|
|
|
Case
Identification
Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 1998/AR/2613 Case
History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Dendermonde, afdeling Aalst, 25 March 1997
& 1 September 1998 Parties:
SRL Orintix v. NV Fabelta Ninove Seller’s
Country: Italy (Defendant; Appellant) Buyer’s
Country: Belgium (Plaintiff; Respondent on Appeal) Goods
Involved: computer apparatus Judge:
D. Floren Status:
Unpublished Classification
of issues
CISG
Provisions Applied: Arts 3 Sales and services contract –
creation and installation of hard- and software specifically designed and
adapted for buyer – not only sales contract, but service contract Service – Hague Services
Convention of 1965 – by post – valid Service – Hague Services
Convention of 1965 ‑ no translation of summons in Italian – still valid
Text
of the Decision
S.R.L.
ORINTEX, vennootschap
naar Italiaans recht, met maatschappelijke zetel te 1-50047 Prato..., appellante,
hebbende als raadsman mr. Luc
Gheysens, advocaat met kantoor te 8560 Wevelgem..., tegen N.V.
FABELTA NINOVE, met
maatschappelijke zetel te 9400 Ninove... en ingeschreven in het handelsregister
te Aalst...., geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. Godfried
Duchi, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk..., velt
het Hof volgend arrest: Het
Hof heeft in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies
gehoord, alsmede de stukken ingezien. Het
hoger beroep tegen de vonnissen van de rechtbank van koophandel te Dendermonde,
afdeling' Aalst, eerste kamer, van 25 maart 1997 en 1 september 1998,
werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 december 1998.
Dat het hoger beroep tijdig is en regelmatig naar de vorm, wordt niet betwist. I.
Antecedenten. 1.
Op 11 juni 1993 sluiten partijen een overeenkomst betreffende de
levering door appellante van kleurcomputerapparatuur (hard- en software), met
programma's voor kwaliteitscontrole, kleurreceptberekening en correctieprogramma
voor de toepassing van het verven van garens in massa (“Color Matching
System”). Geïntimeerde
beklaagt er zich over dat het systeem nooit naar behoren heeft gewerkt en dat
appellante geen oplossing heeft gevonden voor de problemen, die zich stellen.
Daarom gaat zij op 21 april 1995 over tot dagvaarding in kortgeding,
teneinde de aanstelling van een deskundige te bekomen. Bij beschikking van de
Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Dendermonde van 14 juni 1995
wordt de heer Van der Ouderaa belast met de opdracht advies uit te brengen over
de computerconfiguratie en de programma's. Met
dagvaarding van 30 augustus 1995 vordert geïntimeerde de ontbinding
van de met appellante op 11 juni 1993 gesloten overeenkomst en haar
veroordeling tot onmiddellijke terugname van het geleverde volgens overeenkomst
van 14 juli 1993. Zij vordert tevens de terugbetaling van hetgeen zij
reeds betaalde, hetzij 136.157.000 Italiaanse lires, alsmede een
provisionele schadevergoeding van 1.000.000 frank (= € 24.789,35). Appellante
betwist de rechtsgeldigheid van de dagvaarding (bij gebrek aan vertaling) en de
bevoegdheid van de Belgische rechter. Ten gronde meent zij dat de problemen,
waarover geïntimeerde zich beklaagt, haar niet kunnen worden toegerekend en bij
tegeneis vordert zij betaling van het openstaand saldo ten bedrage van
13.589.375 Italiaanse lires, meer de rente vanaf factuurdatum. 2.
In het eerste bestreden vonnis van 25 maart 1997 verklaart de eerste
rechter zich op basis van het EEX-verdrag bevoegd om kennis te nemen van de
vordering en stelt hij vast dat een vertaling van het dagvaardingsexploot niet
op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zodat er geen grond is om de
dagvaarding nietig te verklaren ingevolge het ontbreken van een vertaling. Verder
oordeelt hij dat de verhoudingen tussen partijen beheerst worden door het
Italiaanse recht en worden de debatten heropend teneinde partijen te horen
omtrent de interpretatie van de overeenkomst volgens het Italiaanse recht en hen
toe te laten vertalingen voor te leggen van alle stukken. In
het vonnis van 1 september 1998 komt de eerste rechter tot de
bevinding dat de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een
aannemingsovereenkomst (en niet als een loutere koop-verkoop), nu het
operationeel maken van de software eveneens tot de opdracht van appellante
behoorde. Onder
verwijzing naar het verslag van de deskundige, waarin diverse gebreken worden
opgesomd, besluit de eerste rechter dat de door appellante geleverde hard- en
software niet bruikbaar zijn voor het doel, waarvoor ze besteld werden, met name
kwaliteitscontrole, kleurreceptberekening en correctieprogramma voor het verven
van garens in massa. De vordering tot ontbinding van de overeenkomst wordt
derhalve gegrond bevonden, maar schade in hoofde van geïntimeerde wordt niet
bewezen geacht. Op
deze gronden wordt de overeenkomst van 11 juni 1993 ontbonden ten
laste van appellante, die wordt veroordeeld tot de onmiddellijke terugname van
het geleverde volgens overeenkomst van 14 juli 1993 en tot de
terugbetaling van 136.157.000 Italiaanse lires. Het
door geïntimeerde meergevorderde, evenals appellante's tegenvordering, worden
als ongegrond afgewezen. 3.
Appellante herneemt vooreerst de toelaatbaarheidsexceptie, gestoeld op de
nietigheid van de dagvaarding ingevolge het ontbreken van een vertaling. Zij
betwist dat de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een
aannemingsovereenkomst. Volgens haar betreft het een (internationale)
koop-verkoopovereenkomst, die wordt beheerst door het Weens Koopverdrag (CISG). Ten
gronde meent zij dat het geenszins bewezen is dat de geleverde software
gebrekkig is, zodat er geen reden was om de overeenkomst te ontbinden. Zij
besluit tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerde en zij herneemt haar
tegenvordering. 4.
Geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep. Waar zij in haar
eerste en derde conclusie de integrale bevestiging van de bestreden vonnissen
vraagt, blijkt uit haar tweede appelconclusie dat zij incidenteel beroep
instelt, wat de afwijzing van haar vordering tot betaling van schadevergoeding
betreft, en uit dien hoofde herneemt zij haar vordering tot betaling van de
provisionele som van € 24.789,35. II.Bespreking. 1.
Er is niet langer betwisting omtrent de bevoegdheid van de Belgische
rechtsmachten en de toepasselijkheid van het Italiaanse recht. De
thans nog gevoerde discussie betreft: - de rechtsgeldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding; -
de kwalificatie van de
overeenkomst tussen partijen; - de aan appellante verweten contractuele wanprestatie; -
de eventuele sancties. 2.
De eerste rechter heeft de nietigheidsexceptie, gestoeld op het gebrek aan
vertaling bij de betekening van de dagvaarding, op correcte gronden verworpen. De
betekening is gebeurd overeenkomstig artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek en
artikel 10.a van het Verdrag van 15 november 1965 houdende de
betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en handelszaken. Tegen
deze verdragsbepaling, die de betekening door middel van rechtstreekse
toezending van de stukken over de post toelaat, is er geen verzet van de
Italiaanse staat. Voormelde bepalingen leggen niet de verplichting op (laat
staan op straffe van nietigheid) om een vertaling van de stukken bij te voegen. Bovendien
heeft de eerste rechter terecht gewezen op de artikelen 861 en volgende van
het Gerechtelijk Wetboek. De procedure wordt immers beheerst door het Belgisch
gerechtelijk recht en appellante, die ingevolge de dagvaarding op de zitting is
verschenen en haar verweer zonder enige beperking heeft kunnen voeren, toont
niet aan dat haar belangen op enigerlei wijze werden geschaad. 3.
De blijkens de orderbevestiging van 11 juni 1993 tussen partijen tot
stand gekomen overeenkomst betreft de levering een Color Matching systeem,
bestaande uit hardware (Spectrofotometers Macbeth) en software (speciale
versie’s voor meting in transmissie en voor vezels in massa verving). Het
standpunt van appellante, dat zij een standaard-softwarepakket heeft geleverd,
dat voorafgaandelijk was geschreven en voor meerdere ondernemingen dienstig was,
zodat het geheel van de overeenkomst moet worden beschouwd als een koop-verkoop,
kan niet worden bijgetreden. Zo
blijkt onder meer uit de nota, gedateerd 14 mei 1993 (...), dat er
voorafgaand aan de bestelling, tussen partijen onderhandelingen zijn gevoerd
omtrent de specifieke vereisten, waaraan de bij geïntimeerde te leveren
installatie diende te voldoen. De verbintenis om ervoor te zorgen dat de
programma’s deze bijzondere hoedanigheden zouden bezitten, overstijgen het 'fine-tunen'
van een bestaand programma, waarnaar appellante verwijst. Ook
de aard van geïntimeerde's klachten en van de problemen, die aanleiding gaven
tot de tussenkomst van appellante, zoals deze blijken uit de briefwisseling
(...) en het verslag van de deskundige, wijzen op de zeer specifieke aard van de
software, die geïntimeerde in staat moest stellen wel bepaalde resultaten te
bereiken. De
eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de omstandigheid, dat de
kostprijs van de geleverde hardware hoger ligt dan de kostprijs van de software,
in casu niet van doorslaggevend belang is. Het
was de bedoeling van partijen dat appellante ten behoeve van geïntimeerde een
systeem zou op punt stellen en operationeel maken (hetgeen haar er toe noopte om
- al dan niet ter plaatse - de software herhaaldelijk aan te passen), waarmee de
beoogde doelstellingen zouden worden gehaald. In
het geheel van appellante’s opdracht prevaleert dan ook de dienstverlening,
zodat het Weens Koopverdrag ter zake niet kan worden toegepast, aangezien
artikel 3.2 van dit verdrag bepaalt dat het verdrag niet van toepassing is op
overeenkomsten waarin het belangrijkste deel van de verplichtingen van de partij
die de roerende zaken levert, bestaat in de verstrekking van arbeidskracht of de
verlening van andere diensten. 4.
Ten onrechte houdt
appellante voor dat naar het oordeel van de deskundige er slechts sprake zou
zijn van ‘klassieke software-problemen’, die voor haar oplosbaar zijn. Het
verslag van de deskundige dient in zijn geheel te worden gelezen. Aan het
voorgaande voegt de deskundige immers toe dat het niet zeker is dat appellante
binnen een redelijk tijdsbestek een oplossing zou kunnen vinden voor het feit
dat haar software de monopigment decompositie verkeerd uitvoert, zodat geïntimeerde
zich hiervoor beter tot een andere leverancier zou wenden. Bovendien
mag niet uit het oog verloren worden dat, ondanks het feit dat de deskundige de
meeste problemen oplosbaar acht, tijdens de expertise gebreken werden
vastgesteld, zoals beschreven in de definitieve conclusies op pagina 29 van het
verslag (onder meer blockage bij printer en onvoldoende printfaciliteiten,
verwarring tussen de metingen bij zwart/wit afdruk, allerhande bugs in de
software, on:voldoendemogelijkheid tot meting donkere kleuren en geen goede
reproduceerbaarheid van de metingen in het algemeen), waaraan op het ogenblik
van de expertise, hetzij twee jaar na de installatie, door appellante blijkbaar
nog steeds niet was verholpen. In
zijn antwoord op de vraag naar de technische verantwoordelijkheid, heeft de
deskundige het uitsluitend over de gebreken van het Orintex systeem, die als
enige verantwoordelijk is voor de gebrekkige werking van het systeem. Er is geen
enkele aanwijzing dat geïntimeerde zelf de oorzaak zou zijn van bepaalde
problemen. Appellante
had zich geëngageerd tot een resultaatsverbintenis. Nu blijkens de bevindingen
van de deskundige moet worden vastgesteld dat zij het beoogde resultaat niet
heeft bereikt, moet worden besloten dat zij haar contactuele verplichtingen niet
is nagekomen. 5.
De door geïntimeerde bij appellante bestelde configuratie is een geheel van
hard- en software, bestemd om voor een bepaald doel te worden aangewend. Uit
de bevindingen van de deskundige moet worden afgeleid dat het systeem, zoals
appellante het bij geïntimeerde heeft geleverd, ook na herhaalde tussenkomsten
en aanpassingen, niet kon gebruikt worden voor het doel, waarvoor het was
bestemd. Het
systeem vormt één geheel en aan de voorgaande vaststelling wordt geen afbreuk
gedaan door het feit dat bepaalde onderdelen ervan bruikbaar zouden zijn. Daarom
heeft de eerste rechter, onder verwijzing naar de ter zake geldende Italiaanse
wetgeving, terecht de overeenkomst ontbonden ten laste van appellante, waardoor
zij terug in het bezit gesteld wordt van de apparatuur en geïntimeerde
aanspraak kan maken op de terugbetaling van de betaalde prijs. In deze
omstandigheden dient geïntimeerde uiteraard het saldo van de prijs, voorwerp
van de appellante’s tegeneis, niet te betalen. Het
door appellante ingesteld hoger beroep is derhalve ongegrond. 6.
Enerzijds, vordert geïntimeerde bij incidenteel beroep nog steeds een
provisionele schadevergoeding, terwijl zij, anderzijds, verwijst naar een
kostprijsberekening (...), waaruit moet blijken dat haar schade dient becijferd
te worden op 1.077.264 frank (= € 26.704,68). Deze
eenzijdige schadeberekening van geïntimeerde, die zij niet aan het advies van
de deskundige heeft onderworpen, kan niet worden aangenomen, zodat met de eerste
rechter moet worden besloten dat de beweerde schade niet wordt bewezen. Ook
het incidenteel beroep is ongegrond. OP
DEZE GRONDEN, HET
HOF, Melding
makende van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart
de hogere beroepen toelaatbaar, doch ongegrond. Bevestigt
de bestreden vonnissen. Verwijst
appellante in de kosten van de beroepsinstantie, aan de zijde van geïntimeerde
vereffend op € 466,04 rechtsplegingsvergoeding. (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |