|
|
|
Case
Identification
Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 2001/AR/1982 Case
History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Oudenaarde, 10 July 2001 Parties:
NV Boco v. SRL Lenzi Egisto Seller’s
Country: Italy (Plaintiff; Respondent on Appeal) Buyer’s
Country: Belgium (Defendant; Appellant) Goods
Involved: Textile Judges:
H. Debucquoy, F. Deschoolmeester, J.
Vermeir Status:
Unpublished Classification
of issues
CISG
Provisions Applied: Arts 1(1)(b), 14, 18,
19, 23 & 33 Application of CISG ‑ Convention on the law applicable to the contracts for the international sale of goods (Hague Conference, June 15, 1955) – residence of seller – Italy – CISG as part of Italian law Creation of contract – agreement – if not acceptance of offer – counter-offer Time of delivery – determined by agreement – not only by order of buyer Text
of the Decision
N.V.
BOCO, met maatschappelijke zetel te 9450 Haaltert (Heldergem)... en ingeschreven
in het handelsregister te Oudenaarde... appellante,
hebbende als raadsman mr. Dominique
Van den Eynde, advocaat met kantoor te 9300 Aalst..., tegen S.R.L.
LENZI EGISTO, vennootschap naar Italiaans recht, met maatschappelijke
zetel in Italië, 50049 Vaiano - Lot. Gabolana... en
ingeschreven in het handelsregister te Prato (Italië)..., geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. Alain
Meul, advocaat met kantoor te 9000 Gent..., alwaar woonstkeuze gedaan wordt, velt
het Hof volgend arrest: 1. Partijen
werden gehoord ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2004 in hun
middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien. Bij
verzoekschrift, neergelegd op 12 september 2001 ter griffie van het
Hof, heeft appellante tijdig en regelmatig naar vorm hoger beroep ingesteld
tegen het vonnis van 10 juli 2001, op tegenspraak gewezen door
de vakantiekamer van de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde (AR. 44/97). Een
exploot van betekening ligt niet voor. Feiten
en procedure in eerste aanleg 2. Tussen
partijen bestond een handelsrelatie, waarbij de NV BOCO als pantoffelfabrikant
(hierna genoemd: appellante) stoffen aankocht bij de vennootschap naar
Italiaans recht SRL LENZI EGISTO als stoffenproducent (hierna genoemd: geïntimeerde). Geïntimeerde
maakte stalen van haar stoffen over aan appellante, op basis waarvan deze
laatste haar collectie pantoffels bepaalde en presenteerde aan haar klanten.
Naargelang van de bestellingen van haar klanten, bestelde appellante vervolgens
de nodige hoeveelheden stoffen bij geïntimeerde. Op 28/11/94 en 07/12/94
bestelde appellante bij geïntimeerde stalen voor de wintercollectie
1995-1996. Bij
fax van 30/03/95 werd een eerste bestelling stoffen geplaatst, waarbij
appellante vroeg om te leveren voor eind april 1995. Bij fax van 05/04/95
antwoordde geïntimeerde dat deze leveringsdatum niet zou worden gehaald en
stuurde een orderbevestiging. Bij fax van 13/04/95 bevestigde geïntimeerde dat
de stoffen zouden geleverd worden op 10/05/95. Op 05/05/95 werden de stoffen
geleverd en gefactureerd door geïntimeerde bij factuur F.581 voor
17.887.080 It. Lire. Bij
fax van 20/04/95 plaatste appellante een tweede bestelling stoffen o.a.
100 meter stof "Kabul", met verzoek tot spoedige levering, zeker voor
eind mei 1995. Bij fax van 21/04/95 deelde geïntimeerde de prijzen van de
bestelde stoffen mede en stelde een alternatief voor de "Kabul" stof
voor, nl. "Lima". Ze stuurde een orderbevestiging, behalve van de stof
"Kabul". Bij fax van 03/05/95 stelde appellante dat haar klanten hun
bestellingen hadden geplaatst op basis van het "Kabul" staal. Bij fax
van 12/05/95 deelde geïntimeerde mede dat de stoffen niet zouden worden
geleverd voor 15 juni 1995. Bij
fax van 16/05/95 plaatste appellante bij geïntimeerde een derde bestelling. Appellante
drong aan opdat geïntimeerde 100 meter stof "Kabul" zou produceren.
