een persoonlijk recht daarentegen verschaft de titularis enkel een
aanspraak op een bepaalde gedraging (art. 1126 B.W.: geven, doen of niet doen) van een
welbepaalde persoon. Alleen het bestaan van het recht moet erga omnes geëerbiedigd
worden, niet de inhoud. Persoonlijke rechten kunnen dus niet worden afgedwongen van
derden, noch door derden worden opgevorderd: zij gelden enkel inter partes.
In globo kunnen we stellen dat het persoonlijk recht
minder zekerheden biedt dan een zakelijk recht (cf. infra).
Omwille van de kracht van het zakelijk recht heeft de Belgische
rechtsleer een uitgesproken voorkeur voor een dergelijke juridische classificatie van
multi-eigendom en dan nog wel het liefst als het meest volledige zakelijke recht, de
eigendom.
Toch zijn er ook nadelen verbonden aan de kwalificatie als vrijwillige
mede-eigendom... Elke juridisch sterke formule heeft als equivalent een zekere
complexiteit en stroefheid: hoe groter de zekerheid hoe minder de soepelheid. Die gedachte
zal een constante zijn doorheen deze bijdrage. Vooreerst zijn de totstandkoming,
overdracht en beëindiging van vrijwillige mede-eigendom eerder stroef. Het erga omnes
karakter van het eigendomsrecht vloeit voort uit een voorafgaandelijke publiciteit.
Teneinde de tegenwerpelijkheid tegenover derden te verzekeren wordt de overeenkomst tot
het scheppen van mede-eigendom, alsook het contract om in onverdeeldheid te blijven,
overgeschreven in het register van de hypotheekbewaarder (art.1, al.1 Hyp.W.).
Dit vooronderstelt een authentieke akte (art. 2, al.1
Hyp.W.).
Voor overdracht en opheffing van een zakelijk
recht gelden dezelfde vereisten
. Dit impliceert hoge
transactiekosten: notariskosten, beschrijving, kadaster,...
Vervolgens zijn er de fiscale gevolgen: successierechten bij
erfopvolging en een registratierecht van 12,5 % (art. 44 W. Reg.) bij verwerving ten
bezwarende titel.
Als laatste en belangrijkste nadeel
kan de grote onduidelijkheid over het toepassingsgebied van art. 815 B.W. worden
aangestipt. Hiermee valt (art. 815 B.W. is toepasselijk op conventionele onverdeeldheden)
of staat (art. 815 B.W. vindt geen toepassing op conventionele onverdeeldheden) de
constructie van multi-eigendom als een vorm van mede-eigendom. Immers de al dan niet
toepasselijkheid van dit artikel, blijkt bepalend te zijn voor de aard van het recht
verbonden aan multi-eigendom: persoonlijk (Frankrijk) versus zakelijk recht (België).
Gelet op de grote controverse in de Belgische rechtsleer (cf. supra) is het wenselijk dat
de wetgever in de wet ter uitvoering van de richtlijn van 26 oktober 1994 de knoop
doorhakt... Helaas lijkt dat -artikel 2.1 van het wetsontwerp indachtig- niet te gebeuren:
"...elke overeenkomst of groep overeenkomsten met een looptijd van
tenminste drie jaar, waarbij, direct of indirect, al dan niet exclusief, een zakelijk
recht of enig ander recht op het gebruik van één of meer onroerende goederen ontstaat of
wordt overgedragen..."
B. De kwalificatie als beperkt zakelijk recht
Beperkte zakelijke rechten hebben, in tegenstelling tot eigendom,
andermans zaak tot voorwerp. De Belgische rechtsleer onderscheidt drie modaliteiten: de
zakelijke zekerheden (bv. pand), de zakelijke rechten met een beperkt genotsrecht (bv.
erfdienstbaarheden) en de zakelijke rechten die een volledig genotsrecht op de zaak
toekennen. Erfpacht, vruchtgebruik en recht van gebruik en bewoning behoren tot deze
laatste groep.
1. Constructie van erfpacht
Onder erfpacht begrijpt men het onroerend zakelijk recht dat voor een
periode van maximaal 99 en minimaal 27 jaar het volledige genotsrecht toekent op andermans
zaak onder verplichting de eigenaar een jaarlijkse vergoeding (canon) uit te keren
. Erfpacht wordt beheerst door de Wet van 10 januari 1824
over het recht van erfpacht (hierna Erfpachtwet genoemd) welke -met uitzondering van het
dwingende artikel 2 (m.b.t. de duur)- van aanvullend recht
is en dus slechts geldt als partijen niets zijn overeengekomen.
Ofwel is de bouwer van het onroerend goed ook de eigenaar en sluit hij
erfpachtovereenkomsten met timeshare-kopers, ofwel is de bouwer zelf erfpachter
en worden de timeshare-kopers bijgevolg
ondererfpachters. Steeds is er één erfverpachter en verscheidene erfpachters met een
tijdelijk genotsrecht voor een steeds weerkerende periode.
2. Evaluatie van erfpacht
Erfpacht heeft alle voordelen van een zakelijk recht. Het is
tegenstelbaar erga omnes (ook bv. bij faillissement van de erfverpachter), overdraagbaar,
overerfbaar, hypothekeer- en vervreemdbaar
(art. 6
Erfpachtwet), verhuurbaar, vatbaar voor beslag,... Wel dient erop te worden gewezen dat
dit alleen geldt voor het recht
van erfpacht,
uiteraard niet voor het voorwerp (de grond of de gebouwen die niet door de erfpachter zelf
zijn opgericht) van dat recht.
Om tegenwerpelijk te zijn aan derden moet de akte van vestiging worden
overgeschreven
(art. 1 Erfpachtwet juncto art. 1 en 2
Hyp.W.) wat uiteraard gepaard gaat met notariskosten en formalisme (cf. supra evaluatie
kwalificatie als vrijwillige mede-eigendom): voor wat, hoort wat...
Een tweede nadeel situeert zich in de verregaande verplichtingen van de
erfpachter. Art. 5 Erfpachtwet verplicht hem het onroerend goed
te onderhouden en de gewone herstellingen (cf. art. 605-606 B.W.) te doen. De eigenaar is
tot geen enkele herstelling gehouden zodat bij grove herstellingen -die niet door het
verzuim aan het gewone onderhoud van de erfpachter veroorzaakt zijn- pachter en verpachter
een regeling zullen moeten uitwerken.
Misbruik van het
genotsrecht of waardevermindering van het goed geven aanleiding tot verval van het
erfpachtrecht
(art. 15 Erfpachtwet). Veel hangt dus af
van de kwaliteit van het onderhoud of de aangewende zorg! Bovendien mag de gerechtigde
geen wijzigingen aan het goed aanbrengen.
Ten derde drukken fiscale verplichtingen op de erfpachter: hij draait op
voor alle belastingen (art. 9 Erfpachtwet) en de registratierechten die eerder laag zijn
(art. 83 W. Reg. voorziet 0,2 %).
Voorts betaalt hij
de erfverpachter jaarlijks de canon die kan variëren. Principieel komen
genotsverminderingen of zelfs het volledig ophouden van het genot niet in aanmerking voor
vrijstelling van betaling van de canon.
Vervolgens heeft het recht van erfpacht een tijdelijk karakter : bij het
einde van de erfpachtovereenkomst keert het goed terug in het vermogen van de
erfverpachter-eigenaar. De canon verzekert enkel een gebruiksrecht. Hypotheekgevers zullen
een voorkeur hebben voor hypotheken op eigendom daar deze meer zekerheid bieden. Een
stilzwijgende vernieuwing is onbestaand, het erfpachtrecht blijft -bij het verstrijken van
de termijn- wél bestaan tot het uitdrukkelijk -naar willekeur van meestal de
erfverpachter- wordt opgezegd (art.14 Erfpachtwet). M.i. is dit tijdelijk karakter niet
echt een nadeel: minimum 27 jaar is een lange tijd, trouwens ook de Franse
timeshare-vennootschappen kennen 'maar' een levensduur
van maximaal 99 jaar.
Als laatste en belangrijkste nadeel ontsnapt erfpacht waarschijnlijk
niet aan art. 815 B.W.: het feit dat er meerdere erfpachters zijn, impliceert immers een
onverdeeldheid.
3. Vruchtgebruik sensu lato: de evaluatie verwerpt de constructie
Vruchtgebruik is het recht om van een zaak waarvan een ander de eigendom
heeft, het genot te hebben, zoals de eigenaar zelf, maar onder verplichting om de zaak
zelf in stand te houden (art. 578 B.W.). Met betrekking tot multi-eigendom gebeurt het
volgende: een natuurlijke persoon of rechtspersoon behoudt de blote eigendom en de
verkrijger van het multi-eigendomsrecht wordt vruchtgebruiker. Het vruchtgebruik kan dan
wel een zakelijk recht zijn met alle gevolgen van dien, toch is het uiterst onbruikbaar
bij multi-eigendom.
Het is nl. een regel van openbare orde dat het vruchtgebruik eindigt bij
het overlijden van de vruchtgebruiker.
Dit pleit
contra de figuur van vruchtgebruik: wie weet immers wanneer zijn leven eindigt? Bij
timesharing primeert stabiliteit. Ook ontsnapt vruchtgebruik niet aan het
toepassingsgebied van art. 815 B.W. Steeds zal er meer dan één vruchtgebruiker zijn:
"Wel bestaat er onverdeeld vruchtgebruik bij pluraliteit van vruchtgebruikers"
Ook de sprekend op het vruchtgebruik lijkenderechten van
gebruik en bewoning (art. 625 tot 635 B.W.) vinden terecht geen genade in de ogen van de
rechtspractici. Hun tijdelijk (ze eindigen ook bij de dood van de titularis van het recht:
art. 625 juncto 617 B.W.) en intuitu personae karakter (principiële onmogelijkheid tot
overdracht onder de levenden of verhuring (art. 631 juncto 634 B.W.), onmogelijkheid van
hypotheek, beslag of bruikleen herleiden deze constructie tot een louter theoretische
mogelijkheid.
Ook Frankrijk
zweert de formule van
de beperkte zakelijke rechten af wegens -globaal genomen- drie redenen:
Vooreerst kunnen zakelijke rechten kunnen niet in de tijd worden
verdeeld in die zin dat het recht elk jaar weer opflakkert. 'Partager dans le temps' kan
enkel via persoonlijke rechten worden verwezenlijkt.
Bovendien zijn deze zakelijke rechten beperkt in de tijd: ze eindigen
bij de dood (uitzondering: erfpacht). Dit strookt niet met de door de timesharekoper
verlangde stabiliteit. Daarom moet men kiezen voor een vennootschap met
rechtspersoonlijkheid.
Ten slotte is er de hele problematiek rond art. 815 C.civ. Als men
poneert dat dit artikel op elke vrijwillige onverdeeldheid toepasselijk is, moet men dit
gegeven consequent doordenken.
Deze opmerkingen lijken me voldoende aanleiding te geven het Franse
'multipropriété' eens aan een nader onderzoek te onderwerpen...
B. De kwalificatie als persoonlijk recht bij de vennootschap met
rechtspersoonlijkheid
1. Constructie
Met de kwalificatie als vennootschap belanden we bij het in Frankrijk
gebruikelijke regime. Daar een zakelijk eigendomsrecht verdeeld in de tijd niet mogelijk
is en artikel 815 B.W. als een zwaard van Damocles boven elke vrijwillige onverdeeldheid
zweeft, zocht de Franse rechtsleer haar heil in het vennootschapsrecht.
De wetgever sluit het zakelijk recht uit
, artikel 1
van de wet van 6 januari 1986
(hierna Wet N° 86-18
genoemd) laat hieromtrent aan duidelijkheid niets te wensen over:
"...aux associés auxquels n'est accordé aucun droit de
propriété ou autre droit réel en contrepartie de leurs apports, sont régies par les
dispositions applicables aux sociétés sous réserve des dispositions de la présente
loi."
Anders dan in België zijn de Franse juristen altijd blijven vasthouden
aan de algemene draagwijdte van art. 815 C.civ.
Dit
kan probleemloos: immers door aan de vennootschap rechtspersoonlijkheid te verlenen,
ontneemt men art. 815 C.civ. -in die gevallen- haar bestaansreden. Het concept
rechtspersoonlijkheid houdt in dat men het samenwerkingsverband tussen verschillende
personen dat een vennootschap uitmaakt, als afzonderlijke juridische entiteit, erkent. De
vennootschap wordt dus op zichzelf een rechtssubject en is bijgevolg drager van rechten en
plichten.
De multi-eigenaars groeperen zich als
vennoten. Het is de vennootschap die eigenaar wordt van het vakantieverblijf, de vennoten
verwerven aandelen op grond waarvan zij gerechtigd zijn tot een periodiek privatief
genotsrecht op het ressort dat de vennootschap ten behoeve van haar aandeelhouders
exploiteert.
In hun hoofde leidt de
vennootschapsconstructie derhalve tot niet-juridische eigendom.
Daar enkel
de vennootschap -als afzonderlijke
juridische entiteit- eigenaar is, is er geen sprake van een onverdeeldheid tussen de
vennoten. Op die manier bouwt de Franse rechtsleer eigenlijk zelf een ontsnappingsroute in
op op haar eigen leer dat art. 815 C.civ.een algemene draagwijdte heeft ...
Anders dan de naam 'multipropriété'
doet suggereren, verwerft de 'multipropriétaire' geen zakelijk recht, maar een
persoonlijk en roerend recht: hij is aandeelhouder in de echte zin van het woord.
LEVY MORELLE
verwoordt het treffend: " le multi-propriétaire est donc un actionnaire et non plus
un copropriétaire ".
Of om ARDUIN
te citeren: "'multipropriété' betekent derhalve: eigendom van aandelen in de vennootschap die
eigenaar van het onroerend goed is". Om verwarring over de aard van het recht te
vermijden is het beter veeleer te spreken over 'la jouissance d'immeubles à temps
partagé'
of van 'la division dans le temps de la
jouissance des immeubles' dan van 'multipropriété' (meest gebruikelijke terminologie) of
'propriété spatio-temporelle' (welke de officiële
benaming is). Elke verwijzing naar 'eigendom' wordt ten andere verboden (Art. 33 in fine
Wet N° 86-18).
De vennoot is houder van een aantal aandelen in een zogenaamde
'société civile
d'attribution', welke als doel
heeft het ter beschikking stellen van haar vermogen (het onroerend goed) aan haar
aandeelhouders. Dit is wezenlijk verschillend van een normaal vennootschapsdoel (winst).
Naast de gebruikelijke prerogatieven (stemrecht in de algemene vergadering, ...) geniet de
aandeelhouder steeds van een 'recht van gebruik en bewoning' gedurende een welbepaalde
periode.
Art. 8 Wet N° 86-18 eist een aandelentabel
(tableau d'affectation des parts ou actions) welke een aantal aandelen toekent aan het
goed. De waarde van de aandelen is afhankelijk van de karakteristieken van de
vakantiewoning, de duur en de gebruiksperiode.
Door het gebruik van aandelen wordt een mouw gepast aan het probleem van
'scheiding in tijd'.
Ze kunnen onderling worden
gewisseld of in een ruilbeurs worden gedeponeerd.
Vóór de Wet van 6 januari 1986 ontbrak elke specifieke wetgeving en
moest men zich behelpen met bestaande wetgeving, zoals de Wet van 16 juli 1971.
Art. 5 ('sociétés ayant pour objet la construction
ou l'acquisition d'immeubles en vue de leur division par fractions destinées à être
attribuées aux associés en propriété ou en jouissance même si elles n'ont pas pour
but de partager un bénéfice') leverde de wettelijke basis voor een
timeshare-vennootschap.
Dit bleek echter niet te
volstaan (gebrekkige regeling om te kunnen uittreden, onvoldoende consumentenbescherming)
zodat de Wet N° 86-18 uiteindelijk een juridisch statuut voor timesharing in het leven
riep.
Zij creëert geen autonoom kader, maar past de
bestaande wetgeving aan.
2. Toepassingsgebied van de Wet N° 86-18
Het toepassingsgebied van de Wet N° 86-18 voorziet in een drievoudige
beperking (art.1, al.1 Wet N° 86-18). De wet vindt enkel toepassing als aan drie
cumulatieve voorwaarden
is voldaan:
1. Het moet gaan over een vennootschapsvorm; andere juridische kaders
vallen buiten haar toepassingsgebied
, maar zijn niet
verboden.
2. De vennootschap heeft als doel enkel onroerende goederen ter
beschikking te stellen aan haar aandeelhouders die bovendien hoofdzakelijk bestemd zijn
voor bewoning. Dit vormt een bron van discussie: volgens COLLART-DUTILLEUL
dient 'à usage principal d'habitation' letterlijk te
worden begrepen (ten minste 50% van de totale oppervlakte dient voor bewoning), terwijl
BOSGIRAUD
een pleidooi voert voor 'la théorie de
l'accessoire' (zodra er sprake is van enige bewoning, gaat het automatisch over 'usage
principal d'habitation'). Deze haard van onenigheid is niet van enig belang ontbloot bij
timeshare-projecten met ruime faciliteiten (golfterreinen, tennisbanen, winkels,
restaurants,...).
3. Aan de vennoten mag slechts een persoonlijk recht worden toegekend,
elk zakelijk recht is uit den boze. In dat opzicht beschermt art. 33 Wet N° 86-18 (het is
verboden uitdrukkingen (documenten, advertenties,...) te gebruiken die de vennoten
aanbelangen met de term 'propriétaire' erin) de consument
:
deze mag niet worden misleid of verward. Hij moet duidelijk weten waar hij aan toe is,
daarom:
"le terme de multipropriété appartient à l'histoire,
l'expression de 'jouissance à temps partagé' doit lui être préférée ".
Uit wat voorafging weten we dat dit persoonlijk recht
een in de tijd wederkerend karakter heeft dat aan een aandeel wordt vastgekoppeld.
Verder omschrijft art.1, al.2 Wet N°86-18 de voornaamste doelstellingen
van een timeshare-vennootschap: het construeren van
gebouwen ten behoeve van de vennootschap, het aanschaffen van gebouwen of rechten ten
aanzien van een onroerend goed (zakelijke rechten maar wél in hoofde van de vennootschap,
niet in hoofde van de vennoten) of het verbeteren en restaureren van verkregen gebouwen.
De vennootschap kan een perceel grond aanschaffen waarop zij door derden een gebouw laat
oprichten of een gebouw kopen dat nog opgetrokken moet worden, in aanbouw is of reeds
voltooid is.
Art.1, al. 3 Wet N°86-18 vermeldt een bijkomende doelstelling: de
administratie van de onroerende goederen en de verwerving en het beheer van hun roerende
elementen conform de bestemming van de onroerende goederen. Het maatschappelijk doel kan
zich eveneens uitstrekken tot het leveren van diensten.
Franse multi-propriété wordt in heel Europa te koop aangeboden en verkocht.
3. Rechten en plichten van de vennoten in de Wet N° 86-18
Vooreerst beschikken zij over het recht om genot te hebben van het
vakantieverblijf gedurende een welbepaalde steeds weerkerende periode van het jaar. Dit
recht heeft 'la même nature juridique que les parts sociales ou actions auxquelles il est
attaché', dus roerend en persoonlijk.
Bijgevolg kan
een aandeelhouder zijn rechten slechts uitoefenen door tussenkomst van de vennootschap.
Krachtens art. 23 Wet N° 86-18 mogen de vennoten hun onroerend goed
verhuren
tijdens de periode welke zij gerechtigd
zijn, wat de mogelijkheid tot participatie aan een ruilbeurs
inhoudt. Elke andersluidende statutaire clausule wordt voor niet geschreven gehouden.
De vennoot mag -na de voltooiing van de vakantiewoning- zijn aandeel
overdragen
(art. 20 Wet N°86-18) hetzij met een
onderhandse hetzij met een authentieke akte waarop duidelijk vermeld wordt dat slechts de
hoedanigheid van vennoot en niet deze van eigenaar wordt overgedragen. Deze overdracht
moet de vennootschap wel tegenwerpelijk gemaakt worden, anders wordt de overdrager nog
altijd als aandeelhouder beschouwd en blijven ook zijn plichten lopen. Eén van de
belangrijkste bepalingen omtrent de consumentenbescherming is ingeschreven in art. 20, al.
4 Wet, N°86-18 wat de overdrager een informatieplicht jegens de verkrijger oplegt,
vergelijkbaar met de informatieverplichting van de verkoper in het Europese regime (cf.
infra). De verkrijger krijgt hierdoor inzicht in de aard van zijn recht, heeft
aanwijzingen hoe de kostenberekening gebeurt en weet of de overdrager nog schulden heeft
openstaan bij de vennootschap. Het reeds aangehaalde art. 33 Wet N°86-18 garandeert de
koper in welke vorm van publiciteit dan ook een recht op duidelijkheid betreffende de aard
van zijn recht en zulks op straffe van misleidende reclame.
Bij de overdracht van aandelen van een gebouw in oprichting spelen specifieke beperkingen
(art. 22 Wet N°86-18 ) die wederom een uiting zijn
van een zorg tot bescherming van de zwakke partij, de consument.
Finaliter geeft art. 13, al. 4 Wet N°86-18 de aandeelhouder het recht
de jaarlijkse algemene vergadering bij te wonen en het stemrecht uit te oefenen.
Op het domein van de plichten spelen uiteraard de klassieke
verplichtingen van elke aandeelhouder (aandelen volstorten, deelname in het verlies,...).
Daarnaast moet melding gemaakt worden van drie specifiek voor timeshare-vennootschappen
opgelegde bepalingen:
Ten eerste wordt de koper geacht pro rata bij te dragen in de kosten
voor de aanschaf van bouwgrond of voor de constructie of restauratie van het
vakantieverblijf wanneer de vennootschap een beroep op hem doet (art. 3 Wet N° 86-18).
Deze bijdrage vormt het correlaat van het 'recht van gebruik' waarover de aandeelhouder
beschikt. Ze is de enige inkomstenbron -naast de bijdrage in de kosten uiteraard- van de
vennootschap die het onroerend goed niet kan verhuren of verkopen voor periodes die niet
gedekt zijn door een aandeel.
De bijdrageplicht is
onderhevig aan een dubbele beperking
: noodzakelijk
voor het doel van de vennootschap en pro rata ten belope van het aandeel van de koper in
het kapitaal.
Ten tweede betaalt de aandeelhouder mee voor de kosten van beheer en
onderhoud
(art. 9 Wet N° 86-18). Deze omvatten de
kosten voor het onroerend goed (opgesplitst in de algemene kosten (charges communes)
enerzijds en de kosten verbonden aan zijn specifiek gebruik en genot (charges liées à
l'occupation) anderzijds) en de kosten met betrekking tot de vennootschap. Tot de algemene
kosten draagt hij bij naargelang de duur , de periode in het jaar en de staat van de
vakantiewoning (art. 9, al. 2 Wet N°86-18), tot de woonkosten daarentegen maar slechts in
functie van zijn reëel gebruik (art. 9, al. 3 Wet N°86-18). Zo zullen deze ontbreken als
de koper geen gebruik maakt van zijn ressort; bemerk opnieuw de sterke uiting van
bescherming jegens de consument. Beide categorieën dekken kosten i.v.m. verwarming,
liften, plaatsbeschrijving, onderhoud groenstroken, enz. In de kosten 'relatives au
fonctionnement de la société' (art. 9, al. 4 Wet N°86-18) deelt de gerechtigde
naargelang zijn aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap. Deze soort omvat
allerlei posten die specifiek met de organisatie van de vennootschapsstructuur te maken
hebben, zoals bv. kosten van beheer. Het gehele kostenregime is aanvullend recht
wat slechts toepassing vindt als partijen niets anders
zijn overeengekomen. Over het karakter van deze wet in het algemeen, kan als stelling naar
voor geschoven worden dat de regels met betrekking tot de organisatie van het onroerend
goed en de inwendige vennootschapsstructuur als dwingend recht worden beschouwd.
De aandeelhouder die of de bijdrageverplichting of de kostenverplichting
aan zijn laars lapt
, loopt het risico dat zijn
aandelen opgeschort of publiekelijk verkocht worden.
Ten derde beperkt art. 4 Wet N°86-18 de aansprakelijkheid van de
aandeelhouders: deze moeten een eventueel verlies slechts dekken ten belope van hun
individuele inbreng.
4. Evaluatie van de vennootschapsformule in het algemeen
De denkpiste van de kwalificatie onder het vennootschapsrecht kent in
België weinig bijval.
Belangrijkste juridisch bezwaar is het persoonlijk karakter van het
verworven recht. Persoonlijke rechten bieden minder zekerheden dan zakelijke: geen directe
heerschappij over het goed (enkel een recht op de vennootschap die het goed in eigendom
heeft en zo a.h.w. als een buffer tussen aandeelhouder en zaak fungeert), niet
hypothekeerbaar
, geen bescherming tegen vervreemding
van de vakantiewoning door de vennootschap , bij haar eventueel faillissement
loopt de aandeelhouder het risico in de kou te blijven
staan,... . In Frankrijk is het recht van de timeshare-gebruiker overerfbaar, maar slechts
zolang de timeshare-vennootschap bestaat
(maximaal
99 jaar).
Hoewel de Franse Wet N°86-18 de consumentenbescherming op een
behoorlijke wijze behartigt, is haar toepassingsgebied eng. Enkel de vennootschapsformule
ressorteert onder haar toepassingsgebied, op andere constructies hebben haar bepalingen
geen betrekking.
Daarnaast zijn er bezwaren van praktische aard. Vooreerst kan men zich
de vraag stellen of de vennootschapsstructuur zó ideaal is voor gerechtigden die
uiteindelijk niets anders willen dan een vlotte vakantieformule. Als vennoot worden ze
geconfronteerd met rechten en plichten, zoals deelname aan de algemene vergadering en het
volstorten van kapitaal, die hen dikwijls het idee geven veeleer deelnemers te zijn aan
een of andere fiscale operatie dan vakantiegangers.
Globaal genomen kunnen we stellen dat het Belgisch vennootschapsrecht
zich veel minder goed leent als omkadering dan het Franse dat met de invoering van de Wet
N°86-18 echt op maat van timesharing is gesneden.
De Franse 'société civile d'attribution'( burgerlijke maatschap) bezit
rechtspersoonlijkheid
, de Belgische niet
, wat impliceert dat er geen afgescheiden vermogen is
en de vennoten -door schuldeisers van de vennootschap- onbeperkt op hun eigen vermogen
kunnen worden aangesproken.
In Frankrijk is dat niet
zo, wat nog eens impliciet bevestigd werd door art. 4 Wet N°86-18 dat de
aansprakelijkheid van de vennoten tot hun inbreng beperkt.
Bovendien ontbreekt bij een Franse 'société civil d'attribution' het
voor een vennootschap essentiële winst(verdelings)oogmerk (cf. art. 5 Wet 16 juli 1971):
de koper is eerder geïnteresseerd in een -aan zijn budget aangepaste- vakantieformule dan
in een eventuele winstverdeling uit exploitatie of verkoop.
Vervolgens gelden er in Frankrijk aangepaste belastingsregels waardoor
de timesharevennootschap van een gunstiger fiscaal regime kan genieten.
Ten slotte zou wanneer de vennootschapsformule in België toepassing zou
vinden dit impliceren dat de uitgifte van aandelen aan het toezicht van de Bankcommissie
of de Minister van Financiën (voor aandelen in niet-communautaire vennootschappen) is
onderworpen.
De formule kent ook haar charmes. Zeker in Frankrijk, waar de
alternatieven welig tieren, is de keuze voor de vennootschapsvorm er een die aansluit op
een bestaand en genoegzaam bekend wettelijk kader.
Daar er geen onverdeeldheid tussen vennoten voorhanden is, zijn de problemen aangaande het
toepassingsgebied van art. 815 B.W./ C.civ. van de baan. De verminderde zekerheid (want
persoonlijk recht) correleert met een verhoogde vlotheid: vlotte aankoop en overdracht van
aandelen (cf. de vormvrije cessie van art. 1690 B.W.), geen registratierechten noch
notariskosten. Hier dient wel een nuance te worden aangebracht: de
aandeelhouders-oprichters zullen wel geconfronteerd worden met de stroefheid gepaard
gaande met de oprichting van een vennootschap.
Als men toch via een vennootschapsformule wil werken, lijkt de
coöperatieve het meest aangewezen.
Zij is perfect
verzoenbaar met het winstbegrip: haar belangrijkste doelstelling bestaat erin aan de
vennoten toe te laten om in hun hoedanigheid van verbruiker besparingen (onrechtstreeks
vermogensvoordeel) te realiseren.
Bovendien kan men
opteren voor de C.V.B.A.-vorm (art. 141 Vennootschappenwet) waardoor de vennoten slechts
aansprakelijk zijn ten belope van hun inbreng. De vennoot beschikt wel slechts over een
persoonlijk
, maar geen zakelijk recht (de
coöperatieve is eigenaar): hij is een schuldeiser van de rechtspersoon.
De classificatie als coöperatieve vennootschap illustreert treffend dat
men in België niet onontkoombaar vastkleeft aan het zakelijk recht, net zoals trouwens
ook in Frankrijk andere dan persoonlijke rechten de kop durven opsteken, bv. la nouvelle
propriété.
Uit de vergelijking België-Frankrijk onthouden we dat -omwille van een
fundamenteel verschillende interpretatie van art. 815 B.W./C.civ.- een verschillende
oplossing aangereikt wordt om het probleem van 'scheiding in tijd' te benaderen welke ook
resulteert in een gans verschillende aard van het cyclisch wederkerend genotsrecht van de
timeshare-gebruiker: zakelijk versus persoonlijk. Hoewel deze geaardheid de gangbare
mening vormt in beider doctrines, is ze niet absoluut, getuigen daarvan zijn de
coöperatieve vennootschap en la nouvelle propriété.
D. De kwalificatie als vereniging: Belgische en Franse opvattingen
verenigd?
1. Constructie
Via de verenigingsfiguur probeert men het voornaamste nadeel van de
kwalificatie als mede-eigendom ( de eventuele toepassing van art. 815 B.W.) te vemijden,
zonder echter haar sterke punten (een zakelijk recht) prijs te geven. Om deze omkadering
te realiseren, beroept men zich op art. 1107 B.W., art. 1134 B.W. (de overeenkomst strekt
de partijen tot wet), art. 27 G.W. (vrijheid van vereniging) en art. 2 Wet 24 mei 1921 tot
waarborging van de vrijheid van vereniging.
De vereniging zonder winstoogmerk wordt afgewezen omdat zij -anders dan
de feitelijke vereniging- over rechtspersoonlijkheid beschikt welke de onverdeeldheid
tussen de leden teniet doet. Bovendien komt het actief bij ontbinding niet aan de vennoten
toe, maar dient het een bestemming te krijgen die zoveel mogelijk overeenkomt met het doel
van de vereniging (art. 19 V.Z.W.-wet).
De V.Z.W. is
dus niet geschikt als kader voor multi-eigendom.
De iure gaat het hier om een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid,
door de rechtspraak soms als een onbenoemde overeenkomst betitelt
,
die niet wordt beheerst door de regels van titel IX (Vennootschappen) van Boek III van het
B.W. Wel zijn het haar statuten -emanatie van de wilsautonomie- die de wet van de partijen
uitmaken
:
"Alwie, op zijn aanvraag, lid wordt van een vereniging, verbindt
zich, door zijn toetreding, zich te onderwerpen aan het regelement dier
vereniging..." (art. 2 Wet 24 mei 1921).
Een vereniging sensu lato
is een
georganiseerde en min of meer duurzame groepering van mensen en middelen ter
verwezenlijking van een gemeenschappelijk doel. Bij multi-eigendom bestaat dat doel in de
organisatie van het gebruik en het beheer van een onroerend goed in mede-eigendom. In
mede-eigendom? Inderdaad, vermits de vereniging niet over rechtspersoonlijkheid beschikt,
heeft ze geen afgescheiden vermogen
en zijn het in
dat geval de leden die de onverdeelde eigenaars zijn van het goed. Tegelijkertijd zijn zij
ook gebonden door de verenigingsovereenkomst (statuten). De vereniging onderscheidt zich
van de vrijwillige mede-eigendom door zich niet te hechten aan een bepaald goed, maar aan
een bepaald doel! Algemeen wordt in de rechtsleer aangenomen dat de leden van de
vereniging de verdeling niet kunnen vorderen zolang niet eerst tot haar ontbinding werd
beslist (in beginsel bij eenparigheid) of de overeengekomen duur is verstreken of het
gemeenschappelijk doel is weggevallen.
De
onverdeeldheid duurt dus zolang de vereniging bestaat. De duur van deze laatste is
onbepaald; elk van de leden heeft het recht om uit te treden wanneer hij dat wenst:
" ...te allen tijde kan hij uit de vereniging treden mits
inachtneming van het reglement: elke reglementsbepaling waardoor deze vrijheid zou worden
opgeheven, wordt voor niet bestaande gehouden." (art. 2 Wet 24 mei 1921)
Door het uittreden of overlijden van een lid wordt geen afbreuk gedaan
aan de rechten van de overige leden (art. 1865 B.W. poneert geen algemeen rechtsbeginsel,
het geldt enkel voor vennootschappen, niet voor verenigingen). Wel ontstaat er -t.a.v. dat
specifieke lid- een toestand van gewone onverdeeldheid
,
geregeld door het gemeen recht der onverdeeldheden. Volgens LEVY MORELLE
is de 'association' een wettelijk geregelde uitzondering op art. 815 B.W.
In Frankrijk wordt deze constructie ongetwijfeld met argwaan bekeken, de
algemene draagwijdte van art. 815 B.W. indachtig. Wanneer LECHIEN en PIRSON stellen dat
"la tendance (om de verdeling uit te sluiten) nous semble d'exclure cette application
tout comme en Belgique"
fronst menigeen de
wenkbrauwen... M.i. vergalopperen beide auteurs hier zichzelf. Volgens het oude
hylemorfisme van Aristoteles bestaan dingen altijd tegelijkertijd uit vorm en inhoud:
LECHIEN en PIRSON kijken blijkbaar alleen naar de inhoud, zonder de vorm in overweging te
nemen. Inderdaad, art. 815 B.W./C.civ. wordt uitgesloten in het vennootschapsregime, de
verleiding is ongetwijfeld reusachtig om dit principe ook toe te passen op de verenigingen
sensu stricto. Wel mag niet uit het oog verloren worden dat de uitsluiting van de
verdeling (inhoud) verankerd ligt in de fictie van de rechtspersoonlijkheid (vorm): in
Frankrijk kan men perfect de verdeling negeren -ondanks het op het eerste gezicht algemene
toepassingsgebied van art. 815 B.W./C.civ.- omdat er tussen de vennoten doodeenvoudig -ten
gevolge van de rechtspersoonlijkheid- helemaal geen onverdeeldheid voorhanden is: enkel
de vennootschap is eigenaar. Van een vereniging van
België en Frankrijk in de verenigingsfiguur is helemaal geen sprake!
2. Evaluatie
Bij de kwalificatie als vereniging genieten de multi-eigenaars van
dezelfde voordelen als bij kwalificatie als vrijwillige mede-eigendom: hun recht is een
zakelijk recht
met alle gevolgen van dien (volg- en
voorkeurrecht, overdraagbaar, overerfbaar, verkoop- of verhuurbaar, vatbaar voor hypotheek
en beslag). Twee nieuwe voordelen duiken op...
Enerzijds wordt -in de visie van LEVY MORELLE- de vereniging van het
toepassingsgebied van art. 815 B.W. uitgesloten. Anderzijds hoeft men voor het 'beheer en
de organisatie van het gebruik' geen aparte
rechtsfiguur (vereniging of rechtspersoon) meer in het leven te roepen, vermits dit kadert
onder de doelomschrijving van de al bestaande vereniging...
Aan de ommezijde van de medaille 'zakelijk recht' geldt wederom de al
vroeger vermelde stroefheid en complexiteit die de totstandkoming, overdracht en
beëindiging ervan tekenen. Ook dezelfde fiscale implicaties (successierechten,
registratierechten ten belope van 12,5%) melden zich present.
Ten derde zal de vereniging -als een lid uittreedt- minder leden tellen
die echter wel dezelfde kosten moeten tornen. Hoe meer leden uittreden, hoe hoger de
kostprijs per hoofd. Aan dit probleem valt echter statutair wel een mouw te passen door
het recht om uit te treden te koppelen aan de verplichting zijn deel te doen overnemen
door andere of nieuwe leden. De modaliteiten betreffende het recht van terugtred kunnen
verschillen, alleen aan het fundamentele recht zelf mag niet worden geraakt.
De vereniging bezit geen rechtspersoonlijkheid zodat alle leden
rechtstreeks en onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van de vereniging. Eén van
de grote voordelen van een vennootschapsstructuur betreft de beperking van de
aansprakelijkheid tot die activiteiten die in het kader van de vennootschap worden
uitgevoerd. Buiten vennootschap bestaat die mogelijkheid niet: schuldeisers kunnen beslag
leggen op alle
goederen van hun debiteur (art. 7 en
8 Hyp.W.).
Het is de grote verdienste van professor STORME
te hebben gewezen op de grote inconsequentie in de stelling LECHIEN-PIRSON:
"Het lijkt mij toch wel enigszins bij het haar getrokken te stellen
dat in het kader van een vereniging art. 815 B.W. terzijde kan worden gesteld, om reden
dat de vereniging een wettelijke rechtsfiguur is. Immers, de feitelijke vereniging wordt
door ons recht niet geregeld - enkel wordt de vrijheid van vereniging grondwettelijk
erkend en nader geregeld in de wet van 24 mei 1921."
Een verder doordenken van deze opmerking vormt het laatste en meest
fundamentele nadeel van het verenigingskader. Het siert m.i. LECHIEN en PIRSON oog te
hebben gehad voor het gegeven dat het van openbare orde
zijnde art. 815 B.W. niet zo maar terzijde kan worden geschoven door de wilsautonomie der
partijen die overigens dikwijls schijn zal zijn omdat de sterkere partij haar wil
doordrukt, maar enkel binnen een wettelijke rechtsfiguur.
De terechte opmerking van STORME trekt a.h.w. de stop uit het bad, sterker nog: er is
nooit een stop geweest... . Niets verzet zich ertoe art. 815 B.W. toe te passen op de
vereniging, omdat deze simpelweg geen wettelijke uitzondering op art. 815 B.W. is! LEVY
MORELLE schendt volgens mij zijn eigen stelling dat de wilsautonomie art. 815 B.W. niet
aan de kant kan schuiven. Wat gebeurt er eigenlijk in een vereniging?? Een vereniging
injecteert a.h.w. haar doelgebondenheid (organisatie van gebruik en beheer) in het
zakelijk recht van haar leden teneinde de klip van de verdeling te omzeilen. Wat is de
doelgebondenheid anders dan een contract en wat is een contract anders dan een neerslag
van de wilsautonomie der partijen?
"Cela (de niet-toepasbaarheid van art. 815 B.W.) est, et cela reste
vrai en matière d'associations non réglementées, parce qu'il y existe une même raison
fondamentale de décider: le contrat de mise en commun, emportant la volonté
d'affectation des biens et séparant radicalement, à ce titre, l'association de
l'indivision"
Conventionele onverdeeldheid of vereniging .... What's in a name ? Als
art. 815 B.W. toepasselijk is op de conventionele onverdeeldheid -omdat partijen er
zogezegd niet contractueel van kunnen afwijken- dan is het artikel ook toepasselijk op de
vereniging.
Het bindmiddel tussen de hiervoor besproken constructies is een
merkwaardige vaststelling... Waarom is de mede-eigendomsclassificatie zo precair? Omwille
van het floue toepassingsgebied van art. 815 B.W. Waarom is de kwalificatie als
bv.erfpacht minder geschikt? Wederom wegens dezelfde reden. Wat schort er aan de
vennootschapsformule? Het onaangepaste Belgisch regime. Wat belet de vereniging hoogtij te
vieren? De afwezigheid van een wettelijke basis om art. 815 B.W. uit te sluiten.
Het huidige Belgisch wettelijk kader presenteert zich als ongeschikt om
timesharing zakenrechtelijk te regelen. Een oplossing zoeken buiten een wettelijk kader
lijkt niet wenselijk: het recht van de timesharegebruiker zal -het numerus clausus
beginsel der zakelijke rechten indachtig- altijd persoonlijk van aard zijn. De
mondialisering van het fenomeen in acht genomen, is het interessant terug te kunnen vallen
op een wettelijk bestaande en genoegzaam gekende formule.
Het kernprobleem m.b.t. tot de kwalificatie situeert zich ongetwijfeld
rond het toepassingsgebied van art. 815 B.W. M.i. is het niet logisch dat een artikel
wordt toegepast op situaties waarvoor het niet geschreven werd. Niemand zal het openbare
orde karakter van art. 815 B.W. betwisten voor nalatenschappen, dit is echter ook de enige
situatie die de opstellers van het wetboek voor ogen stond. In de loop der decennia nam
onze maatschappij een enorme ontwikkeling en ontstonden tal van 'samenwerkingsverbanden'
waarvoor de toepassing van art. 815 B.W. nefast is. Timesharing levert ons hiervan een
goed voorbeeld.
Door de stelling LECHIEN-PIRSON is de -sinds LAURENT en DE PAGE
bestaande- stilzwijgende consensus onherroepelijk en definitief verbroken... Enkel een
wettelijke ingrijpen kan uitkomst bieden: het recht moet de feiten inhalen!
Juristen zijn analogisten par excellence... Praktisch gezien lijkt het
mij het meest opportuun dat men voor de niet-wettelijk geregelde vrijwillige mede-eigendom
een uitzonderingsregime opstelt dat ontsnapt aan art. 815 B.W. (a.h.w. de grondwet voor
toevallige mede-eigendom), zoals dat vroeger al gebeurde voor gedwongen mede-eigendom ten
titel van bijzaak (zie art. 577-2§9 B.W.).
III. Een Europees uitgewerkte consumenten-bescherming en haar Belgische
vertaling
A. Het huidige beschermingsmechanisme: de W.H.P.C. (Wet
Handelspraktijken)
Timesharing heeft een zekere graad van beruchtheid
verworven door onoirbare verkoopspraktijken... In de precontractuele fase worden kopers
bijvoorbeeld regelmatig met agressieve verkoopstechnieken geconfronteerd en d.m.v.
onjuiste of onvolledige informatie omtrent het aangebodene misleid. Een bepaald type
ressort wordt gepromoot, maar in werkelijkheid koopt men er een ander van inferieure
kwaliteit. Of een al gekocht project wordt niet gerealiseerd of verder afgewerkt. Is de
koper in spe zich terdege bewust van de aard van zijn recht en de gevolgen die daaraan
kleven? Weet hij bijvoorbeeld dat hij bij faillissement van een timeshare-vennootschap met
lege handen kan achterblijven? Gehaaide verkopers brengen potentiële kopers in een
zodanige stemming (luxueus kader, een lekker dineetje, cadeautjes, als je nu tekent kan je
nog net van een fikse korting genieten naar aanleiding van de laatste dag van onze
speciale aktie,...) dat deze vaak zonder veel nadenken, tot aankoop van een timeshare
overgaan. Gekocht is gekocht... Dikwijls realiseren mensen zich pas na enige bezinning dat
ze zich iets hebben laten aansmeren waaraan ze eigenlijk geen behoefte hadden... Quid?
Biedt de wet van 14 juli 1991
(hierna afgekort W.H.P.C.) een bruikbaar kader ter bescherming van timeshare-gebruikers?
Allereerste vraag die men zich steeds moet stellen m.b.t. een reglementering, is de vraag
naar haar toepassingsgebied. Art. 1 W.H.P.C. in acht genomen, lijkt de onroerende sector
aan haar toepassingsgebied te ontsnappen: onder produkten worden lichamelijke roerende
zaken begrepen wat resulteert in de uitsluiting van de verkoop van onroerend goed.
Ook timeshare-constructies onder vennootschapsvorm
komen niet in aanmerking (artikel 1 W.H.P.C. in fine).
Algemeen wordt echter aanvaard dat diensten die 'met onroerende goederen
verbonden' zijn -zoals bv. reclame- toch onder haar toepassingsgebied ressorteren.
Deze uitbreiding vindt steun in de parlementaire
voorbereiding en in ministeriële verklaringen en wordt geargumenteerd door een
vergelijking te maken met diensten, aangeboden door 'des agences immobilières'. Van deze
wordt algemeen aanvaard dat de W.H.P.C. erop van toepassing is.
Zo verbiedt art. 23 W.H.P.C. bepaalde (misleidende) vormen van reclame
waarvoor de consument een beroep kan doen op de vordering tot staking. Daarnaast verplicht
art. 30 W.H.P.C. de verkoper de consument nuttige en behoorlijke inlichtingen te
verschaffen aangaande de 'met het onroerend goed verbonden diensten', niet m.b.t. het
onroerend goed zelf.
Art. 86 W.H.P.C. behandelt de verkopen die buiten een onderneming werden
gesloten. Dikwijls brengen prestigieuze hotels of andere aangename kaders consumenten in
een roes waarbij ze gemakkelijk te verleiden zijn: gewiekste verkopers profiteren daarvan
om kandidaten onmiddellijk te doen kopen. Art. 89 juncto art. 91 W.H.P.C. beteugelt deze
praktijken: de koper geniet een bedenktijd van 7 dagen, te rekenen van de dag volgend op
de ondertekening van het contract gedurende dewelke hij d.m.v. een aangetekend schrijven
kosteloos van zijn aankoop kan afzien. Pas na deze bedenktijd is het contract gesloten.
Andere technieken (bv. consumenten opbellen met de mededeling dat ze zomaar een prijs
hebben gewonnen en dat ze deze mogen komen afhalen teneinde hen dan tot aankoop te
verleiden) vallen dan weer buiten het toepassingsveld van de W.H.P.C.
Besluitend kan worden gesteld dat de W.H.P.C. -zelfs na haar
uitbreiding- onvoldoende verfijnd is om de timeshare-gebruiker een afdoende bescherming te
garanderen (enkel 'verbonden diensten' omschreven door het ministeriële antwoord van
destijds, als sanctie komt enkel schadevergoeding in aanmerking (geen nietigheid van de
koop)).
De W.H.P.C. moet tezamen met haar overeenkomende richtlijn
worden gelezen welke wél overeenkomsten betreffende
onroerende goederen tussen een professionele verkoper en een gebruiker in ogenschouw
neemt. Koop van onroerend goed (vakantiewoningen in het bijzonder naar aanleiding van de
agressieve verkoopmethoden) is ingrijpend in het leven van een consument. Daarom heeft men
geopteerd hem nog een extra bescherming te bieden in de richtlijn van 26 oktober 1994.
B. Een recht voor morgen: bespreking van de richtlijn 94/47/EG en het
Belgisch wetsontwerp tot omzetting ervan
1. Toepassingsgebied
Ten gevolge van het bestaan van richtlijnen is de consumentenbescherming
inzake timesharing op Europese leest geschoeid. Artikel 189, al. 3 EG-Verdrag definieert
een richtlijn als volgt:
"Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken
resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties
wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen."
Een richtlijn is een niet rechtstreeks toepasselijke
gemeenschapsnorm: de Lid-Staten moeten haar beoogd doel via het nationale recht
verwezenlijken en zolang dat niet gebeurd is, heeft ze -in beginsel- geen rechtstreekse
werking. Na de omzetting in het interne recht wordt de richtlijn a.h.w. overbodig: haar
bepalingen bereiken de particulieren via het nationale recht. Ook voor timesharing werd
een richtlijn uitgewerkt.
Art. 2 van de richtlijn van 26 oktober 1994
(hierna richtlijn genoemd) omschrijft een timeshare-overeenkomst als een
"overeenkomst die direct of indirect te maken heeft met de verkrijging van een recht
van deeltijds gebruik van een of meer onroerende goederen". Hieronder moet worden
begrepen iedere overeenkomst die:
a) een looptijd heeft van tenminste 3 jaar
b) en waarbij tegen betaling van een bepaalde totaalprijs
c) een recht wordt verkregen om gedurende een bepaalde of bepaalbare
periode per jaar (minstens één week)
d) één of meer onroerende goederen te gebruiken
Enkele karakteristieken verdienen een nadere beschouwing. Naast een
bepaalde periode is er ook sprake van een bepaalbare periode: dit opent de deur voor de
zogenaamde 'floating-systems'
waarbij -veeleer dan
een welbepaalde week (bv. de vijfde week van het jaar)- een eerder vage gebruiksperiode
(bv. een week in de zomer) wordt verschaft. De richtlijn heeft het enkel over het gebruik
van een onroerend goed dat a fortiori voor bewoning bestemd is; roerende goederen
(computers) evenals onroerende goederen zónder woonoogmerk (kantoren, groepspraktijken
van dokters) worden dus van haar toepassingsgebied ratione materiae uitgesloten. De
richtlijn beschermt zowel de al bestaande als de nog op te trekken woningen.
Over de aard van het recht spreekt de richtlijn zich niet uit: "...
een zakelijk recht of enig ander recht..." Trouwens deze bevoegdheid komt, gelet op
art. 222 EG-Verdrag, enkel toe aan de Lid-Staten.
Ratione personae vallen enkel de 'vervreemder' (natuurlijke persoon of
rechtspersoon) in het kader van zijn beroepsuitoefening en de niet professionele
'verkrijger' (alleen natuurlijke persoon) onder het toepassingsgebied van de richtlijn.
Enkel consumenten die van een professioneel handelende vervreemder verkrijgen, worden
beschermd.
De overdracht van een timeshare door een
consument aan een andere consument, de overdracht door beroepsverkopers buiten hun
professionele activiteit, de verwerving door een rechtspersoon of de verwerving door een
beroepskoper vallen buiten de werking van de richtlijn (a contrario redenering uit art. 2
richtlijn).
Ratione loci geldt de richtlijn enkel principieel als het onroerend goed
gelegen is in een lidstaat van de Europese Unie.
Ten slotte kan een particulier zich maar beroepen op de richtlijn ééns
de gestelde termijn waarbinnen haar bepalingen in de nationale rechtsorde moeten worden
omgezet, verstreken is (toepassingsgebied ratione temporis). Art. 12 richtlijn bepaalt
hieromtrent:
"De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen in werking treden om uiterlijk 30 maanden na de bekendmaking in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, aan deze richtlijn te voldoen."
Concreet betekent dit dat de richtlijn moest worden omgezet vóór 29
april 1997. Op het moment van dit schrijven is er nog steeds geen wet voorhanden.
Bovendien treedt -volgens art. 21 van het Belgische wetsontwerp van wet tot omzetting van
de richtlijn (hierna wetsontwerp genoemd)- de Belgische wet pas in werking op de eerste
dag van de vierde maand die volgt op de bekendmaking ervan in het staatsblad...
Dikwijls is een of andere lidstaat te laat
met de omzetting van een richtlijn. Deze laattijdige omzetting kan niet rechtvaardigd
worden door een beroep te doen op moeilijkheden van interne aard
,
noch mag ze aanleiding geven tot het opschuiven van de datum waarop aan de -door de
richtlijn opgelegde- verplichtingen moet worden voldaan.
De vraag rijst welke werking haar bepalingen in tussentijd hebben. Richtlijnen zijn niet
rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsnormen. Dit sluit echter de rechtstreekse werking
bij een niet tijdige omzetting niet a priori uit vermits ook een te laat omgezette
richtlijn particulieren rechten kan verschaffen. Deze kunnen niet worden afgedwongen
tegenover particulieren
(geen horizontale
rechtstreekse werking), wel tegenover de overheid
(wel verticale rechtstreekse werking) die aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door
het gebrek aan tijdige omzetting.
Wel moet -volgens het Francovich-arrest- aan drie voorwaarden voldaan
worden: ten eerste moet het door de richtlijn voorgeschreven resultaat de toekenning van
rechten aan particulieren inhouden, vervolgens moet de inhoud van die rechten met een
voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld en ten slotte moet er een oorzakelijk
verband bestaan tussen de niet (tijdige) omzetting en de geleden schade.
Naar mijn mening zijn dit - het hoge nauwkeurigheidsgehalte van de richtlijn m.b.t.
particulieren indachtig - geen onoverkomelijke voorwaarden...
Gelet op art. 11 richtlijn, staat het de Lid-Staten vrij de verkrijger
een verderreikende bescherming te bieden dan deze door de richtlijn verzekerd, zonder
evenwel zijn verplichtingen te verminderen. Aangaande het toepassingsgebied ratione
materiae maakt het wetsontwerp van deze mogelijkheid gebruik. Art. 2.1. bracht de
jaarlijkse periode waarin het onroerend goed ter beschikking wordt gesteld terug van
minstens 1 week naar minstens 2 dagen.
2. Rechten en plichten: het hart van de consumentenbescherming
In het spoor van de doctrine
maken
we een onderscheid tussen de pré-contractuele, de contractuele en post-contractuele fase.
a. precontractuele fase
Voorafgaand aan het tekenen van de timeshare-overeenkomst dient de
verkoper aan ieder die het vraagt een document te overhandigen dat -ondubbelzinnig,
gedetailleerd en volledig- elke noodzakelijke informatie waarover de koper moet beschikken
bevat
(art. 3.1.richtlijn). Naast een algemene
beschrijving van het goed krijgt de potentiële koper een goed zicht op andere voor hem
essentiële elementen (gedetailleerde omschrijving van het goed, informatie over de aard
van zijn recht, specifieke regels voor vakantiehuizen in aanbouw, gegevens omtrent
gemeenschappelijke voorzieningen en diensten en de voorwaarden om er gebruik van te mogen
maken, prijs, grondslag kostenberekening, het recht om uit de overeenkomst te treden -de
zogenaamde cooling-off-periode- de wijze waarop het onderhoud, de administratie en het
beheer worden geregeld en de identiteit van vervreemder en eigenaar). Dit document wordt
opgesteld in een taal die de eventuele koper kan begrijpen (art. 4, al. 2 richtlijn).
Bovendien vermeldt elke vorm van reclame steeds dat zo'n document bestaat en waar men het
kan bekomen (art. 3.3 richtlijn en art. 6§3 wetsontwerp). De informatieverplichting uit
art. 3.1 richtlijn wordt omgezet door art. 5 wetsontwerp dat bepaalt dat het document
gratis is. Steeds gaat het om een aan de verkoper opgelegde verplichting in de
pré-contractuele fase: de ondertekening van de timeshare-overeenkomst is geen voorwaarde
voor de toepassing van art. 5. De richtlijn en het wetsontwerp stellen dit impliciet:
'ieder die informatie wenst' (respectievelijk 'bij elk aanbod') i.p.v. 'aan de koper'.
Art. 6.§1. wetsontwerp bepaalt dat elke informatie uit het document een
integrerend deel vormt van de overeenkomst en regelt de wijzigingen in de omstandigheden
(omzetting van art. 3.2 richtlijn).
Art. 6§2. wetsontwerp biedt de verkrijger een ruimere keuzemogelijkheid
betreffende de taal dan in art. 4, al. 2 richtlijn het geval is: de taal van de verkrijger
(die hij het best beheerst) respectievelijk de taal van de staat waar hij woont of
onderdaan is.
Art. 6§4 wetsontwerp biedt, daar waar de W.H.P.C. in gebreke bleef, wel
een mogelijkheid om de 'telefoonpraktijken' te beteugelen.
b. contractuele fase
Eerste vaststelling luidt dat alle informatie vervat in het document uit
de precontractuele fase integrerend deel uitmaakt van de overeenkomst (art. 6§1
wetsontwerp ter uitvoering van art. 3.2 richtlijn). Dit heeft voor gevolg dat nog enkele
uitbreidingen toegevoegd worden die minder geschikt zijn om in een eerder algemeen aanbod
vervat te zitten:
a) Periodes van uitoefening van het recht
b) Limitatief karakter van de lasten
c) Ruilmogelijkheden en kosten
d) Datum en plaats van ondertekening
De overeenkomst moet op straffe van nietigheid schriftelijk worden
opgesteld. Opnieuw voorziet het wetsontwerp in bijkomende bescherming voor de consument:
de vermelding betreffende het terugtredingsrecht moet vervat zijn in een aparte en
vetgedrukte clausule die -op straffe van nietigheid- op de voorzijde van de overeenkomst
wordt aangebracht (art.7 in fine wetsontwerp). Art. 7 h) in ogenschouw genomen, maakt het
Belgische wetsontwerp komaf met de 'floating-systems' (cf.supra: punt h) beoogt een
welomlijnde en bepaalde periode aan te duiden.
Art. 4 wetsontwerp (de omzetting van art. 8 richtlijn) voorziet dat elke
clausule die de rechten van de verkrijger, voorzien door het wetsontwerp, beperkt of die
de verkoper vrijstelt van elke aansprakelijkheid van rechtswege nietig is. Dit wijst erop
dat deze bepaling van openbare orde is.
c. post-contractuele fase
De waarborgen omtrent een goede informatieverstrekking kunnen aan kopers
van timeshares echter geen waterdichte bescherming bieden tegen de agressieve
verkoopmethoden van sommige vervreemders. Ondanks de (theoretisch) goede voorlichting kan
het gebeuren dat een consument een timeshare koopt, terwijl hij daar achteraf spijt van
krijgt.
In overeenstemming met art. 5 richtlijn voert art. 9 wetsontwerp twee
mogelijkheden in waardoor de verkrijger -d.m.v. een aangetekend schrijven- afstand kan
doen van zijn overeenkomst:
a)Hij kan zich -zonder reden- terugtrekken binnen 10 werkdagen volgend
op de dag van de ondertekening van de overeenkomst (art. 9§1.1 wetsontwerp). De
afkoelingsperiode laat de verkrijger toe zijn verbintenis beter te beoordelen, daarom mag
in die tijdsspanne geen enkele vorm van betaling (of voorschot) worden geëist of aanvaard
(art. 9§3 wetsontwerp). Deze bepaling is trouwens de omzetting van art. 6 richtlijn. De
verkrijger heeft een langere bedenktijd dan in de richtlijn waar het om kalenderdagen
gaat.
b) De verkrijger heeft eveneens de mogelijkheid om uit de overeenkomst
terug te treden als deze niet de informatie bevat zoals voorzien in art. 7 wetsontwerp,
binnen een termijn van 3 maanden volgend op de dag van de ondertekening van de
overeenkomst. Wie van dit recht gebruik maakt, moet binnen de 10 dagen volgend op de
kennisgeving worden terugbetaald voor de eventueel betaalde sommen (art. 9§4
wetsontwerp).
Aan de uitoefening van de rechten uit a) en b) is geen enkele betaling
van kosten noch vergoeding verbonden (art.9§2. in fine wetsontwerp), wat wederom het
'recht op bezinning' in de verf zet.
Als men weet dat de meeste potentiële kopers tijdens vakanties worden
benaderd, kan men zich de vraag stellen of de termijn uit a) niet te kort is. Immers de
kans om juridisch of fiscaal advies in te winnen wordt door de korte bezinningstermijn fel
ingeslonken. Ongetwijfeld moet deze opmerking worden genuanceerd: in a) gaat het -i.t.t.
b)- over de 'modelovereenkomsten' waarbij de kandidaat-koper al een zeer duidelijk beeld
omtrent zijn toekomstige rechtssituatie voor ogen heeft.
De termijn van 10 dagen begint pas te lopen wanneer de informatie
aangegeven onder art. 7 wetsontwerp is verschaft, d.w.z. bij de ondertekening indien alle
informatie dan reeds is verschaft, eerst bij de mededeling ervan wanneer dat later
gebeurt, de termijn begint wél in ieder geval te lopen 3 maanden na de ondertekening.
Bovendien is het de datum van de verzending van de
herroeping die bepalend is, niet de datum waarop de vervreemder kennis krijgt van deze
herroeping.
De koper die met de verkoper een kredietovereenkomst had afgesloten om
de vakantiewoning te financieren kan als hij rechtmatig uit de overeenkomst treedt ook uit
de kredietovereenkomst treden zonder boetes verschuldigd te zijn (art. 10 wetsontwerp ter
uitvoering van art. 7 richtlijn).
Art. 11 voorziet in een nieuwigheid t.o.v. de richtlijn: de verkrijger
mag de verkoper niet per wissel- of orderbriefje betalen. Ook met art. 12 wetsontwerp
klinkt een nieuwe stem: de verkoper moet voldoende waarborgen aanbieden om bij
insolvabiliteit zijn verplichtingen t.o.v. de verkrijger te verzekeren.
3. Een bijzondere consumentenbescherming in verband met het
Internationaal Privaatrecht (IPR)
Timesharing is een internationaal gebeuren. Het is dan ook niet te
verwonderen dat in een overeenkomst regelmatig gestipuleerd wordt dat buitenlandse
rechtsregels de relatie tussen partijen zullen beheersen. Dit is perfect rechtsgeldig.
Art. 3 EEG-Overeenkomstenverdrag laat de partijen toe zelf het recht te kiezen dat tussen
hen zal gelden, waarbij net zo goed kan worden geopteerd voor het recht van een
niet-verdragsstaat (art. 2 EEG-Overeenkomstenverdrag).
Het hoeft geen betoog dat het in de praktijk zeer dikwijls de vervreemder zal zijn die het
toepasselijke recht bepaalt... Quid nu als dit stelsel minder goed werd uitgewerkt en de
verkrijger garanties ontzegt die hem volgens de richtlijn zouden toekomen?
Om hieraan te verhelpen voorziet art. 9 richtlijn dat ongeacht het
toepasselijk recht
de verkrijger de hem door de
richtlijn toegekende bescherming niet kan worden ontnomen als het onroerend goed zich op
het grondgebied van een lidstaat bevindt. Art. 3§2 wetsontwerp verhindert in sommige
gevallen de toepassing van de wetgeving van een ander land als dit regime de belangen van
de Belgische verkrijger minder behartigt dan op het Europese forum minimaal voorzien werd.
Welke zijn deze gevallen waarin de Belgische wet een vreemd -te weinig verfijnd-
rechtsstelsel 'overruled'?
1) Als het vakantieverblijf in België zelf ligt (art. 3§2.a)
wetsontwerp)
2) Als het onroerend goed op het grondgebied van een andere Europese
staat gelegen is welke de richtlijn niet (correct) heeft omgezet én de verkrijger zijn
woonplaats in België heeft
3) Als het onroerend goed buiten de Europese Unie ligt en een speciaal
aanbod (of reclame ervoor) in België werd gevoerd, op voorwaarde dat de verkrijger toen
of bij het afsluiten van de overeenkomst hier zijn gewone verblijfplaats had.
Ligt het onroerend goed in de Europese Unie dan speelt minimaal de
bescherming van de richtlijn t.o.v. de verkrijger. Quid als het onroerend goed zich buiten
de Europese Unie situeert, en er geen aanbod of reclame plaatsgreep in België? Blijft de
koper op het vlak van de consumentenbescherming niet in de kou staan daar de richtlijn
ratione loci geen toepassing vindt op bv. de Bahamas?
De Belgische koper die bv. ten gevolge van een agressieve
verkoopstechniek -bv. geen afkoelingsperiode- zich een kat in een zak liet aansmeren, kan
zich tot de Belgische rechter wenden. Deze zal Belgisch IPR toepassen: het toepasselijk
recht is -het criteria van de nauwste band indachtig- de lex rei sitae, het recht van de
plaats van de ligging van het onroerend goed, i.c. de Bahamas (art.4.3.
EEG-Overeenkomstenverdrag). Als de koper veel geluk heeft, verkrijgt hij een beschermde
positie volgens het recht van de Bahamas. Daarnaast wordt hij beschermd door art. 7.2.
EEG-Overeenkomstenverdrag:
"Dit verdrag laat de toepassing onverlet van de bepalingen van het
recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht,
het geval dwingend beheersen."
Enkel de dwingende Belgische bepalingen kunnen worden ingeroepen...
Anders dan in Nederland
bepaalt het Belgische
wetsontwerp nergens dat het hier om dwingend recht gaat. Wanneer een wetsbepaling niets
zegt over haar dwingend of aanvullend karakter, moet men haar formulering onder de loupe
nemen: als zij door haar krachtdadigheid of absoluutheid elke afwijking uitsluit is zij
van dwingend recht.
Dit is m.i. in casu zeker het
geval (vb. art.5,7,9 Wetsontwerp).
4. Sancties op de niet-naleving van de wet
Volgens art. 10 richtlijn bepalen de Lid-Staten zelf welke gevolgen de
niet-nakoming van de richtlijn heeft. In België opteerde men voor de vordering tot
staking, de handelsrechtelijke doordruk van art. 1382 B.W. en voor strafbepalingen. Ook
moet worden gewezen op de in de tijd beperkte mogelijkheid van ontbinding zonder dat deze
met schadevergoedingen wegens terugtred gepaard gaat.
Tot slot werd een hoofdstuk gewijd aan de opsporing en vaststelling van
de bij wet verboden daden (art. 16-18 wetsontwerp).
IV. Een poging tot beknopt besluit
Timesharing of om met haar Belgische variant multi-eigendom te spreken,
presenteert zich als een relatief nieuwe formule waarbij verschillende personen
achtereenvolgens gedurende een telkens weerkerende welbepaalde periode van het jaar het
genot of gebruik hebben van bv. een vakantiewoning.
Voor een goed begrip van zaken moet er een onderscheid gemaakt worden
tussen haar 'zakenrechtelijke' en 'verbintenisrechtelijke' aspecten. Deze laatsten kwamen
op het Europese forum tot stand en worden bijgevolg gekenmerkt door een minimale
uniformiteit. Omtrent de aard van het recht van de timeshare-gebruiker daarentegen,
ontbreekt elke vorm van eensgezindheid zowel tussen Lid-Staten als internrechterlijk. In
deze bijdrage werd treffend geïllustreerd dat dit het gevolg is van een gans arsenaal van
juridische kaders die in aanmerking kunnen worden genomen om eenzelfde levensfeitelijke
werkelijkheid te bestrijken. Toegespitst op de vergelijking België-Frankrijk werd
aangetoond dat beide landen in de richting van een ander kader gedreven worden omwille van
de gans verschillende opvatting over het oplossen van het 'probleem van de tijd'. Zo zit
timesharing volgens de opvatting van de heersende Belgische doctrine verankerd in de
figuur van de vrijwillige mede-eigendom, terwijl Franse juristen hun heil zochten in het
vennootschapsrecht.
De exhaustieve beschrijving en uitdieping van elk mogelijk
classificatiekader zou de omvang van dit seminariewerk ver overschrijden. Bovendien rijst
de vraag of er überhaupt wel van exhaustiviteit sprake kan zijn: daar recht immer
mensenwerk is, zullen er steeds creatieve juristen te vinden zijn die nog niet eerder
beproefde kaders groen licht geven. Wel werd de grote tendens, die met elke kwalificatie
onlosmakelijk verbonden is, in de verf gezet: de impliciete keuze tussen de zakelijke of
persoonlijke geaardheid van het recht van de gebruiker.
In globo worden zakelijke rechten gekenmerkt door een streng formalisme.
Dit wordt echter ruimschoots gecompenseerd door een niet te verwaarlozen zekerheid.
Persoonlijk rechten zijn hiervan het perfecte spiegelbeeld: grote soepelheid, maar men is
maar zo sterk als zijn contractspartij. Het hoeft geen betoog dat een zakelijk recht de
consumenten een sterkere positie verschaft en dat het -vanuit hun oogpunt- verkieslijk is
voor een kwalificatiekader te opteren dat tot dit resultaat leidt. De zekerheid is echter
geen zekerheid omdat de onderbouw van de meeste zakelijke kwalificatiekaders gesteund is
op de techniek van de vrijwillige onverdeeldheid welke het risico loopt te worden
aangetast door een (te) strikte interpretatie van art. 815 B.W., stellend dat geen der
deelgenoten verplicht kan worden in onverdeeldheid te blijven.
Omdat het consensusmodel definitief verloren lijkt, is een wettelijk
ingrijpen noodzakelijk. Op dit moment kan multi-eigendom (de gerechtigde heeft een
zakelijk recht) alleen onbetwistbaar worden geregeld door die regimes die art. 815 B.W.
juridisch (appartementsmede-eigendom met die nuance dat niet alle ressorts appartementen
zijn...) of feitelijk (la nouvelle propriété) uitsluiten.
Door de mondialisering van het concept namen ook de misbruiken toe.
Daarom werd een harmoniserende richtlijn in het leven geroepen die de consument een
optimale bescherming biedt. In een begrijpelijke taal moet elke voor hem belangrijke
informatie uitdrukkelijk worden meegedeeld. Aldus wordt -in theorie- voorkomen dat de
verkrijger knollen voor citroenen koopt. Ook geniet hij van een afkoelingsperiode waarin
hij zich kan bezinnen over zijn eventuele onbesuisdheid.
Het Belgische wetsontwerp heeft de Europese minimumregels hier en daar
wat verstrengd teneinde de koper een nog ruimere bescherming te kunnen garanderen (langere
afkoelingsperiode, kortere minimumduur om onder het toepassingsgebied te ressorteren, het
verbod om per wisselbriefje te betalen, een groter aantal inlichtingen in de contractuele
fase, voldoende solvabiliteit in hoofde van de verkoper).
Law in the books is evenwel not law in action. Als deze bepalingen echt
werkzaam kunnen annex zullen zijn, zullen donkere wolken aan de timeshare- (zevende?)
hemel verdwijnen. Wel is het jammer dat de wetgever niet van de mogelijkheid gebruik
gemaakt heeft om ineens de wettelijke lacune aangaande vrijwillige mede-eigendom op te
lossen. Multi-eigendom... belangrijke lichtbakens werden uitgezet, maar het schip is de
haven nog niet binnen...