|
|
|
Case
Identification
Date
of Decision: 25 January 2005 Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Tongeren Case Number: A.R. A/04/01960 Parties: Scafom International BV & Orion Metal
BVBA v. Exma CPI SA Seller’s
Country: France (Defendant) Buyer’s
Country: Netherlands/Belgium (Plaintiff) Goods
Involved: steel Judges:
G. Hermans, V. Kun, D. Geurts Classification
of issues
Application
of CISG: Yes CISG
Provisions Applied: Arts 1(1)(a), 6, 8, 9,
11,14, 15, 19, 23, 100 Offer
- purchase order can be offer Offer
and acceptance – CISG does not prescribe form General
conditions – not incorporated in contract; not practice between parties Price
– increase of price by seller – steel price on market increased – not
impediment beyond control Text of the Decision
INZAKE:
A.R. A/04/01960 1.
SCAFOM INTERNATIONAL BV, vennootschap naar Nederlands recht, ingeschreven in de
Kamer van Koophandel te Eindhoven onder het nummer..., met
vennootschapszetel te 6021 PZ BUDEL (NL )...; 2.
ORlON METAL BVBA, ingeschreven in het handelsregisterte Tongeren onder het
nummer..., met ondememingsnummer..., met vennootschapszetel te 3950 BOCHOLT...; AANLEGGENDE
PARTIJ OP HOOFDEIS, VERWERENDE PARTIJ OP TEGENEIS, verschijnendedoor Mter. T.
ICKMANS, advocaat te 3960 BREE...; TEGEN: EXMA
CPI SA, vennootschap naar Frans recht, ingeschreven in het handelsregister te
Thionville onder het nummer..., met vennootschapszetel te 57 971 YUTZ,
FRANKRIJK...; VERWERENDE
PARTIJ OP HOOFDEIS, AANLEGGENDE PARTIJ OP TEGENEIS, verschijnende door Mter. J.
VERLINDEN, advocaat te 1000 BRUSSEL...; Gezien
de inleidende dagvaarding dd.13.5.20O4, betekend door gerechtsdeurwaarder L. BECKERS,
met standplaats te GENK, en de vordering die er het voorwerp van is; Gelet
op de besluiten voor verweerster, neergelegd op 8.6.2004 en 10.6.2004; Gelet
op de besluiten voor verweerster, neergelegd op 18.6.2004; Gelet
op de besluiten voor aanleggendepartijen, neergelegdop 24.6.2004 en 25.6.2004; Gelet
op de beschikking dd. 14.9.2004,gewezen overeenkomstig art.747 § 2 Ger. Wb.; Gelet
op de derde besluiten voor verweerster, neergelegd op 11.10.2004en 12.10.2004; Gelet
op de synthesebesluiten voor aanleggers, neergelegd op 8.11.2004; Gelet
op de vierde besluiten, tevens synthesebesluiten, voor verweerster, neergelegd
op 15.12.2004 en 20.12.2004; Gehoord
de partijen in hun middelen en besluiten in de Nederlandse taal; Gezien
de neergelegde stukken; De
vordering werd tijdig en regelmatig naar vorm en inhoud ingesteld, en er zijn
geen redenen voorhanden tot het inroepen van een ambtshalve grond tot
onontvankelijkheid; Dat
verweerster vordert dat de hoofdvordering ontoelaatbaar, minstens ongegrond, zou
worden verklaard; Dat
de territoriale bevoegdheid van deze rechtbank niet wordt betwist, evenmin als
de materiële bevoegdheid; Er
is geen discussie over het toepasselijk recht. 1.
Voorgaanden (a) De
BV SCAFOM sloot met de SA EXMA een aantal koop-verkoopovereenkomsten betreffende
de levering van warmgewalste stalen buizen bestemd voor de productie van
stellingen, in het kader waarvan zowel de verkoopprijs, de leveringsdatum, als
de plaats van levering (maatschappelijke zetel van de BVBA ORION) schriftelijk
werden vastgelegd. De
aangekochte stalen buizen liet de BV SCAFOM in de fabriek van de BVBA ORION
verwerken. De
volgende modus operandi zou hierbij zijn gevolgd voor de uitvoering van de
overeenkomsten: de
BV SCAFOM maakte aan de SA EXMA een zogenaamde 'purchase order' over, met
vermelding van nummer, hoeveelheid, leveringstermijn, prijs en kwalitatieve
omschrijving waaraan het staal diende te voldoen, met verzoek dit document
ondertekend, en na aanbrenging van een firmastempel van de SA EXMA, terug over
te maken; de
SA EXMA bracht op dit document haar ordernummers aan, en maakte het document
(per fax ) terug over aan de BV SCAFOM. Nadien
nam de BV SCAFOM deze bestellingen op in periodieke listings, waarop de
overeengekomen leveringsdata en hoeveelheden werden vermeld, die nadien werden
overgemaakt aan de SA EXMA. Op
18.3.2004 liet de SA EXMA per fax weten: -
dat zij ertoe gedwongen was, ingevolge de verhoging van de staalprijs en de
onbekende ontwikkelingen hiervan, de overeengekomen verkoopprijzen te
herberekenen; -
dat ze geen reclamatie of protest kon aanvaarden wegens termijnverschuivingen en
hoeveelheidbeperkingen; -
dat ze haar prijsaanbiedingen overmaakte voor alle leveringen, dewelke dienden
plaats te vinden tussen 1.4.2004en 30.4.2004. De
BV SCAFOM doet desbetreffend opmerken dat in dit schrijven (en evenmin in de
andere brieven die door de SA EXMA voor aanvang van de procedure werden
geschreven) door de SA EXMA niet werd verwezen naar haar algemene voorwaarden,
waaruit de BV SACAFOM meent te mogen afleiden dat de SA EXMA deze voorwaarden
(terecht volgens BV SCAFOM) ook niet toepasselijk achtte. Op
19.3.2004 liet de BV SCAFOM schriftelijk weten aan de SA EXMA welke (reeds
bestelde) leveringen nog dienden te worden uitgevoerd, met verzoek zulks zo
spoedig mogelijk, en conform de overeengekomen voorwaarden uit te voeren. Op
23.3.2004 liet de SA EXMA de nieuwe prijzen kennen, waarvoor het akkoord van de
BV SCAFOM werd gevraagd. Na
een mislukte bespreking tussen partijen op 24.3.2004 over de aanpassing van de
prijzen, stelde de SA EXMA bij aangetekend schrijven dd.25.3.2004 dat ze haar
leveringsverbintenissen niet verder zou uitvoeren, tenzij de BV SCAFOM zonder
voorbehoud de in dit schrijven dd. 25.3.2004 opgegeven prijsverhoging zou
aanvaarden. De
raadslieden van de BV SCAFOM lieten op 29.3.2004 weten dat deze laatste zulks
niet aanvaardde, terwijl de SA EXMA ingebreke werd gesteld om haar
leveringsverbintenissen, zoals deze resulteerden uit de
koop-verkoopovereenkomsten, na te leven overeenkomstig deze overeenkomsten,op de
afgesproken termijn en plaats. (b) Bij
exploot dd.31.3.2004 gingen de BV SCAFOM en de BVBA ORION over tot dagvaarding
in kortgeding voor de Heer Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te
Tongeren, gezien de SA EXMA geen nuttig gevolg gaf aan de aanmaning dd.29.3.2004. Bij
beschikking dd.27.4.2004 stelde de kortgedingrechter: "
veroordelen
gedaagde (SA EXMA) tot levering van de staalproducten die het voorwerp
uitmaken van de tot stand gekomen koop-verkoopovereenkomsten tussen gedaagde en
eerste verzoekster (BV SCAFOM )... tegen betaling van de overeengekomen prijs,
volgens de overeengekomen betalingsvoorwaarden, en tegen consignatie bij de
levering en per levering, van de helft van de meerprijs, die door gedaagde in
haarfax van 23 maart
2004 werd gevorderd; veroordelen
gedaagde tot betaling aan eerste verzoekster van een dwangsom van 25 000 EUR
per dag vertraging, voor de leveringen waarvan de leveringsdata op heden reeds
verstreken zijn, bij gebreke aan levering binnen de 20 dagen vanaf de betekening
van onderhavige beschikking; veroordelen
gedaagde tot betaling aan eerste verzoekster van een dwangsom van 5 000 EUR
per dag vertraging voor de leveringen waarvan de leveringsdata op heden niet
versteken zijn, bij gebreke aan levering binnen de 20 dagen na het verstrijken
van de conventioneel overeengekomen termijn, met dien verstande dat de dwangsom
slechts verschuldigd is voor zover de beschikking werd betekend voor het
verstrijken van de termijn van 20 dagen; ... " Bij
verzoekschrift, neergelegd op 10.6.2004, stelde de SA EXMA hoger beroep in tegen
deze beschikking in kortgeding. Dit hoger beroep is nog hangende. (c) Bij
inleidende dagvaarding dd.13.5.2004 vorderden aanleggers ten gronde: “Voor
recht te horen zeggen dat gedaagde gehouden is de leveringen, welke resulteren uit
de koop-verkoopovereenkomsten 700566, 700563, 700566, 700576, 700595, 700605,
700611, 700632 en 700633, opzichtens verzoekster sub 1
uit te voeren aan de in de in het kader van de schriftelijke overeenkomsten
overeengekomen en vastgelegde prijs, conform het dispositief van de beschikking
als geveld door de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren,
zetelend in kortgeding dd 27.4.2004; Voor
recht te horen zeggen dat gedaagde aansprakelijk dient gesteld te worden voor de
(aan) verzoekster sub 1,
ingevolge haar contractuele wanprestatie veroorzaakte schade, welke in dit
stadium, onder voorbehoud van verhoging of vermindering in de loop van het
geding, begroot wordt op een bedrag ad 50 000 EUR, meer vergoedende
intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 25.3.2004, en de gerechtelijke
intresten, en diensvolgens gedaagde te horen veroordelen dit bedrag te betalen
aan verzoekster sub 1, meer gerechtelijke intresten op het bedrag van 50 000 EUR; Gedaagde
te horen aansprakelijk stellen voor de verzoekster sub 2,
ingevolge haar contractuele wanprestatie berokkende schade, welke in dit
stadium, onder voorbehoud van verhoging of vermindering in de loop van het
geding, begroot wordt op een bedrag van 250 000 EUR, meer vergoedende
intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 29.4.2004, en de gerechtelijke
intresten, en diensvolgens gedaagde te horen veroordelen voornoemd bedrag aan
verzoekster sub 2 te betalen; Verzoekster
sub 1 en 2 het recht voor te behouden alle overige middelen in
feite en in rechte te doen gelden in de loop van het geding;...” 2.
Ten gronde (a)
Vooraf Ter
zitting van 4.1.2005 werd een vergeefse verzoeningspoging ondernomen. (b)
Het toepasselijk recht In
voorliggend geval is het Weens Koopverdrag (CISG) van toepassing. De
SA EXMA vordert betaling van de prijs n.a.v. (opeenvolgende) internationale
verkopen van roerende zaken. Krachtens
art. l.l.a) van het CISG (Weens Koopverdrag) is het van toepassing op
koopverkoopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in
verschillende staten gevestigd zijn, wanneer die staten verdragsluitende staten
zijn; aldus omschrijft het CISG rechtstreeks de eigen territoriale
toetsingscriteria, zonder dat nog een omweg moet gebeuren via de
verwijzingsregels (cf. J. Meeusen, "Belgisch internationaal contraetenrecht
in Europees perspectief in X., "Overeenkomstenrecht", Verslagboek van
de XXVIste postuniversitaire cyclus Willy Delva, 1999-2000, p. 379 e.v., inz.
nr. 490, p. 388). In
casu zijn zowel België als Frankrijk gebonden landen. In
België geldt het Weens Koopverdrag sinds 1 november 1997. Anderzijds
dateren de litigieuze koop-verkoopovereenkomsten van na het tijdstip waarop het
CISG in beide landen in werking is getreden, zodat ook op dat punt de door art.
100.2 van het Verdrag gestelde voorwaarde vervuld is. Derhalve
staat het vast dat onderhavige zaak dient beslecht te worden met inachtneming
van de bepalingen van het CISG, inzonderheid gelet op art. 4 dat bepaalt dat het
Verdrag ‑
benevens de
totstandkoming van een koopverkoopovereenkomst ‑ de rechten en verplichtingen van koper en verkoper regelt (met inbegrip
van de sanctieregeling ingeval van wanprestatie van de partijen - zie: H. Van
Houtte e.a., "Het Weens Koopverdrag", Intersentia 1997, Blz. 44, nr.
1.51). Er
ligt geen enkele aanduiding voor dat de partijen de toepassing van het CISG
conventioneel zouden uitgesloten hebben; de partijen gaan trouwens akkoord dat
het CISG van toepassing is op onderhavige casus. (c)
Is de prijsstijging van het staal bewezen? De
discussie tussen partijen is ontstaan naar aanleiding van de beweerd vrij
ernstige stijging van de aankoopprijzen van staal, ten gevolge waarvan de SA
EXMA voorhoudt dat het voor haar niet mogelijk was om de eerder gehanteerde
verkoopprijzen te handhaven opzichtens de BV SCAFOM. Het
gegeven van deze prijsstijging wordt door de SA EXMA als naar behoren bewezen
door de door haar voorgelegde elementen (o.a. prijstabellen, persartikelen),
terwijl een dergelijke prijsstijging niet voorzienbaar was. Dit laatste had de
SA EXMA niet mogen beletten een clausule van prijsaanpassing overeen te komen,
zoals zij trouwens een dergelijke clausule voorzag in haar algemene voorwaarden. (d)
De totstandkoming van de overeenkomst en de juiste inhoud ervan Er
werd tussen partijen geen schriftelijke raam- of kaderovereenkomst gesloten,
waarin de voorwaarden werden bepaald tegen dewelke partijen verder zouden
samenwerken voor de nadien volgende aparte bestellingen. Zoals
hoger reeds aangehaald kwamen de diverse opeenvolgende overeenkomsten tussen partijen
als volgt tot stand: de
BV SCAFOM maakte aan de SA EXMA een zogenaamde 'purchase order' over, met
vermelding van nummer, hoeveelheid, leveringstermijn, prijs en kwalitatieve
omschrijving waaraan het staal diende te voldoen, met verzoek dit document
ondertekend, en na aanbrenging van een firmastempel van de SA EXMA, terug over
te maken; de
SA EXMA bracht op dit document haar ordernummers aan, en maakte het document
(per fax) terug over aan de BV SCAFOM. Nadien
nam de BV SCAFOM deze bestellingen op in periodieke listings, waarop de
overeengekomen leveringsdata en hoeveelheden werden vermeld, die nadien werden
overgemaakt aan de SA EXMA. Ook
verstuurde de SA EXMA nadien een orderbevestiging aan de BV SCAFOM, waaraan ze
dan, en zulks wordt niet betwist, haar algemene voorwaarden, zowel in het Frans
als in het Duits toevoegde. In deze voorwaarden was een prijsaanpassing voorzien
voor het geval de aankoopprijzenvoor de SA EXMA ernstig zouden stijgen. De
vraag stelt zich dan ook wanneer de diverse overeenkomsten tot stand kwamen,
welke de juiste inhoud van de overeenkomsten was, en of met andere woorden de
algemene voorwaarden van de SA EXMA al dan niet deel uitmaakten van de
overeenkomst (wilsovereenstemming) tussen partijen. * De
zogenaamde “purchase-orders” die de BV SCAFOM overmaakte aan de SA EXMA,
dienen aanzien als een aanbod, in de zin van het CISG (Weens Koopverdrag),
hetwelk door de SA EXMA werd aanvaard. Het
CISG legt geen specifieke vormvereisten op voor de koopovereenkomst. Ze kan
vervat zijn in een formeel contract dat door beide partijen is ondertekend, zij
kan bestaan in een uitwisseling van een bestelling en een aanvaarding, zij kan
neerkomen op een bestelbon, waaraan gevolg werd gegeven, of uit een
orderbevestiging die niet werd tegengesproken. De koopovereenkomst vereist zelfs
geen geschrift. Een mondelinge transactie volstaat. (art. 11 CISG ; H. VAN
HOUTTE, Algemene bepalingen en interpretatie, in: H. VAN HOUTTE, J. ERAUW, P.
WAUTELET, eds., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, Blz.66, nr.2.22). Een
voorstel tot het sluiten van een overeenkomst geldt in beginsel slechts als
'aanbod' indien voldaan is aan drie voorwaarden: het
voorstel is gericht tot één of meer bepaalde personen; het
voorstel is voldoende bepaald: de zaken worden aangeduid, de hoeveelheid en de
prijs uitdrukkelijk vastgesteld, of zijn bepaalbaar (art. 14, 1°, in fine CISG); uit
het voorstel blijkt de wil om verbonden te zijn ingeval van aanvaarding (zie ook
art. 23 CISG). (J. MEEUSEN,
Totstandkoming van de overeenkomst, in: H. VAN HOUTTE, J. ERAUW, P. WAUTELET,
eds., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, Blz. 72 e.v., nr. 3.4 e.v. ) Een
aanbod wordt van kracht wanneer het de wederpartij bereikt (art. 15, 1° CISG,
ontvangsttheorie). Tot en met dat ogenblik kan het steeds en zonder bijzondere
vormvereisten worden ingetrokken (art.15, 2° CISG), en kan het trouwens ook nog
niet worden aanvaard. (J. MEEUSEN,
Totstandkoming van de overeenkomst, in: H. VAN HOUTTE, J. ERAUW, P. WAUTELET,
eds., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, Blz. 78, nr.3.18) Art.18,10
CISG
definieert een aanvaarding als een verklaring afgelegd door,of een andere gedraging
van de wederpartij, waaruit de instemming met een aanbod blijkt. Het CISG legt
geen bijzondere vormvereisten op. Wanneer
wordt nagegaan of verklaringen en andere gedragingen als aanvaarding gelden,
moet uiteraard rekening gehouden worden met art. 8 en 9 CISG. Het betreft
meestal gedragingen die tot uitvoering van de overeenkomst strekken, of die de
uitvoering voorbereiden, o.m. de betaling, de protestloze inontvangstneming
(eventueel gevolgd door bewerking) van de waar van de koper, het opstarten van
de productie, en het verzenden van (een deel van) de koopwaar door de verkoper. De
verklaring of gedraging van de wederpartij moet blijk geven van instemming met
het aanbod.
De loutere bevestiging van de ontvangst van het aanbod, of de aanduiding vanwege
de wederpartij dat dit haar interesseert, volstaan niet. (J.
MEEUSEN, Totstandkoming van de overeenkomst, in: H. VAN HOUTTE, J. ERAUW, P.
WAUTELET, eds., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, Blz. 81, nr.3.29 e.v.) In
principe wordt een aanvaarding - of ze nu door een verklaring dan wel door een
andere gedraging gebeurt - van kracht op het ogenblik dat deze de aanbieder
bereikt. (ontvangsttheorie; art.18, 20 CISG ). In
de kennisgeving moet niet uitdrukkelijk worden vermeld dat het een aanvaarding
betreft: het volstaat dat de vermelde gedraging blijk geeft van instemming met
het aanbod (J. MEEUSEN, Totstandkoming van de overeenkomst, in: H. VAN HOUTTE,
J. ERAUW, P. WAUTELET, eds., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, Blz. 83,
nr.3.34) Door
het feit dat de purchase-orders, die voldoende specifieke gegevens bevatten,
door de SA EXMA terug werden overgemaakt, door haar afgestempeld en met het door
de SA EXMA aangebracht eigen nummer waaronder de bestelling werd gecatalogeerd
bij de SA EXMA, dient aangenomen dat de purchase-orders door de SA EXMA in
juridische zin werden aanvaard, zodat de overeenkomst aldus tot stand gekomen
was ingevolge de uitgedrukte wilsovereenstemming tussen partijen, en dit tegen
de voorwaarden, opgenomen in de purchase-orders. De
terugzending kan in deze omstandigheden niet aanzien worden als een loutere
bevestiging van de ontvangst van het aanbod. Hierbij
dient opgemerkt dat niets de SA EXMA belette de aanvaarding afhankelijk te
stellen van het aanvaarden door de BV SCAFOM van de algemene voorwaarden van de
SA EXMA, bijkomend element hetwelk dan door de BV SCAFOM op haar beurt al dan
niet kon worden aanvaard. * De
vraag stelt zich dan of het later overmaken door SA EXMA van de
orderbevestiging, met éénzijdige toevoeging van haar algemene voorwaarden,
eveneens deel ging uitmaken van
de overeenkomst tussen partijen. Art.
6 CISG huldigt het beginsel van de partijautonomie (de partijen kunnen de
toepassing ervan uitsluiten, dan wel afwijken van de bepalingen ervan of het
gevolg ervan wijzigen) terwijl art. 9 CISG daarbij de bindende kracht
vooropstelt van de gewoonten waarmede de partijen ingestemd hebben en van de
tussen hen gebruikelijke handelwijzen. Daartegenover
staat art. 19 CISG dat strikte regels inhoudt terzake van aanbod, aanvaarding en
wijziging van voorwaarden, waarbij steeds volledige wilsovereenstemming nodig is
vooraleer het contract tot stand komt. Daarbij geldt louter stilzwijgen niet als
aanvaarding (J. Meeusen, "Totstandkoming van de overeenkomst", in H.
Van Houtte e.a., Het Weens Koopverdrag, Intersentia 1997., nrs. 3.56, 3.58 en
3.60, Blz. 91-94; Kh. Hasselt 28 april 1999, onuitgeg., inzake AR. 456/99. Kh.
Ieper, 18 februari 2002, onuitgeg., inzake AR318/00) Volgens
H. Van Houtte komt de Belgische opvatting dat de factuurvoorwaarden bindend zijn
omdat de koper deze stilzwijgend aanvaard heeft zelfs op de helling te staan in
het Weens Koopverdrag (zie "Het Weens Koopverdrag in het Belgisch
recht", T.B.H., 1998, p. 344 e.v., inz. nr. 22, p. 350; Kh. Hasselt, 2
december1998,RW.,1999-2000, 648). De
bepalingen van het verdrag kunnen weliswaar stilzwijgend worden uitgesloten,
maar dan moet het voor de hand liggen dat dit de gemeenschappelijke bedoeling
geweest is van de partijen (K. Neumayer en C. Ming, Convention de Vienne Sufles
contrats de vente internationale de marchandises, Commentaire, Lausanne, Cedidac,
1993,85; Kh. Hasselt, 18 oktober
1995,RW. 1995- 1996,1378). In
casu ligt er geen bewijs voor dat de BV SACAFOM, bij de totstandkoming van de
koopverkoopovereenkomsten die de grondslag uitmaken van de discussie tussen
partijen, kennis genomen heeft van de algemene voorwaarden van SA EXMA en deze
alsdan aanvaard heeft. De
algemene voorwaarden van de SA EXMA kunnen derhalve geen toepassing vinden. * De
vraag stelt zich verder of de algemene voorwaarden van de SA EXMA niet
toepasselijk zijn geworden ingevolge het feit dat partijen niet één keer samen
contracteerden, maar wel diverse malen, dan wel ingevolge het feit dat ze
toepasselijk zijn omdat ze een (internationale) gewoonte zouden uitmaken. In
het CISG zijn gewoonten en handelsgebruiken verheven tot een bron van
contractuele verplichtingen, die even belangrijk is als de bedingen die partijen
uitdrukkelijk met elkaar overeen kwamen. (art.9 CISG ). Het
betreft (1) gewoonten, waarmee partijen hebben ingestemd, (2) handelswijzen die
tussen hen gebruikelijk zijn, en (3) gewoonten waarmee zij bekend waren of
behoorden te zijn en die in de internationale handel op grote schaal bekend zijn
aan, en regelmatig worden nageleefd door partijen bij overeenkomsten van
dezelfde soort in de desbetreffende branche. In
dat kader dient opgemerkt dat de SA EXMA voorhoudt dat een ernstige
prijsstijging in de staalsector, zoals deze zich in voorliggend geval heeft
voorgedaan, uitzonderlijk is en dat er dus voor haar geen behoefte bestond om
een clausule van prijsaanpassing te voorzien op de terugzending van de
purchase-orders omdat zulks in het verleden geenszins noodzakelijk was gebleken. Bovendien,
en zulks wordt niet betwist, werden de door SA EXMA opzichtens BV SCAFOM
gehanteerde prijzen in het verleden ook niet aangepast, alhoewel er toen
schommelingen in de aankoopprijzen waren tot 10%. In
deze omstandigheden kan men moeilijk gewagen van het feit dat een clausule van
prijsaanpassing in de staalsector een partijen ingevoerde of aanvaarde
handelswijze was, dan wel een (internationale)gewoonte of gebruik zou uitmaken. Het
argument van de SA EXMA dat andere afnemers de prijsverhoging wel zouden hebben
aanvaard kan, voor zover deze bewering al kan worden aangenomen (ze wordt enkel
aangetoond door een verklaring van de bedrijfsrevisor van de SA EXMA), niet
spelen gezien niet wordt aangetoond welke overeenkomsten met deze afnemers werd
gesloten, en meer bepaald wordt niet aangetoond dat met deze afnemers evenmin
(als met de BV SCAFOM) een clausule van prijsaanpassing werd overeen gekomen. Verder
dient aangestipt dat een clausule, die een prijsaanpassing voorziet, niet kan
aanzien worden als een gebruikelijke of courante clausule, zodat omzichtig dient
omgesprongen met het aannemen van de aanvaarding en de toepasselijkheid ervan,
temeer daar, zoals hoger gesteld, de stilzwijgende aanvaarding in het CISG niet
aangenomen wordt, tenzij de gemeenschappelijke bedoeling van partijen hieruit
zou kunnen worden afgeleid. Tenslotte
dient opgemerkt dat de BV SCAFOM voorhoudt dat zij met haar afnemers, nadat ze
ervan overtuigd was dat ze vaste prijsafspraken had met de SA EXMA, op haar
beurt vaste, en niet herzienbare, prijsafspraken maakte, zij het dat deze
bewering niet wordt bewezen. *
Besluit: de algemene voorwaarden van de SA EXMA zijn niet toepasselijk op de
rechtsverhouding tussen partijen. (e)
De imprevisieleer(art. 79 CISG) De
SA EXMA houdt voor dat, voor zover de toepasselijkheid van haar algemene
voorwaarden niet zou worden aanvaard, kan verwezen worden naar de bepaling van
art.79 CISG. De SA EXMA verwijst in dit verband enerzijds naar de omstandigheid
van de ernstige prijsstijging, en anderzijds naar het feit dat, ingevolge de
marktsituatie in de staalsector, de voorraden bij haar leveranciers sterk
gedaald waren en onvoldoende bleken om aan de vraag te voldoen. *
Het Weens Koopverdrag Volgens
art. 79 CISG is de partij die is tekortgeschoten in de nakoming van haar
verbintenissen niet aansprakelijk voor haar tekortkoming, indien zij aantoont
dat de tekortkoming werd veroorzaakt door omstandigheden die buiten haar macht
lagen en dat redelijkerwijze van haar niet kon verwacht worden, noch dat zij bij
het sluiten van de overeenkomst met die belemmering rekening zou gehouden
hebben, noch dat zij deze verhindering of de gevolgen ervan zou hebben vermeden
of overwonnen. Volgens
J. HERBOTS hebben we hier te maken met de definitie die het Hof van Cassatie
geeft van overmacht. De aanpassing vindt men in de term 'redelijkerwijze'. ( J.
HERBOTS, De transnationale verkoopovereenkomst, Het Weens Koopverdrag van 1980,
ACCO 1991, Blz.59). De schuldenaar blijft met andere woorden aansprakelijk
indien hij de omstandigheden die aan de basis liggen van de tekortkoming-
ook
al lagen die buiten zijn macht redelijkerwijze had kunnen voorzien op het ogenblik van het sluiten van
het contract. De schuldenaar is niet bevrijd indien de hindernis reeds gekend
was of kon zijn op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst. (M.
CLAEYS, De bijzondere rechtsmiddelen van partijen, in: H. VAN HOUTTE, J. ERAUW,
P. WAUTELET, ed., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, Blz. 266, nr.7.104 )
De vraag of een bepaalde omstandigheid al dan niet voorzienbaar was moet op
objectieve wijze, volgens het criterium van de goede huisvader, worden
beoordeeld. Er
bestaat een werkelijke grond van niet-ontvankelijkheid, die dicht bij de estoppel
staat, wanneer de niet-uitvoering te wijten is aan een handeling of een
nalaten van de schuldeiser zelf (art.80; J. HERBOTS, o.c., Blz.59). Vaak
wordt de uitvoering van een overeenkomst ten gevolge van bepaalde omstandigheden
enorm bemoeilijkt, zonder dat er sprake kan zijn van overmacht die de uitvoering
onmogelijk maakt. De vraag rijst dan naar de mogelijkheid voor de partijen of de
rechter om die overeenkomst te wijzigen (imprevisieleer). Deze materie wordt
niet uitdrukkelijk geregeld in art. 79 CISG, noch in een andere bepaling van het
CISG. TALLON is van oordeel dat de uniforme toepassing van art.79 CISG
onverenigbaar is met een toepassing in een vedragsstaat van de leer van de
gewijzigde omstandigheden. (M. CLAEYS, De bijzondere rechtsmiddelen van
partijen, in: H. VAN HOUTTE, J. ERAUW, P. WAUTELET, ed., Het Weens Koopverdrag,
Intersentia, 1997, Blz. 264, nr.7.100) De
Rechtbank van Koophandel te Hasselt oordeelde dat prijsschommelingen
voorzienbaar zijn en niet verhinderen de verbintenis uit te voeren. De rechtbank
stelde wel dat de uitvoering van de verbintenis in dergelijk geval een
financieel verlies zou impliceren, maar dat dit geen beletsel kon zijn voor de
uitvoering van de overeenkomst. Het sluiten van een overeenkomst die niet
winstgevend is of verlieslatend, behoort tot de risico's eigen aan het voeren
van commerciële activiteiten. (Kh. Hasselt, 2 mei 1995, AR 1849/94, onuitgeg.,
aangehaald in: R PEETERS, Overzicht van rechtspraak van het Weens Koopverdrag in
België, T.B.H. 2003, Blz. 127, nr.6.4). De
verkoper draagt het risico voor prijsstijgingen van goederen, die hij aanschaft
bij zijn leverancier
(M. CLAEYS, De bijzondere rechtsmiddelen van partijen, in: H. VAN HOUTTE, J.
ERAUW, P. WAUTELET, ed., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, Blz. 265, nr.7.102
) Deze
leer onderscheidt zich van overmacht en toeval (gebeurtenissen die plaatsgrijpen
buiten elk aanwijsbaar menselijk handelen om), omdat de ingeroepen
omstandigheden de uitvoering van de verbintenis niet onmogelijk maken. Evenmin
is er sprake van een wilsgebrek omdat die nieuwe gebeurtenissen zich niet bij de
totstandkoming van de overeenkomst hebben voorgedaan. *
Ter vergelijking en illustratie: het Belgisch recht inzake de imprevisieleer Er
zij volledigheidshalve aangestipt dat, naar Belgisch recht, het Hof van Cassatie
de imprevisieleer systematisch heeft verworpen (Cass. 19 mei 1921, Pas. 1921,
1,380; Cass. 30 oktober 1924, B.l 1925,297; Cass. 14 april 1994, RW.
1994-1995,434; Cass. 7 februari 1994, RW. 1994-1995, 121). In duidelijke
bewoordingen wordt hierin gezegd dat de regel van de goede trouw van de
overeenkomsten niet verhindert dat de schuldeiser, wanneer nieuwe en door de
partijen niet voorziene omstandigheden de uitvoering van de overeenkomst voor de
schuldenaar bemoeilijken, de nakoming van de verbintenis kan vragen. Deze
weigerachtige houding werd weerspiegeld in de rechtspraak van de hoven van
Beroep (Brussel 22 juni 1984, J.T. 1986, 164; Antwerpen 21 januari 1986, RW.
1986-1987, 1488, met noot D. DELI; Antwerpen 6 mei 1987, T.B.B.R 1990,299, met
noot D. PlllLIPPE; Luik 27 juni 1995, J.L.M.B. 1996, 100, met noot P. WERY) en
lagere rechtbanken (Rb. Brussel 3 december 1985, T. Vred. 1986, 121; Rb. Luik 7
mei 1986, J.L. 1986,482, met noot J.H.; Rb. Brussel 8 december 1993, J.L.M.B.
1994,358). Als
hoofdreden voor deze weigering wordt in het Belgisch recht aangehaald dat de
aanvaarding van de imprevisieleer - een ongeschreven rechtsregel- omwille van
billijkheidsoverwegingen de rechtszekerheid zou ondergraven, die precies
nagestreefd wordt door het beginsel van Pacta sunt servanda, dat wel in het Burgerlijk Wetboek werd
ingeschreven ( art.1134 B.W.; L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis,
Intersentia 2000, Blz.663, nr.527; L. VAEL, Enkele beschouwingen betreffende het
leerstuk van de onvoorziene omstandigheden (imprevisieleer): omtrent de
lotsverbondenheid van contractspartijen bij een gewijzigd contractueel
verhoudingskader, in: J. SMITS en S. STIJNS, ed., Remedies in het Belgisch en
het Nederlands contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2000, 180). *
De mogelijkheid tot contractuele afwijking Er
mag niet uit het oog verloren worden dat partijen steeds kunnen afwijken van de
verdragsbepalingen. De wilsvrijheid van de partijen zal toch voorrang krijgen
wanneer die in duidelijke en ondubbelzinnige woorden is vervat. (R
PEETERS, Overzicht van rechtspraak van het Weens Koopverdrag in België, T.B.H.
2003, Blz. 127, nr.6.4). Ook
in het Belgisch recht wordt naar deze mogelijkheid verwezen: Om
de problemen in geval van wijziging van omstandigheden tijdens de uitvoering van
een overeenkomst te vermijden, kunnen partijen steeds in hun overeenkomst
clausules inlassen, waardoor zij zich ertoe verbinden hun oorspronkelijk akkoord
opnieuw te bespreken wanneer de omstandigheden dit opdringen. In
beginsel zijn dergelijke clausules geldig. In
het interne handelsverkeer nemen deze bedingen voorlopig geen prominente rol in,
terwijl dit in het internationale handelsverkeer wel degelijk het geval is. (L.
VAEL, Enkele beschouwingen betreffende het leerstuk van de onvoorziene
omstandigheden (imprevisieleer): omtrent de lotsverbondenheid van
contractspartijen bij een gewijzigd contractueel verhoudingskader, in: J. SMITS
en S. STIJNS, ed., Remedies in het Belgisch en het Nederlands contractenrecht,
Antwerpen, Intersentia, 2000, 180; Bestendig Handboek Verbintenissenrecht,
Kluwer; losbladig, Blz. 11.4-165,nr.1791 ). Indien
de contractspartijen nalaten om zulke regeling te voorzien in het contract, dan
dienen zij in beginsel ook onverkort de gevolgen te ondergaan van de realisatie
van die latere omstandigheden, zo besluit de meerderheidsopvatting binnen de
Belgische rechtspraak en rechtsleer. Deze
redenering kan ook toegepast worden voor wat betreft de toepassing van het CISG:
de SA EXMA had de mogelijkheid een clausule van prijsaanpassing in te lassen in
de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij dient opgemerkt dat de SA EXMA
een prijsstijging 'redelijkerwijze' had kunnen en moeten voorzien. Het feit dat
een dergelijke clausule voorkomt in haar algemene voorwaarden toont trouwens aan
dat de situatie van prijsstijging voor de SA EXMA niet onvoorzienbaar was. Hetzelfde
geldt voor de situatie van de beperktere voorraden, voor zover al aangenomen
wordt dat deze bewezen voorkomt, gezien ook deze situatie redelijkerwijze had
kunnen voorzien worden door de SA EXMA bij het sluiten van de overeenkomst, en
het alleszins duidelijk is dat een beperktere voorraad de SA EXMA nog niet het
recht gaf alle leveringen stop te zetten. Ook
betreffende de beperktere voorwaarden figureert trouwens een (exoneratie)clausule
in de algemene voorwaarden van de SA EXMA. In
dit verband zij trouwens opgemerkt dat de SA EXMA zelfs levering weigerde van de
orders die door haar werden aanvaard, alhoewel ze hiervoor toch voldoende
voorraad moest hebben, minstens, gezien de contractuele verbondenheid, voldoende
voorraad moest aankopen. Indien
zij hierin niet kon slagen dient ze het risico hiervan zelf te dragen. De
strekking en bedoeling van art. 79 CISG kan niet zijn dat het een helpende
hand biedt aan een partij, die omwille van haar eigen nalatigheid niet te
gepasten tijde zorgde voor de schriftelijke vastlegging van de verbintenissen,
wanneer zulks mogelijk was, of wanneer zij zelf aan de basis ligt van de
geschapen onvolkomenheden. *
Besluit: art.79 CISG kan niet worden ingeroepen door de SA EXMA, gezien de door
haar aangehaalde omstandigheden door haar redelijkerwijze voorzienbaar waren of
moesten zijn, en door haar perfect hadden kunnen worden ingelast in de tussen
partijen gesloten overeenkomsten. (f)
BESLUIT In
deze omstandigheden dient aangenomen dat de SA EXMA ten onrechte haar
verplichtingen,voortvloeiend uit de koop-verkoopovereenkomsten heeft stopgezet,
zodat de beslissing in kortgeding, waarbij de SA EXMA werd veroordeeld tot
verdere uitvoering dient bekrachtigd. Wel
dient opgemerkt dat de SA EXMA de leveringen nadien gedwongen verder zette,
ingevolge het bevelschrift in kortgeding, zodat de aanvankelijke prijsafspraken
niet meer kunnen worden gehandhaafd, en dient bevolen dat de leveringen, zowel
de na het bevelschrift uitgevoerde als de toekomstige, kunnen worden aangerekend
aan de prijs, zoals in kortgeding bepaald, hetzij de aanvankelijk overeengekomen
prijs meer de helft van de meerprijs. Er dient wel een uitzondering gemaakt voor
de bestellingen die reeds voordien (voor de beslissing in kortgeding) hadden
moeten geleverd zijn: deze dienen tegen de aanvankelijke prijsafspraken te
worden aangerekend, zonder verhoging. Dit
impliceert tevens dat het consigneerde bedrag, ingevolge de beslissing in
kortgeding, aan de SA EXMA dient overgemaakt voor zover het niet slaat op
leveringen die voor het kortgeding (27.4.2004) hadden moeten gebeurd zijn. Een
dergelijke oplossing strookt tevens met de billijkheid. De
billijkheid is, volgens art. 1135 BW., een bron van aanvullend recht voor
overeenkomsten: op de billijkheid kan een beroep gedaan worden om de inhoud van
een contract vast te stellen, met name om vast te stellen welke verplichtingen
de partijen hebben op grond van hun overeenkomst en de aanvulling ervan. (g)
De discussie over de beweerd verkeerde levering De
BV SCAFOM houdt voor dat er zich een probleem voorgedaan heeft met betrekking
tot de overeenkomst 700633, welke niet conform zou geweest zijn met de
overeengekomen en medegedeelde maatvoering, zoals opgenomen in het geschreven
document, houdende de overeenkomst. Meer bepaald zouden buizen geleverd zijn van
5.700mm lang, terwijl buizen zouden
besteld zijn van 6.700mm. De
BV SCAFOM verwijst desbetreffend naar haar purchase order (bestelling) dd.10.3.2004,haar
protestbericht op 1.5.2003 per fax verzonden, en naar de listing met overzicht (
bevestiging) van de geplaatste orders, dewelke ze aan de SA EXMA overmaakte. De
SA EXMA verwijst naar haar orderbevestiging dd. 24.3.2004, waarin 5 700 mm
staat, orderbevestiging waarop van de zijde van de BV SCAFOM niet werd
gereageerd. Over
de kwestie of op de purchase-order het cijfer '5' dan wel het cijfer '6' staat
kan weliswaar discussie bestaan, maar beide partijen hadden nadien, mits normale
aandacht, de gelegenheid om klaarheid te scheppen. In
deze omstandigheden dient de verantwoordelijkheidvoor dit misverstand in gelijke
mate lastens elk van de partijen gelegd, hetgeen de facto impliceert dat de
bewuste levering voor de helft dient te worden gecrediteerd door de SA EXMA. (h)
De beweerde onvolledige levering In
besluiten, neergelegd op 8.11.2004, en meer bepaald op Blz.25, doet de BV SCAFOM
opgave van de hoeveelheden die zouden ontbreken in de geleverde hoeveelheden in
vergelijking met de bij koop-verkoopovereenkomsten vastgelegde hoeveelheden, en
verzoekt zij de rechtbank de SA EXMA te veroordelen om deze ontbrekende (te
weinig geleverde) hoeveelheden te leveren aan de overeengekomen
contractsvoorwaarden, onder verbeurte
van een dwangsom van 500EURper hoeveelheid/per dag vertraging,
“waarbij
concluante sub 1
er zich toe verbindt met betrekking tot gelijklopende hoeveelheden vanaf deze
datum, hetzij 15 dagen na betekening van het vonnis, geen verder
dwangsommen meer te verbeuren in het kader van de beschikking als gewezen door
de heer Voorzitter bij de Rechtbank van Koophandel te Tongeren,zetelend in
kortgeding, op 27/04/2004”. Het
dient vastgesteld dat het verschil in levering voorspruit uit het feit dat
enerzijds gewerkt wordt per kilo en anderzijds per meter, zodat een levering,
blijkens de uitleg van partijen, regelmatig niet volledig overeenstemt met de
bestelling. Dit
verschil, de ene keer in meer, de andere keer in min, moet ook reeds in het
verleden zijn voorgevallen, en werd blijkbaar steeds door partijen aanvaard,
minstens wordt het tegendeel niet beweerd, laat staan aangetoond. De
huidige vordering wegens beweerd onvolledige levering is dan ook wellicht te
verklaren door het feit dat tussen partijen een gespannen verhouding is ontstaan
ingevolge hetgeen gebeurde (situatie van de prijsstijging en de eis om zulks
door te kunnen rekenen), en de diverse gevoerde procedures. In
deze omstandigheden dient dit punt van de vordering te worden afgewezen. (i)
De schade in hoofde van aanleggende partijen Nu
hoger werd geoordeeld dat de SA EXMA ten onrechte geweigerd heeft de leveringen
verder te zetten, en deze slechts gedwongen hervatte nadat zij hiertoe was
veroordeeld bij beschikking in kortgeding onder verbeurte van een dwangsom
ingeval van niet-naleving, heeft zij schade veroorzaakt, zowel in hoofde van de
BV SCAFOM, haar contractspartij, als in hoofde van de BVBA ORlON METAL,
opzichtens dewelke ze tot schadevergoeding gehouden is overeenkomstig art. 1382 B.W. Het
is aangewezen voorlopig één EUR provisioneel toe te kennen aan elk van de
aanleggende partijen op hoofdeis, en een deskundig onderzoek te gelasten naar de
juiste omvang van de geleden schade. (i)
De tegeneis Bij
besluiten stelde de SA EXMA een vierledige tegeneis: betaling
van de som van 403 713, 90 EUR, zijnde het bedrag dat nog openstaat op de door
haar uitgeschreven facturen, en hetwelk overeenstemt met het bedrag dat, volgens
de BV SCAFOM, verschuldigd is uit hoofde van verbeurde dwangsommen, en door de
BV SCAFOM dan ook werd ingehouden; betaling
van de som van 665 152,10 EUR, hetzij het verschil tussen de
verkoopprijzen in de overeenkomsten en de door de SA EXMA berekende aangepaste
verkoopprijs, met andere woorden de volgens SA EXMA verschuldigde meerprijs; betaling
van de som van 2 037,43 EUR, uit hoofde van achterstallige intresten,
opgelopen ingevolge laattijdig uitgevoerde betalingen door de BV SCAFOM; betaling
van de som van 1 824,92 EUR, uit hoofde van extra transportkosten,
veroorzaakt door het feit dat de BV SCAFOM en/of de BVBA ORION niet in staat
bleek de leveringen, die volgens de beschikking in kortgeding dienden te worden
uitgevoerd, op normale wijze en zonder extra wachttijden voor de transporteurs
te ontvangen. Terecht
stelt de SA EXMA dat de BV SCAFOM geen compensatie kan doorvoeren tussen de door
haar (BV SCAFOM) verschuldigde facturen voor uitgevoerde leveringen enerzijds,
en de beweerd verschuldigde dwangsommen anderzijds. Voor
wat de dwangsommen betreft is een procedure hangende voor de Beslagrechter te
Tongeren, die bevoegd is om desbetreffend uitspraak te doen, zodat het bedrag
van de dwangsommen geen vaststaand en opeisbaar bedrag is, hetgeen compensatie
uitsluit. De discussie over de verschuldigdheid en, in bevestigend geval, de
omvang van de dwangsom dient te worden gevoerd en uitgemaakt bij de hiervoor
bevoegde Beslagrechter. Dit
punt van de tegeneis is derhalve gegrond. Zoals
bij de behandeling van de hoofdeis gesteld werd is de vordering tot betaling van
de meerprijs gegrond voor de helft, meer bepaald het bedrag dat werd
geconsigneerd door de BV SCAFOM ingevolge de beschikking in kortgeding op
rekeningnummer 335-0173774-93
bij de ING- bank , kantoor BREE,en waarvan het bedrag per 24.8.2004 beliep op 332 576,
05 EUR. De
vordering ten bedrage van 2 037,43 EUR uit hoofde van intresten wegens
laattijdige betaling komt gegrond over op basis van de door de SA EXMA
voorgelegde stukken. De
vordering uit hoofde van extra transportkosten ten bedrage van 1 824,92 EUR kan
slechts voor de helft worden toegekend, nu klaarblijkelijk onvoldoende
duidelijke afspraken deze extra-kosten hebben veroorzaakt. De
verantwoordelijkheid voor deze onduidelijke afspraken ligt, op basis van de
voorgelegde stukken, voor helft bij elk van beide partijen. Gelet
op de artikelen 2,30 tot 37 en 41 van de wet van 15juni 1935 op het taalgebruik
in gerechtszaken,die
nageleefd werden. OM
DEZE REDENEN, DE
RECHTBANK, beslissende
op tegenspraak en in eerste aanleg, na erover beraadslaagd te hebben
overeenkomstig de wet, alle andere verdere en strijdige bemerkingen van
partijen, in besluiten of ter zitting opgeworpen, van de hand wijzend als
ongegrond, verklaart de vordering van aanleggende partijen ontvankelijk en deels
gegrond; verleent
akte aan de SA EXMA van de bij besluiten ingestelde tegeneis, en hierop
rechtdoende,verklaart deze tegeneis ontvankelijk en deels gegrond; veroordeelt
diensvolgens de SA EXMA de leveringen van staalproducten, welke resulteren uit
de tussen partijen gesloten koop-verkoopovereenkomsten 700566, 700563, 700566,
700576, 700595, 700605, 700611, 700632 en 700633, en bedoeld in de beschikking
in kortgeding dd.27.4.2004, opzichtens de BV SCAFOM uit te voeren aan de in de
in het kader van de schriftelijke overeenkomsten overeengekomen en vastgelegde
prijs, de overeengekomen betalings- en leveringsvoorwaarden, vermeerderd met de
helft van de meerprijs, zoals die door de SA EXMA gevorderd werd in haar fax dd.23 maart 2004,
behoudens (voor wat de te hanteren prijzen opzichtens BV SCAFOM betreft)
wijziging in de opzichtens de SA EXMA gehanteerde aankoopprijzen in de toekomst,
en tevens (voor wat de te hanteren prijzen opzichtens BV SCAFOM betreft)
behoudens de leveringen die hadden moeten uitgevoerd zijn voor de datum van
27.4.2004 ( deze laatste dienen aan de aanvankelijk overeengekomen prijzen te
worden gerekend); veroordeelt
diensvolgens de SA EXMA tot betaling aan de BV SCAFOM van een dwangsom van 5 000
EUR per dag vertraging voor de leveringen, die conform de tussen partijen
gesloten koop-verkoopovereenkomsten700566, 700563, 700566, 700576, 700595,
700605, 700611, 700632 en 700633 dienen geleverd, bij gebreke aan levering
binnen de 20 dagen na het verstrijken van de conventioneel overeengekomen
termijn, met dien verstande dat de dwangsom slechts verschuldigd is voor zover
de beschikking werd betekend voor het verstrijken van de termijn van 20 dagen; Zegt
voor recht dat de SA EXMA verantwoordelijk is voor de aan de BV SCAFOM
INTERNATIONAL,ingevolge haar contractuele wanprestatie veroorzaakte schade,
welke in dit stadium, provisioneel begroot wordt op een bedrag ad 1 EUR, meer
vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 25.3.2004, en de
gerechtelijke intresten, en veroordelen de SAEXMA dit bedrag te betalen aan de
BV SCAFOMINTERNATIONAL, meer de vergoedende intresten aan 7% vanaf 25.3.2004 tot
13.6.2004 en gerechtelijke intresten vanaf 14.6.2004tot op datum van betaling; Zegt
voor recht dat de SA EXMA verantwoordelijk is voor de aan de BVBA ORION METAL,
ingevolge haar wanprestatie veroorzaakte schade, welke in dit stadium,
provisioneel begroot wordt op een bedrag ad 1 EUR, meer vergoedende intresten
aan de wettelijke
intrestvoet vanaf 25.3.2004, en de gerechtelijke intresten, en veroordelen de SA
EXMA dit bedrag te betalen aan de BVBA ORlON METAL, meer de vergoedende
intresten aan 7% vanaf 25.3.2004 tot 13.6.2004 en gerechtelijke intresten vanaf
14.6.2004 tot
op datum van betaling; Beveelt
de vrijgave van de gelden, die conform de beschikking in kortgeding werden
geconsigneerd, in de mate dat dit geconsigneerd bedrag niet slaat op leveringen
die hadden moeten uitgevoerd zijn tot op datum van 27.4.2004, in het voordeel
van de SA EXMA, en het saldo in het voordeel van de BV SCAFOM, en veroordeelt
diensvolgens de BV SCAFOM en de SA EXMA om hun medewerking te verlenen aan de
vrijgave van de gelden die ingevolge de beschikking in kortgeding dd.27.4.2004
werden geconsigneerd op rekeningnummer 335-0173774-93bij de ING-bank, kantoor
BREE, met een creditstand van 332 576,05 EUR op 24.8.2004, vermeerderd met de op
deze rekening bekomen intresten, en dit binnen de acht dagen na betekening van
huidig vonnis, bij gebreke waarvan huidig vonnis als titel zal gelden; Zegt
vervolgens voor recht dat beide partijen, elk in gelijke mate, verantwoordelijk
zijn voor de problemen die gerezen zijn ingevolge de overeenkomst 700633, en
veroordeelt de SA EXMA om deze levering voor de helft te crediteren opzichtens
de BV SCAFOM INTERNATIONAL; Veroordeelt
vervolgens de BV SCAFOM INTERNATIONAL in betaling aan de SA EXMAvan de som van
403713,90 EUR, bedrag hetwelk ten onrechte werd ingehouden op de door de SA EXMA
uitgeschreven facturen, bedrag te vermeerderen met de conventionele
verwijlsintrestenaan 3,405% vanaf de vervaldata van de respectieve facturen tot
13.6.2004, en de gerechtelijke intresten aan het conventioneel tarief van 3,405%
vanaf 14.6.2004 tot op datum van betaling; Veroordeelt
vervolgens de BV SCAFOM INTERNATIONAL in betaling aan de SA EXMA van de som van
2037,43 EUR, uit hoofde van intresten; Veroordeelt
vervolgens de BV SCAFOM INTERNATIONAL in betaling aan de SA AEXMA van de som van
912,46 EUR, uit hoofde van de helft van de extra transportkosten, bedrag te
vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan 7% vanaf 11.10.2004 tot op datum
van betaling; Vooraleer verder recht
te d~en. beveelt een DESKUNDIG ONDERZOEK met
als voorwerp, kennis te nemen van de bundel en van alle andere inlichtingen en
bescheiden, welke partijen zullen verschaffen of welke de deskundige nuttig zal
achten ambtshalve in te winnen en na partijen bij aangetekend schrijven te
hebben opgeroepen, zich ter plaatse te begeven te 6021 PZ BUDEL (NL)…, op de
vennootschapszetel van de BV SCAFOM INTERNATIONAL, of elke andere plaats door de
deskundige in samenspraak met partijen te bepalen, ten einde aldaar: partijen
te horen en hun verzoening te bevorderen, en voor zover een
verzoeningspogingniet zou slagen, de door de BV SCAFOM INTERNATIONAL en de BVBA
ORION METAL geleden schade te beschrijven en te begroten, die ze geleden hebben
ingevolge de foutieve niet-naleving van de koop-verkoopovereenkomsten 700566,
700563, 700566, 700576, 700595, 700605, 700611, 700632 en 700633 door de SA EXMA
in de periode vanaf25.3.2004; alle
inlichtingen te verschaffen die de rechtbank van nut kunnen zijn bij de
beoordeling van de zaak ten gronde; alle
nuttige door partijen te stellen vragen te beantwoorden; Zegt
voor recht dat de aangestelde deskundige gemachtigd is alle nodige technische
adviezen in te winnen en, onder zijn leiding, zich door in het vak bekwame
technici te doen bijstaan; Tenzij
partijen een overeenkomst ter vervanging sluiten, wijst aan als deskundige: De
Heer Luc MIERMANS Beveelt
de deskundige zijn opdracht uit te voeren overeenkomstig de voorschriften van de
artikelen 962 tot 991 van het Gerechtelijk Wetboek en na
afloop van hoger genoemde verrichtingen aan partijen kennis te geven van zijn
bevindingen; in
het verslag de bemerkingen van partijen, die zij tijdig hebben overgemaakt, op
te tekenen en te beantwoorden; zijn
gemotiveerd eindverslag neer te leggen ter griffie van de Rechtbank van
Koophandel te 3700 Tongeren, "Gerechtsgebouw", Kielenstraat, 22, bus
4, samen met de door partijen overgemaakte nota's binnen de ZES maanden na
ontvangst van de gerechtsbrief van aanstelling of, zo de deskundige erom heeft
verzocht, na storting van een voorschot door de meest gerede partij ter griffie; zijn
handtekening op het eindverslag dient voorafgegaan van de eed: "IK ZWEER
DAT IK MIJN OPDRACHT IN EER EN GEWETEN, NAUWGEZET EN EERLIJK VERVULD HEB"; Behoudt
de uitspraak over de kosten voor; Wijst
de zaak terug naar de bijzondere rol; verklaart
huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder
borgstelling. (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 16-05-2012 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |