Case
Identification
Date of Decision: 2006-06-21
Tribunal: Rechtbank van Koophandel Hasselt – Commercial
Court Hasselt
Case Number: A.R.
06/2014
Parties: Globachem N.V. / Distriphytos SARL
Seller’s Country: France
Buyer’s Country: Belgium
Goods involved: pharmaceutical products
Judges: Vanhelmont, Vanstraelen and Nulens
Status: unpublished
Classification
of issues present
Application
of CISG: yes
CISG
Provisions applied: art. 74
COUNCIL
REGULATION 44/2001 OF 22 DECEMBER 2002 (BRUSSELS
I REGULATION)
Art.5
COUNCIL
REGULATION 1348/2000 OF 29 MAY 2000
Art. 4
Art. 6
Art. 14
JURISDICTION – SERVICE - DAMAGES
English summary
The court has jurisdiction, based on art. 5
of the Brussels I Regulation, because the place of delivery is located in Belgium.
The writ of summons has been serviced according to the rules of council
regulation 1348/2000.
The claim for damages under art. 74
of the CISG is accepted by the Court. The court notes
that under the CISG, the court does not dissolve the contract, but only establishes
the fact that the contract has been dissolved (in casu by the seller).
Text of the decision
De
rechtbank van koophandel te Hasselt, eerste kamer, heeft het volgende vonnis
uitgesproken:
in zake:
A.R.06/2014-<GLOBACHEM NV.>,
waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te […];
aanleggende partij, die verschijnt door meester A. De Wolf loco T. Stevens,
advocaat te […]; die conclusies heeft genomen en gepleit heeft in het
Nederlands;
tegen:
<DISTRIPHYTOS SARL>,
vennootschap naar Frans recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is
te FRANKRIJK[…];
verwerende partij, die niet verschenen is ter zitting van 14 juni 06 en tegen
wie een vonnis bij verstek is gevorderd.
Volgt het vonnis.
Bij inleidend exploot van het ambt van gerechtsdeurwaarder P. Winkelmolen te
Hasselt van 8 mei 06 liet eisende partij dagvaarding uitreiken aan verweerster
teneinde deze te doen veroordelen in betaling van € 36.270,00 binnen de 24 uur na de betekening van de tussen te komen uitspraak,
meer de wettelijke verwijlinteresten over deze hoofdsom vanaf 29 maart 06 tot
datum dagvaarding, meer de gerechtelijke interesten over voormelde hoofdsom en
over de verwijlinteresten en zulks tot de dag van de algehele betaling van de
tussen te komen uitspraak, verweerster zich tevens te horen veroordelen tot
betaling van een schadevergoeding conform art. 74 e.v. van het Weens Koopverdrag ten bedrage van € 5.440,5 meer de
gerechtelijke interesten hierover en zulks tot
algehele betaling van de tussen te komen uitspraak en te vermeerderen met de
kosten.
Ter zitting
van 14 juni 06 is Mr. A. De Wolf verschenen voor eisende partij loco A.
Stevens; verweerster is niet verschenen, noch iemand voor haar; Mr. A. De
Wolf heeft een vonnis bij verstek gevorderd; de rechtbank heeft verstek
verleend.
IN FEITE:
Eiseres kocht bij verweerster een farmaceutisch product. Dat diende door
verweerster geleverd te worden franco in de opslagplaats van eiseres te Nieuwerkerken, in dit arrondissement. Eiseres betaalde
voorafgaand aan de levering de factuur van 8 maart 06 t.b.v. € 36.270,00. Na
interpellatie over het uitblijven van de levering (verweerster beweerde zelfs
dat de levering vertrokken was) door de raadsman van eiseres, liet verweerster
gepikeerd weten dat zij doodeenvoudig de bestelling zou annuleren en dat zij de
vervoerder opdracht had gegeven om de waren terug te
brengen. Verweerster kondigde aan de koopsom terug te zullen storten, maar ging
daartoe blijkbaar niet over. Eiseres vordert verweerster te horen veroordelen
tot ontbinding van de overeenkomst “wegens eenzijdige verbreking door
verweerster”, terugbetaling van de gelden en
schadevergoeding.
BEOORDELING:
Voorafgaand aan de vraag naar haar bevoegdheid dient de rechtbank na te gaan of
de Belgische rechtbanken internationale rechtsmacht hebben, rekeninghoudend met
het onderwerp, de hoedanigheid van de partijen en de geografische plaats van de
betwisting (zie Born H., Fallon
M. en Van Boxstael J.-L., Droit
judiciaire international, Chronique
de jurisprudence, 1991-98, Larcier,
Brussel, 2001, p. 54).
De vraag naar de internationale rechtsmacht dient hier
beoordeeld te worden op grond van de Verordening (EG) 44/200 1 van 22 december
00 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de
tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L, 16
januari 2001, afl. L. 12,1 hiema: EEX-Vo) vermits verwerende partij
woonachtig is in een staat, waar de EEX-Vo van
toepassing is. Overeenkomstig art. 26.1 EEX-Vo dient de rechter zich onbevoegd te verklaren wanneer
de verwerende partij met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor
een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, indien
zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van de verordening.
Krachtens de algemene bepaling van art. 2 van de EEX-verordening worden zij die woonplaats hebben op het
grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit opgeroepen voor de
gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor de rechtbanken van een
andere lidstaat worden opgeroepen op één van de gronden aangehaald in de
artikelen 5 tot en met 24 van de EEX-Vo (art. 3.1 EEXVo).
Eiseres beroept zich op art 5 EEX-Vo. Dat luidt, als
volgt:
“Een persoon die woonplaats heeft op het
grondgebied van een Lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende
gerechten worden opgeroepen:
a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst:
voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag
ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd,
b) voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen is
de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
-voor de koop en verkoop van lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar
de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten
worden ...“
Dit heeft
tot gevolg dat voor alle vorderingen inzake koop de
rechtbank van de plaats van de overeengekomen plaats van levering bevoegd is.
Nu de waar door de verkoper in België diende geleverd te worden, hebben de
rechtbanken in België rechtsmacht voor de vordering, die eiseres stelt.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding betekend werd overeenkomstig
de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van
gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken (hiema: BetekeningVo). Bij
toepassing van art. 4 van deze Verordening heeft de gerechtsdeurwaarder op 8
mei 2006 twee afschriften van het exploot van dagvaarding (met vertaling in het
Frans), een aanvraagformulier van ontvangstbevestiging, en een certificaat van
betekening of niet-betekening, alle opgesteld in het Frans, aangetekend
verzonden aan de “ontvangende instantie” zijnde de “Chambre
Nationale des Huissiers de Justice”
te Parijs met het verzoek om binnen de zeven dagen de bij art. 6,10 lid van de
Verordening opgelegde ontvangstbevestiging te geven door het gebruik van het
formulier van ontvangstbevestiging en om zo spoedig mogelijk over te gaan tot
betekening van één afschrift overeenkomstig het Frans recht en teruggave te
doen van bet tweede toegezonden afschrift samen met het certificaat van deze
handeling.
Art. 14 van de Betekening-Vo
laat de bevoegdheid onverlet om de betekening aan zich in Frankrijk bevindende
personen rechtstreeks per post te doen onder voorwaarde van een vertaling in
het Frans of in de taal van de lidstaat van verzending die begrepen wordt door
diegene voor wie het stuk is bestemd.. Rekening
gehouden daarmee heeft de gerechtsdeurwaarder, bij toepassing van art. 40,
eerste lid van het Belgisch gerechtelijk wetboek, eveneens op 8 mei 06, een
afschrift van de dagvaarding bij ter post aangetekend schrijven (met vertaling
in het Frans) verzonden aan de maatschappelijke zetel van verwerende partij in Frankrijk.
De dagvaarding werd met exploot van 12 mei 06 van gerechtsdeurwaarder E. Frans,
Philippe Venisse te La Fleche
(Sarthe) betekend aan verwerende partij op haar
maatschappelijke zetel. Dezelfde gerechtsdeurwaarder bevestigde dit in het
certificaat van betekening van 15 mei 06 dat aan het origineel van de
dagvaarding is gehecht.
De dagvaarding werd bovendien op 10 mei 06 door de postdiensten ter hand gesteld
van de vennootschap, zoals blijkt uit het bericht van ontvangst (roze kaart),
afgestempeld op 10 mei door de postdiensten van Noyen
sur Sarthe.
De dagvaarding werd bijgevolg rechtsgeldig betekend en is zo tijdig geschied
dat verweerder gelegenheid gehad heeft verweer te voeren.
De eis is bij gebrek aan verweer gegrond, met dien verstande dat in de
systematiek van bet Weens Koopverdrag niet de rechter
ontbindt, maar de partijen (zie Van Houtte H., “Het Weens Koopverdrag in het Belgisch
recht”, TBH., 1998, 354). De rechtbank kan enkel
vaststellen dat hier de verkoper ten onrechte de verkoop heeft ontbonden.
Interesten op interesten kunnen niet worden toegekend.
De voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het
gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
OM DEZE REDENEN,
beslist de rechtbank, na beraadslaging, bij verstek:
verklaart de eis toelaatbaar en gegrond,
zegt voor recht dat verweerster de verkoop ten onrechte eenzijdig ontbonden
heeft verklaard,
veroordeelt verwerende partij tot betaling aan eisende partij van € 36.270,00,
meer de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet van 7 % over deze
hoofdsom vanaf 29 maart 06 tot datum dagvaarding, meer de gerechtelijke interesten
over voormelde hoofdsom aan dezelfde interestvoet en zulks tot de dag van de
algehele betaling,
veroordeelt verweerster bovendien tot betaling van een schadevergoeding conform
art. 74 e.v. van het Weens Koopverdrag ten bedrage
van € 5.440,5 meer de gerechtelijke interesten aan 7 % hierover en zulks tot algehele betaling veroordeelt verweerster tot de
kosten, vastgesteld in hoofde van eiseres op € 868,57 en niet vastgesteld in
hoofde van verweerster bij gebrek aan afgifte van omstandige staat aan de
rechtbank,
laat de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe ook al wordt er verzet
of hoger beroep aangetekend.
Aldus
gevonnist in openbare zitting van de eerste kamer van de rechtbank van
koophandel te Hasselt van 21 juni tweeduizendenzes,
alwaar zitting hielden:
P. Vanhelmont, voorzitter van de rechtbank
M. Vanstraelen en R. Nulens,
rechters in handelszaken;
K. Vanhacht, afgevaardigde adinct-griffier.