|
|
|
Case
Identification
Date
of Decision: 3 January 2005 Tribunal: Hof van Beroep, Antwerpen Case Number: 2001 AR 1937 Case
History; Appeal from Rechtbank van Koophandel, Hasselt, 3 April 2001 Parties:
Plessers as liquidator of BVBA Marinus Kamp v. BV Pannenclaer
Vleesspecialiteiten Seller’s
Country: Belgium (Plaintiff; Appellant) Buyer’s
Country: Netherlands (Respondent; respondent on appeal) Goods
involved: machines Judge:
M. Dom Status:
Unpublished Classification
of issues
Application
of CISG: No CISG
not applicable – main part of performance services (repairs) Jurisdiction
– Brussels Convention – forum clause in general conditions – valid if
practice between parties Text of the DecisionInzake: 2001
AR
1937 Mr.
W. PIessers, advocaat te 3500 Hasselt..., qq. curator faillissement B.V.B.A.
MARINUS KAMP, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3530
Houthalen-Helchteren...; Hiertoe
aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt de dato 22 januari 2004; APPELLANT
qq. -
tegen een vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt de dato 3 april 2001; -
vertegenwoordigd door Mr. J. Torsin, advocaat te 3500 Hasselt...; tegen: -
B. V. PANNECLAER VLEESSPECIA LITElTEN, met zetel te Nederland, 3433 PE
Nieuwegein...; GEINTIMEERDE; -
vertegenwoordigd door
Mr. S. Jorens loco Mr. K. De Winter, advocaat te 2000 Antwerpen...; Gelet
op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd
waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank
koophandel van Hasselt van 3 april 2001, waarvan geen betekening
voorligt Gelet
op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 juli 2001,
waarbij tijdig en naar vorm geldig hoger beroep wordt ingesteld. Gelet
op de akte van gedinghervatting, neergelegd ter griffie van dit Hof op 18 april 2003. Het
hoger beroep van appellant strekt ertoe het bestreden vonnis te horen te niet
doen en opnieuw recht doende te zeggen voor recht dat de Belgische rechtbanken
wel bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering en dit met uitsluiting van
de toepassing van het Weens Koopverdrag. Met
toepassing van art. 1068 Ger.Wb. de oorspronkelijke vordering van appellant
ontvankelijk en gegrond te verklaren. Geïntimeerde
te veroordelen tot betaling aan appellant van de som van 8 212,24 EUR, te
vermeerderen met de overeengekomen intresten van 12% op de openstaande hoofdsom
van 6 207,01 EUR vanaf 1.12.1997 tot aan de betaling. Geïntimeerde
vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. In
ondergeschikte orde vordert geïntimeerde dat de vordering van appellant
ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard. In
uiterst ondergeschikte orde, vordert geïntimeerde dat de vordering zou worden
herleid tot de factuurbedragen in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke
intrestvoet. Feiten
en voorgaanden: De
vordering van appellant strekte ertoe betaling te bekomen van de hiernavermelde
facturen, uit hoofde van herstellingen en onderhoud (en in beperkte mate ook
levering van goederen) aan machines van geïntimeerde: factuur
597 dd. 2 oktober 1995 t.b.v. 5.338,-BF factuur
779 dd. 21 februari 1996
t.b.v. 17.914,-BF factuur
780 dd. 29 maart 1996 t.b.v. 85.681,-BF factuur
781 dd. 29 maart 1996 t.b.v. 73.489,-BF factuur
782 dd. 29 maart 1996 t.b.v. 63.018,-BF factuur
783 dd. 29 maart 1996 t.b.v. 4.950,-BF De
eerste rechter heeft zich onbevoegd verklaard enerzijds om reden dat er geen
andere transacties tussen partijen aangetoond zijn, dan deze die het voorwerp
uitmaken van dit geschil zodat het in de algemene factuurvoorwaarden opgenomen
bevoegdheidsbeding niet beantwoordt aan de in art. 17 EEX-verdrag opgenomen
voorwaarden en anderzijds om reden dat krachtens geen enkele bepaling van het
EEX-verdrag de Belgische rechtbanken bevoegd zijn om kennis te nemen van huidige
vordering. Beoordeling: Art.
17 EEX-verdrag is van toepassing op onderhavig geschil, aangezien minstens één
partij haar woonplaats heeft in een lidstaat, het geschil grensoverschrijdend is
en de rechter van een lidstaat wordt aangeduid. Appellant
verwijst naar de bevoegdheidsclausule die opgenomen is in haar algemene
factuurvoorwaarden, dat bepaalt: “Alleen de rechtbanken te Neerpelt en
Hasselt zijn bevoegd bij betwisting. Iedere betwisting betreffende dit contract
wordt uitsluitend geregeld volgens Belgisch recht.”
(art. 15
van de algemene voorwaarden) Door
de geldigheid van een bevoegdheidsovereenkomst afhankelijk te maken van het
bestaan van een overeenkomst tussen partijen, is de aangezochte rechter
verplicht te onderzoeken of de clausule die hem bevoegd verklaart, inderdaad het
voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen, die
duidelijk tot uiting komt. De
partijen zijn gebonden door algemene voorwaarden, waaraan eerdere transacties
onderworpen waren. Indien partijen geregeld geconfronteerd werden met dezelfde
voorwaarden, worden zij vermoed – behoudens laakbare onvoorzichtigheid -
kennis te hebben gekregen van het forumbeding dat in algemene bewoordingen is
vervat. Wanneer zij hiertegen nooit geprotesteerd hebben, worden zij
verondersteld met het forumbeding te hebben ingestemd. Het hof neemt aan dat geïntimeerde
nooit tegen het forumbeding protesteerde, aangezien de door haar gegeven
opeenvolgende opdrachten gevolgd werden door verschillende facturen, o.a. een
factuur van oktober 1995 en februari 1996, die geïntimeerde heeft ontvangen en
waarin verwezen werd naar de algemene voorwaarden. In
het eerste protestschrijven dat door geïntimeerde werd verstuurd op 12 juli
1996, wordt niet geprotesteerd tegen de toepasselijkheid van de algemene
voorwaarden. De factuur van 21 februari 1996 wordt door geïntimeerde zelfs
volledig aanvaard, waarin geïntimeerde ook stelt dat zij zal worden betaald. Bovendien
toont appellant ten overvloede aan dat er reeds sedert 1991 handelsrelaties
bestaan tussen partijen en dat geïntimeerde herhaaldelijk door appellant
opgestelde facturen heeft betaald, waarop een soortgelijke vermelding voorkwam. Geïntimeerde
stelt terecht dat het Weens Koopverdrag niet van toepassing is op onderhavig
geschil aangezien de belangrijkste verplichting van geïntimeerde er in bestaat
de verstrekking van arbeidskracht of het verlenen van andere diensten. De
facturen werden in hoofdzaak opgesteld voor uitgevoerde herstellingswerken aan
de snijmachines. Het Belgisch recht is van toepassing. De
eerste rechter heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard om kennis te nemen
van huidig geschil. Het
protest van geïntimeerde, bij schrijven van 12 juli 1996, voor het niet goed
functioneren van verschillende machines is manifest laattijdig en ongegrond. Wanneer
een handelaar geconfronteerd wordt met een factuur waarmee hij het inhoudelijk
oneens is, heeft hij de verplichting deze te protesteren binnen een korte
termijn, d.i. binnen een termijn die daartoe redelijkerwijze nodig is gelet op
de aard van de overeenkomst en de complexiteit van de gegevens van de factuur en
zoniet dit gebrek aan protest als een aanvaarding wordt beschouwd. De
factuur vervult niet enkel een bewijsfunctie, zoals opgenomen in art. 25 Wb.Kh.,
doch houdt tevens een verzoek in tot de geadresseerde om zijn schuld te voldoen
en heeft tot doel het bestaan te bevestigen van de verbintenis van de
geadresseerde ten voordele van de afzender van de factuur. Bovendien
is het protestschrijven van 12 juli 1996 ongegrond, aangezien geïntimeerde geen
bewijs voorbrengt van het slecht functioneren van de machines en van een
retourzending. Eens
de aanvaarding van de facturen vaststaat, moet worden aangenomen dat de factuur
de getrouwe weergave is van de overeenkomst en dat dit document tussen partijen
de bewijskracht heeft van een onderhands geschrift. Geïntimeerde dient het
tegenbewijs te leveren van het slecht functioneren van de machines en dit dan
nog ten gevolge van de uitgevoerde herstellingen door appellant. Geïntimeerde
blijft zelfs in gebreke de facturen, die zij erkent verschuldigd te zijn, te
voldoen. De
vordering in betaling van achterstallige facturen dient ontvankelijk en gegrond
te worden verklaard. Aangezien
appellant manifest getalmd heeft en slechts na meer dan één jaar is overgegaan
tot dagvaarding in betaling van de openstaande facturen, worden enkel
gerechtelijke intresten toegekend op de openstaande hoofdsom en het contractueel
voorziene schadebeding van 10%. De
vordering van appellant wordt herleid tot een bedrag van 6 827,71 EUR,
vermeerderd met de gerechtelijke intresten. Het
hoger beroep van appellant is ontvankelijk en deels gegrond en het bestreden
vonnis dient te worden teniet gedaan. Gelet op het devolutief karakter van het
hoger beroep, trekt het Hof de zaak aan zich. OM
DEZE REDENEN HET
HOF Recht
doende op tegenspraak; Gelet
op art. 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart
het hoger beroep van appellant ontvankelijk, en deels gegrond; Verklaart
het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond. Doet
het bestreden vonnis te niet en opnieuw recht doende, gelet op art. 1068 Ger.Wb.
trekt de zaak aan zich en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de som van
6 827,71 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten. Wijst
het meergevorderde af als ongegrond. Verwijst
geïntimeerde in de gedingkosten van beide aanleggen aan de zijde van appellant
begroot op: dagvaarding:
329,30 EUR rechtsplegingsvergoeding
rechtbank van koophandel:
327,22 EUR rolzetting
hoger beroep:
186,00 EUR uitgavenvergoeding:
56,99 EUR rechtsplegingsvergoeding
hoger beroep:
466,04 EUR Wijst
het meergevorderde af als ongegrond. (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |