K.U.Leuven
CISG Belgium 2004-10-11

Case Identification

Date of Decision: 11 October 2004

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 2003/AR/2603

Case History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Veurne, 28 May 2003

Parties: NV Frans Bijttebier-Bouckaert v. BV Nooteboom Internationaal

Seller’s Country: Belgium (Plaintiff; Appellant)

Buyer’s Country: Netherlands (Defendant; Respondent on Appeal)

Goods Involved: clothing

Judges: H. Debucquoy, F. Deschoolmeester, M. Macours

Status: Unpublished

 

 

Classification of issues

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Arts 1(1)(a), 38, 39, 47, 72 & 77

Application of CISG – Belgium and Netherlands Contracting States

Brussels I Regulation - Art. 23

Jurisdiction - forum clause on general conditions - practice between parties - valid - Belgian court has jurisdiction

Applicable law – European Contracts Convention (1980) – residence of seller – Belgium – Belgian law applicable for filling of gaps

Late delivery – even if extra period permitted, buyer retains right to damages

Duty to give notice of non-conformity – otherwise buyer loses right to damages

Seller cancelled part of contract – buyer entitled to damages

Duty to mitigate loss

Interests – Belgian rate

 

 

Text of the Decision

in de zaak van :

N.V. FRANS BIJTTEBIER-BOUCKAERT, met maatschappelijke zetel te 8650 Houthulst... en ingeschreven in het handelsregister te Veurne...,

appellante, hebbende als raadsman mr. Koen Baluwé, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk...,

tegen

B.v. NOOTEBOOM INTERNATIONAL, vennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel te 5048 CK Tilburg (Nederland)... en ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Tilburg...,

geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Katrien Van Mierlo, advocaat met kantoor te 2360 Oud-Turnhout...,

velt het Hofvolgend arrest:

Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.

1. Gegevens van de zaak in beroep:

1.1. BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV stelde op 25 november 2003 hoger beroep in tegen het vonnis van 28 mei 2003 van de rechtbank van koophandel te Veume. NOOTEBOOMINTERNATIONALBV vordert in hoofdorde de bevestiging van het vonnis.

1.2. De blijvende betwistingen betreffen volgende punten:

1.2.1. de vraag naar de rechtsmacht van de Belgische rechter om recht te spreken over de eisen van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV, die strekken (1) tot de betaling van een factuurschuld van 35.506,70 EUR, vermeerderd met de verwijlintresten aan 12% en een forfaitaire schadevergoeding van 10% met een maximum van 1.860 EUR, voor de levering van diverse textielartikelen over de periode augustus tot oktober 2001 en (2) tot de betaling van een schadevergoeding van 21.219,69 EUR vermeerderd met de verwijlintresten, voor de annulatie door NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV van de bestellingen voor het voorjaar 2002.

Als Belgische verkoper beroept BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV zich tegenover haar Nederlandse koper op het forumbeding, dat opgenomen is in haar algemene factuurvoorwaarden.

1.2.2. de vraag naar het toepasselijk recht op de verhouding tussen partijen (Belgische verkoper en Nederlandse koper).

1.2.3. de verdere vraag naar de gegrondheid van de eisen van BIJTTEBIER-BOUCKAERT Nv. NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV stelt dat BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV de leveringen laattijdig en gebrekkig uitvoerde.

1.2.4. de vraag naar de gegrondheid van de tegeneis die NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV in ondergeschikte orde stelt voor het geval dat de hoofdeis van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV gegrond zou verklaard worden, en die strekt tot de betaling van een op 24 oktober 2001 gefactureerde schadevergoeding van 14.355,04 EUR, vermeerderd met de verwijlintresten van 10% en een forfaitaire schadevergoeding van 10%, voor de beweerde laattijdige en gebrekkige leveringen van BIJITEBIER-BOUCKAERT NV.

1.3. De eerste rechter verklaarde zich op volgende relevante overwegingen onbevoegd:

‘Met conclusie ingediend op 31 januari 2003 beroept [B/JTTEBIER-BOUCKAERT NV] zich op het forumbeding dat voorkomt onder artikel 8 van de algemene verkoopsvoorwaarden die zijn afgedrukt op de keerzijde van haar facturen. Die clausule bepaalt: “In geval van betwisting zijn uitsluitend de rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Veurne bevoegd”. [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] betwist dergelijke bevoegdheidsovereenkomst waar zij schrijft in haar eerste conclusie, neergelegd op 28 november 2002, dat er "geen dwingende algemene verkoopsvoorwaarden of contractuele bepalingen inzake bevoegdheid ratione loci" zijn. (...) Gelet op die duidelijke en formele ontkenning door [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV], draagt [B/JTTEBIER-BOUCKAERT NV] dus de bewijslast dat er wél een geldig forumbeding is in de zin van art. 23 van de EEX-Verordening (voorheen art. 17 EEX- Verdrag).

Waar [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] zich specifiek beroept op voormeld bevoegdheidsbeding dat voorkomt onder art. 8 van haar algemene factuurvoorwaarden, is in de rechtspraak en de rechtsleer uitgemaakt - overigens in navolging van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. arresten Segoura d.d. 14 december 1976 en MSG dd 20 februari 1997) - dat zulke prorogatieclausule onder welbepaalde voorwaarden als een geldig forumbeding kan worden aangenomen. Dit is meer bepaald het geval op grond van de tweede mogelijkheid waarin art. 23 voorziet (nl. in een vorm die toegelaten wordt door de tussen partijen gebruikelijk geworden handelwijzen), wanneer ingevolge hun vroegere transacties, de partijen geregeld met die algemene voorwaarden geconfronteerd werden, zodat zij vermoed worden -behoudens laakbare onzorgvuldigheid- van het forumbeding kennis te hebben gekregen dat in die voorwaarden vervat is. Indien zij er nooit tegen geprotesteerd hebben, zijn zij verondersteld ermee ingestemd te hebben ( cf Gent, 1 juni 2001, A.J. T., 2001-2002,378; Gent (23ste  kamer), februari 2000, A.R. 1997/1764 inzake Eurac/Cray Valley, onuitgegeven; Brussel, 7 september 1999, R. W., 2000-2001, 593; Luik, 25 november 1997, T.B.H, 1998, 393; H Van Houtte en M Pertegás Sender (red), Europese IPR-verdragen, Leuven, Acco, 1997, p. 55, nr. 2.22).

De omstandigheden moeten derhalve van die aard zijn:

(a)    dat er een voldoende lange handelsrelatie tussen de partijen bestaan heeft om. handelwijzen tussen hen als zijnde «gebruikelijk geworden» te kunnen kwalificeren (waarover de rechter soeverein oordeelt);

(b)    dat die voldoende lange handelsrelatie tussen de partijen bestaan heeft, voorafgaandelijk aan de transactie(s) waarover het geschil loopt of naar aanleiding waarvan het geschil ontstaan is (cf Brussel, september 1999, geciteerd; Antwerpen, 11 oktober 1994, T .B.H, 1995, 385);

(c)     dat daarbij steeds dezelfde algemene voorwaarden en bedingen gehanteerd zijn geweest door de partij die zich erop beroept t.a.v. de andere partij (cf Kb. Hasselt, 10 mei 2000, R. W., 2000- 2001,1244);

(d)    dat tenslotte de partij aan wie dergelijke algemene voorwaarden worden tegengesteld, er daadwerkelijk (en geregeld) mee is geconfronteerd geworden in het kader van de eerdere handelsbetrekkingen.

Specifiek in verband met die laatste voorwaarde onder (d), is de rechtbank van oordeel dat het geconfronteerd zijn of geweest zijn, niet te begrijpen is als het louter ontvangen van een document (b.v. orderbevestiging, factuur) waarop de algemene voorwaarden van de wederpartij voorkomen (al dan niet met verwijzing ernaar op de voorzijde indien ze op de achterzijde afgedrukt zijn), maar wél dat in de loop van de handelsrelatie er uitdrukkelijk naar die voorwaarden is verwezen of gehandeld geworden (b.v. in het kader van een orderbevestiging, in een begeleidende brief bij het versturen van een factuur, in een aanmaning, in het kader van een eerdereprocedure).

Aan deze voorwaarden is in casu niet voldaan, minstens faalt [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] in haar bewijslast terzake. Zij voert aan dat er een commerciële relatie met [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] bestond «sedert 2000». Indien die handelsbetrekkingen bestaan hebben sedert begin 2000 of pas sinds einde 2000, wordt niet duidelijk gemaakt noch aangetoond. Wél staat vast dat partijen reeds medio 2001 in onverschil met elkaar zijn geraakt (uit stuk nr. 1 in het bundel van [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] blijkt dat reeds in augustus, 2001 niet minder dan 870 hemden retour waren gestuurd en door [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] dienden «verbeterd» te worden en uit stuk nr. 2 in het bundel van [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] blijkt dat zij o.a. omtrent dit «artikel 3772» formeel haar beklag heeft gemaakt; anderzijds blijkt uit stuk nr. 3 in het bundel van [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] dat zij op 4 september 2001 een kredietnota heeft moeten uitschrijven wegens «retour- verkeerde hemden»). Hoe intensief de kwestieuze handelsrelatie geweest is, wordt al evenmin aangetoond. Hoeveel facturen [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] vóór 30 augustus 2001 aan [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] uitgeschreven heeft, is een raadsel. Er wordt geen uittreksel uit de boekhouding (klantenhistoriek) voorgelegd. Bovendien zouden dan nog de voorwaarden zoals [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] ze thans onder stuk nr. 8 van haar bundel voorlegt - op die facturen moeten afgedrukt geweest zijn (hetgeen ook al niet bewezen wordt). Tenslotte is het zeer de vraag indien [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] zich voorheen ooit uitdrukkelijk op haar factuurvoorwaarden (inzonderheid het bevoegdheidsbeding) beroepen heeft t.o.v. [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV]. In de briefwisseling die tussen de raadslieden nog werd gevoerd vooraleer huidige procedure werd opgestart, valt het op dat zodra [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] een gerechtelijke procedure aankondigde, [NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV] prompt liet weten dat zulke procedure naar haar oordeel in Nederland zou moeten gevoerd worden, hetgeen minstens impliciet als een afwijzing te aanzien is van het bevoegdheidsbeding in de factuurvoorwaarden van [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] (...). Voor het overige wordt niet aangetoond dat [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] voorheen met de algemene factuurvoorwaarden van [BIJTTEBIER-BouCKAERT] werd geconfronteerd (laat staan dat zulks geregeld zou gebeurd zijn).

In de mate dat [BIJTTEBIER-BoUCKAERT] zich anderzijds ook nog lijkt te beroepen op de derde mogelijkheid waarin art. 23 van de EEXVerordening voorziet (nl. een gewoonte in de internationale handel), meer bepaald waar [BIJTTEBIER-BOUCKAERT] in algemene bewoordingen in conclusies schrijft dat het «uiteraard» niet kan ontkend worden dat in de internationale handel een gebruik bestaat dat inhoudt dat partijen in hun handelsrelaties gebonden zijn door algemene factuurvoorwaarden «wanneer nooit geprotesteerd werd tegen de toepassing van deze voorwaarden», dan merkt de rechtbank op dat daartoe méér vereist is, nl. dat specifiek en in concreto moet aangetoond worden:

(a)    dat een dergelijke handelwijze overeenstemt met een gebruik in de tak van de internationale handel waarin de betrokken partijen werkzaam zijn, én

(b)    dat deze partijen dat gebruik kennen of geacht worden te kennen (cf K. Broeckx, Wat voor nieuws brengt de EEX-verordening? NjW, 2003, p. 186 e.v., inz. nr. 9).

Desbetreffend faalt [BIJTTEBIER-BOUCKAERT] eveneens in de bewijslast.

Waar [BIJTTEBIER-BOUCKAERT] zich aldus niet op het forumbeding van haar factuurvoorwaarden t.o.v. [BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV] kan beroepen, en zulks de enige wijze is waarop de bevoegdheid van deze rechtbank zou kunnen verantwoord worden (zowel art. 2 als art. 5.1.b van de EEX-Verordening leiden in casu tot een andere oplossing), is de door [NOOTEBOOMINTERNATIONAL BV] opgeworpen exceptie terecht.

2. Beoordeling

1. Het Hof weerhoudt de rechtsmacht van de Belgische rechter:

1.1. Voor de tegenstelbaarheid van de factuurvoorwaarden in de (internationale) handel is niet vereist, dat - naast de expliciete kennisgeving in een taal gekend door beide partijen in de opeenvolgende facturen waaronder partijen hun handelsrelaties hebben verder gezet - de contractant in de loop van de handelsrelatie nog eens uitdrukkelijk naar de algemene factuurvoorwaarden verwijst in bijvoorbeeld een orderbevestiging, een begeleidende brief bij het versturen van een factuur of in een aanmaning of hiervan voordien heeft gebruik gemaakt in een eerdere procedure.

De (internationale) handel vereist het bestaan van standaardvoorwaarden, die de afspraken tussen partijen nader concretiseren en regelen (zie o.a. I. COUWENBERG, Algemene voorwaarden in internationale overeenkomsten, TPR 1993, pg. 200, nr. 1; - K. BROECKX, Recente ontwikkelingen inzake het Europees bevoegdheids- en executieverdrag, CBR Jaarboek 1997-98, Maklu 1998, 41). Zo is het in de handel algemeen gebruikelijk ‘de betaling’ en hierbij aansluitend voor het geval zich een wanbetaling zou voordoen ook ‘de invordering van factuur en de gevolgen van een wanbetaling’ nader te regelen en af te spreken in algemene factuurvoorwaarden. Het komt dan ook de medecontractant toe, tegen de algemene factuurvoorwaarden ‘betreffende de betaling en invordering’ op te komen, zo hij de handelsbetrekkingen niet wil verder zetten onder de voorwaarden, waarvan hij kennis kreeg.

1.2. NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV, groothandel in confectie, onderhield sinds 2000 een duurzame handelsrelatie met BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV, wat BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV bewijst door de overlegging van 25 facturen, die zij over de periode 22 september 2000 tot 24 juli 2001 tegenover NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV opmaakte.

NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV heeft over de loop van de handelsrelatie deze algemene factuurvoorwaarden ‘betreffende de betaling en invordering’ van de facturen niet tegengesproken. Het Hof weerhoudt dan ook haar instemming met het forumbeding, dat de bevoegdheid van de Belgische rechter voorziet voor de in vordering van de facturen, die zij onbetaald liet (zie o.a. H VAN HOUTTE, Uitsluitende bevoegdheidsgronden, EUROPESE IPR-VERDRAGEN, Acco 1977, pg. 55, nr. 2.21; - I. COUWENBERGH, Commentaar bij artikel 17 EEX-verdrag in ARTIKELGEWIJZE COMMENTAAR GERECHTELIJK RECHT, UITGAVEN 2000, 136; - F VAN NECK, Spanning tussen proceseconomie en partijautonomie; de voorrang van artikel 17 op artikel 6 EEX-verdrag, A.J.T. 2001-2002, 589; - I. COUWENBERGEN M. PERTEGÁS SENDER, Recente ontwikkelingen in het Europees bevoegdheids- en executierecht, HET NIEUWE EUROPESE IPR VAN VERDRAG NAAR VERORDENING, Intersentia 2001, pg. 35, nr. 2.21; - Hof van Justitie, 16 maart 1999 in de zaak C-159/97 Trasporti Castelletti Spedizioni Internazionali SpA en Hugo Trumpy SpA).

2.2. De verhouding tussen partijen wordt bij toepassing van artikel 1, a van het verdrag beheerst door het Weens Koopverdrag (the Convention on the International Sale of Goods, het CISG); het verdrag trad in Nederland in werking op 1 januari 1992 en in België op 1 november 1997.

Bij leemten in het verdrag moet de rechter de betwisting in eerste orde oplossen aan de hand van de algemene beginselen waarop het verdrag berust; alleen bij ontstentenis van algemene beginselen zal de rechter beroep doen op het recht, dat overeenkomstig de regels van het internationaal privaat recht op de betwisting toepasselijk is.

Het Europees overeenkomstenverdrag van 19 juni 1980 (EVO) houdt hier de toepasselijke IPR-regels in, waar het EVO-verdrag in België geldt vanaf 1 april 1991 en in Nederland vanaf 1 september 1991. Bij toepassing van artikel 4 van het EVO-verdrag zal de rechter in laatste instantie dan ook gebruik maken van de Belgische wet. Partijen zijn het immers eens, dat de kenmerkende prestatie hier de levering van goederen is (zie o.a. punt 2.2 van de syntheseberoepsbesluiten van NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV), zodat de overeenkomst beheerst wordt door het recht van het land van de verkoper, die de kenmerkende prestatie moest verrichten.

2.3. De factuurvordering van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV komt het Hof in volgende mate gegrond voor:

2.3.1. De door BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV overlegde stukken bewijzen, dat zij de gefactureerde goederen ook aan NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV heeft geleverd (...).

Zij legt van de facturen die zij invordert ook de verzendnota van de gefactureerde goederen over en wat het aantal gefactureerde goederen betreft - waarvan elke factuur nauwgezet opgave doet - heeft NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV geen nuttig en tijdig protest uitgebracht.

2.3.2. De door BIJTTEBIER-BOUCKAERT NVoverlegde stukken bewijzen ook de open communicatie tussen partijen bij de afhandeling van de bestellingen, die aanleiding gaven tot de hier opgevorderde facturen, en dit zowel wat het invullen en halen van nuttige leveringstermijnen betreft, als wat het annuleren en vervangen van lopende bestellingen betreft (...).

BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV bracht NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV telkens op de hoogte als een leveringstermijn, die NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV voorop had gesteld, niet kon gehaald worden ingevolge omstandigheden, die geenszins eenduidig aan BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV kunnen toegerekend worden.

Deze kennisgevingen lieten NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV toe om ofwel (1) diverse bestellingen te annuleren, ofwel (2) te voorzien in een bijkomende nuttige leveringstermijn, of (3) om de nadere bepaling van een aflevering aan BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV over te laten.

NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV heeft alle gefactureerde leveringen voorbehoudloos aanvaard, die BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV uitvoerde overeenkomstig deze kennisgevingen en binnen de open communicatie tussen partijen bij de afhandeling van de bestellingen. Zij was vanaf dan ook gehouden tot de betaling van de bestellingen.

2.3.3. BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV legt de bewijzen over, dat zij NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV vanaf 24 juli 2001 herhaaldelijk in gebreke stelde voor de wanbetaling van haar facturen: op 24 juli 2001, 10 augustus 2001 en 21 augustus 2001 voor de facturen met vervaldag vanaf 23 februari tot 10 mei 2001; op 20 september 2001 voor de facturen met vervaldag vanaf 23 februari tot 4 september 2001; op 17 oktober 2001 voor de facturen met vervaldag 4 mei 2001 tot 10 oktober 2001; op 7 november 2001 voor de facturen met vervaldag 28 september 2001 tot 2 november 2001.

Het Hof verklaart haar aanspraak op een schadevergoeding van 10% met een maximum van 1.860 EUR dan ook gegrond. Het kent haar eveneens de verwijlintresten toe op de hoofdsom van 35.506,70 EUR aan de rentevoet, die bij toepassing van artikel 5 van de wet van 02.08.2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties wordt bereikt (de interestvoet die de Europese Centrale Bank voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie toepast, vermeerderd met zeven procentpunten en afgerond tot het hogere halve procentpunt). Deze intrestvoet beloopt:

- vanaf 1.01.2001 tot 30.06. 2001 (rente gelding op de eerste kalenderdag van het betreffende half jaar 4,75% + 7% afgerond =) 12%

- vanaf 1.07.2001 tot 31.12.2001 (4,50%+7%=) 11,50%

- vanaf 1.01.2002 tot 30.06.2002 (3,25% + 7% afgerond =) 10,50%

- vanaf 1.07.2002 tot 31.12.2002: 10,50% (Belg. Staatsbl. 3.10.2002)

- vanaf 1.01.2003 tot 30.06.2003: 10 % (Belg. Staatsbl. 14.02.2003)

- vanaf 1.07.2003 tot 31.12.2003: 9,50% (Belg. Staatsbl. 17.07.2003)

- vanaf 1.01.2004 tot 30.06.2004: 9,50 % (Belg. Staatsbl. 26.01.2004)

- vanaf 1.07.2004 tot 31.12.2004: 9,50% (Belg. Staatsbl. 10.08.2004)

2.4. De tegeneis van NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV betreffende de leveringen die BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV heeft uitgevoerd, komt het Hof ongegrond voor:

2.4.1. In de mate dat partijen op het ogenblik van de bestelling een bindende leveringstermijn overeenkwamen, kan NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV aanspraak maken op een schadevergoeding. Bij toepassing van artikel 47,2 van het Weens Koopverdrag blijft de koper, die akkoord ging met een aanvullende termijn van redelijke duur gedurende de welke de verkoper zijn leveringsverplichtingen kon nakomen, immers gerechtigd op een eventuele schadevergoeding.

NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV legt evenwel geen enkel bewijs over van enige schade. De goederen voor de wintercollectie 2001/2002 - die het voorwerp van de betwisting uitmaken -:- werden haar vanaf 14 augustus tot 12 oktober 2001 geleverd. Zij legt geen enkele klacht van haar eigen afnemers over en bewijst helemaal niet, dat zij de collectie niet aan haar gebruikelijke verkoopprijzen heeft kunnen afzetten gedurende het winterseizoen 2001/2002.

2.4.2. NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV bewijst de door haar ingeroepen gebreken niet. Zij liet na de goederen - die haar vanaf 14 augustus tot 12 oktober 2001 werden geleverd en waarvoor zij in haar aangetekende brief van 8 november 2001 gebreken inroept, waarvoor zij op 24 oktober 2001 een beweerde schade factureerde - binnen een nuttige termijn te keuren of doen keuren en de verkoper binnen een redelijke termijn na de vaststelling van de door haar ingeroepen zichtbare gebreken op de hoogte te stellen van de gebreken onder opgave van de aard van de tekortkoming (de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag).

2.5. De eis van BIJTTEB/ER-BOUCKAERT NV in betalingen van een schadevergoeding voor de onrechtmatige annulatie van de lentecollectie 2002 komt het Hof gedeeltelijk gegrond voor:

Uit de uiteenzetting hierboven volgt, dat het Hof - binnen de open communicatie die tussen partijen bestond voor de afhandeling van de bestellingen - geen ernstige tekortkoming van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV aan haar leveringsverplichtingen betreffende het winterseizoen 2001/2002 kon weerhouden. Daarenboven reserveerde NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV bij BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV nog op 5 oktober 2001 10.600 hemden voor de lentecollectie van 2002, zij op het ogenblik dat BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV haar bestelling voor het winterseizoen nagenoeg volledig had geleverd en wist hoe de bestellingen van het vorig seizoen tussen partijen werden afgehandeld.

Het Hof stelt dan ook vast, dat NOOTEBOOMINTERNATIONAL BV haar bestelling eenzijdig heeft geannuleerd zonder BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV vooraf te verwittigen dat zij niet langer kon instemmen met de tussen partijen gangbare afhandeling van de bestellingen (zie artikel 72, 2 van het Weens Koopverdrag).

Het Hof begroot de schade die BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV leed, en waarbij het rekening houdt met de schadebeperkende verplichting die op haar rust bij toepassing van artikel 77 van het Weens Koopverdrag, op 1 EUR per hemd of 10.600 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de Belgische wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk.

Verklaart het hoger beroep van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV gedeeltelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep van NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV ongegrond.

Vemietigt het bestreden vonnis.

Verklaart de eisen van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV gegrond voor (1) de onbetaald gebleven factuurschuld van 38.907,60 EUR, vermeerderd met de verwijlintresten vanaf 15 juli 2002 op 35.506,70 EUR aan de rentevoet die bij toepassing van artikel 5 van de wet van 02.08.2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties wordt bereikt en voor (2) een schadevergoeding van 10.600 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de Belgische wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding.

Veroordeelt NOOTEBOOM INTERNATIONAL BV tot de betaling hiervan aan BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV.

Verwijst NOOTEBOOMINTERNATIONALBV ook in de kosten van beide aanleggen, die het Hof aan de zijde van BIJTTEBIER-BOUCKAERT NV vaststelt op:

- dagvaarding:                                                                                       € 321,65

- rechtsplegingvergoedingeerste aanleg:                                           € 334,66

- rolrechten                                                                                               P.M

- uitgavenvergoeding:                                                                            P.M

- rechtsplegingvergoeding in hoger beroep:                                        € 456,12

(...)

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be