Geïntimeerde antwoordde dat dit onmogelijk was gezien de bestelling minstens
1000 meter moest bedragen om de produktie van deze stof op te starten. Bij fax
van 24/05/95 stelde geïntimeerde dat bepaalde stoffen pas konden geleverd
worden eind juni/begin juli 1995. Appellante
klaagde over de leveringstermijn en bij fax van 06/06/95 stelde ze geïntimeerde
in gebreke om de stoffen te leveren voor 07/07/95. Op 09/06/95 werden een aantal
stoffen geleverd door geïntimeerde en gefactureerd bij F.759 van 09/06/95 voor
8.865.235 It. Lire. Op
16/06/95 stelde appellante geïntimeerde in gebreke omtrent de stof "Kabul"
en stelde dat haar klanten 1.036 paar pantoffels in "Kabul" hadden
besteld. Appellante becijferde haar
winstderving bij niet-levering op 238.280 BEF. Geïntimeerde repliceerde op
29/06/95 dat ze al in december 1994 had gewaarschuwd dat de stof "Kabul"
géén deel meer uitmaakte van haar collectie en slechts terug in produktie kon
worden genomen mits bestelling van min.1000 meter. Partijen
bereikten geen akkoord. Na
diverse aanmaningen tot betaling van de openstaande facturen, bevestigde
appellante op 12/09/95 dat ze F.759 had betaald, terwijl ze op F.581 de door
haar geleden winstderving ingevolge de niet-produktie van de stof "Kabul"
zou aftrekken. Ze betaalde op
12110/95 de som van 5.320.006 It. Lire op F.581, waartegen geïntimeerde
protesteerde. 3. Bij
dagvaarding, betekend op 8 januari 1997, vorderde geïntimeerde
betaling lastens appellante van 12.567.074 It. Lire, aan de tegenwaarde in
Belgische frank aan de hoogste wisselkoers op datum van betaling, als saldo op
F.581 van 5 mei 1995, méér 36.721 BEF nalatigheidsrente vanaf
05/06/95 tot dagvaarding, méér de gerechtelijke rente en de gedingkosten. Appellante
betwistte de vordering met klem. Bij tegeneis vorderde ze betaling lastens geïntimeerde
van 348.510 BEF schadevergoeding ingevolge contractuele wanprestatie door
geïntimeerde, méér de wettelijke rente vanaf 20/06/95, méér de
gerechtelijke rente, méér de gedingkosten. Bij
tussenvonnis van 22 juni 1999 heropende de Eerste Rechter ambtshalve
de debatten om partijen toe te laten te besluiten over de toepasselijke
wetgeving en de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeien. Bij
eindvonnis a quo van 10 juli 2001 verklaarde de Eerste Rechter: - de hoofdeis ontvankelijk en gegrond en
veroordeelde appellante tot betaling aan geïntimeerde van 12.567.074 It. Lire, aan
de tegenwaarde in Belgische frank aan de hoogste wisselkoers op datum van
betaling, als saldo op F.581 van 5 mei 1995, méér de wettelijke
verwijlrente vanaf 05/06/95 tot dagvaarding, méér de gerechtelijke rente, méér
de gedingkosten; - de tegeneis ontvankelijk, doch ongegrond. Procedure
in hoger beroep 4. Het
hoger beroep werd ingesteld door de oorspronkelijke verweerster, de NV BOCO. Partijen
betwisten niet langer de bevoegdheid van de Eerste Rechter, noch de
toepasselijke wet volgens het Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955,
nl. het Italiaans recht. Het
Weens Koopverdrag van 11 april 1980 behoort tot het Italiaans
materieel recht sinds 1 januari 1988 en is dus van toepassing op de
betwiste koopovereenkomsten tussen partijen van maart, april en mei 1995. Appellante
stelt dat geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan contractuele
wanprestatie door (1) laattijdige leveringen en (2) het niet leveren van de stof
"Kabul". Ondergeschikt wordt de rente betwist. Ze volhardt in haar
oorspronkelijke tegeneis. Geïntimeerde
vraagt bevestiging van het vonnis a quo. Beoordeling 5.
De beweerde laattijdige leveringen Art.33
van het Weens Koopverdrag voorziet dat, indien de koopovereenkomst of een later
akkoord van partijen de datum voor de aflevering heeft bepaald, hetzij
uitdrukkelijk, hetzij bij verwijzing naar een bepaalde gebeurtenis, die datum
bindend is voor de verkoper. Het gaat om een datum die tussen partijen werd overeengekomen
en niet de door een koper op de bestelbon gevraagde leveringsdatum. 5.1
Inzake de bestelling nr. 21463 van 30/03/95 had appellante bij fax van
05/04/95 gevraagd om te leveren uiterlijk april 1995 (...). Geïntimeerde heeft
dadelijk geantwoord dat het bijna onmogelijk zou zijn om te leveren voor eind
apri1 1995 (...). In
een fax van 13/04/95 heeft geïntimeerde vervolgens bevestigd dat de bestelling
zou worden geleverd op 10/05/95 (...). Hierop heeft appellante niet meer
gereageerd, wat laat aannemen dat ze akkoord was met de vooropgestelde
leveringsdatum. Finaal
werd er geleverd op 05/05/95 (...). 5.2.
Inzake de bestelling nr. 21713 van 20/04/95 had appellante gevraagd om zo
spoedig mogelijk te leveren en zeker voor eind mei 1995 (...). Geïntimeerde
heeft bij fax van 12/05/95 geantwoord dat ze niet zou kunnen leveren voor
15/06/95 (...). Bij
fax van 24/05/95 deelde geïntimeerde mede dat twee artikelen uit de bestelling
slechts zouden kunnen geleverd worden eind juni 1995/begin juli 1995
en de overige artikelen half juni 1995 (....). Appellante antwoordde
levering te wensen uiterlijk half juni 1995, bij gebreke waarvan ze de
levering niet zou aanvaarden (...). Appellante
heeft bij fax van
06/06/95 gesteld dat de bestelde goederen voor 07/07/95 in haar bezit
moesten zijn (stuk 16 appellante/stuk 19 geïntimeerde). Deze bestelling werd
deels geleverd op 09/06/95 en de rest werd geleverd de eerste week van juli 1995. 5.3
Inzake de bestelling nr. 22105 van 16/05/95 stelde appellante in haar
bestelbriefgéén leveringstermijn voorop (...). Deze bestelling werd geleverd
op 09/06/95. 5.4
De bestellingen nrs. 21463 en 22105 werden geleverd binnen de
voorgestelde data en zelfs vroeger dan voorzien. Bij
haar fax van 06/06/95 heeft appellante zich uitdrukkelijk akkoord verklaard
inzake bestelling nr. 21713 met het door geïntimeerde vooropgestelde
uitstel van leveringsdatum tot 07/07/95 voor twee artikels van de bestelling
(...). Er werd tussen partijen een nieuwe leveringsdatum overeengekomen. Er
kan dan ook geen sprake zijn van laattijdige leveringen. 6. Het niet leveren van de stof
"Kabul" Volgende
artikelen van het Weens Koopverdrag zijn in casu relevant: - Artikel 14,1° stelt dat een voorstel tot het
sluiten van een overeenkomst, gericht tot één of meer bepaalde personen, een aanbod vormt
indien het voldoende bepaald is en daaruit de wil blijkt van de aanbieder om in
geval van aanvaarding, gebonden te zijn. Een voorstel is voldoende bepaald
indien daarin de zaken worden aangeduid en de hoeveelheid en de prijs
uitdrukkelijk of stilzwijgend worden vastgesteld ofbepaalbaar zijn. -
Artikel 18,1° bepaalt dat een verklaring afgelegd door of een andere gedraging
van de wederpartij, waaruit de instemming met een aanbod blijkt, een aanvaarding
is. -
Artikel 19,1° stelt dat een antwoord op een aanbod dat tot aanvaarding strekt,
wanneer dit aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen bevat, geldt als
verwerping van het aanbod en een tegenaanbod vormt. -
Artikel 23 bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt op het tijdstip
waarop de aanvaarding van het aanbod van kracht wordt. Appellante
argumenteert dat ze in december 1994 op een internationale beurs een staal van 5
meter stof "Kabul" heeft besteld, wat door geïntimeerde werd geleverd
en dit zonder voorbehoud m.b.t. de productie van deze stof (stukken 1-2-2bis
appellante). Het toesturen van stalen kan echter niet aanzien worden als
een aanbod. Er was toen niets vastgelegd o.a. welke hoeveelheid stof
"Kabul" appellante eventueel zou bestellen. Wel
heeft appellante een aanbod gedaan (in de zin van art. 14,1° Weens Koopverdrag)
om 100 meter stof "Kabul" aan te kopen bij fax van 20/04/95
(...). Op
21/04/95 heeft geïntimeerde echter een wijziging voorgesteld (in de zin van
art. 19,1° Weens Koopverdrag) om de stof "Lima" als alternatief
te leveren (...). Dit tegenaanbod werd door appellante niet aanvaard (...). Bij
brief van 16/05/95 stelde geïntimeerde dan ook expliciet dat ze de bestelling
van de stof "Kabul" niet kon bevestigen (...). Ook
deed ze een ander tegenaanbod om de produktie van de stof "Kabul" te
starten nl. dat er min. 1000 meter werd besteld (...). Ook dit
tegenaanbod werd door appellante afgewezen. In
tegenstelling tot wat appellante stelt, is er tussen partijen géén
overeenkomst tot stand gekomen i.v.m. de stof "Kabul". Er kan dan ook
geen sprake zijn van een contractuele wanprestatie. Appellante is dus niet
gerechtigd om 5.906,81 EUR ten titel van schadevergoeding te compenseren,
dit voor het beweerde verlies wegens het niet kunnen produceren van de "Kabul"
pantoffels. 7. Terecht
heeft de Eerste Rechter bijgevolg geoordeeld dat het saldo op factuur F.581 van
5 mei 1995 nog verschuldigd was, alsook de rente vanaf de vervaldag
van de factuur en aan de Belgische wettelijke rentevoet. Gelet
op bovenstaande beoordeling (geen contractuele fout van geïntimeerde), is de
oorspronkelijke tegeneis ongegrond. Enig causaal verband tussen enerzijds
de annulaties van de bestellingen van EDO SHOE en PRORA bij appellante (...) of
de economische werkloosheid bij appellante (...) en anderzijds huidige zaak,
wordt daarenboven niet aangetoond. Het
hoger beroep is integraal ongegrond. OM
DEZE REDENEN, HET
HOF, Rechtdoende
op tegenspraak; Gelet
op art. 24 van de wet van 15juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart
het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt
appellante tot de gedingkosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van geïntimeerde
op 466,04 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |