Case
Identification
Date of Decision: 2007-01-22
Tribunal: Hof van Beroep te Antwerpen – Court of
Appeal Antwerp
Case Number: 2006/AR/384
Parties: B.V.B.A.
I.T.M. / S.A.
MONTANIER
Seller’s Country: France
Buyer’s Country: Belgium
Goods involved: road sweeping vehicles
Judges: Renaers, De Baets and Ponet
Status: unpublished
Classification
of issues present
Application
of CISG: yes
CISG
Provisions applied: art. 35 and 36
EEX CONVENTION:
art. 2 and 5
JURISDICTION
– INCOTERMS – PLACE OF PERFORMANCE
English
summary
The Incoterm “ex usine Saumur” does not necessarily mean that the place
where the sellers’ obligation has to be performed is in France. The
court has to examine where the duty to deliver a good in conformity with the
contract (in the sense of art. 35 CISG) needs to be performed.
Text of the decision
Zitting van: 22 JANUARI 2007
Het HOF VAN BEROEP, zitting
houdend te
ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke
zaken, heeft volgend arrest gewezen:
In zake : 2006/AR/384:
B.V.B.A. I.T.M., met vennootschapszetel te 3990 Peer, […],
met ondernemingsnummer […];
appellante
tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te
Hasselt d.d. 21 maart 2005;
vertegenwoordigd door Meester D. Steyvers
loco Meester E. Neuts, advocaat te 3960 Bree, […];
tegen:
S.A. MONTANIER, vennootschap naar Frans recht, met
vennootschapszetel te 49400 Saumur, Frankrijk, […];
geïntimeerde
niet verschenen noch vertegenwoordigd;
De door de wet vereiste
procedurestukken worden overlegd, onder meer het op tegenspraak gewezen vonnis
van de rechtbank van koophandel te Hasselt d.d. 21 maart 2005, waartegen hoger
beroep werd ingesteld door middel van een verzoekschrift neergelegd op 3
februari 2006. Er wordt geen akte van betekening voorgelegd. Het hoger beroep is naar vorm en termijn regelmatig. Het is
ontvankelijk.
I.
Bij exploot d.d. 5 oktober 1998 dagvaardde de BVBA ITM (huidig appellante) de
SA Montanier (huidig geïntimeerde) (vordering die in
conclusie werd uitgebreid) teneinde betaling te
vorderen van de volgende bedragen:
- gefactureerde interventiekost: 6.033,31 €
(factuur nr.1194 d.d. 16 september 1998):
- schadebeding 10%: 603,32
€
- bijkomende interventiekosten: 15.235,69 €
- CE-aanpassingskost: 12.000,00
€
- vervangingskost:
9.000,00 €
Totaal: 42.872,32
€
meer de gerechtelijke intresten op 33.269,00 € en de kosten van het geding.
In conclusie vorderde appellante ITM tevens om geïntimeerde Montanier,
in toepassing van artikel 877 Ger.W., te bevelen het
volledig technisch dossier van de 3 City VAC 2000, dat
geleid heef tot de CE-Keuring, binnen de 8 dagen na
betekening van het vonnis bij te brengen onder verbeurte van een dwangsom van
1.000 € per dag vertraging.
Ondergeschikt, indien en voor zover de betwisting zou bestaan aangaande de door
haar voorgehouden gebreken en daaraan gerelateerde schade, over te gaan tot
aanstelling van een ingenieur-expert vertrouwd met
industriële voertuigen, waarbij deze gelast wordt in de werkhuizen van huidig
appellante de desbetreffende drie City VAC 2000 te onderzoeken met als
opdracht:
“Na
te gaan of er objectieve gebreken aanwezig zijn, deze te omschrijven naar hun
aard en omvang en eventuele invloed op de werking van de machines, na te gaan
of de machines in a! hun aspecten beantwoorden aan de conventioneel
vooropgestelde eisen en mogelijkheden, alsmede de op dergelijke producten eventueel
toepasbare normen en voorschriften waarbij eveneens beschrijving gegeven wordt
van de door appellante of in diens opdracht door derden uitgevoerde
aanpassingen en herstellingen, advies te geven omtrent do al dan niet
noodzakelijkheid van die interventies, do herstelkosten en derving te becijferen
van die interventies, een begroting te maken met detail van de uit te voeren
werken teneinde de drie wagens in overeenstemming te brengen met de normen,
voorschriften, vereisten en mogelijkheden zoals deze aanvankelijk mochten
verwacht worden van dergelijke machines, rekening houdende met de tussen parten
gesloten overeenkomst. De herstelduur en derving voor
die aanpassingen te begroten als mede de diverse schade dewelke mogelijk door
appellante kan geleden zijn ingevolge de eventueel vast te stellen
tekortkomingen. Van dit alles een gemotiveerd verslag op te stellen en dit
alles overeenkomstig de regels en voorschriften van
het Gerechtelijk Wetboek.”
II.
De feiten kunnen als volgt samengevat worden:
- Geïntimeerde (Montanier)
maakte op 18 oktober 1995 een prijsofferte over aan appellante (ITM) voor het
leveren van drie borstelwagens type City VAC 2000 over. In deze prijsofferte
gaf geïntimeerde waarborg als volgt:
• op het Kubota onderstel gedurende 12 maanden,
onderdelen en werkuren door Kubota Belgie;
• op het hydraulisch en zuigend gedeelte 12 maanden
garantie op de stukken met uitzondering van de stukken onderhevig aan slijtage
(leidingen, filters, olie enz.)
- Geïntimeerde stelde op 19 maart 1997
een geactualiseerd bestek op waarin betalingsmodaliteiten werden opgenomen.
- Op 20 maart 1997 bestelde appellante
per fax de drie toestellen, af te leveren af fabriek Saumur.
- De drie bezemwagens werden geleverd
op 20 juni 1997. De wagentjes werden ter beschikking gesteld van appellante in
de fabriekshal van geïntimeerde te Saumur. Hiervan
werd een proces-verbaal van ontvangst opgemaakt.
- Er is geen betwisting dat de
integrale koopprijs ten bedrage 740.915,80 FE door appellante vereffend werd.
- In de loop van 1998 vertoonden de
toestellen defecten. In het bijzonder braken de voor- en achterassen van de
wagens wegens overgewicht op de chassis en de
afwezigheid van technische voorzieningen voor het dempen van de trillingen bij
gebruik op de openbare weg.
- Appellante stelde geïntimeerde
volledig verantwoordelijk voor deze gebreken en fouten in de constructie en
voor de schade die hieruit voortvloeide en houdt voor geïntimeerde vanaf
februari 1998 hieromtrent gecontacteerd te hebben.
- Nadat appellante bij fax van 14
februari 1998 geïntimeerde in gebreke stelde met betrekking tot de gebrekkige
werking van de toestellen, reageerde geïntimeerde met het verzoek de zogenaamde
gebrekkige onderdelen aan haar op te sturen. Appellante weigerde evenwel om de onderdelen over te maken en ging
klaarblijkelijk zelf tot herstelling over.
- Appellante maakte een factuur voor
de kosten van herstelling aan geïntimeerde over op 16
september 1998. Geïntimeerde protesteerde deze factuur bij aangetekend
schrijven van 24 september 1998.
- Appellante verkocht de City VAC2000
toestellen door aan een derde firma, Road Sweeper Renting.
- Appellante richtte ene ultieme
ingebrekestelling aan huidig geïntimeerde bij schrijven van 12 augustus 1998.
- Appellante ging over tot dagvaarding
van geïntimeerde bij exploot van 5 oktober 1998, waarbij ze zich beriep op
artikel 1641- 1644 en 1645 B.W., alsmede
op de garantieverplichting gedurende twee jaar die geïntimeerde op zich genomen
heeft.
III.
Bij vonnis d.d. 21 maart 2005 verklaarde de eerste rechter de exceptie van
internationale rechtsmacht ontvankelijk en gegrond en veroordeelde zij huidig
appellante tot de kosten van het geding.
In de motivering komt de eerste rechter tot de volgende besluiten:
1. De exceptie van afwezigheid van
internationale rechtsmacht dient in limine litis opgeworpen te worden. De exceptie is toelaatbaar,
gezien zij in eerste instantie in besluiten door geïntimeerde
werd aangevoerd.
2. Onderzocht dient te worden of de
exceptie eveneens gegrond is. Hieromtrent stelt de eerste rechter het volgende:
2.1. Op
grond van artikel 2 EEX-Verdrag diende huidig geïntimeerde
normaliter voor de Franse rechtscolleges te worden gedagvaard.
2.2. Artikel 5 lid 1 EEX-Verdrag voorziet echter in
een alternatieve bevoegdheidsgrond waardoor de rechtbank bijgevolg eerst dient
te onderzoeken welke verbintenis aan de eis ten grondslag ligt.
2.3. De verbintenis die aan de onderhavige eis ten grondslag ligt, is de
verplichting tot (conforme) levering inzake een
internationale koopcontract. Wanneer een contractuele plicht miskend wordt en
er uitvoering bij wijze van equivalent of vergoeding of herstel geëist wordt,
moet naar de oorspronkelijke verbintenis gekeken worden die aan de vordering in
rechte ten grondslag ligt. Niet de door het recht opgelegde compensatie moet
gelokaliseerd worden als verbintenis, maar wel de verbintenis waarvan de
sanctie de keerzijde vormt van de overtreden verbintenis.
2.4.
Onderzocht dient te worden waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag
ligt, werd of moest worden uitgevoerd. De rechtbank van de plaats van
uitvoering is immers bevoegd over de vordering.
2.5. De
plaats van de uitvoering van de verbintenis wordt geregeld aan de hand van het
op de overeenkomst toepasselijk recht. De rechtbank dient derhalve
in eerste instantie het toepasselijk recht te onderzoeken. In casu hebben partijen geen rechtskeuze gemaakt op grond van
artikel 3 van het Verdrag van Rome van 1980 (EVO) zodat toepassing dient
gemaakt te worden van artikel 4 van het EVO.
Artikel 4 lid 1 stelt dat, voor zover geen keuze overeenkomstig
artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijk recht is gedaan, de
overeenkomst beheerst wordt door het recht van het land waarmee zij het nauwst
verbonden is.
Op grond van artikel 4 lid 2 wordt de overeenkomst vermoed
het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende
prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst
haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of
rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft.
2.6. In koopovereenkomsten wordt de kenmerkende prestatie verricht door de
verkoper, zodat het Frans recht van toepassing is.
De plaats van levering dient op grond van het Frans recht beoordeeld te worden.
In Frankrijk is het Weens Koopverdrag op 1 januari
1988 in voege getreden zodat de plaats van uitvoering aan de hand van het Weens Koopverdrag dient gelokaliseerd te worden.
2.7. Partijen hebben het Weens Koopverdrag buiten
werking gesteld door de opname van Inco terms. Door de vermelding in de bestelling “livraison: ex usine Saumur” (vrij vertaald: “levering: ex fabriek Saumur”) dienden de goederen aldaar
geleverd te worden.
2.8. De Belgische rechtscolleges hebben derhalve geen
internationale rechtsmacht.
IV.
* Appellante verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Het vonnis a quo integraal te vernietigen en opnieuw
recht doende.
Zich territoriaal bevoegd te verklaren om kennis te nemen van onderhavig
geschil.
Dienvolgens de in eerste aanleg uitgebreide vordering van appellante
ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen om aan appellante te betalen de som van
42.872,32 €, meer de
gerechtelijke intresten tot op datum van algehele
betaling berekend op 33.269 €.
Ondergeschikt, alvorens
uitspraak over de grond van de zaak te doen, overeenkomstig
artikel 877 Ger.W. geïntimeerde te bevelen om het
volledig technisch dossier aangaande de 3 City VAC 2000 toestellen, dewelke
geleid heeft tot CE-keuring, bij te brengen en dat
alles binnen de 8 dagen na betekening van de tussen te komen beslissing, zulks
onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 € per dag vertraging.
GeIntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide
aanleggen.
Ondergeschikt, indien en voor zover er betwisting zou bestaan aangaande do door
appellante voorgehouden gebreken en daaraan gerelateerde schade, over te gaan
tot aanstelling van een ingenieur-expert vertrouwd
met industriële voertuigen, waarbij deze gelast wordt de tussen partijen
gesloten overeenkomst alsook levering en optredende euvels betreffende de 3
City VAC2000 te onderzoeken, met volgende (aangepaste) opdracht:
“Na
te gaan aan de hand van alle door parten aan te rekenen informatie en gegevens
of er objectieve gebreken aanwezig waren, deze te omschrijven naar hun aard en
omvang en eventuele invloed op de werking van de machines, na te gaan of de
machines in a! hun aspecten beantwoorden aan de
conventioneel vooropgestelde eisen en mogelijkheden alsmede de op dergelijke
producten eventueel toepasbare normen en voorschriften waarbij eveneens beschrijving
gegeven wordt van de door appellante of in diens opdracht door derden
uitgevoerde aanpassingen en herstellingen, advies te geven omtrent de at dan
niet noodzakelijkheid van de interventies, de gemaakte herstelkosten en geleden
derving te becijferen van die interventies.
Advies te geven of de geleverde 3 City VAC 2000 beantwoorden aan normen,
voorschriften, vereisten en mogelijkheden zoals deze aanvankelijk mochten
verwacht worden van dergelijke machines, rekening houdend met de tussen partijen
gesloten overeenkomst, inzonderheid advies te verlenen omtrent
de vraag of de asbelasting aanvaardbaar was zowel
naar producteigenschappen als naar beoogde gebruik van de toestellen, waarbij
de deskundige rekening moet houden met de technische specificaties van de
fabrikanten van de door geïntimeerde gebruikte onderdelen; advies te geven
omtrent de gevolgschade door inactiviteit en herstelduur”.
* Geïntimeerde concludeert tot de
ongegrondheid van het hoger beroep en verzoekt het Hof
het vonnis a quo te bevestigen en te zeggen voor
recht dat de Belgische rechtscolleges geen rechtsmacht hebben om kennis te
nemen van het voorggend geschil;
In ondergeschikte orde;
De eis van appellante onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.
Dienvolgens appellante te veroordelen tot de kosten van het geding.
V. BEOORDELING
Ter zitting van 9 januari 2007 is geïntimeerde niet verschenen noch
iemand voor haar. Appellante heeft om toepassing van artikel 747 § 2 Ger.W.
gevorderd. Dit werd haar verleend.
***
1. Terecht oordeelde de eerste rechter dat de internationale bevoegdheid inzake het voorliggend geschil met een internationaal
karakter, dient beoordeeld te worden op grond van het EEXVerdrag
van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de
tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat nog van
kracht was op het tijdstip waarop de vordering ingesteld werd op 5 oktober
1998, gezien de EEXVerordening nr. 44/2001 slechts in
werking trad op 1 maart 2002.
Onderzocht dient te worden of de Belgische rechter over internationale
rechtsmacht beschikt voor huidig geschil.
Naar het oordeel van het Hof wordt de rechtsmacht bepaald naar het voorwerp van
de eis zoals deze uit de inleidende dagvaarding blijkt, los van de grond van de
zaak. De geadieerde rechter moet bij de beoordeling
van zijn internationale bevoegdheid geen prejudicieel onderzoek naar de grond
van de zaak voeren.
2. Vastgesteld dient te worden dat
appellante zich in de inleidende dagvaarding op verborgen gebreken (een
foutieve constructie) beroept ten aanzien van geïntimeerde waarbij appellante
haar eis steunt zowel op artikel 1641-1644 B.W. en
artikel 1645 B.W. (de aansprakelijkheid van de
verkoper voor verborgen gebreken naar Belgisch recht) als op de contractuele
garantieverplichting vervat in de offerte van 18 oktober 1995.
Partijen zijn het, in tegenstelling tot hetgeen in de
inleidende dagvaarding wordt vermeld, eens dat het Frans recht van toepassing
is. Zij hebben derhalve een rechtskeuze gemaakt voor
het Frans recht.
Het Hof dient zich bijgevolg niet verder uit te spreken over de vraag of het toepasselijk recht dient bepaald te worden op grond van
artikel 3 van het Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955 betreffende de
toepasselijke wet op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken
(standpunt van geïntimeerde) dan wel op grond van artikel 4 lid I en lid 2 van
het Verdrag van Rome van 1980 (EVO) (standpunt van appellante, hierin gevolgd
door de eerste rechter).
Sedert 1 januari 1988 geldt in Frankrijk het Weens Koopverdrag, zodat toepassing dient gemaakt te worden
van dit verdrag, zoals partijen eveneens uitdrukkelijk stellen. Het Weens Koopverdrag bevat echter slechts regels van suppletief recht.
3. Met de eerste rechter wordt
vastgesteld dat geïntimeerde op grond van artikel 2 EEX-Verdrag
in beginsel voor de voor de Franse rechtscolleges diende te worden gedagvaard.
Op grond van artikel 5, 1 EEX-Verdrag kan appellante geïntimeerde
echter tevens dagvaarden, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis,
die aan de vordering ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden
uitgevoerd.
Onderzocht dient te worden welke de terzake relevante
verbintenis is, die het voorwerp uitmaakt van de rechtsvordering. Met de term
verbintenis wordt immers bedoeld de contractuele verbintenis die aan de
vordering in rechte ten grondslag ligt.
Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat niet de verplichting
tot (conforme) levering inzake een internationale
koopcontract, de verbintenis is die aan de onderhavige eis ten grondslag ligt,
doch wel de verbintenis om een zaak te overhandigen die aan de overeenkomst
beantwoordt in de zin van artikel 35 lid 1 van het Weens
Koopverdrag. Geïntimeerde is gehouden tot vrijwaring op grond van artikel 35
lid 2 van het Weens Koopverdrag, dat bepaalt dat de
koopwaar geschikt moet zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van dezelfde
omschrijving gewoonlijk worden gebruikt.
Anders dan het Belgisch recht maakt het Weens Koopverdrag geen onderscheid tussen de verplichting
tot conforme levering en de verplichting tot vrijwaring voor verborgen gebreken
en legt zij een (algemene) verplichting op aan de verkoper om een zaak te
overhandigen die aan de overeenkomst beantwoordt. Aan de verkoper wordt een vrijwaringsverplichting m.b.t. de conformiteit van het
verkochte goed opgelegd. (J. Herbots, “Verplichtingen van de verkoper”, in Het Weens Koopverdrag, H. van Houtte,
J. Erauw en P. Wautelet (eds.), Antwerpen, Intersentia, 1997, p. 118-121 en p.124-125).
4. Nu vaststaat
welke de contractuele verbintenis is die aan de vordering in rechte ten grondslag
ligt, dient onderzocht te worden waar deze verbintenis dient uitgevoerd te
worden.
De eerste rechter oordeelde dat, gezien in de offerte van 18
oktober 1995 van geïntimeerde melding gemaakt werd van de Incoterm
“ex usine Saumur”, dit
impliceerde dat de verkoper aan zijn leveringsplicht voldeed door de goederen
in zijn bedrijfspand (in Saumur, Frankrijk) ter
beschikking van de koper te houden. De leveringsplaats werd volgens de
eerste rechter derhalve in Frankrijk gelegd en werd op
grond van deze incoterm als bevoegdheidsbepalend
aanzien.
Dit standpunt kan niet gevolgd worden. De terzake (in
hun versie van 1990) toepasselijke Incoterms regelen
immers slechts een beperkt aantal aspecten van het koopcontract. De overige
aspecten worden bepaald door de andere contractuele bepalingen en door de
toepasselijke contractwet, in casu het Weens Koopverdrag.
Incoterms beperken zich tot een regeling van de
kostenoverdracht, de risico-overdracht (levering) en de documentaire
formaliteiten. Zij houden geen gevolgen in voor de gevolgen van een
niet-conforme levering noch voor de vrijwaringsplicht
voor verborgen gebreken (K. Vercauteren, “De
herziening 1990 van de Incoterms”, EJ.L., 1992, 22, nr. 11 en 35-36, nrs.
39-42). In dezelfde zin hebben incoterms
geen gevolgen voor en doen zij geen afbreuk aan de verplichting van een
verkoper om een zaak in overeenstemming met artikel 35 van het Weens Koopverdrag ter beschikking te stellen.
Aan de Incoterm “ex usine Saumur” kan derhalve niet de
draagwijdte gegeven worden dat zij, - op zich -, bevoegdheidsbepalend
is voor de plaats waar de verbintenis dient uitgevoerd te worden
5. Er dient daarentegen onderzocht te worden waar
de verbintenis om een zaak te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt in de
zin van artikel 35 van het Weens Koopverdrag, dient
uitgevoerd te worden.
Of een zaak aan de overeenkomst beantwoordt, moet op grond van artikel 36 lid 1
beoordeeld worden naar de toestand waarin de zaak verkeert
op het tijdstip dat het risico overgaat op de koper, zelfs indien het niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst slechts
na dat ogenblik blijkt.
De Incoterm “Ex usine Saumur” heeft voor gevolg dat alle risico’s van verlies van
of schade aan de goederen vanaf de ter beschikking stelling van de goederen in
de fabriek overgaan op de koper.
Aangenomen dient te worden dat de keuring van de koopwaar in de zin van artikel
38 lid 1 Weens Koopverdrag ook op dat tijdstip dient
te gebeuren.
Op grond van het Weens Koopverdrag, dient de
verbintenis in hoofde van de verkoper om in te staan voor de
vereiste dat een zaak beantwoordt aan de overeenkomst (en dus beantwoordt aan
de vereiste van conformiteit), uitgevoerd te worden op de woonplaats/zetel van
de verkoper. De zetel van geïntimeerde is in Frankrijk gevestigd zodat de
verbintenis op grond van artikel 35 e.v. van het Weens
Koopverdrag in Frankrijk dient uitgevoerd te worden.
6. Appellante beroept zich ten
slotte op de contractuele garantie vervat in de offerte d.d. 18 oktober 1995
waarin volgens haar uitdrukkelijk bepaald wordt dat Kubota
Belgique de waarborg zal verlenen. Gezien deze
onderneming in België gevestigd is, is volgens appellante de litigieuze
verbintenis het nauwst verbonden met België, en dient de waarborgverbintenis en
de vervangende verbintenis in Belgie uitgevoerd te
worden.
De bepalingen in het Weens Koopverdrag over de vrijwaringsplicht van de verkoper (artikel 35 e.v. ) zijn slechts van aanvullend recht.
Het Weens Koopverdrag laat het recht van partijen om vrijwaringsbedingen overeen te komen ongemoeld.
De geldigheid van garantiebedingen dient op grond van de lex contractus, Ifl casu het Frans recht
beoordeeld te worden. De geldigheid van het garantiebeding naar Frans recht
staat evenwel niet ter discussie.
Opgemerkt dient te worden dat de garantie vermeld in de offerte van 18 oktober
1995 opgedeeld is in twee deelgaranties: de eerste garantie betreft onderdelen
en werkuren/handwerk door Kubota Belgie,
het tweede deel betreft het hydraulisch en zuigend
gedeelte van de borstelwagens. Voor dit tweede garantieonderdeel wordt niet
vermeld dat zij door Kubota Belgie
zal verleend worden. Slechts een deel van de garantieverbintenis diende volgens
de offerte van 18 oktober 1995 door een Belgische onderneming uitgevoerd te
worden.
De technische defecten waar appellante naar verwijst in de inleidende
dagvaarding betreffen constructiefouten. Deze worden niet gedekt door de
garantie betreffende onderdelen en handwerk/werkuren die volgens de offerte
door Kubota België werd gewaarborgd.
Verder
dient vastgesteld te worden dat de bestelling van appellante van 20 maart 1997
de garantiebepaling slechts deels herneemt. Appellante vermeldt enkel dat de
garantie gedurende één jaar op onderdelen en verplaatsingen zal gelden. Dat
deze garantieverbintenis door Kubota België diende
geleverd te worden, wordt in de bestelling uitgaande van appellante, niet
herhaald noch bevestigd.
Appellante toont derhalve evenmin aan dat de
contractueel verleende garantieverbintenis in België diende uitgevoerd te
worden.
Derhalve diende noch de wettelijke vrijwaringsplicht
(op grond van artikel 35 van het Weens Koopverdrag)
noch de contractuele garantieverbintenis in België uitgevoerd te worden.
Besuit: de Belgische rechter heeft derhalve
geen internationale rechtsmacht. Het hoger beroep is
ongegrond. Het vonnis a quo wordt bevestigd, zij het
deels op grond van andere motieven.
OM DIE REDENEN
HET HOF
Gelet op artikel 24
van de wet van 15 juni 1935.
Recht doende op tegenspraak in toepassing van artikel 747 § 2
Ger.W. opzichtens geïntimeerde.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch
ongegrond.
Bevestigt
het vonnis a quo zij het deels op grond van andere
motieven.
Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep,
aan de zijde van geïntimeerde niet begroot bij gebrek aan opgave.
Aldus
gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van
TWEEENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZENDZEVEN,
waar aanwezig waren:
de Heer P. RENAERS Voorzitter
de Heer P. DE BAETS Raadsheer
Mevrouw B. PONET Raadsheer
Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier