|
|
|
Case
Identification
Date
of Decision: 4 October 2004 Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 2003/AR/2763 Case
History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Kortrijk, 12 November 2003 Parties: Deforche NV v. Prins Gebroeders
Bouwstoffenhandel BV Seller’s
Country: The Netherlands (Plaintiff; Respondent on Appeal) Buyer’s
Country: (Defendant; Appellant) Goods
Involved: building materials (plates for
green house) Judge:
P. Vanherpe Status:
Unpublished Classification
of issues
Application
of CISG: Yes CISG
Provisions Applied: Arts 1(1)(a), 6, 11,
38, 39 & 40 Applicable
law – European Contracts Convention (1980) – choice by parties ‑ if no
choice – law of residence of party characteristic performance – Netherlands Applicable
law – determines applicability of general conditions & fills gaps of CISG General
terms valid – choice for law of Netherlands Information
given by seller to buyer – obligation more stringent when buyer is layman;
less stringent when buyer is in the trade Notice
of lack of conformity – 9 months too late Interests
– law of Netherlands applied Counterclaim Prescription
– according to applicable law, thus of Netherlands Text of the Decision
in
de zaak van: DEFORCHE
NV, met
maatschappelijke zetel te 8870 IZEGEM…, ingeschreven in het handelsregister te
Kortrijk…, appellante, hebbende
als raadsman mr. HONORE Rik, advocaat te 8500 KORTRIJK… tegen: PRINS
GEBROEDERS BOUWSTOFFENHANDEL B.V., woonstkiezende
ten kantoor van Mter. STAPPERS Koen, 2000 ANTWERPEN…, met zetel te 2671
Naaldwijk… (Nederland) geïntimeerde, hebben
de als raadsman mr. STAPPERS Koen, advocaat te 2000 ANTWERPEN… velt
het Hof het volgend arrest: De
partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen
van hun stukken en besluiten. Het
hoger beroep tegen het vonnis d.d. 12 november 2003 gewezen door de rechtbank
van koophandel te Kortrijk, vijfde kamer, is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het
incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. I. A. Nopens
de belangrijkste feiten alsook nopens de voor de eerste rechter geformuleerde
wederzijdse vorderingen, zij er nuttig verwezen naar het bestreden vonnis onder "De
vorderingen" alsook "A. Belangrijkste feiten" onder "Bespreking"
(vonnis a quo, blz. 1 en
2). B. a. De
eerste rechter kent de hoofdvordering van de vennootschap naar Nederlands recht,
de BV Prins Gebroeders Bouwstoffenhandel, alhier de geïntimeerde, grotendeels
toe en veroordeelt de NV Deforche, alhier de appellante, tot betaling van
5.378,70 EUR, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet
van 7% op 5.042,02 EUR vanaf de dagvaardingsdatum (7 februari 2003)
tot de dag van de effectieve betaling. Het
bedrag van 5.378,70 EUR is samengesteld als volgt: -saldo
factuur:
4.583,66 EUR -moratoire
intrest aan 7% vanaf de vervaldag tot de dag van de dagvaarding: 336,68 EUR -aanvullende
schadevergoeding (10%):
458,36 EUR b. De
tegenvordering vanwege de appellante tot veroordeling van een provisiebedrag van
8.800 EUR, meer de vergoedende en gerechtelijke intresten vanaf 30 maart 2001
en de aanstelling van een deskundige, wordt afgewezen als ontoelaatbaar wegens
verjaring. II. A. De
appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis, de afwijzing van de
oorspronkelijke hoofdvordering en de gegrondverklaring van haar oorspronkelijke
tegenvordering. Aldus
vordert de appellante in de beroepsakte neergelegd op 11 december 2003
de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling van een provisioneel bedrag
van 8.800 EUR (4.563,66 EUR in de besluiten neergelegd op 1 april 2004),
meer de vergoedende en gerechtelijke intresten alsook de aanstelling van een
deskundige tot onderzoek van de door haar ingeroepen gebreken alsook de daaraan
te koppelen gevolgen. B. De
geïntimeerde vraagt de afwijzing van het hoofdberoep als ongegrond en de
toewijzing van haar incidenteel beroep. Aldus
vordert de geïntimeerde de toekenning van een intrest van 9% in plaats van de
door de eerste rechter toegekende 7%. Verder
vordert zij eveneens de wering uit de debatten van de besluiten voor de
appellante neergelegd voor de eerste rechter op 3 april 2003. BEOORDELING VOORAF De
geïntimeerde vordert dat de besluiten die door de appellante voor de eerste
rechter zijn neergelegd op 3 april 2003, uit de debatten worden
geweerd wegens laattijdigheid en dit met toepassing van art. 747 § 2,
laatste lid Ger.W. Voor
de eerste rechter is niet opgeworpen dat de kwestieuze besluiten uit de debatten
zouden moeten worden geweerd. De eerste rechter heeft een en ander evenmin
ambtshalve opgeworpen. Intussen
is het eindvonnis uitgesproken door de eerste rechter, waartegen hoger beroep. In
deze omstandigheden kan de rechter in hoger beroep zich niet meer uitspreken
nopens de voormelde vraag vanwege de geïntimeerde. Art.
864, tweede lid Ger.W. bepaalt immers: “Verval
en nietigheid als bepaald in artikel 862 zijn echter pas gedekt, wanneer
een vonnis of arrest op tegenspraak, behalve datgene dat een maatregel van
inwendige aard inhoudt, is gewezen zonder dat het verval of de nietigheid door
de partij is voorgedragen of door de rechter ambtshalve is uitgesproken.” I. A. Beide
overeenkomsten, voorwerp van respectievelijk zowel de aanspraken vanwege de
appellante als die van de geïntimeerde, hebben betrekking op een internationale
koopverkoop van roerende lichamelijke zaken, gesloten na 1 november 1997,
zodat het Verdrag van 11 april 1980 houdende het recht voor de internationale
koopverkoop van roerende lichamelijke zaken van toepassing is (Het Weens
Koopverdrag of CISG). Zoals
de eerste rechter terecht aanstipt, de partijen zijn in verschillende staten
gevestigd die verdragsluitende staten zijn (Nederland respectievelijk België). Met
toepassing van art. 1, 1) a CISG is het verdrag dan ook van toepassing. Het
is van rechtstreekse gelding. In
beginsel mogen de partijen er evenwel van afwijken. (cf. art. 6. CISG). Partijen
hebben op algemene wijze de toepassing van het verdrag niet uitgesloten. Waar
de koopovereenkomst niet behoeft door middel van een geschrift te worden
gesloten (zie art. 11, CISG), kunnen partijen zonder geschrift overeenkomen af
te wijken van één of meer verdragsbepalingen. B. Met
toepassing van art. 3 van het Verdrag van Rome dat het voor onderhavige zaak
toepasselijke LP.R. uitmaakt, wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat
de partijen hebben gekozen. Deze
rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan en voldoende blijken uit de
bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Art.
8, 1 van het Verdrag van Rome bepaalt dat het bestaan en de geldigheid van de
overeenkomst of van een bepaling ervan worden beheerst door het recht dat
ingevolge dit Verdrag toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst of de
bepaling geldig zou zijn. Met
toepassing van art. 4, 1 en 2 van het Verdrag van Rome, zijn de overeenkomsten
beheerst door het Nederlands recht, aangezien de meest kenmerkende prestatie in
de overeenkomsten deze is van de verkoper, de geïntimeerde, wiens vestiging / hoofdbestuur zich
in Nederland bevindt. Het
Nederlands recht is de "lex contractus". Dit
recht beheerst in onderhavige betwistingen -
de vraag wat er
nodig is voor het ontstaan van een overeenkomst door het samenkomen van aanbod
en aanvaarding, inbegrepen de vraag naar de toepasselijkheid van bijzondere dan
wel algemene voorwaarden die zouden afwijken van het CISG-voorwaarden
waaromtrent - bij toepassing van het Nederlands recht al dan niet veronderstelde
- wilsovereenstemming -; -
de
"externe leemten" van het CISG. C. Er
zij meteen onderstreept dat uit de adiëring van een Belgische rechtbank door de
geïntimeerde geen enkele conclusie kan worden getrokken naar het toepasselijke
recht. Door
de zaak voor een Belgische rechtbank te brengen heeft de geïntimeerde geenszins
een rechtskeuze gedaan noch enige afstand desbetreffend. II. A. Er
is geen betwisting nopens het bestaan van koopverkoopovereenkomsten. B. De
vraag nopens de wilsovereenstemming beperkt zich in essentie tot de vraag naar
de al dan niet toepasselijkheid van de koop- en leveringsvoorwaarden die door de
geïntimeerde zijn gedeponeerd bij de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te
Amsterdam. Bij
het zoeken naar het antwoord op deze vraag dient het Nederlands recht te worden
toegepast (cf. supra). In
casu blijken beide koopverkoopovereenkomsten op dezelfde wijze te zijn tot stand
gekomen: de appellante stuurt een bestelbon met als enige voorwaarde "betalingsvoorwaarden:
60 dagen einde maand” (…). De
geïntimeerde levert en factureert met respectievelijk een afleverbon en een
factuur waarop onderaan staat gedrukt: “Algemene
Verkoop- en Leveringsvoorwaarden: Op
al onze aanbiedingen, aanvaardingen, mededelingen en overeenkomsten zijn van
toepassing de Koop-en Leveringsvoorwaarden Bouwstoffen (AVLB) met arbitraal
beding, zoals deze voor de dag van aanbieding laatstelijk zijn gedeponeerd bij
de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam ten verzoeke van de
Vereniging van Handelaren in Bouwmaterialen in Nederland. Ingeval deze tekst
niet in uw bezit is zijn wij, desgevraagd, gaarne bereid u deze toe te zenden.
Reklames binnen 8
dagen.” Op
de factuur staat bovendien" Betaling binnen 30 dagen netto". (…). Er
zij vastgesteld dat er op de kwestieuze vermeldingen op de facturen en
afleverbonnen nooit enig protest is gerezen vanwege de appellante. C. Waar -
er geen enkele onregelmatigheid voorligt nopens de "standaardregeling"
voor de sector van de bouwstoffen, zoals deze is neergelegd ter Griffie van de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en tevens wordt voorgelegd… en -
de appellante nimmer op impliciete noch expliciete wijze de toepasselijkheid
ervan heeft afgewezen, zodat er in haren hoofde sprake is van een verregaand
"omstandig stilzwijgen", zijn de voormelde "Algemene- Verkoop- en
Leveringsvoorwaarden Bouwstoffen" van gelding in de contractuele relatie
tussen de partijen. Onder
art. 15.1 van deze voorwaarden staat dat alle met de verkoper aangegane
overeenkomsten beheerst worden door het Nederlands recht, waarop de algemene
voorwaarden als aanvulling gelden, en voorzover bepalingen van dwingend karakter
zich niet daartegen verzetten, als afwijking gelden. Aldus
moeten partijen geacht worden de rechtskeuze van het Nederlands recht te hebben
gedaan. Wat
het Nederlands recht betreft, er zij aangemerkt dat dit niet meteen het
koopverkooprecht betekent zoals opgenomen in het Nederlands Burgerlijk Wetboek. Zoals
in België is het Weens Koopverdrag opgenomen in het nationaal recht en is er
meteen van toepassing zoals overigens reeds vermeld in punt I.A. hierboven: waar
de overeenkomsten internationale koopverkoopovereenkomsten betreffen, is het
CISG (Weense Koopverdrag) immers van toepassing. De
voormelde algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden worden toegepast in zoverre
deze afwijken van het CISG én in zoverre de partijen omtrent de
toepasselijkheid ervan ook het debat aangaan. Met
name zal een en ander zijn gevolgen hebben naar de beoordeling toe van de door
de geïntimeerde gevorderde intresten en schadevergoeding. D. Waar
het Nederlands recht van toepassing is voor wat betreft de "externe
leemten" van het CISG, heeft dit zijn gevolgen naar de beoordeling van de
verjaring van de vordering vanwege de appellante, welke zal geschieden volgens
het Nederlands Burgerlijk Wetboek. III. Aanspraken
vanwege de appellante - oorspronkelijke tegenvordering A. Art.
7 - 23, 2. Nederlands Burgerlijk Wetboek bepaalt: “Rechtsvorderingen
en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de
afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van
twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving. Doch de
koper behoudt de bevoegdheid om
aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op vermindering
daarvan door gedeeltelijke ontbinding van de koop of op schadevergoeding tegen
te werpen.” Dit
"verjaringsysteem" is van toepassing op de aanspraken vanwege de
appellante, geformuleerd bij tegenvordering in besluiten voor de eerste rechter
neergelegd op 3 april 2003. In
voormeld artikel 7 - 23,2 Nederlands Burgerlijk Wetboek kan een verjaring worden
gelezen van twee jaar. De
kwestieuze factuur is betaald geworden, zodat de tweede zin van art. 7 - 23, 2 NBW
niet van doen is (vordering van schadevergoeding indien de koper wordt
aangesproken tot betaling). B. Op
de juiste gronden die het hof alhier uitdrukkelijk als herhaald aanziet, behalve
waar zij strijdig zouden zijn met wat in onderhavig arrest wordt overwogen,
heeft de eerste rechter in het vonnis a quo (blz. 4, punt 2 "De
tegeneis") terecht de aanspraken van de appellante afgewezen als
ontoelaatbaar wegens verjaring. c. a. De
termijn van twee jaar begint te lopen vanaf de datum van de kennisgeving door de
koper van de feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de geleverde zaak
niet beantwoordt aan de overeenkomst. Hierbij
is de datum van de kennisgeving zoals deze is vermeld door de appellante / koper
zelf, determinerend ("verzendtheorie"). Een ander criterium, meer
bepaald de datum van ontvangst, kan er niet zijn en zou overigens de
rechtszekerheid ondergraven. Met
schrijven d.d. 30 maart 2001 (…) heeft de appellante de geïntimeerde in
kennis gesteld van de beweerde gebreken, nl. "langs de binnenkant
vlekken en schimmel”. b. 1. De
appellante kan hoegenaamd niet gevolgd worden waar zij voorhoudt dat“waar
geïntimeerde niet kan bewijzen dat zij de brief d.d. 30.03.2001 op 2
april ontvangen heeft, kan zij dit wel m.b.t. de aanmaning die dateert van
11.07.2001, gezien geïntimeerde hierop voor het eerst gereageerd heeft op
15.08.2001. Zodoende loopt de termijn van tweejaar ten vroegste vanaf
15.08.2001, zijnde de datum waarop geïntimeerde voor het eerst geantwoord heeft
en waaruit blijkt dat zij de brief van concluante die op 11.07.2001 gedateerd
is, ontvangen heeft.”… 2. Vooreerst
wordt in voormelde redenering verkeerdelijk ervan uitgegaan dat het aan de
verkoper is om te bewijzen wanneer hij de aanmerkingen heeft ontvangen, terwijl
het voor de verkoper volstaat te verwijzen naar de datum zoals door de koper op
zijn protestschrijven vermeld (in casu 30 maart 2001). Vervolgens
kan het bezwaarlijk worden aangenomen dat de appellante plots een redenering creëert
die ervan uitgaat dat haar schrijven d.d. 30 maart 2001 dat ze zelf voorlegt,
eigenlijk niet zou bestaan. 3. Indien
op de redenering van de appellante verder wordt ingegaan, kan niet anders dan
worden vastgesteld dat zij zich beroept op haar schrijven van 11 juli 2001. Uit
de voorliggende feitelijke gegevens blijkt echter dat dit schrijven d.d. 11 juli 2001
niet meer beantwoordt aan de "redelijke termijn" die door art. 39, 1)
CISG wordt opgelegd aan de koper om na de ontdekking van de beweerde gebreken de
verkoper hiervan in kennis te stellen. In
die hypothese zou de appellante vervallen zijn van haar recht om er zich op te
beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden (toepassing art. 39,
1) CISG)... c. 1. Uit
de voorliggende stukken en gegevens blijkt dat de geïntimeerde aan de
appellante heeft geleverd wat was besteld. Dienomtrent
bestaat geen betwisting. Intrinsiek
waren er hoe dan ook geen gebreken aan de geleverde waren. 2. De
appellante werpt op dat er na enige tijd aan de door de geïntimeerde geleverde
platen, schimmels en vlekken optreden. Deze
schimmels en vlekken zouden het gevolg zijn van het niet-verticaal aanwenden van
de platen. De
appellante verwijt de geïntimeerde dat zij haar niet op de hoogte heeft gesteld
van deze gevolgen van het niet-verticaal aanwenden van de platen, zodat de geïntimeerde
zich niet kan beroepen op 38 en 39 CISG en dit met toepassing van art. 40 CISG. 3. Het
was niet aan de geïntimeerde om aan de appellante mede te delen dat het
misschien best aangewezen was de platen niet in een niet-verticale stand te
plaatsen, op gevaar van schimmels en plekken. De
appellante is specialiste in het plaatsen van serres / kassen
en mocht verondersteld worden te weten wat zij bestelde en of het
volledig gepast was voor datgene waarvoor zij de platen bestemde. De
informatieplicht tegenover een specialist in het vak is uiteraard veel minder
stringent dan de informatieplicht tegenover een leek. Het
spreekt vanzelf dat de platen ook nog op andere wijzen kunnen worden geplaatst. Het
is niet aan de verkoper om deze op te sommen en dan telkenmale te zeggen dat die
concrete plaatsingswijze minder aangewezen is, doch het is aan de koper om
gebeurlijke technische informatie te verzoeken en dit aan de hand van de door
hem aangereikte concrete informatie nopens de aanwending ervan. Het
is anderzijds niet aangetoond dat de geïntimeerde wist dat de appellante de
platen in een niet-verticale stand zou plaatsen. De
geïntimeerde is niet tekort geschoten aan haar informatieplicht. Van
bedrog is vanzelfsprekend geen sprake. 4. Tevergeefs
verwijst de appellante naar een schrijven vanwege de geïntimeerde d.d. 8 oktober 2001
(…), waarbij de appellante schrijft “De
Eterkasplaten worden bij duizenden geleverd t.b.v. de kassenbouwen zeker ook
in het dak”. De
appellante vergeet de volgende alinea van het kwestieuze schrijven te citeren: “U
heeft in de afgelopen jaren reeds meerdere orders bij ons geplaatst in dit
materiaal en gezien de geleverde afmetingen ook in het dak bereik. Ook
heeft u eerder platen in gecoate vorm van ons gehad.” Waar
er desbetreffend geen tegenspraak is geweest door de appellante, wordt
aangenomen dat er inderdaad ook platen in gecoate vorm zijn geleverd. Nu
is het precies zo dat gecoate platen de schimmelvorming tegengaan. Uit
wat voorafgaat blijkt dan ook duidelijk dat de appellante uiteindelijk zelf in
gebreke is geweest gecoate platen te bestellen, waar uitstuitend zijzelf wist
wat zij er zou mee doen en waar zijzelf ook moest weten dat gecoate platen
schimmelvorming tegengaan. 5. Voor
zoveel als nodig zij er aangestipt dat het Belgische "systeem" van
vermoeden van kennis van gebreken in hoofde van de professionele verkoper, niet
van toepassing is. c. Ten
overvloede en niet als schragende motivering overweegt het hof wat volgt. Uit
een schrijven van de firma Eternit d.d. 18 december 1997 aan de geïntimeerde
(…), blijkt dat een schimmelvorming “de levensduur van de platen niet of
nauwelijks zal beïnvloeden. Deze schimmelvorming geeft naar onze inschatting
geen aanleiding tot desintegratie of verrotting van de platen”, zodat men
zich kan afvragen in welke mate er sprake zou zijn van een gebrek en niet eerder
sprake van een gewone zaak van uitzicht. D. Aangezien
er geen sprake een tekortkoming aan enige informatieplicht in hoofde van de geïntimeerde,
is er geen aanleiding tot toepassing van art. 40 CISG. Er
moet dan ook niet verder ingegaan worden op de vraag of de appellante haar
keuring- en protestplicht conform het CISG heeft uitgevoerd. III. Aanspraken
vanwege de geïntimeerde – oorspronkelijke hoofdvordering A. a. Op
de juiste gronden die het hof alhier uitdrukkelijk als herhaald aanziet, behalve
waar zij strijdig zouden zijn met wat in onderhavig arrest wordt overwogen,
heeft de eerste rechter in het vonnis a quo (…) terecht de aanspraken van de
geïntimeerde als toelaatbaar aangenomen. Het
hof acht de zinnen van het vonnis a quo “Na de cessie van een
schuldvordering is de cessionaris aanspraakgerechtigd voor buitengerechtelijke
kosten en op rente, niet de cedent. Het is ook de cessionaris die, na overdracht
van de vordering, mogelijks betalingsuitstel toestaat, dan wel tot procedure
overgaat.” als niet geschreven. b. In
haar schrijven d.d. 18 september 2002 (…), heeft de
"Kredietbewaking Bouw" ‑ bestempeld
als "incassodienst" zoals gedrukt op de onderzijde van het kwestieuze
schrijven ‑ vermeld: “Onze cliënte, Gebr. Prins Bouwstoffen- handel B. V.,
heeft ons ter incasso overgedragen haar vordering op u ad € 5.588,34
(...)”. Verder
heeft de incassodienst het voortdurend over haar "cliënte" die
aanspraak maakt op betaling. Hierin
een overdracht van schuldvordering lezen, kan niet. De
bewoordingen zijn voor geen interpretatie vatbaar: "een vordering ter
incasso overdragen" is niets minder maar ook niets meer dan "opdracht
geven tot inning van een schuldvordering". B. a. De
appellante betwist het saldo factuurbedrag voor de levering van de "polykasplaten"
ad 4.583,66 EUR niet, noch het principieel verschuldigd zijn ervan. Zij
wenste evenwel haar beweerde schade uit de beweerde gebreken, voorwerp van de
levering van midden 2000, te compenseren. Waar
de oorspronkelijke tegenvordering desbetreffend vanwege de appellante als
verjaard wordt afgewezen, is er geen compensatie met de aanspraken vanwege de geïntimeerde
mogelijk. b. Uit
het feit dat de geïntimeerde een negental maanden heeft gewacht om na
factuurdatum in gebreke te stellen, kan hoegenaamd niet worden besloten - en
zeker niet op eenduidige wijze - dat zij van welk recht dan ook afstand zou
hebben gedaan. C. Wat
de door de geïntimeerde gevorderde intresten en bijkomende vergoeding betreft. a. Hierboven
is reeds vastgesteld dat de “Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden
Bouwstoffen” zoals neergelegd ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te
Amsterdam en zoals voorgelegd door de geïntimeerde onder haar dossierstuk nr.
4, in beginsel van toepassing is. b. Art.
13, 2,b van voormelde "Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden
Bouwstoffen" bepaalt: “De
koper, die op de dertigste dag na de vervaldag nog niet of niet volledig heeft
betaald, is, zonder dat enige aanmaning of ingebrekestelling is vereist in
verzuim en derhalve over het opeisbare bedrag
rente verschuldigd”. Art
13, 2,c bepaalt: “De
rente vermeldt in lid 2b van dit artikel, loopt vanaf voormelde dertigste dag
tot aan het tijdstip der algehele voldoening. Het rentepercentage is gelijk aan
de wettelijke rente, vermeerderd met twee procent”. Art.
13, 3,b en 3,c, vermelden een datum vanaf wanneer de intrest begint te lopen,
die op 30 dagen na levering wordt gesitueerd. In
dit geval zou dit dan 23 november 2001 zijn, terwijl de factuur
evenwel dateert van 18 december 2001. Een
en ander komt in rechte en in feite verward en verwarrend voor, zodat de voor de
koper de meest voordelige toepassing van de voorwaarden van de geïntimeerde in
aanmerking wordt genomen. Uit
wat voorafgaat volgt dat de appellante het bedrag van 4.583,66 EUR
verschuldigd is, meer de intresten vanaf 19 februari 2002 - 30 dagen
op de 30 dagen zoals vermeld op de factuur, komt neer op intresten vanaf 2 maand
na factuurdatum -, aan de wettelijke Nederlandse rentevoet, vermeerderd met twee
procent. c. Art.
13, 5 van voormelde "Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden
Bouwstoffen" bepaalt onder meer: “In
ieder geval is de koper verschuldigd een gefixeerd bedrag aan kosten, berekend
volgens het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, zoals dat geldt
op het moment dat de koper in verzuim komt. Indien verkoper aantoont hogere
kosten te hebben gemaakt, welke redelijkerwijs noodzakelijk waren, dient koper
ook deze te vergoeden”. Kosten
moeten worden bewezen. Eenduidige
vermoedens kunnen ook een bewijs zijn. De
geïntimeerde had evenwel bewijsstukken over een en ander kunnen voorleggen. Dit
doet zij evenwel niet. Het
hof acht een vergoeding ad 5% ofwel 229,18 EUR als aanneembaar, het meer gevorderde evenwel als onbewezen. d. De
hoofdsom waartoe de appellante veroordeeld wordt, wordt aldus verminderd tot
4.583,66 EUR (saldo factuur)
+ 229,18 EUR (schadevergoeding
van 5%) = 4.812,84 EUR. IV. Rekening
houdend met het - weliswaar minieme - gelijk aan de zijde van de appellante,
past het de kosten verbonden aan de beroepsprocedure ten laste te laten van de
respectieve partij die ze gemaakt heeft. OP
DEZE GRONDEN, HET
HOF, Recht
doende op tegenspraak Toepassing
makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in
gerechtszaken; Verklaart
het hoger beroep ontvankelijk en in zeer beperkte mate gegrond in de zin die
volgt; Verklaart
het incidenteel beroep ontvankelijk en in zeer beperkte mate gegrond in de zin
die volgt; Bevestigt
het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen met dien verstande dat de bedragen
waartoe de appellante wordt veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde,
worden vastgelegd als volgt. De
appellante wordt veroordeeld tot betaling van 4.812,84 EUR, meer de
moratoire intresten vanaf 19 februari 2002 op 4.583,66 EUR aan de
intrestvoet die gelijk is aan de Nederlandse wettelijke rentevoet vermeerderd
met 2 procent, meer de gerechtelijke intresten vanaf heden op hetzelfde
hoofdbedrag van 4.583,66 EUR aan
dezelfde hiervoor omschreven rentevoet tot de dag van de effectieve betaling. Zegt
voor recht dat elk der partijen haar eigen beroepsprocedurekosten dient te
dragen. Onverminderd
de toepassing van art. 1024 Ger.W. (…) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 20-11-2009 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |