Case
Identification
Date of Decision: 2007-04-16
Tribunal: Hof van Beroep te Gent – Court of Appeal Ghent
Case Number: 2006/AR/477
Parties: Dat-Schaub International a/s / Kipco-Damaco N.V.
Seller’s Country: Belgium
Buyer’s Country: Danmark
Goods involved: meat
Judges: Vanherpe
Status:
unpublished
Classification
of issues present
Application
of CISG: yes
CISG
Provisions applied: art. 38, 39 and 40
EXAMINATION
– NOTIFICATION PERIOD
English
summary
The period for the examination of the goods and
the notice of lack of conformity cannot be dependent on a procedure which was unilaterally
made up by the buyer. The judge considers that an examination and notice period
of 2 weeks is too long for frozen meat products.
Text of the decision
Hof van beroep te Gent
7bis Kamer
Terechtzitting van 16-04-2007
20061AR1477
in de zaak van:
DAT-SCHAUB INTERNATIONAL A/S, woonstkiezende ten kantoor van Mtr. BRIJS
Stan te 1170 BRUSSEL, […], met zetel te […] (Denemarken), […]. appellante,
hebbende als raadsman mr. BRJJS Stan, advocaat te 1170
BRUSSEL[…]
tegen:
KIPGO-DAMACO N.V.,
met maatschappelijke zetel te 8780 OOSTROZEBEKE, […], ingeschreven
met KBO-nummer […],
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. VAN HEUVEN Dirk, advocaat te
8500 KORTRIJK, […]
velt het Hof het volgend arrest:
De partijen
zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun
stukken en besluiten.
*
Het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 24
februari 2006 tegen het vonnis d.d. 17 oktober 2005 gewezen door de rechtbank
van koophandel te Kortrijk, vierde kamer, is tijdig en regelmatig naar de vorm.
Het is ontvankelijk.
Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.
*
Gezien de vaststelling op de inleidingzitting van 20 maart 2006 van de
pleitdatum na minnelijk akkoord tussen de partijen tot regeling van de
conclusietermijnen en gezamenlijke aanvraag tot verlening van een pleitdatum
zoals neergelegd te zelfder inleidingzitting.
I.
A.
Met dagvaarding d.d. 3 september 2004 vordert de vennootschap naar Deens recht
“Dat-Schaub International AIS”, de appellante, de veroordeling van de NV
Kipco-Damaco, de geïntimeerde, tot betaling van 77.779,62 EUR, meer de
moratoire intresten vanaf 14 januari 2004.
Met proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 30 december 2004 formuleert
de appellante dezelfde vordering ten laste van de geïntimeerde, omdat de geïntimeerde
de nietigheid van de voormelde dagvaarding inriep wegens strijdigheid met de
taalwetgeving.
Voor de eerste rechter vordert de geïntimeerde de afwijzing
van de vordering van de appellante en formuleert zij tevens een tegenvordering
tot veroordeling van de appellante tot betaling van 2.500 EUR wegens tergend en
roekeloos geding alsook tot betaling van 5.000 EUR voor haar verdedigingkosten.
B.
De vordering van de appellante is een vordering tot schadevergoeding wegens
beweerde contractuele wan prestatie vanwege de geïntimeerde.
De appellante houdt voor dat de geïntimeerde diepgevroren mechanisch ontbeend
kalkoenvlees heeft geleverd waarin pluimen zijn teruggevonden. Dit brengt met
zich mee dat het vlees niet meer conform kan worden aangezien aan wat was
overeengekomen.
II.
De eerste rechter voegt de beide zaken samen (zowel die welke is ingeleid bij
dagvaarding als die welke is ingeleid bij procesverbaal van vrijwillige
verschijning) en verklaart de respectieve hoofd- en tegenvorderingen
ontvankelijk doch ook beide ongegrond.
III.
A.
De appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de toekenning
van haar oorspronkelijke vordering ten laste van de geïntimeerde
.
Er zij akte genomen van de vorderingen vanwege de appellante tot kapitalisatie
van de intresten op diverse data.
Bovendien eist de appellante de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling
van een forfaitair bedrag van 12.500 EUR voor de kosten van zowel haar Deense
als Belgische raadslieden, gemaakt met het oog op het verkrijgen van een
contractuele schadevergoeding vanwege de geïntimeerde.
B.
De geïntimeerde vraagt de afwijzing van het hoger
beroep als onontvankelijk, minstens ongegrond.
Verder formuleert de geïntimeerde incidenteel beroep, met uitbreiding van de
oorspronkelijke tegenvordering, tot toekenning van een vergoeding voor tergend
en roekeloos geding alsook tot betaling van een vergoeding voor
advocatenkosten. Zij vordert de veroordeling van de appellante tot betaling van
in totaal 12.500
EUR.
In de motivering van haar besluiten formuleert de geïntimeerde eveneens
incidenteel beroep tot vernietiging van de inleidende dagvaarding van 3
september 2004 wegens strijdigheid met de taalwetgeving (zie ook hieronder punt
II).
BEOORDELING
VOORAF
De geïntimeerde reikt geen rechtsgronden noch feitelijke elementen aan waaruit
zou kunnen volgen dat het hoger beroep als onontvankelijk
zou moeten worden afgewezen.
Het hof vermag zijnerzijds evenmin ambtshalve op te werpen gronden te ontdekken
waaruit zou kunnen volgen dat het hoger beroep
onontvankelijk is.
Zoals hierboven reeds aangestipt, het hoger beroep is
regelmatig en tijdig.
Het is ruim gemotiveerd.
Er liggen geen elementen voor waaruit in redelijkheid zou kunnen volgen dat de geïntimeerde
niet wist waarover het eigenlijk ging.
Het hoofdberoep als dusdanig, is ontvankelijk.
II.
De eerste rechter heeft ten onrechte de dagvaarding van 3 september 2004 niet
nietig verklaard wegens strijdigheid met de taalwetgeving.
Terecht vermeldt de eerste rechter en het hof herneemt ook desbetreffend wat
volgt:
“Artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in
gerechtszaken bepaalt: “Voor de burgerlijke rechtbanken en de rechtbanken van
koophandel, van eerste aanleg en de arbeidsrechtbanken, die hun zetel hebben in
de provincies (...) West-Vlaanderen (...), wordt de gehele rechtspleging
in betwiste zaken in het Nederlands gevoerd.”
Daaruit volgt dat het inleidend dagvaardingsexploot,
dat een zaak aanhangig maakt voor de rechtbank van koophandel te Kortrijk, provincie
West-Vlaanderen, geheel in het Nederlands moet gesteld worden.
Art. 40 van de wet van 15 juni 1935 bepaalt dat de
regels op de taalwetgeving voorgeschreven zijn op straffe
van nietigheid. Bij niet-naleving van art. 2, moet de rechtbank
zelfs ambtshalve de dagvaarding nietig verklaren.
Voor de correcte toepassing van die wettelijke bepaling moet er echter wel
onderscheid gemaakt worden tussen essentiële en niet-essentiele vermeldingen in
de dagvaarding (Lindemans L., Taalgebruik in Gerechtszaken, A.P.R., nr. 76); De
eentaligheid van de akte wordt niet aangetast door anderstalige woorden of
zinnen, die ais overtollig kunnen beschouwd worden (Lindemans L.,
Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer,
Taalgebruik in gerechtszaken, art. 1, p. 4, nr. 4).
Waar de appellante
het in de eerste alinea van de inleidende dagvaarding heeft over frozen
mechanically de-boned turkey meat” (hierna “het MDM”-vlees) “, raakt de
appellante een bijzonder essentieel aspect aan, met name
dat het voorwerp van de koopverkoop diepgevroren ontbeend kalkoenvlees betreft.
Nergens kan in de inleidende dagvaarding worden gelezen dat dit het concrete
voorwerp van de koopverkoop is.
De verwijzing naar “MDM”-vlees volstaat niet om dit te begrijpen als
diepgevroren mechanisch ontbeend kalkoenvlees. Nergens kan worden vernomen dat
“MDM”-vlees aisdusdanig gemeenzaam in het Nederlands
taalgebied bekend is, noch als afkorting, noch als voluit geschreven.
Aldus is een essentieel element van de dagvaarding in een andere dan de
Nederlandse taal neergeschreven, doch in de dagvaarding onvertaald gebleven.
De inleidende dagvaarding is nietig.
Het in de motivering van de besluiten voor de geïntimeerde geformuleerde
incidenteel beroep desbetreffend, is bijgevolg niet alleen ontvankelijk doch ook
gegrond (zie o.m. synthesebesluiten voor de geïntimeerde, neergelegd op 16
oktober 2006, blz. 7 in fine en blz. 8).
Een en ander heeft evenwel naar de verdere beoordeling
van de zaak ten gronde, geen enkel gevolg, gezien het hierboven reeds vermelde
proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 30 december 2004.
TEN GRONDE
I.
Voor de feitelijke achtergrond verwijst het hof naar het ruime en exhaustieve
relaas zoals gegeven door de eerste rechter in het bestreden vonnis onder “FEITEN’,
blz. 2 tot en met 6, initio).
II.
Op de juiste gronden die het hof alhier uitdrukkelijk
als herhaald aanziet behalve waar zij strijdig zouden zijn met wat in
onderhavig arrest wordt overwogen, heeft de eerste rechter onder punt ” III.
Ten gronde”, onderdelen “ A. Omtrent
de beweerde aanvaarding van de goederen” en” B. Omtrent
de tijdigheid van het protest “, de vordering van de appellante afgewezen
als ongegrond.
Het hof
herneemt niet het punt C. Louter volledigheidshalve: schade” van het
bestreden vonnis.
III.
A.
a.
De appellante kan niet gevolgd worden in een eerder ‘exegetische’ analyse van
de mail van de geïntimeerde aan de appellante d.d. 3 december 2003, waarbij de geïntimeerde
bevestigt dat de stukken (vlees) die vederhuizen zouden kunnen bevatten niet
gebruikt zijn geworden voor de productie, zodat alle risicofactoren werden
vermeden (vrije vertaling van: “The parts which could contain featherhuls have not
been used for your production so that all risks factors have been avoided’
(zie stuk nr. II, 2, dossier appellante).
Eruit kan geenszins worden besloten dat er een gebrek
zou zijn aan goede trouw en consistentie in de verdediging van de geïntimeerde
en / of dat” de geïntimeerde weet heeft van fouten in haar productieproces,
nl. van de mogelijkheid dat veren in het “MDM-vlees” kunnen terechtkomen “ (zie
syntheseconclusies neergelegd voor de appellante op 15 september 2006,
blz. 14, medio).
Integendeel, uit de mail blijkt dat de geïntimeerde haar eigen productieproces
van het diepgevroren kalkoenvlees goed kent en voorhoudt precies al het nodige
te hebben gedaan om elke risicofactor te vermijden.
Overigens, de centrale problematiek ten deze ligt bij het antwoord of er sprake
is van at dan niet tijdigheid van het protest zoals geuit door de appeltante
(zie verder hieronder).
b.
Het hof neemt evenmin de analyse over van de geïntimeerde, waar zij onder
verwijzing naar de mail van de appellante van 26 november 2003, voorhoudt dat de
goederen als aanvaard moeten worden aangezien. Deze mail bevat onder meer volgende zin: Your MDM has been well received in the
Philippines.
They liked the product
and in beginning of December. “(vrij vertaald door het hof: “Uw diepgevroren mechanisch ontbeend kalkoenvlees is goed
ontvangen in de Filippijnen. Zij houden ervan in het begin van december.”) (zie
stuk nr. 11, 1, dossier appellante).
De bewoordingen van die mail zijn zeer vaag en laten zeker niet toe te
besluiten tot een aanvaarding van wat dan ook, laat staan in de juridische
betekenis van het begrip “aanvaarding” zoals de geïntimeerde het wil doen
begrijpen.
c.
Geschriften die opgesteld zijn door personen die niet de gebruikte taal als
moedertaal hebben, moeten bijzonder omzichtig worden benaderd naar hun
juridische draagwijdte toe.
B.
Art. 40 van het Weense Koopverdrag is niet van
toepassing.
Dit artikel 40 luidt als volgt:
“De verkoper kan zich niet beroepen op het bepaalde in artikelen 38 en 39,
indien het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst betrekking heeft
op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij
niet aan de koper heeft bekend gemaakt.”
Alhier wordt ofwel de kwade trouw in
hoofde van de verkoper bedoeld, ofwel een grove nalatigheid in diens hoofde.
Noch het een noch het ander wordt vermoed. De bewijslast is bij de koper.
Uit de feitelijke elementen van de zaak volgt niet dat er sprake is van kwade
trouw dan wel grove nalatigheid in hoofde van de geïntimeerde
.
De gebeurlijke aanwezigheid van veren in het vlees, is “op zich” onvoldoende om
te besluiten dat de verkoper ervan hiervan kennis had of grovelijk nalatig zou
zijn geweest.
C.
Zelfs als aangenomen zou worden dat de eerste (twee) containers die bij Pure
Foods (uiteindelijke afnemer van de goederen) aankwamen op 19 november
2003, pas “écht” beschikbaar waren de dag erop, dan nog is een protest op 3
december 2003 als laattijdig te aanzien.
Bij een en ander mag ook niet uit het oog worden verloren dat het voedingswaren
betreft, waar een verregaande diligentie van alle betrokkenen — alleszins ook
in internationale context — noodzakelijk is.
De appellante geeft een gedetailleerd overzicht van de termijnen die volgens
haar nodig zijn I waren om de goederen te onderwerpen aan de nodige
keuringen.
Het valt op dat de appellante hierbij een scherp chronologisch onderscheid
maakt tussen een microbiologisch en chemisch
keuren/testen (wat vier à vijf dagen in beslag zou nemen), waarop pas dan
andere aspecten van de keuring aan de orde zouden komen. De “tweede stap” in de
keuring zou blijkbaar pas kunnen worden aangevat na uitvoering van die eerste
stap (microbiologisch en chemisch keuren).
Pas bij die “tweede stap” zou kunnen vastgesteld worden of er at dan niet aan
het vlees vreemde stoffen aanwezig zijn.
Hierin kan de appellante niet gevolgd worden: de keuring kan bezwaarlijk in
schijfjes gebeuren en kan alleszins niet zomaar afhankelijk worden gesteld van
een procedure die de koper eenzijdig voor zich heeft opgemaakt.
Niets staat uiteraard de partijen in de weg vooraf een procedure overeen te
komen, waarbij een dergelijke procedure wordt vastgelegd, doch dergelijke
afspraak ligt niet voor.
Die eenzijdig voor en door de koper opgestelde keuringsprocedure als dwingend
opleggen voor do verkoper, waardoor de volgens art.
381 van het Weense Koopverdrag “zo kort mogelijke” keuringstermijn uiteindelijk
louter afhankelijk wordt van wat de koper wit of niet wit, kan niet.
Een keuring- en protesttermijn van twee weken is voor dat soort van product
(diepgevroren vlees), te lang. De keuring had ter bestemming in de Filippijnen sneller
en diligenter moeten geschieden.
D.
De appellante kan niet gevolgd worden waar zij, in ondergeschikte orde,
voorhoudt dat het protest alleszins tijdig was voor de andere dan de eerste
container.
Zoals de eerste rechter uit de voorliggende stukken terecht heeft opgemaakt, was
het eerste protest van 3 december 2003 gericht tegen de eerste container (zie
stuk II, 2, dossier appellante, zijnde mail van de appellante d.d. 3 december
2003 waarbij de appellante het heeft over één container die reeds
is afgekeurd (vrije vertaling van: “one container has already been
rejected’)
In diezelfde mail
is vermeld dat de overige containers “aangehouden zijn totdat er een
diepgaander onderzoek is geschied” (vrije vertaling van: “and the rest is
taken on hold until there has been made a deeper investigation”).
De keurings- en
protestplicht zoals volgt uit art. 38 en 39 van het Weense Koopverdrag, bleef
onverkort bestaan in hoofde van de appellante m.b.t. de overige containers.
De
keurings- en protestplicht opschorten voor het allergrootste gedeelte van de
levering, omdat er eerst diepgaander moet onderzocht worden voor het eerste
gedeelte, kan niet. Er kan intussen van alles mee gebeuren.
Diligentie is in internationale context de eerste plicht voor alle betrokkenen.
Uit de analyse zoais uitgevoerd door de eerste rechter (zie bestreden vonnis
blz. 12, eerste vier alinea’s), blijkt dat pas op 12 december 2003 van een
protest kan gesproken worden m.b.t. de overige containers.
Een en ander leidt tot de globale vaststelling van een protesttermijn van twee
tot drie weken na aankomst van de respectieve containers.
Nopens alle containers is er sprake van
laattijdigheid.
E.
De aanspraken van de appellante zijn ongegrond.
A.
Uit de voorliggende elementen en hun bespreking blijkt hoegenaamd niet dat er
sprake is van een tergende dan wel roekeloze ingesteldheid
bij de appellante bij het voeren van de procedure als dusdanig of het
formuleren van haar concrete vorderingen.
B.
Er is geen enkele fout te weerhouden in hoofde van de appellante, zodat er geen
enkele voldoende aanleiding noch voldoende oorzaak is om enige vergoeding aan
de geïntimeerde toe te kennen voor advocatenkosten.
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak
Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik
in gerechtszaken;
Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep
beide ontvankelijk;
Verklaart het hoofdberoep ongegrond;
Verklaart het incidenteel beroep gedeeltelijk gegrond:
Verklaart de dagvaarding van 3 september 2004 nietig.
Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.
Veroordeelt
de appellante tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure,
niet vast te stellen aan haar zijde daar zij te haren laste blijven, en
vastgesteld aan de zijde van de geïntimeerde op 485,87 EUR
rechtsplegingvergoeding zoals geïndexeerd.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep
te Gent, ZEVEN bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van ZESTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN
Aanwezig
P. VANHERPE
Raadsheer, alleenrechtsprekend
F. JODTS Griffier