|
|
|
Case
Identification
Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 2003/AR/2603 Case
History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Veurne, 28 May 2003 Parties:
NV Frans Bijttebier-Bouckaert v. BV Nooteboom Internationaal Seller’s
Country: Belgium (Plaintiff; Appellant) Buyer’s
Country: Netherlands (Defendant; Respondent on Appeal) Goods
Involved: Judges:
H. Debucquoy, F. Deschoolmeester, M.
Macours Status:
Unpublished Classification
of issues
CISG Provisions Applied: Arts 1(1)(a), 38, 39, 47, 72 & 77 Application of CISG – Belgium and Netherlands Contracting States Brussels
I Regulation - Art. 23 Jurisdiction - forum clause on general conditions - practice between parties - valid - Belgian court has jurisdiction Applicable law – European
Contracts Convention (1980) – residence of seller – Belgium – Belgian law
applicable for filling of gaps Late delivery – even if extra
period permitted, buyer retains right to damages Duty to give notice of
non-conformity – otherwise buyer loses right to damages Seller cancelled part of contract
– buyer entitled to damages Duty to mitigate loss Interests – Belgian rate Text
of the Decision
N.V.
FRANS BIJTTEBIER-BOUCKAERT,
met maatschappelijke zetel te 8650 Houthulst... en ingeschreven in het
handelsregister te Veurne..., appellante, hebbende als raadsman mr. Koen Baluwé, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk..., tegen B.v.
NOOTEBOOM INTERNATIONAL,
vennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel te 5048 CK Tilburg
(Nederland)... en ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van
Koophandel te Tilburg..., geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. Katrien Van Mierlo, advocaat met kantoor te 2360
Oud-Turnhout..., velt
het Hofvolgend arrest: Partijen
werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien. 1.
Gegevens van de zaak in beroep: 1.1.
BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV stelde op 25 november 2003 hoger beroep
in tegen het vonnis van 28 mei 2003 van de rechtbank van koophandel te Veume. NOOTEBOOMINTERNATIONALBV
vordert in hoofdorde de bevestiging van het vonnis. 1.2.
De blijvende betwistingen betreffen volgende punten: 1.2.1.
de vraag naar de rechtsmacht van de Belgische rechter om recht te spreken over
de eisen van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV, die strekken (1) tot de betaling
van een factuurschuld van 35.506,70 EUR, vermeerderd met de
verwijlintresten aan 12% en een forfaitaire schadevergoeding van 10% met een
maximum van 1.860 EUR, voor de levering van diverse textielartikelen over
de periode augustus tot oktober 2001 en (2) tot de betaling van een
schadevergoeding van 21.219,69 EUR vermeerderd met de verwijlintresten,
voor de annulatie door NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV van de bestellingen
voor het voorjaar 2002. Als
Belgische verkoper beroept BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV zich tegenover haar
Nederlandse koper op het forumbeding, dat opgenomen is in haar algemene
factuurvoorwaarden. 1.2.2.
de vraag naar het toepasselijk recht op de verhouding tussen partijen (Belgische
verkoper en Nederlandse koper). 1.2.3.
de verdere vraag naar de gegrondheid van de eisen van BIJTTEBIER-BOUCKAERT Nv.
NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV stelt dat BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV de
leveringen laattijdig en gebrekkig uitvoerde. 1.2.4.
de vraag naar de gegrondheid van de tegeneis die NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV in
ondergeschikte orde stelt voor het geval dat de hoofdeis van BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV gegrond zou verklaard worden, en die strekt tot de betaling van een op 24 oktober 2001
gefactureerde schadevergoeding van 14.355,04 EUR, vermeerderd met de
verwijlintresten van 10% en een forfaitaire schadevergoeding van 10%, voor de
beweerde laattijdige en gebrekkige
leveringen van BIJITEBIER-BOUCKAERT NV. 1.3.
De eerste rechter verklaarde zich op volgende relevante overwegingen onbevoegd: ‘Met conclusie ingediend op 31 januari 2003
beroept [B/JTTEBIER-BOUCKAERT NV] zich op het forumbeding dat voorkomt onder
artikel 8 van de algemene verkoopsvoorwaarden die zijn afgedrukt op de keerzijde
van haar facturen. Die clausule bepaalt: “In geval van betwisting zijn
uitsluitend de rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement
Veurne bevoegd”. [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] betwist dergelijke
bevoegdheidsovereenkomst waar zij schrijft in haar eerste conclusie, neergelegd
op 28 november 2002, dat er "geen dwingende algemene verkoopsvoorwaarden of
contractuele bepalingen inzake bevoegdheid ratione loci" zijn. (...) Gelet
op die duidelijke en formele ontkenning
door [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV], draagt [B/JTTEBIER-BOUCKAERT NV] dus de
bewijslast dat er wél een geldig forumbeding is in de zin van art. 23 van de
EEX-Verordening (voorheen art. 17 EEX- Verdrag). Waar
[BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] zich specifiek beroept op voormeld bevoegdheidsbeding
dat voorkomt onder art. 8 van
haar algemene factuurvoorwaarden, is in de rechtspraak en de rechtsleer
uitgemaakt - overigens in navolging van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a.
arresten Segoura d.d. 14 december
1976 en MSG dd 20 februari 1997) - dat zulke prorogatieclausule onder welbepaalde voorwaarden als een geldig
forumbeding kan worden aangenomen. Dit is meer bepaald het geval op grond van de
tweede mogelijkheid waarin art. 23 voorziet (nl. in een vorm die toegelaten wordt door de tussen
partijen gebruikelijk geworden handelwijzen), wanneer ingevolge hun vroegere
transacties, de partijen geregeld met die algemene voorwaarden geconfronteerd
werden, zodat zij vermoed worden -behoudens laakbare onzorgvuldigheid- van het
forumbeding kennis te hebben gekregen dat in die voorwaarden vervat is. Indien
zij er nooit tegen geprotesteerd hebben, zijn zij verondersteld ermee ingestemd
te hebben ( cf Gent, 1 juni 2001, A.J. T., 2001-2002,378;
Gent (23ste kamer), 9 februari 2000,
A.R. 1997/1764 inzake Eurac/Cray Valley, onuitgegeven; Brussel, 7 september
1999, R. W., 2000-2001, 593; Luik, 25 november 1997,
T.B.H, 1998, 393; H Van Houtte en M Pertegás Sender (red), Europese
IPR-verdragen, Leuven, Acco, 1997, p. 55, nr. 2.22). De
omstandigheden moeten derhalve van die aard zijn: (a)
dat er een voldoende lange
handelsrelatie tussen de partijen bestaan heeft om. handelwijzen tussen hen als
zijnde «gebruikelijk geworden» te kunnen kwalificeren (waarover de rechter
soeverein oordeelt); (b)
dat die voldoende lange
handelsrelatie tussen de partijen bestaan heeft, voorafgaandelijk aan de
transactie(s) waarover het geschil loopt of naar aanleiding waarvan het geschil
ontstaan is (cf Brussel, 7 september 1999,
geciteerd; Antwerpen, 11 oktober 1994, T .B.H, 1995,
385); (c)
dat daarbij steeds dezelfde
algemene voorwaarden en bedingen gehanteerd zijn geweest door de partij die zich
erop beroept t.a.v. de
andere partij (cf Kb. Hasselt, 10 mei 2000, R. W., 2000-
2001,1244); (d)
dat tenslotte de partij aan
wie dergelijke algemene voorwaarden worden tegengesteld, er daadwerkelijk (en
geregeld) mee is geconfronteerd geworden in het kader van de eerdere
handelsbetrekkingen. Specifiek
in verband met die laatste voorwaarde onder (d), is de rechtbank van oordeel dat
het geconfronteerd zijn of geweest zijn, niet te begrijpen is als het louter
ontvangen van een document (b.v. orderbevestiging, factuur) waarop de algemene
voorwaarden van de wederpartij voorkomen (al dan niet met verwijzing ernaar op
de voorzijde indien ze op de achterzijde afgedrukt zijn), maar wél dat in de
loop van de handelsrelatie er uitdrukkelijk naar die voorwaarden is verwezen of
gehandeld geworden (b.v. in het kader van een orderbevestiging, in een
begeleidende brief bij het versturen van een factuur, in een aanmaning, in het
kader van een eerdereprocedure). Aan
deze voorwaarden is in casu niet voldaan, minstens faalt [BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV] in haar bewijslast terzake. Zij voert aan dat er een commerciële relatie
met [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] bestond
«sedert 2000». Indien die handelsbetrekkingen bestaan hebben sedert begin 2000
of pas sinds einde 2000, wordt niet duidelijk gemaakt noch aangetoond. Wél
staat vast dat partijen reeds medio 2001 in onverschil met elkaar zijn geraakt
(uit stuk nr. 1 in het
bundel van [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] blijkt dat reeds in augustus, 2001 niet
minder dan 870 hemden retour waren gestuurd en door [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV]
dienden «verbeterd» te worden en uit stuk nr. 2 in het bundel van [NOOTEBOOM INTERNATIONAL
BV] blijkt dat zij o.a.
omtrent dit «artikel 3772» formeel
haar beklag heeft gemaakt; anderzijds blijkt uit stuk nr. 3 in het bundel
van [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] dat zij op 4 september 2001 een
kredietnota heeft moeten uitschrijven wegens «retour- verkeerde hemden»). Hoe
intensief de kwestieuze handelsrelatie geweest is, wordt al evenmin aangetoond.
Hoeveel facturen [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] vóór 30 augustus 2001 aan
[NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] uitgeschreven heeft, is een raadsel. Er wordt geen
uittreksel uit de boekhouding (klantenhistoriek) voorgelegd. Bovendien zouden
dan nog de voorwaarden zoals [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] ze thans onder stuk nr. 8
van haar bundel voorlegt - op
die facturen moeten afgedrukt geweest zijn (hetgeen ook al niet bewezen wordt).
Tenslotte is het zeer de vraag indien [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] zich voorheen
ooit uitdrukkelijk op haar factuurvoorwaarden (inzonderheid het
bevoegdheidsbeding) beroepen heeft t.o.v. [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV]. In de
briefwisseling die tussen de raadslieden nog werd gevoerd vooraleer huidige
procedure werd opgestart, valt het op dat zodra [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] een
gerechtelijke procedure aankondigde, [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] prompt liet weten
dat zulke procedure naar haar oordeel in Nederland zou moeten gevoerd worden,
hetgeen minstens impliciet als een afwijzing te aanzien is van het
bevoegdheidsbeding in de factuurvoorwaarden van [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] (...).
Voor het overige wordt niet aangetoond dat [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] voorheen
met de algemene factuurvoorwaarden van [BIJTTEBIER-BouCKAERT] werd
geconfronteerd (laat staan dat zulks geregeld zou gebeurd zijn). In
de mate dat [BIJTTEBIER-BoUCKAERT] zich anderzijds ook nog lijkt te beroepen op
de derde mogelijkheid waarin art. 23
van de EEXVerordening voorziet (nl. een gewoonte in de internationale
handel), meer bepaald waar [BIJTTEBIER-BOUCKAERT] in algemene bewoordingen in
conclusies schrijft dat het «uiteraard» niet kan ontkend worden dat in de
internationale handel een gebruik bestaat dat inhoudt dat partijen in hun
handelsrelaties gebonden zijn door algemene factuurvoorwaarden «wanneer nooit
geprotesteerd werd tegen de toepassing van deze voorwaarden», dan merkt de
rechtbank op dat daartoe méér vereist is, nl. dat specifiek en in concreto
moet aangetoond worden: (a)
dat een dergelijke
handelwijze overeenstemt met een gebruik in de tak van de internationale handel
waarin de betrokken partijen werkzaam zijn, én (b)
dat deze partijen dat
gebruik kennen of geacht worden te kennen (cf K. Broeckx, Wat voor nieuws brengt
de EEX-verordening? NjW, 2003, p. 186
e.v., inz. nr. 9). Desbetreffend
faalt [BIJTTEBIER-BOUCKAERT] eveneens in de bewijslast. Waar [BIJTTEBIER-BOUCKAERT] zich aldus niet op het forumbeding van haar factuurvoorwaarden t.o.v. [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] kan beroepen, en zulks de enige wijze is waarop de bevoegdheid van deze rechtbank zou kunnen verantwoord worden (zowel art. 2 als art. 5.1.b van de EEX-Verordening leiden in casu tot een andere oplossing), is de door [NOOTEBOOMINTERNATIONAL BV] opgeworpen exceptie terecht. 2.
Beoordeling 1.
Het Hof weerhoudt de rechtsmacht van de Belgische rechter: 1.1.
Voor de tegenstelbaarheid van de factuurvoorwaarden in de (internationale)
handel is niet vereist, dat - naast de expliciete kennisgeving in een taal
gekend door beide partijen in de opeenvolgende facturen waaronder partijen hun
handelsrelaties hebben verder gezet - de contractant in de loop van de
handelsrelatie nog eens uitdrukkelijk naar de algemene factuurvoorwaarden
verwijst in bijvoorbeeld een orderbevestiging, een begeleidende brief bij het
versturen van een factuur of in een aanmaning of hiervan voordien heeft gebruik
gemaakt in een eerdere procedure. De
(internationale) handel vereist het bestaan van standaardvoorwaarden, die de
afspraken tussen partijen nader concretiseren en regelen (zie o.a. I.
COUWENBERG, Algemene voorwaarden in internationale overeenkomsten, TPR 1993,
pg. 200, nr. 1; - K. BROECKX, Recente ontwikkelingen inzake het Europees
bevoegdheids- en executieverdrag, CBR Jaarboek 1997-98, Maklu 1998, 41). Zo
is het in de handel algemeen gebruikelijk ‘de betaling’ en hierbij
aansluitend voor het geval zich een wanbetaling zou voordoen ook ‘de
invordering van factuur en de gevolgen van een wanbetaling’ nader te
regelen en af te spreken in algemene factuurvoorwaarden. Het komt dan ook de
medecontractant toe, tegen de algemene factuurvoorwaarden ‘betreffende de
betaling en invordering’ op te komen, zo hij de handelsbetrekkingen niet wil
verder zetten onder de voorwaarden, waarvan hij kennis kreeg. 1.2.
NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV, groothandel in confectie, onderhield sinds
2000 een duurzame handelsrelatie met BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV, wat BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV bewijst door de overlegging van 25 facturen, die zij over de periode 22 september 2000
tot 24 juli 2001 tegenover NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV opmaakte. NOOTEBOOM
INTERNATIONAL BV heeft over de
loop van de handelsrelatie deze algemene factuurvoorwaarden ‘betreffende de
betaling en invordering’ van de facturen niet tegengesproken. Het Hof
weerhoudt dan ook haar instemming met het forumbeding, dat de bevoegdheid van de
Belgische rechter voorziet voor de in vordering van de facturen, die zij
onbetaald liet (zie o.a. H VAN HOUTTE, Uitsluitende bevoegdheidsgronden, EUROPESE
IPR-VERDRAGEN, Acco 1977, pg. 55, nr. 2.21; - I. COUWENBERGH, Commentaar bij
artikel 17 EEX-verdrag in ARTIKELGEWIJZE COMMENTAAR GERECHTELIJK RECHT, UITGAVEN 2000, 136; -
F VAN NECK, Spanning tussen proceseconomie en
partijautonomie; de voorrang van artikel 17 op artikel 6 EEX-verdrag, A.J.T.
2001-2002, 589; - I. COUWENBERGEN M. PERTEGÁS SENDER, Recente ontwikkelingen
in het Europees bevoegdheids-
en executierecht, HET NIEUWE EUROPESE IPR VAN VERDRAG NAAR VERORDENING, Intersentia
2001, pg. 35, nr. 2.21; - Hof van Justitie, 16 maart 1999 in de zaak
C-159/97 Trasporti Castelletti Spedizioni Internazionali SpA en Hugo Trumpy SpA). 2.2.
De verhouding tussen partijen wordt bij toepassing van artikel 1, a van het
verdrag beheerst door het Weens Koopverdrag (the Convention on the International
Sale of Goods, het CISG); het verdrag trad in Nederland in werking op 1 januari 1992
en in België op 1 november 1997. Bij
leemten in het verdrag moet de rechter de betwisting in eerste orde oplossen aan
de hand van de algemene beginselen waarop het verdrag berust; alleen bij
ontstentenis van algemene beginselen zal de rechter beroep doen op het recht,
dat overeenkomstig de regels van het internationaal privaat recht op de
betwisting toepasselijk is. Het
Europees overeenkomstenverdrag van 19 juni 1980 (EVO) houdt hier de
toepasselijke IPR-regels in, waar het EVO-verdrag in België geldt vanaf 1 april 1991
en in Nederland vanaf 1 september 1991. Bij toepassing van artikel 4 van het
EVO-verdrag zal de rechter in laatste instantie dan ook gebruik maken van de
Belgische wet. Partijen zijn het immers eens, dat de kenmerkende prestatie hier
de levering van goederen is (zie o.a. punt 2.2 van de syntheseberoepsbesluiten
van NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV), zodat de overeenkomst beheerst wordt
door het recht van het land van de verkoper, die de kenmerkende prestatie moest
verrichten. 2.3.
De factuurvordering van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV komt het Hof in volgende
mate gegrond voor: 2.3.1.
De door BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV overlegde stukken bewijzen, dat zij de gefactureerde goederen ook aan NOOTEBOOM
INTERNATIONAL BV heeft geleverd (...). Zij
legt van de facturen die zij invordert ook de verzendnota van de gefactureerde
goederen over en wat het aantal gefactureerde goederen betreft - waarvan elke
factuur nauwgezet opgave doet - heeft NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV geen
nuttig en tijdig protest uitgebracht. 2.3.2.
De door BIJTTEBIER-BOUCKAERT NVoverlegde stukken bewijzen ook de open
communicatie tussen partijen bij de afhandeling van de bestellingen, die
aanleiding gaven tot de hier opgevorderde facturen, en dit zowel wat het
invullen en halen van nuttige leveringstermijnen betreft, als wat het annuleren
en vervangen van lopende bestellingen betreft (...).
BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV bracht
NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV telkens op de hoogte als een leveringstermijn,
die NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV voorop had gesteld, niet kon gehaald
worden ingevolge omstandigheden, die geenszins eenduidig aan BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV kunnen toegerekend worden. Deze
kennisgevingen lieten NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV toe om ofwel (1) diverse
bestellingen te annuleren, ofwel (2) te voorzien in een bijkomende nuttige
leveringstermijn, of (3) om de nadere bepaling van een aflevering aan BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV over te laten. NOOTEBOOM
INTERNATIONAL BV heeft alle
gefactureerde leveringen voorbehoudloos aanvaard, die BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV
uitvoerde overeenkomstig deze kennisgevingen en binnen de open communicatie
tussen partijen bij de afhandeling van de bestellingen. Zij was vanaf dan ook
gehouden tot de betaling van de bestellingen. 2.3.3.
BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV legt de
bewijzen over, dat zij NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV vanaf 24 juli 2001
herhaaldelijk in gebreke stelde voor de wanbetaling van haar facturen: op 24 juli 2001,
10 augustus 2001 en 21 augustus 2001 voor de facturen met
vervaldag vanaf 23 februari tot 10 mei 2001; op 20 september 2001
voor de facturen met vervaldag vanaf 23 februari tot 4 september 2001; op 17 oktober 2001 voor
de facturen met vervaldag 4 mei 2001 tot 10 oktober 2001; op 7 november 2001
voor de facturen met vervaldag 28 september 2001 tot 2 november 2001.
Het
Hof verklaart haar aanspraak op een schadevergoeding van 10% met een maximum van
1.860 EUR dan ook gegrond. Het kent haar eveneens de verwijlintresten toe op de
hoofdsom van 35.506,70 EUR aan de rentevoet, die bij toepassing van artikel 5
van de wet van 02.08.2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand
bij handelstransacties wordt bereikt (de interestvoet die de Europese Centrale
Bank voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie toepast,
vermeerderd met zeven procentpunten en afgerond tot het hogere halve
procentpunt). Deze intrestvoet beloopt: -
vanaf 1.01.2001 tot 30.06. 2001
(rente gelding op de eerste kalenderdag van het betreffende half jaar 4,75% + 7%
afgerond =) 12% -
vanaf 1.07.2001 tot 31.12.2001
(4,50%+7%=) 11,50% -
vanaf 1.01.2002 tot 30.06.2002
(3,25% + 7% afgerond =) 10,50% -
vanaf 1.07.2002 tot 31.12.2002:
10,50% (Belg. Staatsbl. 3.10.2002) -
vanaf 1.01.2003 tot 30.06.2003: 10 % (Belg. Staatsbl. 14.02.2003) -
vanaf 1.07.2003 tot 31.12.2003: 9,50% (Belg. Staatsbl. 17.07.2003) -
vanaf 1.01.2004 tot 30.06.2004: 9,50 % (Belg. Staatsbl. 26.01.2004) -
vanaf 1.07.2004 tot 31.12.2004: 9,50% (Belg. Staatsbl. 10.08.2004) 2.4.
De tegeneis van NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV betreffende de leveringen die BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV heeft uitgevoerd, komt het Hof ongegrond voor: 2.4.1.
In de mate dat partijen op het ogenblik van de bestelling een bindende
leveringstermijn overeenkwamen, kan NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV aanspraak
maken op een schadevergoeding. Bij toepassing van artikel 47,2 van het
Weens Koopverdrag blijft de koper, die akkoord ging met een aanvullende termijn
van redelijke duur gedurende de welke de verkoper zijn leveringsverplichtingen
kon nakomen, immers gerechtigd op een eventuele schadevergoeding. NOOTEBOOM
INTERNATIONAL BV legt evenwel geen enkel bewijs over van enige schade. De goederen voor de wintercollectie 2001/2002 -
die het voorwerp van de betwisting
uitmaken -:-
werden haar vanaf 14 augustus
tot 12 oktober 2001 geleverd. Zij legt geen enkele klacht van haar
eigen afnemers over en bewijst helemaal niet, dat zij de collectie niet aan haar
gebruikelijke verkoopprijzen heeft kunnen afzetten gedurende het winterseizoen
2001/2002. 2.4.2.
NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV bewijst
de door haar ingeroepen gebreken niet. Zij liet na de goederen - die haar vanaf 14 augustus tot
12 oktober 2001 werden geleverd en waarvoor zij in haar aangetekende
brief van 8 november 2001 gebreken inroept, waarvoor zij op 24 oktober 2001
een beweerde schade factureerde - binnen een nuttige termijn te keuren of doen
keuren en de verkoper binnen een redelijke termijn na de vaststelling van de
door haar ingeroepen zichtbare gebreken op de hoogte te stellen van de gebreken
onder opgave van de aard van de tekortkoming (de artikelen 38 en 39 van het
Weens Koopverdrag). 2.5.
De eis van BIJTTEB/ER-BOUCKAERT NV in betalingen van een schadevergoeding
voor de onrechtmatige annulatie van de lentecollectie 2002 komt het Hof
gedeeltelijk gegrond voor: Uit
de uiteenzetting hierboven volgt, dat het Hof - binnen de open communicatie die
tussen partijen bestond voor de afhandeling van de bestellingen - geen ernstige
tekortkoming van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV aan haar leveringsverplichtingen
betreffende het winterseizoen 2001/2002 kon weerhouden. Daarenboven reserveerde NOOTEBOOM
INTERNATIONAL BV bij BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV nog op 5 oktober 2001
10.600 hemden voor de lentecollectie van 2002, zij op het ogenblik dat BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV haar bestelling voor het winterseizoen nagenoeg volledig had geleverd en
wist hoe de bestellingen van het vorig seizoen tussen partijen werden
afgehandeld. Het
Hof stelt dan ook vast, dat NOOTEBOOMINTERNATIONAL BV haar bestelling
eenzijdig heeft geannuleerd zonder BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV vooraf te
verwittigen dat zij niet langer kon instemmen met de tussen partijen gangbare
afhandeling van de bestellingen (zie artikel 72, 2 van het Weens Koopverdrag). Het
Hof begroot de schade die BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV leed, en waarbij het
rekening houdt met de schadebeperkende verplichting die op haar rust bij
toepassing van artikel 77 van het Weens Koopverdrag, op 1 EUR per hemd of 10.600
EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de Belgische wettelijke
intrestvoet vanaf de dagvaarding. OP
DEZE GRONDEN, HET
HOF, Op
tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het
taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart
de hogere beroepen ontvankelijk. Verklaart
het hoger beroep van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV gedeeltelijk gegrond en het
incidenteel hoger beroep van NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV ongegrond. Vemietigt
het bestreden vonnis. Verklaart
de eisen van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV gegrond voor (1) de onbetaald
gebleven factuurschuld van 38.907,60 EUR, vermeerderd met de verwijlintresten
vanaf 15 juli 2002 op 35.506,70 EUR aan de rentevoet die bij toepassing van
artikel 5 van de wet van 02.08.2002 betreffende de bestrijding van
betalingsachterstand bij handelstransacties wordt bereikt en voor (2) een
schadevergoeding van 10.600 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan
de Belgische wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding. Veroordeelt
NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV tot de betaling hiervan aan BIJTTEBIER-BOUCKAERT
NV. Verwijst
NOOTEBOOMINTERNATIONALBV ook in de kosten van beide aanleggen, die het
Hof aan de zijde van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV vaststelt op: -
dagvaarding:
€ 321,65 -
rechtsplegingvergoedingeerste aanleg:
€ 334,66 -
rolrechten
P.M -
uitgavenvergoeding:
P.M -
rechtsplegingvergoeding in hoger
beroep:
€ 456,12 (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |