|
|
|
Case
Identification
Date of Decision: 2006-04-24 Tribunal: Case Number: 2002/AR/2087 Parties: GmbH Lothringer Gunther Grosshandelsgesellschaft für Bauelemente und Holzwerkstoffe / NV Fepco
International Sellers Country: Buyers Country: Goods involved: construction materials (wood) Judges: Renaers, Ponet and Reich Status: unpublished Classification
of issues present
CISG arts. 6 8 9 33 35 34 11 25 26 -29
80 81 53 75 77 85 78 - 74 Applicability choice of law clause Hierarchy of rules will of the parties usages Delivery period Partial deliveries Documents Breach avoidance Mitigation resale Damages calculation Interest - rate lex contractus - capitalization English
summary
According to the general conditions, Belgian
law is applicable. Because this is an
international sale of movable goods, the CISG is applicable. The parties have not excluded the CISG. According to the hierarchy of rules, the terms
of the contract should be applied first, then the CISG and finally Belgian
general law. Thus, the will of the
parties (art. 8) and usages (art. 9), should only be applied if the contract
does not contain a clear term, since the contract precedes the CISG in the
hierarchy. If the buyer cannot prove binding periods for
delivery, he cannot claim late delivery. Partial deliveries are not a violation of
article 35.1 if the buyer has accepted and even requested those, all the more
since he has accepted several partial deliveries without reservation. This is not changed by his non-signing of a
document that was intended to formalize the partial deliveries. Deliveries had to be done cash against
documents. Since the buyer requested
partial deliveries, the seller could do nothing else but handing over delivery
orders in stead of the B/L. If the buyer breaches his obligation to pay the
price and take delivery, the seller can avoid the contract and resell the goods. If, however, he waits six months before he
organizes the resale, he breaches this obligation to mitigate. Two/ three months can be considered as a
reasonable period for a resale. Thus,
damages may be lowered. The seller can claim the insurance fee based on
article 85.1: taking insurance is a reasonable measure for the preservation of
the goods. Based on the same article,
costs of storage can also be claimed. The interest rate is determined by the lex contractus. If there is a resale, the interests only
start to run from the moment of payment of the resale. In order for supplementary damages to be
awarded, the seller must prove that the damage was higher than the awarded
interests. The CISG does not determine whether
capitalization of interests is possible.
In any event, the creditor has to prove that he has the right to
capitalization, e.g. because he had to pay extra interests himself. Text of the
decision
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te
ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend
arrest gewezen: In zake: 2002/AR/2087: de vennootschap naar Duits recht GmbH LOTHRINGER appellante tegen de vonnissen van de rechtbank van koophandel
te Antwerpen d.d. 28 november 2001 en 5 juni 2002; vertegenwoordigd door Meester P. Weegmann
loco Meester L. Verbeke, advocaat te 8000 Brugge, Diksmuidse
Heerweg 126; tegen: N.V. FEPCO INTERNATIONAL (Europe),
met maatschappelijke zetel te 1800 Vilvoorde, Leuvensesteenweg
248 J, met ondernemingsnummer 0411.594.556, (zie stuk 39); geļntimeerde vertegenwoordigd door Meester P. Vermeulen, advocaat
te 1150 Brussel, Tervurenlaan 268 A; Bij tussenarrest d.d. 22 november 2004
verklaarde het Hof het hoger beroep van appellante en
het incidenteel beroep van geļntimeerde ontvankelijk en het hoger beroep van
appellante reeds deels ongegrond in de mate dat appellante vorderde dat de
eerste rechter zich zonder rechtsmacht had dienen te verklaren. Verder werd door het Hof voor recht gezegd dat
de eerste rechter terecht oordeelde dat h rechtsmacht had en bevoegd was cm
kennis te nemen van het geschil. Alvorens verder over de gegrondheid van het hoger beroep van appellante en het incidenteel beroep van
geļntimeerde uitspraak te doen werd een heropening der debatten bevolen
teneinde partijen toe te laten nader standpunt in te nemen over het
toepasselijk recht, in het bijzonder over de implicaties van de
toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag op de
diverse vorderingen en verweermiddelen van partijen. Inzake het toepasselijk recht werd bij
tussenarrest reeds geoordeeld dat: -
een
uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt werd door partijen voor het Belgisch recht op grond van artikel 3 van het EVO-Verdrag zodat het Belgisch recht van toepassing is; -
de
overeenkomst tussen parten een -
Het
Weens Koopverdrag ratione
temporis in Belgiė van toepassing is vanaf 1 november 1997 zodat partijen ertoe
gehouden zijn stand punt in te nemen op grond van het Weens
Koopverdrag en hiervoor een heropening der debatten bevolen werd. II.
1.
Nopens het hoofdberoep: Het hoger beroep
ontvankelijk toelaatbaar en gegrond te verklaren; Het tussenvonnis van 28 november 2001 en
eindvonnis van 5 juni 2002 van de eerste rechter teniet te doen en voor zover
zij de vordering van geļntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaarde, opnieuw
recht doende, de vordering ongegrond te verklaren; In subsidiaire orde, en voor zover als nodig, Fepco International overeenkomstig
artikel 877 Ger.W. te sommeren volgende stukken voor
te leggen;
In de meest subsidiaire
orde; De vordering te herleiden in die zin dat in
hoofdsom niet meer kan worden gevorderd dan 95.989,48 USD en er bovendien niet
meer dan 4% intresten kunnen worden gevorderd; 2.
Nopens
het incidenteel beroep: Deze als ongegrond af te wijzen. 3.
Nopens de vordering van Fepco
wegens tergend en roekeloos hoger beroep: Deze als ongegrond af te wijzen; 4.
Nopens de vordering van appellante wegens tergend en
roekeloos incidenteel beroep: Deze ontvankelijk en gegrond te verklaren; III.
Geļntimeerde concludeert tot de ongegrondheid
van het hoger beroep en verzoekt het Hof: Het incidenteel beroep
ontvankelijk en gegrond te verkaren en d ienvolg ens: ·
Het
vonnis a quo te bevestigen wat betreft:
·
Het
vonnis a quo te hervormen wat betreft:
- Appellante te veroordelen om aan geļntimeerde
de volgende bedragen te betalen:
- De vordering van appellante wegens tergend en
roekeloos incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - De zaak, enkel voor wat betreft de vaststelling
van de uiteindelijke vergoeding voor juridische en advocatenkosten, naar de rol
te verzenden, teneinde geļntimeerde toe te laten het
volledige bedrag aan kosten te bepalen;
IV.
V. VERDERE BEOORDELING. A. De oorspronkelijke hoofdvordering van geintimee rde A.1. Over de toepasselijke rechtsregels Bij tussenarrest van 22 november 2004 werd reeds geoordeeld dat tussen partijen een overeenkomst tot
stand kwam op grond van de orderbevestiging d.d. 4 oktober 1999 en dat
(uitsluitend) de algemene voorwaarden van geļntimeerde van toepassing zijn op
deze overeenkomst. Op grond van artikel 13.0 van de algemene voorwaarden van
geļntimeerde is het Belgisch recht van toe- passing. Bij tussenarrest werd tevens beslist dat,
gezien het geschil een internationale koop van roerende goederen betreft, het Weens Koopverdrag (dat ratione
temporis van toepassing is in Belgiė Sedert 1 november 1997) mede van
toepassing is. Terecht stelt geļntimeerde dat op grond van
artikel 6 van het Weens Koopverdrag partijen
de toepassing van dit Verdrag kunnen uitsluiten, of kunnen afwijken van elk van
de bepalingen hiervan. Partijen hebben de toepassing van het Weens Koopverdrag niet uitgesloten. Wel dient in de
hiėrarchie van de toe te passen rechtsregels, in eerste instantie toepassing gemaakt
te worden van de koopovereenkomst van 4 oktober 1999 (met inbegrip van de
algemene voorwaarden van geļntimeerde), vervolgens van het Weens
Koopverdrag en tenslotte (voor zover als nodig) van
het Belgisch gemeen recht. Appellante van haar kant argumenteert dat de
toepassing van het Weens Koopverdrag op het geschil
voor gevolg heeft dat er belang dient gehecht te worden aan de wil van de
parten teneinde het tussen hen gesloten contract te
interpreteren en dit op grond van artikel 8 van het Weens
Koopverdrag. Bovendien dient er volgens haar rekening
gehouden te worden met de gewoonten en handelsgebruiken die tot een bron van
contractuele verplichtingen worden verheven op grond van artikel 9 van het Weens Koopverdrag. Naar het oordeel van het Hof dient met de
bedoeling van de part en (artikel 8 van het Weens
Koopverdrag) en met de gewoontes en gebruikelijke handelswijzen (artikel 9 van
het Weens Koopverdrag) slechts rekening gehouden te
worden in de mate dat er de koopovereenkomst van 4 oktober 1999 geen duidelijke
bepaling bevat gezien de koopovereenkomst in de hiėrarchie der toe te passen
rechtsregels, het Weens Koopverdrag vooraf gaat. A.2. Over de ingeroepen contractuele
tekortkomingen in hoofde van geļntimeerde Onderzocht dient te worden of geļntimeerde
contractuele wanprestaties kunnen ten laste gelegd worden, zoals ingeroepen
door appellante.
Volgens appellante werden bindende termijnen
voor de drie zendingen bepaald, nI. november, december 1999 en januari 2000 en oordeelde de
eerste rechter ten onrechte dat er sprake was van verwachte verscheping. Met de eerste rechter wordt echter vastgesteld
dat in de koopovereenkomst geen bindende leveringsdata werden overeengekomen.
In de bijzondere voorwaarden wordt immers vermeld: 00k op grond van de brief d.d. 14 januari 2000
van geļntimeerde kan niet besloten worden tot overeengekomen bindende
leveringsdata. Door dit schrijven werd een commerciėle regeling getroffen met
betrekking tot een laattijdige levering, waarbij geļntimeerde een eenmalige
korting toestond ten bedrage van 9.880,42 USD., op voorwaarde dat alle nog te verschepen partijen
werden afgenomen. Deze commerciėle regeling werd (per fax nog dezelfde dag)
aanvaard door appellante. Het betreft derhalve een
commerciėle regeling tussen partijen voor een specifiek incident en geen
schriftelijke erkenning van opgetreden vertragingen. Ten onrechte leidt
appellante uit deze brief een buitengerechtelijke bekentenis met betrekking tot
de vertragingen in hoofde van geļntimeerde af. Nu bindende verschepingstermijnen niet warden
bewezen door appellante, die de bewijslast draagt, bestaat er geen reden om op
het verzoek van appellante in te gaan om geļntimeerde te veroordelen een aantal
stukken bij te brengen teneinde de laattijdigheid van
de leveringen te kunnen bewijzen. In het bijzonder vraagt appellante ten
onrechte dat de inkoopcontracten, de booking notes en de cognossementen zouden warden bijgebracht door
geļntimeerde. Appellante verdedigt bijgevolg ten onrechte dat
de laattijdige leveringen in hoofde van geļntimeerde een inbreuk uitmaken op
artikel 33 b) van het Weens Koopverdrag waarin
bepaald wordt de goederen dienen afgeleverd te worden binnen de overeengekomen
termijn. Er wordt geen inbreuk inzake de tijdigheid
van de leveringen op de overeenkomst van 4 oktober 1999 noch op het Weens Koopverdrag bewezen.
Uit het enkele feit dat geļntimeerde op zeker
ogenblik getracht heeft om de deelleveringen te formaliseren en zij een
memorandum of addendum 1 (stuk 60 van appellante) heeft voorgesteld aan
appellante, - die dit document niet ondertekend heeft - kan geenszins afgeleid
worden dat appellante de deelleveringen nooit aanvaard zou hebben. In laatste conclusie brengt appellante een
nieuw stuk 61 bij waardoor volgens haar aangetoond wordt dat de leveringen door
geļntimeerde een complete chaos waren, met als gevolg dat de klanten van
appellante hun contracten opzegden. Uit het eenzijdig opgestelde nieuwe stuk
(een tabel met vermelding van bestellingen en afnames)
kan in het geheel niet afgeleid worden dat geļntimeerde in gebreke bleef
aangaande haar leveringsplicht. Tenslotte liet ook artikel 3.0 van de algemene
voorwaarden van geļntimeerde deelleveringen toe, waarin bepaald wordt Tenzij anders voorzien, zijn gedeeltelijke
scheepsverzendingen toegestaan naar keuze van de verkoper.
Verder voert appellante aan dat de tussen
partijen afgesloten overeenkomst voorzag dat betaling diende te gebeuren cash against documents (vrije
vertaling: contante betaling tegen documenten), zoals volgens haar blijkt uit
haar contractsbevestiging d.d. 6 oktober 1999 en de orderbevestiging van
geļntimeerde.
