K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

Date of Decision: 1 June 2005

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt

Case Number: A.R. 05/1505

Parties: Propercarpet BV v. I.O. Building Contracting NV

Seller’s Country: Netherlands

Buyer’s Country: Belgium

Goods Involved: ?

Judges: P. Vanhelmont, R. Nulens, M Vanstraelen

 

Classification of issues

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Art. 1(1)(a),8, 74 & 78

Both parties from countries that are Party to CISG

General conditions – whether part of offer or acceptance – question governed by lex contractus (Netherlands in this case)

European Contracts Convention (Art. 8(2)) – party may avail himself of own law to state that he did not agree with general conditions

Damages and interests determined according to CISG

 

Text of the Decision

in zake:

A.R. 05/1505

<PROPERCARPET BV. vennootschap naar Nederlands recht , ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel te Utrecht …

met zetel te Nederland, 392 1 EC ELST (Utrecht)…;

aanleggende partij, verschillende door meester K. Bynens loco meester P. Libaers, advocaat te 2000 Antwerpen…;

tegen;

<I.O. BUILDING CONTRACTING NV>.

met zetel te 3520 ZONHOVEN…, met ondernemingsnummer…;

verwerende partij, verschijnende door meester N. Segers loco meester L. Linders, advocaat te 3500 Hasselt…;

volgt het vonnis.

Verweerster werd regelmatig gedagvaard bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. Palet, plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder G. Moria te Sint-Truiden van 7 april 2005.

Ter zitting van 25 mei 2005 is meester K. Bynens loco meester P. Libaers verschenen voor eiseres en meester N. Segers loco meester L. Linders voor verweerster. Zij hebben gepleit. De raadsman van eiseres heeft stukken neergelegd.

IN FEITE

Het gaat om internationale koop van roerende lichamelijke zaken.

Volgens eiseres gaat het om niet-geprotesteerde facturen. Verweerster betwist de aankleven van de factuur. Deze komen voort in algemene voorwaarden, die gedeponeerd zijn bij de Kamer van Koophandel te Utrecht en waarvan verweerster betwist dat deze haar kunnen worden tegengeworpen.

BEOORDELING:

Het Weens Koopverdrag geldt rechtstreeks wanneer de landen waar respectievelijk de verkoper en de koper gevestigd zijn op het ogenblik dat zij de overeenkomst sluiten.

Verdragsstaten zijn bij het Weens Koopverdrag. Dat is hier het geval: het Weens Koopverdrag is in België in werking getreden op 1 november 1997 en in Nederland op 1 januari 1992. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de algemene voorwaarden van eiseres voorzien dat Nederlands recht van toepassing is (zie Van Houtte H., Het Weens Koopverdrag in het Belgisch recht, TBH, 1998, 348 nr. 14).

Inzake het Weens Koopverdrag kan de rechtbank het bewijs van de eiseres afleiden uit het gebrek aan protest van de factuur en het bewijs van de goede nakoming van de overeenkomst afleiden uit het gebrek aan protest "tout court".

Het feit of de algemene voorwaarden deel uitmaken van aanbod of aanvaarding inzake het Weens Koopverdrag is behoudens in art. 8.01. (zie Van Houtte H., "Algemene Bepalingen en interpretatie'' in Van Houtte H, Erauw J. en Wautelet P. (eds), het Weens Koopverdrag, Antwerpen 1997, 61 randnummer 2.12) niet geregeld door het Weens Koopverdrag, maar door de lex contractus dat is hier het Nederlands recht, vermits de verkoper de meest kenmerkende prestaties dient te leveren.

In commerciële zaken kan naar Nederlands recht aangenomen worden dat de algemene voorwaarden, die niet gehecht zijn aan partijen bindende stukken, maar ernaar verwijzen, partijen toch kunnen worden tegengeworpen (Couwenbergh I., Algemene Voorwaarden in internationale overeenkomsten, T.B.H, 1993,202). Dat is anders naar Belgisch recht.

Overeenkomstig art. 8.2 EVO kan een partij eventueel op haar eigen recht stemmen om te stellen dat zij haar akkoord met die algemene voorwaarden niet heeft gegeven.

De rechtbank begrijpt het verweer in die zin. Eiseres kan zich niet beroepen op haar algemene voorwaarden om haar schadebeding en conventionele interesten te fluimen.

Art. 74 en 78 van het Weens Koopverdrag voorzien nochtans bij het in gebreke blijven van een partij in interesten en vergoeding voor schade, ook indien partijen daaromtrent niets overeenkwamen. In die omstandigheden kunnen de gevraagde interesten worden toegekend.

De schade wordt ex aequo et bono begroot op 10% van de hoofdsommen van de facturen.

De voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935, op het gebruik van de talen in gerechtszaken, werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN,

beslist de rechtbank, na beraadslaging, op tegenspraak:

Zij verklaart de eis van aanleggende partij toelaatbaar en gegrond.

Zij veroordeelt verregende partij om te betalen aan aanleggende partij de som van € 6.626,54 meer de gerechtelijke intresten aan l0% op € 5.846,98 en aan de wettelijke intrestvoet op € 584,70 tot de dag van betaling.

Zij veroordeelt verwerende partij eveneens tot de kosten van het geding, vastgesteld door de rechtbank voor aanleggende partij op € 589,38 en niet vastgesteld voor verregende partij bij gebrek aan omstandige opgave van staat aan de rechtbank, in deze kosten zijn niet begrepen deze van de uitgifte en eventueel de gedwongen uitvoering van het vonnis.

Zij laat de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe ook al wordt er verzet of hoger beroep aangetekend.

(…)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be