K.U.Leuven
CISG Belgium 2004-10-20

Case Identification

 

Date of Decision: 20 October 2004

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 1999/AR/9

Case History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Gent, 10 November 1998; Previous decision of Hof van Beroep, Gent, 14 February 2001

Parties: NV Van Heygen Staal v. GmbH Stahl- und Metalhandel Klockner

Seller’s Country: Germany (Plaintiff; Respondent on Appeal)

Buyer’s Country: Belgium (Defendant; Appellant)

Goods Involved: steel coils

Judge: E. Teirlinck, J. Baudrez, E. Dursin

Status: Unpublished

 

Classification of issues

 

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Arts. 1(1)(b), 74, 75

Choice for German law – CISG applicable

Refusal to accept delivery – fundamental breach

Reselling goods - permitted if fundamental breach

Mitigating loss – not proved by buyer that seller did not mitigate

Damage – stocking, transporting goods & difference between contract price and price of new sale (when reselling)

Interests

 

Text of the Decision

 

in de zaak met het rolnr. 1999/AR/9 van:

nv VAN HEYGHEN STAAL,

(in het bestreden vonnis en in besluiten van deze partij ook geschreven:

nv VANHEYGENSTAAL)…

ingeschreven in het handelsregister te Gent…,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, op tegenspraak gewezen door de derde kamer dd. 10-11-1998,

- TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND

oorspronkelijk verwerende partij,

hebbende als raadsman mr. TORREKENS Rik, advocaat te 9000Gent…

tegen:

GmbH STAHL- UNO METALHANOEL KLOCKNER,

vennootschap naar Duits recht

met zetel te D-47057 Duisburg…,

geïntimeerde, oorspronkelijk eisende partij,

hebbende als raadslieden mr. VAN DORPE Luc, mr. VAN HAESEBROUCK Charles, mr. DELEU Christian en mr. CASIER Philippe, allen advocaat te 8500 Kortrijk…;

velt het Hof het volgend arrest.

Bij beschikking dd. 14 augustus 2003, gewezen bij toepassing van artikel 747, §2 Ger.W., werd de rechtsdag in onderhavige zaak bepaald op 22 september 2004. Deze beschikking werd regelmatig ter kennis gebracht van partijen en hun respectieve raadslieden. Nu de NV. VAN HEYGHEN STAAL op de zitting van 22 september 2004 niet is verschenen, noch vertegenwoordigd was, heeft GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER terecht een op tegenspraak gewezen arrest gevorderd.

Geïntimeerde werd gehoord in haar middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 22 september 2004. Zij heeft het volledige stukkenbundel van de NV. VAN HEYGHEN STAAL zoals haar medegedeeld, neergelegd. De procedurestukken en de bewijsstukken van partijen werden ingezien.

1.

Het tussenarrest dd. 14/02/2001 heeft de oorspronkelijke aanspraken van de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER bevestigd omtrent de onterechte weigering van de NV. VAN HEYGHEN STAAL in oktober 1995 om haar bestelling van 3.400 ton staal op coils af te nemen, en een gerechtsdeskundige aangesteld om de schade van eerstgenoemde te becijferen en advies daaromtrent te verlenen.

In zijn voorverslag stelt de gerechtsdeskundige vooreerst vast dat er te dezen geen schade was uit hoofde van de opgelopen averij, en dat de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER in staat was om de partij staal volledig conform de bestelling af te leveren aan de NV. VAN HEYGHEN STAAL. Door de weigering van deze laatste om af te nemen, heeft de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER schade geleden, die de gerechtsdeskundige in zijn eindverslag raamt op 141.252,16 EUR (106.625,04 EUR winstderving, 20.488,20 EUR supplementaire behandelings- en opslagkosten, en 14.138,92 EUR intrestderving); deze raming onderstelt wel dat de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER de partij kon verkocht hebben tegen eind december 1995.

De GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER vorderde met haar inleidende dagvaarding oorspronkelijk 307.287,15 EUR en thans 346.524,65 EUR, met name 260.758,86 EUR minder ontvangsten ten opzichte van de overeengekomen prijs, 53.953,21 EUR opslagkosten en 31.812,58 EUR intrestderving.

2

De NV. VAN HEYGHEN STAAL verwerpt deze aanspraken als exorbitant en vordert in eerste instantie de bevestiging van het aangevochten vonnis waar dit de schade in hoofdsom begroot heeft op (4.233.941 BEF =) 104.956,66 EUR. Ondergeschikt vecht zij de rentevoet aan die de gerechtsdeskundige hanteerde bij de intrestderving: dit dient berekend te worden aan 3% in plaats van 8%, zodat de schadebegroting kan worden gebracht op 132.415,45 EUR, maximaal 141.252,16 EUR. In ieder geval wil zij de vergoedende rente verminderd zien tot 4,5%.

2.

Ten onrechte voert de NV, VAN HEYGHEN STAAL aan dat de kenmerkende prestatie van de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER bestond in de levering te Antwerpen, om aldus het Belgisch recht toe te passen.

In het tussenarrest werd reeds vastgelegd dat de modaliteiten van de verkoopsovereenkomst neergelegd zijn in de orderbevestiging van 12/06/1995; deze voorwaarden werden trouwens nogmaals hernomen in de orderbevestiging van 15/08/1995 (…).

Daarbij wordt uitdrukkelijk voorzien in de toepasselijkheid van de regels die gelden voor de inwoners van Bondsrepubliek Duitsland ("das für Inländer in der Bundesrepublik Deutschland mafbgebende Recht"). Nergens toont de NV. VAN HEYGHEN STAAL aan tegen dit - overigens niet ongewoon - beding geprotesteerd te hebben, zodat mag worden

aangenomen dat de partijen in deze zin overeengekomen waren.

De toepasselijkheid van het Duitse recht leidt dan op zijn beurt tot de toepassing van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken dd. 11/04/1980, dat in Duitsland van toepassing is sinds 01/01/1991 (en sinds 01/11/1997 eveneens in België, waar voordien het Verdrag, houdende een Eenvormige Wet inzake de totstandkoming van internationale koopovereenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken, ondertekend te 's-Gravenhage op 1 juli 1964, van toepassing was).

Conform art. 74 van dit Verdrag van Wenen bestaat de schadevergoeding wegens een tekortkoming van een partij, uit een bedrag gelijk aan de schade, met inbegrip van de gederfde winst, die de andere partij als gevolg van de tekortkoming heeft geleden. Verder voorziet art. 75 van ditzelfde Verdrag: “Indien de overeenkomst wordt ontbonden en de koper of de verkoper op een redelijke wijze en binnen een redelijke termijn na de ontbinding een dekkingskoop heeft gesloten, komt aan de partij die schadevergoeding eist, het verschil toe tussen de overeengekomen prijs en die van de dekkingskoop, onverminderd haar recht op vergoeding van andere schade overeenkomstig artikel 74.”

3.

De GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER kan de gerechtsdeskundige niet volgen waar hij slechts het verschil toekent tussen de overeengekomen prijs en de marktprijs en niet de dekkingskoop.

Evenwel dient voorafgaandelijk te worden onderzocht of de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER de dekkingskoop “op een redelijke wijze en binnen een redelijke termijn na de ontbinding” heeft uitgevoerd: het is immers slechts onder deze voorwaarde dat haar het verschil toekomt tussen de overeengekomen prijs en die van de dekkingskoop (cfr. art. 75). De gerechtsdeskundige argumenteert desbetreffend (…):

“5. Partij Klockner heeft pas op 13.03.1996 Van Heyghen in gebreke gesteld; dit is ongeveer 5 maand nadat de goederen in Antwerpen waren aangekomen. Per 12.06.1996 heeft Klockner de ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding gevorderd; dit is ongeveer 8 maand nadat de goederen in Antwerpen waren aangekomen.

6. De (grote) tijdspanne tussen de datum van de mogelijkheid tot levering door Klockner aan Van Heyghen (oktober 1995) en de datum van de ingebrekestelling (13.03.1996) en de datum van de dagvaarding (12.06.1996) wijst op een speculatie op de prijs van het staal op de wereldmarkt door Klockner”.

Ten onrechte voert de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER aan dat de ontbinding pas plaats vond nadat zij daartoe had beslist, en dat zij hoe dan ook nog een aanvullende termijn diende te verlenen om de NV. VAN HEYGHEN STAAL toe te laten de zaken in ontvangst te (laten) nemen.

Vooreerst blijkt dat de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER reeds vóór de betekening van de dagvaarding op 12/06/1996 en zonder dat zij hiertoe enige bijzondere verantwoording inroept, tot de (quasi integrale) dekkingsverkoop is overgegaan, waardoor zij impliciet doch zeker te kennen gaf de overeenkomst als ontbonden aan te zien.

Vervolgens blijkt dat de NV. VAN HEYGHEN STAAL reeds had aangevoerd - zelfs nog vóór de coils ter levering werden aangeboden - dat zij niet zou afnemen (“Bijgevolg zijn wij verplicht, wegens het niet nakomen van de leveringstermijn, beide contracten te annuleren”- brief NV. VAN HEYGHEN STAAL dd. 27/09/1995) hetgeen zij herhaalde met haar aangetekende brieven van 11/10/1995 en 26/10/1995 (…). Deze onterechte weigering van de NV. VAN HEYGHEN STAAL is wel degelijk een wezenlijke tekortkoming, zodat alleen reeds op grond daarvan de overeenkomst meteen ontbonden kon worden verklaard, zonder bijkomende termijn.

Trouwens erkent de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER dat de N.V. VAN HEYGHEN STAAL met haar brief van 27/09/1995 (verstuurd op 02/10/1995…) de overeenkomst annuleerde.

Uiteindelijk schrijft de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER in haar fax van 31/10/1995 (stuk nr. 16, zoals in vertaling neergelegd door geïntimeerde):

“Derhalve zijn wij zo vrij U nogmaals te vragen om ons uw toestemming te geven voor de overname van het materiaal dat zich in Antwerpen bevindt, en dit vóór november 1995. Indien wij tot dan van u niets zouden gehoord hebben, zullen wij ons verplicht zien verdere stappen te ondernemen”.

Door alzo uitdrukkelijk in gebreke te stellen om af te nemen voor 07/11/1995 (toen de weigering van de NV. VAN HEYGHEN STAAL reeds een maand bekend was), drong de vaststelling van ontbinding zich minstens vanaf dan op.

Echter verkoopt de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER pas vanaf januari 1996, en dan nog amper voor 10% in deze maand. Het overgrote deel verkoopt zij vanaf februari 1996 (toen de NV. VAN HEYGHEN STAAL minstens reeds drie maand in gebreke was), tegen 76% van de marktprijs van november 1995 en 72% van de contractsprijs. Zowat acht maand sinds de NV. VAN HEYGHEN STAAL in gebreke was verkoopt zij tenslotte het laatste vijfde (resp. op 24/06 en 17/07/1996), aan minder dan tweederde van de contractsprijs.

Waar de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER aldus gedurende minstens twee maand zonder enige bijzondere reden heeft gedraald en vervolgens de rouwkopen liet aanslepen gedurende meer dan zes maand, kan dan ook niet worden aangenomen dat zij handelde “op een redelijke wijze en binnen een redelijke termijn na de ontbinding”.

4.

Als de gerechtsdeskundige aanneemt dat de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER de niet afgenomen voorraad integraal vóór eind december 1995 kon verkocht hebben, wat volgens hem “een realistische tijdspanne liet voor Stahl- und Metalhandel KLOCKNER om tegen wereldmarktprijzen een andere koper te vinden voor de partij staal”, brengt

hij hiervoor geen bijzondere argumenten aan - behoudens dan dat hij de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER ervan verdenkt ook gespeculeerd te hebben (dr. supra). Geconfronteerd met de opmerkingen van de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER (die zich onder meer bevraagt waarom zij het onzeker verhaal op de NV, VAN HEYGHEN STAAL zou hebben verkozen boven het zeker verhaal van de dekkingsverkoop), biedt de gerechtsdeskundige dan uiteindelijk een waaier van mogelijkheden aan, “aan het Hof van beroep overlatend op welk tijdstip de schade dient te worden vastgesteld” (cfr. deskundig verslag p. 14 in fine).

Allicht kan niet meteen een nieuwe afnemer voor een specifieke bestelling van 3.400 ton staal op coils worden gevonden. Blijkens de facturen die zij neerlegt kon de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER zowat drie-kwart van de niet-afgenomen voorraad verkopen tijdens de maanden februari en maart 1996. In het licht hiervan lijkt een periode tot 31/12/1995 dan ook te krap bemeten. Gelet op alles wat voorafgaat en de concrete omstandigheden te dezen, komt het voor dat de dekkingsverkoop van de 3.400 ton staal op coils die de NV. VAN HEYGHEN STAAL weigerde af te nemen kon zijn voltrokken vóór eind januari 1996; in elk geval bewijst de GmbH Stahlund Metalhandel KLOCKNER niet dat de dekkingsverkoop noodzakelijk langer moest duren, terwijl de NV. VAN HEYGHEN STAAL al evenmin bewijst hoe dit sneller kon.

Overeenkomstig de tabel die de gerechtsdeskundige heeft opgesteld (…), bedraagt de schade alsdan 151.607,48 EUR winstderving, 28.683,47 EUR stockeringskosten en 21.208,39 EUR intrestderving (in feite een extrapolatie van de gegevens die hebben geleid tot de raming ad 141.252,16 EUR van de gerechtsdeskundige in zijn eindbesluit).

Waar de gerechtsdeskundige - trouwens in overeenstemming met de bestelbons (…) - aanneemt dat “de laadkosten en transportkosten ten laste waren van de kopende partij” (…) enerzijds en anderzijds de GmbH Stahlund Metalhandel KLOCKNER bewijst dat zij uiteindelijk deze kosten zélf heeft moeten afdragen (stukken gebundeld onder nr. 20, 11,1 tot 12 geïntimeerde), boven en naast de stockeringskosten, dient dit onderdeel van de schade evenzeer als gegrond te worden aangezien. Hoewel de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER desbetreffend voor een totaal bedrag van (2.176.467 BEF =) 53.878,84 EUR aan transportkosten aantoont, vordert zij voor het geheel van “opslag-, laaden transportkosten”, derhalve met inbegrip van de hiervóór reeds begrootte opslagkosten, slechts een bedrag van 53.953,21 EUR (…). Dit onderdeel van haar vordering komt dan ook gegrond voor.

Vervolgens vecht de NV. VAN HEYGHEN STAAL de rentevoet aan waaraan de gerechtsdeskundigede “Intrestderving” heeft begroot (in feite de financiering van de aangekochte voorraad): hoewel zij het principe onbesproken laat, aanvaardt zij terzake slechts een rentevoet van 3%, hetzij (volgens haar) deze voor termijnbeleggingen, verminderd met de voorheffing. Terecht werpt de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER op dat zij nooit heeft willen beleggen, doch door de wanprestatie van de N.V. VAN HEYGHEN STAAL echter wel tijdelijk gelden van andere oorsprong diende aan te wenden ter invulling van de ontbrekende fondsen, terwijl (kortlopende) kredieten beneden 8% quasi uitgesloten zijn.

6

Ten onrechte tenslotte vordert de NV. VAN HEYGHEN STAAL de ‘mildering’ van de compensatoire rente, omdat de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER staal van een inferieure kwaliteit zou hebben aangeboden en te laat zou hebben geleverd. Deze laatste beweringen zijn irrelevant in de mate dat het tussenarrest te dezen bevestigt dat de aanspraken van de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER ontvankelijk en principieel gegrond zijn (zelfs worden de huidige opmerkingen van de NV. VAN HEYGHEN STAAL daarin verworpen),

terwijl de NV. VAN HEYGHEN STAAL niet bewijst dat de GmbH Stahlund Metalhandel KLOCKNER in gebreke was, dan wel dat zij zich niet naar behoren van haar verplichtingen zou hebben gekweten. Er is dan ook geen reden om af te wijken van de wettelijke rentevoet.

De vergoeding voor de schade die de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER heeft opgelopen dient dan ook te worden begroot op (151.607,48 + 53.953,21 + 21.208,39 =) 226.769,08 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

rechtdoende op tegenspraak;

met toepassing van art. 24 van de wet van 15/06/1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

verklaart het principaal beroep ongegrond en het incidenteel beroep gegrond als onderstaand;

bevestigt het bestreden vonnis met deze wijziging dat de hoofdsom van de veroordeling thans wordt gebracht op 226.769,08 EUR;

verwijst de N.V. VAN HEYGHEN S TAAL in de kosten van deze instantie, aan de zijde van de GmbH Stahl- und Metalhandel KLOCKNER op heden begroot op: 2.974,72 EUR (kosten en ereloon gerechtsdeskundige), 58,25 EUR (aanvullende rechtsplegingsvergoeding) en 466,04 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

(…)

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be