Niet betwist wordt tussen partijen dat de
leveringen cash against documents
diende te gebeuren. Vastgesteld dient te worden dat voor elk af te
leveren leveringspakket van goederen een B/L of cognossement wordt opgemaakt,
die aan de houder ervan het recht geeft van de afgifte van de goederen te
vorderen. Wanneer een B/L niet kan afgeleverd worden, onder meer in geval van
splitsing van een verschepingspakket waarop de B/L betrekking heeft, kan deze
vervangen worden door een delivery order of
leveringsorder, die net zoals een B/L aan de houder ervan recht geeft op
afgifte van de goederen waarop zij slaat. Terecht stelt geļntimeerde dat, gezien
appellante verzocht om slechts gedeeltes van de geleverde verschepingspakketten
af te halen, geļntimeerde niet anders kon dan, gelet op de rechten verbonden
aan de B/L, voor de deelleveringen slechts een leveringsorder af te leveren
(zoals blijkt uit de C.2 stukken van geļntimeerde). Overigens erkent appellante
diverse leveringen betaald te hebben ook zonder voorlegging van de originele
documenten, zodat zij hierdoor ingestemd heeft met de gevolgde procedure inzake afgifte van de leveringsorders voor de
deelleveringen. Ten onrechte verzocht appellante geļntimeerde derhalve plots bij schrijven van 13 april 2000 om de
originele documenten (de B/L) over te maken ten laatste op 18 april 2000. Niettegenstaande appellante ten onrechte enkel nog tot
afname van de leveringen wenste over gaan tegen afgifte van de B/L, voldeed
geļntimeerde aan dit verzoek. Geļntimeerde toont immers aan dat zij deze
documenten tegen de door appellante vooropgestelde datum aan appellante
overmaakte (stukken D. 5 van geļntimeerde). Appellante beroept zich derhalve
evenzeer ten onrechte op een contractuele inbreuk dan wet een inbreuk op
artikel 34 van het Weens Koopverdrag inzake de
aflevering van de documenten bij de levering. d) Nopens de kwaliteit van de geleverde platen Appellante houdt voor dat er zeer pertinente
klachten waren omtrent de kwaliteit van de leveringen
hetgeen volgens haar een contractsbreuk in de zin van artikel 35 alinea I van
het Weens Koopverdrag uitmaakt. Appellante voegt
eraan toe dat geļntimeerde slechts voor een deel van deze problemen een
vergoeding betaald heeft. ***
A.3. Over de afnameverplichting in hoofde van
appellante en de ontbinding van de overeenkomst ten laste van appellante Appellante stelt dat
zij gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden op grond van artikel 49 alinea
I a van het Weens Koopverdrag, gezien de
contractsinbreuken in hoofde van geļntimeerde wezenlijke tekortkomingen
uitmaakten in de zin van artikel 25 van het Weens
Koopverdrag. Appellante verdedigt dat zij overeenkomstig
artikel 26 van het Weens Koopverdrag door middel van een kennisgeving d.d. 19
april 2000 de overeenkomst ontbonden heeft. Verder meent appellante dat beide
partijen in geval van ontbinding op grond van artikel 81 van het Weens Koopverdrag van hun contractuele verplichtingen
bevrijd zijn, minstens dat zij bevrijd is van haar aansprakelijkheid op grand
van artikel 80 van het Weens Koopverdrag. Onder A.2. werd reeds
geoordeeld dat geen contractuele wanprestaties in hoofde van geļntimeerde bewezen
warden. Appellante was bijgevolg niet gerechtigd om de overeenkomst als
ontbonden ten laste van geļntimeerde te beschouwen bij schrijven van 19 april
2000. Het is integendeel appellante zelf die haar
contractuele afname- en betalingsplicht niet is nagekomen op grand van de
overeenkomst van 4 oktober 1999, die onder de bijzondere contractsvoorwaarden voorziet Betalingsvoorwaarden. Cash tegen documenten
binnen de 3 dagen van de eerste aanbieding en op grand van artikel 7.0 van
de algemene voorwaarden, waar in een contractuele afname- en
betalingsverplichting wordt voorzien zelfs in geval van betwisting, zij het dat
de aanvaarding en betaling zonder nadeel gedaan warden. Terecht verwijst
geļntimeerde tevens naar artikel 53 van het Weens
Koopverdrag, dat bepaalt dat de koper verplicht is de koopprijs te betalen en
de zaken in ontvangst te nemen, een en ander in overeenstemming met de eisen
van de overeenkomst en het verdrag. Nu geļntimeerde zich terecht op de niet
naleving van de contractuele afname- en betalingsplicht van appellante beroept,
vermocht zij zich op grond van artikel 64 lid I b) van het Weens
Koopverdrag op de ontbinding van het niet uitgevoerde gedeelte van de
overeenkomst beroepen bij schrijven van 27 september 2000, nadat zij bij
schrijven van 25 september 2000 appeflante een
laatste termijn verleende om vooraisnog de
overeenkomst ult te voeren. Bij gebreke hieraan
vermocht geIntimeerde tot de noodverkoop op 28
september 2000 over te gaan. A.4. Over de noodverkoop in toepassing van artikel
77 Weens Koopverdrag en artikel II van de
overeenkomst Ten onrechte houdt appellante voor dat er geen
juridische grondslag voor de vordering van geļntimeerde aangegeven wordt. Geļntimeerde organiseerde immers een
noodverkoop, hetgeen zowel in de overeenkomst (artikel
11.0) als in het Weens Koopverdrag voorzien
wordt. De rechtsgrond van geļntimeerde is dan ook een vordering tot
schadevergoeding na noodverkoop in de zin van artikel 75 Weens
Koopverdrag, waar bepaald wordt dat indien een overeenkomst ontbonden wordt en
de koper of verkoper binnen een redelijke termijn na de ontbinding een
dekkingskoop heeft gesloten, aan de partij die schadevergoeding vordert, het
verschil toekomt tussen de overeengekomen pros en die
van de dekkingskoop, onverminderd haar recht op vergoeding van andere schade overeenkomstig artikel 74. Een partij die zich op de contractuele
tekortkoming van de wederpartij beroept heeft echter ook in toepassing van
artikel 77 van het Weens Koopverdrag een schadebeperkingsplicht.
Door de schending van de schadebeperkingsplicht
in hoofde van geļntimeerde, is de partij die schadevergoeding verschuldigd is,
- in casu appellante -, gerechtigd een vermindering
van de schavergoeding te vragen ten belope van het
bed rag waarmee het verlies had moeten worden beperkt (artikel 77 in fine Weens Koopverdrag). Het Hof zal hiermede rekening houden
bij de begroting van de schadevergoeding die aan geļntimeerde toekomt (cfr. hieronder A.5). Nu reeds
wordt geoordeeld dat de noodverkoop in beginsel binnen een redelijke termijn
van drie maanden diende plaats te vinden. De extrakosten voor de periode na 12
juli 2000 zullen in mindering dienen gebracht te worden van het
aan geļntimeerde toekomende bed rag aan schadevergoeding. Louter volledigheidshalve merkt het Hof nog op
dat appellante ten onrechte het causaal verband tussen
haar tekortkomingen en de door geļntimeerde geleden schade betwist.
Geļntimeerde is op grond van artikel 74 van het Weens
Koopverdrag immers gerechtigd op vergoeding van alle schade die voorzienbaar
was bij het sluiten van de overeenkomst en zij toont afdoende naar recht het causaal verband aan. A.5. Over de gevorderde
schadevergoeding en de
kapitalisatie van de intresten 1. De schadevergoeding Appellante is van oordeel dat de vordering van
geļntimeerde minstens dient herleid te worden. Ten onrechte meent geļntimeerde dat de nieuwe
argumentatie van appellante over de berekening van de kosten na het
tussenarrest van 22 november 2004 niet ontvankelijk is. Nu partijen in het
tussenarrest uitgenodigd werden om nader standpunt in te nemen over het toepasselijk recht, in het bijzonder over de implicaties van
de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag op de
diverse vorderingen en verweermiddelen van partijen stond het appellante
tevens vrij om ook stand punt in te nemen over de omvang van de
schadevergoedingen en dit in het licht van het toepasselijke recht, met in
begrip van het Weens Koopverdrag. De nieuwe
argumentatie van appellante over de berekening van de schadevergoeding is
bijgevolg ontvankelijk. Rekening houdende met de door het Hof
weerhouden schending van de schadebeperkingsplicht in
hoofde van geļntimeerde, komt aan geļntimeerde de volgende schadevergoeding
toe: a)
Het
saldo van de koopprijs na noodverkoop Geļntimeerde vordert de som van 166.539,20 USD
die betrekking heeft op het saldo van de onbetaalde facturen (506.731,39 USD)
waarvan de opbrengst van de noodverkoop werd afgetrokken (374.917,91 USD),
vermeerderd met de som van 3.420,43 USD uit hoofde van verzekering, alsook vermeerderd met de som van 31.305,29 USD uit hoofde van
intresten tot 31 oktober 2000. Appellante betwist de berekening van deze
schadevergoeding met betrekking tot de volgende posten:
Voor de berekening van de houtprijs in het kader van de noodverkoop dient
volgens appellante uitgegaan te worden van een bedrag van 205 USD per m3,
zijnde het bedrag dat geIntimeerde zou hebben
gerealiseerd in geval van tijdige verkoop aan een derde. Volgens appellante kon
geIntimeerde door de Iaattijdige
noodverkoop slechts een bed rag van 187 Euro per m3 verkrijgen. Naar het oordeel van het Hof toont appellante
niet aan dat een bedrag van 205 USD per m3 had kunnen bereikt worden indien de
noodverkoop binnen een kortere termijn had plaatsgevonden. Terecht wijst
geļntimeerde erop dat appellante immers zelf een bedrag van 186 m3 heeft
geboden zodat zij ten onrechte thans voorhoudt dat de in het kader van de
noodverkoop verkregen houtprijs van 187 m3 te laag zou zijn. Bovendien dient
vastgesteld te worden dat appellante de aangerekende houtprijs slechts in
beroepsbesluiten voor het eerst heeft betwist, terwijl noch in de uitvoerige
briefwisseling tussen partijen noch in conclusies in eerste aanleg de
berekening van de houtprijs betwist werd. Aan geļntimeerde komt derhalve
het bedrag van 131 .813,48 USD toe, zijnde het saldo van de onbetaalde
facturen, verminderd met de opbrengst van de noodverkoop, zoals berekend door
geļntimeerde (pagina 12 van de conclusie van geļntimeerde d.d. 4 november
2005).
Naar het oordeel van het Hof is geļntimeerde
gerechtigd een verzekeringspremie aan te rekenen op grand van artikel 85 alinea
I van het Weens Koopverdrag op grond waarvan de
verkoper alle redelijke maatregelen voor het behoud van do zaak moet treffen
wanneer de koper in gebreke blijft met betrekking tot de inontvangstneming van
de zaak of de betaling van do prijs. Het afsluiten van een verzekering voor de
opgeslagen goederen is een redelijke maatregel voor hot behoud van do zaak,
zodat geļntimeerde in beginsel aanspraak kan maken op de terugbetaling van de
verzekeringspremies.
·
Geļntimeerde
motiveert volgens appellante niet hoe do intrestsom van 31.305,29 USD berekend
werd. Bovendien wordt volgens appellante een overdreven hoge intrestvoet
aangerekend. Op grand van artikel 78 van hot Weens Koopverdrag zijn intresten verschuldigd in geval van
laattijdige betaling zonder dat een ingebrekestelling vereist is opdat do
intresten beginnen te lopen. Gezien het Weens
Koopverdrag zich niet uitspreekt over do hoogte van do intrestvoet, wordt deze
bepaald door de lex contractus, in casu het Belgisch
recht.
Er wordt aanvaard dat, wanneer een dekkingskoop
in de zin van artikel 76 van het Weens Koopverdrag
verricht wordt, de intresten lopen vanaf de betaling van de dekkingskoop. Aan
geļntimeerde komen derhalve s!echts conventionele
intresten aan een intrestvoet van 9% toe vanaf de datum van de betaling van de
dekkingskoop, tot de datum der integrale betaling. Een heropening der debatten wordt bevolen teneinde geļntimeerde toe te laten een herberekening te
maken van de door haar gevorderde intresten. b) De opslagkosten
Appellante betwist de stockagekosten
en meent dat deze kosten niet kunnen aangerekend worden. Bovendien wordt de
schadeomvang van deze kosten volgens appellante niet bewezen. Het maken van kosten voor het behoud van de
opgeslagen goederen is een redelijke maatregel voor het behoud van de zaak,
zodat geļntimeerde in beginsel evenzeer aanspraak kan maken op de terugbetaling
van de opslagkosten op grond van artikel 85 alinea I van het Weens Koopverdrag. Geļntimeerde rekent de opslagkosten aan tot 3
november 2000 (zoals blijkt uit haar stukken C.4) Net zoals voor de verzekeringspremies is het
Hof van oordeel dat de extrakosten voor de periode na 12 juli 2000 in mindering
dienen gebracht te worden van het aan geļntimeerde
toekomende bedrag aan schadevergoeding, gezien de noodverkoop binnen deze
redelijke termijn had dienen plaats te vinden. Geļntimeerde kan bijgevolg
slechts aanspraak maken op de opslagkosten tot deze datum en een heropening der
debatten wordt bevolen teneinde geļntimeerde toe te
laten een herberekening te maken van de aan haar verschuldigde opslagkosten tot
12 juli 2000. Geļntimeerde vordert een bijkomend bedrag ten
titel van schadevergoeding van 50.000 USD uit hoofde van
administratieve en managementkosten. Appellante stelt dat deze vorderingen volstrekt
ongegrond dienen verklaard te word en bij gebrek aan enig bewijs van deze
kosten. Op grond van artikel 74 van het Weens Koopverdrag is intrest verschuldigd
bij laattijdige betaling, onverminderd het recht op schadevergoeding. Opdat een aanvullende schadevergoeding onder
het Weens Koopverdrag aanvaard
kan worden, wordt vereist dat de schuldeiser aantoont dat de schade groter is
dan de toegekende intresten. In casu bewijst
geļntimeerde geen bijkomende schade geleden te hebben en toont zij niet aan
gerechtigd te zijn op aanvullende schadevergoeding, temeer daar de algemene
voorwaarden van geļntimeerde geen melding maken van een conventioneel schadebeding
en geļntimeerde zich ertoe beperkt een bijkomende schadevergoeding te vorderen
die zij naar billijkheid schat op 50.000 USD. De vordering van geļntimeerde inzake de administratieve en managementkosten werd terecht
ongegrond verklaard door de eerste rechter. Het incidenteel
beroep van geļntimeerde hieromtrent is ongegrond. d) Koerier- en bankkosten Geļntimeerde vordert een bedrag van 272,44 EUR uit hoofde van koerier- en bankkosten voor het nutteloos
overmaken van documenten. Nu geļntimeerde bewijsstukken voorlegt inzake deze koerier- en bankkosten, wordt het bedrag van
27244 EUR toegekend. Het betreft inderdaad nutteloze kosten die geļntimeerde
gemaakt heeft gezien appellante (ten onrechte) weigerde de goederen af te
nemen. 2. De kapitalisatie van de intresten Geļntimeerde vordert tevens de kapitalisatie
van de intresten. Na kapitalisatie van de intresten vordert geļntimeerde de
betaling van de hoofdsom van 256.652,95 USD te vermeerderen met de intresten
tegen 9% vanaf 20 februari 2005 tot en met de dag der volledige betaling. Appellante stelt dat de door geļntimeerde
gevorderde intresten alleszins dienen herleid te worden en de kapitalisatie van
de intresten kan niet toegekend worden. Vastgesteld dient te worden dat het Weens Koopverdrag zich evenmin uitspreekt over de vraag of
kapitalisatie van intresten mogelijk is. Artikel 78 van het Weens
Koopverdrag heeft het over intresten Besluit inzake de
vordering van geļntimeerde: de vordering van geļntimeerde is nu reeds gegrond voor een bedrag van B. De tegenvordering van geļntimeerde wegens
tergend of roekeloos hoger beroep Geļntimeerde stelt een tegenvordering in wegens
tergend en roekeloos beroep door appeltante en vraagt de veroordeling van
appellante tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 EUR.
Geļntimeerde repliceert hierop dat de
tegenvordering van geļntimeerde wegens tergend en roekeloos hoger beroep van
appellante integraal ongegrond dient verklaard te worden, nu het in tegendeel
geļntimeerde zelf is die zich schuldig maakt aan tergend en roekeloze
procesvoering. Naar het oordeel van het Hof wordt niet
aangetoond dat appellante lichtzinnig en/of kwaadwillig hoger beroep heeft
ingesteld. Bovendien wordt het hoger beroep van
appellante deels gegrond verklaard zodat van een tergend of roekeloos geding
geen sprake is. Tenslotte heeft appellante een uitvoerig en gemotiveerd stand-
punt in rechte ingenomen hetgeen het tergend of
roekeloos karakter van haar hoger beroep volledig tegenspreekt. Geļntimeerde verdedigt ten onrechte dat het
tergend en roekeloos procederen van appellante geļllustreerd wordt doordat
appellante, De tegenvordering van geļntimeerde wegens
tergend en roekeloos beroep door appellante is bijgevolg ongegrond. C. De vordering van appellante wegens tergend en
roekeloos incidenteel hoger beroep Appellante stelt een vordering wegens tergend
en roekeloos incidenteel hoger beroep van geļntimeerde in en vordert de
veroordeling van geļntimeerde tot betaling van de som van 2.500 EUR. Het is niet omdat het incidenteel
beroep van geļntimeerde ongegrond verklaard wordt dat geļntimeerde tergend of
roekloos incidenteel beroep instelde. Hier geldt dezelfde argumentatie als ten
aanzien van appellante: er is geen sprake van lichtzinnigheid en/of
kwaadwilligheid en ook geļntimeerde heeft haar aanspraken op gemotiveerde wijze
verdedigd. De vordering van appellante wegens tergend en
roekeloos incidenteel hoger beroep door geļntimeerde is ontvankelijk doch
ongegrond. D. De juridische kosten
noodverkoop, advocatenkosten en gerechtskosten 1. De juridische kosten noodverkoop en
advocatenkosten Geļntimeerde stelt tevens incidenteel beroep in
strekkende tot veroordeling van appellante tot de juridische kosten noodverkoop
voor een bedrag van 3.01 6,24 USD en de advocatenkosten voor I EUR
provisioneel, met verzending naar de rd voor verdere
vaststelling. Geļntimeerde stelt dat de advocatenkosten niet
kunnen teruggevorderd worden en deze vordering dient afgewezen te worden,
waarbij geļntimeerde ook het quantum van de vordering
betwist. Terecht stelt geIntimeerde
dat de verhaalbaarheid (geļntimeerde spreekt van vergoedbaarheid) van de
advocatenkosten aanvaard werd door het Hof van Cassatie (Cass., 28 februari 2002, R.W,
2002-2003, 19; Cass. , 2 september 2004, R.W., 2004, 535), voor zover deze
advocatenkosten noodzakelijk zijn. Niet betwist kan worden dat de advocatenkosten
in casu noodzakelijk zijn. Onderzocht dient te worden of geļntimeerde het
bewijs levert van de omvang van haar vordering. Inzake de juridische kosten voor de
noodverkoop verwijst geļntimeerde naar een stuk B.22. Dit stuk betreft evenwel
enkel een fax van de raadsman van geļntimeerde d.d. 31 mei 2000 aan de raadsman
van appellante, waarin melding gemaakt wordt van juridische kosten voor
noodverkoop a rato van 3.016,24 EUR.
Geļntimeerde brengt echter geen stukken bij om deze juridische kosten te
expliciteren. Het volstaat niet om in een ingebrekestelling melding te maken
van een (eenzijdig) begrote som voor juridische kosten om vervolgens aanspraak
te kunnen maken op deze kosten. Bij gebreke aan bewijs van deze kosten wordt
dit deel van de vordering ongegrond verklaard. Verder vordert geļntimeerde een som van I EUR
provisioneel voor de advocatenkosten en een verzending naar de rol voor de
vaststelling van het uiteindelijke bedrag. Nu in casu geen
enkele concrete becijfering wordt bijgebracht van de gevorderde kosten en
erebon van de advocaat en geļntimeerde zich enkel beperkt tot het
vooruitschuiven van een provisioneel bedrag, dient te worden vastgesteld dat
deze partij niet de noodzakelijke informatie bijbrengt waarover ze beschikt om
de gevorderde schade juist te begroten, zodat ook de vordering met betrekking
tot de advocatenkosten dient te worden afgewezen. Het incidenteel hoger
beroep van geļntimeerde strekkende tot toekenning van de juridische kosten
noodverkoop en de advocatenkosten is derhalve ongegrond. 2. De gerechtskosten Nu de vordering van geļntimeerde tot betaling
van advocatenkosten ongegrond verklaard wordt, zal geļntimeerde daarentegen wel gerechtigd zijn op de gevorderde
rechtsplegingvergoeding in hoger beroep. **** OM DEZE REDENEN Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Recht doende op tegenspraak; Het tussenarrest van 22 november 2004 verder
uitwerkend; Verklaart het hoger
beroep van appellante alvast deels gegrond; Verklaart het incidenteel
beroep van geļntimeerde ongegrond; Bevestigt het vonnis a quo
in de mate dat de vordering van geļntimeerde ontvankelijk werd verklaard; Hervormt het vonnis a quo
voor het overige, Veroordeelt geļntimeerde alvast tot betaling
aan appellante van de som van 131 .813,48 USD + 272,44 EUR. Wijst het verzoek van geļntimeerde tot
kapitalisatie van intresten af als ongegrond; Alvorens verder over de gegrondheid van het hoger beroep van appellante en van de vordering van
geļntimeerde uitspraak te doen, Beveelt een heropening der debatten teneinde
geļntimeerde toe te laten een herberekening te maken
van Stelt de zaak hiertoe ter zitting van 15 JANUARI 2007 om 11.30 uur, zaal F,
(pleitduur: 60); Verklaart de tegenvordering van geļntimeerde
wegens tergend en roekeloos beroep door appellante ontvankelijk doch ongegrond;
Verklaart de vordering van appellante wegens
tergend en roekeloos incidenteel beroep door geļntimeerde ontvankelijk doch
ongegrond; Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting
van
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |