K.U.Leuven
CISG Belgium 2004-10-04

Case Identification

 

Date of Decision: 4 October 2004

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 2003/AR/2763

Case History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Kortrijk, 12 November 2003

Parties: Deforche NV v. Prins Gebroeders Bouwstoffenhandel BV

Seller’s Country: The Netherlands (Plaintiff; Respondent on Appeal)

Buyer’s Country: (Defendant; Appellant)

Goods Involved: building materials (plates for green house)

Judge: P. Vanherpe

Status: Unpublished

 

Classification of issues

 

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Arts 1(1)(a), 6, 11, 38, 39 & 40

Applicable law – European Contracts Convention (1980) – choice by parties ‑ if no choice – law of residence of party characteristic performance – Netherlands

Applicable law – determines applicability of general conditions & fills gaps of CISG

General terms valid – choice for law of Netherlands

Information given by seller to buyer – obligation more stringent when buyer is layman; less stringent when buyer is in the trade

Notice of lack of conformity – 9 months too late

Interests – law of Netherlands applied

Counterclaim

Prescription – according to applicable law, thus of Netherlands

 

Text of the Decision

 

in de zaak van:

DEFORCHE NV,

met maatschappelijke zetel te 8870 IZEGEM…, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk…,

appellante,

hebbende als raadsman mr. HONORE Rik, advocaat te 8500 KORTRIJK…

tegen:

PRINS GEBROEDERS BOUWSTOFFENHANDEL B.V.,

woonstkiezende ten kantoor van Mter. STAPPERS Koen, 2000 ANTWERPEN…, met zetel te 2671 Naaldwijk… (Nederland)

geïntimeerde,

hebben de als raadsman mr. STAPPERS Koen, advocaat te 2000 ANTWERPEN…

velt het Hof het volgend arrest:

De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten.

Het hoger beroep tegen het vonnis d.d. 12 november 2003 gewezen door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, vijfde kamer, is tijdig en regelmatig naar de vorm.

Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

I.

A.

Nopens de belangrijkste feiten alsook nopens de voor de eerste rechter geformuleerde wederzijdse vorderingen, zij er nuttig verwezen naar het bestreden vonnis onder "De vorderingen" alsook "A. Belangrijkste feiten" onder "Bespreking" (vonnis a quo, blz. 1

en 2).

B.

a.

De eerste rechter kent de hoofdvordering van de vennootschap naar Nederlands recht, de BV Prins Gebroeders Bouwstoffenhandel, alhier de geïntimeerde, grotendeels toe en veroordeelt de NV Deforche, alhier de appellante, tot betaling van 5.378,70 EUR, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet van 7% op 5.042,02 EUR vanaf de dagvaardingsdatum (7 februari 2003) tot de dag van de effectieve betaling.

Het bedrag van 5.378,70 EUR is samengesteld als volgt:

-saldo factuur:                                                                                       4.583,66 EUR

-moratoire intrest aan 7% vanaf de vervaldag tot de dag van de dagvaarding: 336,68 EUR

-aanvullende schadevergoeding (10%):                                                     458,36 EUR

b.

De tegenvordering vanwege de appellante tot veroordeling van een provisiebedrag van 8.800 EUR, meer de vergoedende en gerechtelijke intresten vanaf 30 maart 2001 en de aanstelling van een deskundige, wordt afgewezen als ontoelaatbaar wegens verjaring.

II.

A.

De appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis, de afwijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering en de gegrondverklaring van haar oorspronkelijke tegenvordering.

Aldus vordert de appellante in de beroepsakte neergelegd op 11 december 2003 de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling van een provisioneel bedrag van 8.800 EUR (4.563,66 EUR in de besluiten neergelegd op 1 april 2004), meer de vergoedende en gerechtelijke intresten alsook de aanstelling van een deskundige tot onderzoek van de door haar ingeroepen gebreken alsook de daaraan te koppelen gevolgen.

B.

De geïntimeerde vraagt de afwijzing van het hoofdberoep als ongegrond en de toewijzing van haar incidenteel beroep.

Aldus vordert de geïntimeerde de toekenning van een intrest van 9% in plaats van de door de eerste rechter toegekende 7%.

Verder vordert zij eveneens de wering uit de debatten van de besluiten voor de appellante neergelegd voor de eerste rechter op 3 april 2003.

BEOORDELING

VOORAF

De geïntimeerde vordert dat de besluiten die door de appellante voor de eerste rechter zijn neergelegd op 3 april 2003, uit de debatten worden geweerd wegens laattijdigheid en dit met toepassing van art. 747 § 2, laatste lid Ger.W.

Voor de eerste rechter is niet opgeworpen dat de kwestieuze besluiten uit de debatten zouden moeten worden geweerd. De eerste rechter heeft een en ander evenmin ambtshalve opgeworpen.

Intussen is het eindvonnis uitgesproken door de eerste rechter, waartegen hoger beroep.

In deze omstandigheden kan de rechter in hoger beroep zich niet meer uitspreken nopens de voormelde vraag vanwege de geïntimeerde.

Art. 864, tweede lid Ger.W. bepaalt immers:

“Verval en nietigheid als bepaald in artikel 862 zijn echter pas gedekt, wanneer een vonnis of arrest op tegenspraak, behalve datgene dat een maatregel van inwendige aard inhoudt, is gewezen zonder dat het verval of de nietigheid door de partij is voorgedragen of door de rechter ambtshalve is uitgesproken.”

I.

A.

Beide overeenkomsten, voorwerp van respectievelijk zowel de aanspraken vanwege de appellante als die van de geïntimeerde, hebben betrekking op een internationale koopverkoop van roerende lichamelijke zaken, gesloten na 1 november 1997, zodat het Verdrag van 11 april 1980 houdende het recht voor de internationale koopverkoop van roerende lichamelijke zaken van toepassing is (Het Weens Koopverdrag of CISG).

Zoals de eerste rechter terecht aanstipt, de partijen zijn in verschillende staten gevestigd die verdragsluitende staten zijn (Nederland respectievelijk België).

Met toepassing van art. 1, 1) a CISG is het verdrag dan ook van toepassing.

Het is van rechtstreekse gelding.

In beginsel mogen de partijen er evenwel van afwijken. (cf. art. 6. CISG).

Partijen hebben op algemene wijze de toepassing van het verdrag niet uitgesloten.

Waar de koopovereenkomst niet behoeft door middel van een geschrift te worden gesloten (zie art. 11, CISG), kunnen partijen zonder geschrift overeenkomen af te wijken van één of meer verdragsbepalingen.

B.

Met toepassing van art. 3 van het Verdrag van Rome dat het voor onderhavige zaak toepasselijke LP.R. uitmaakt, wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen.

Deze rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan en voldoende blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval.

Art. 8, 1 van het Verdrag van Rome bepaalt dat het bestaan en de geldigheid van de overeenkomst of van een bepaling ervan worden beheerst door het recht dat ingevolge dit Verdrag toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn.

Met toepassing van art. 4, 1 en 2 van het Verdrag van Rome, zijn de overeenkomsten beheerst door het Nederlands recht, aangezien de meest kenmerkende prestatie in de overeenkomsten deze is van de verkoper, de geïntimeerde, wiens vestiging / hoofdbestuur

zich in Nederland bevindt.

Het Nederlands recht is de "lex contractus".

Dit recht beheerst in onderhavige betwistingen

-         de vraag wat er nodig is voor het ontstaan van een overeenkomst door het samenkomen van aanbod en aanvaarding, inbegrepen de vraag naar de toepasselijkheid van bijzondere dan wel algemene voorwaarden die zouden afwijken van het CISG-voorwaarden waaromtrent - bij toepassing van het Nederlands recht al dan niet veronderstelde - wilsovereenstemming -;

-         de "externe leemten" van het CISG.

C.

Er zij meteen onderstreept dat uit de adiëring van een Belgische rechtbank door de geïntimeerde geen enkele conclusie kan worden getrokken naar het toepasselijke recht.

Door de zaak voor een Belgische rechtbank te brengen heeft de geïntimeerde geenszins een rechtskeuze gedaan noch enige afstand desbetreffend.

II.

A.

Er is geen betwisting nopens het bestaan van koopverkoopovereenkomsten.

B.

De vraag nopens de wilsovereenstemming beperkt zich in essentie tot de vraag naar de al dan niet toepasselijkheid van de koop- en leveringsvoorwaarden die door de geïntimeerde zijn gedeponeerd bij de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam.

Bij het zoeken naar het antwoord op deze vraag dient het Nederlands recht te worden toegepast (cf. supra).

In casu blijken beide koopverkoopovereenkomsten op dezelfde wijze te zijn tot stand gekomen: de appellante stuurt een bestelbon met als enige voorwaarde "betalingsvoorwaarden: 60 dagen einde maand” (…).

De geïntimeerde levert en factureert met respectievelijk een afleverbon en een factuur waarop onderaan staat gedrukt:

Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden:

Op al onze aanbiedingen, aanvaardingen, mededelingen en overeenkomsten zijn van toepassing de Koop-en Leveringsvoorwaarden Bouwstoffen (AVLB) met arbitraal beding, zoals deze voor de dag van aanbieding laatstelijk zijn gedeponeerd bij de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam ten verzoeke van de Vereniging van Handelaren in Bouwmaterialen in Nederland. Ingeval deze tekst niet in uw bezit is zijn wij, desgevraagd, gaarne bereid u deze toe te zenden. Reklames binnen 8 dagen.”

Op de factuur staat bovendien" Betaling binnen 30 dagen netto".

(…).

Er zij vastgesteld dat er op de kwestieuze vermeldingen op de facturen en afleverbonnen nooit enig protest is gerezen vanwege de appellante.

C.

Waar

- er geen enkele onregelmatigheid voorligt nopens de "standaardregeling" voor de sector van de bouwstoffen, zoals deze is neergelegd ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en tevens wordt voorgelegd… en

- de appellante nimmer op impliciete noch expliciete wijze de toepasselijkheid ervan heeft afgewezen, zodat er in haren hoofde sprake is van een verregaand "omstandig stilzwijgen", zijn de voormelde "Algemene- Verkoop- en Leveringsvoorwaarden Bouwstoffen" van gelding in de contractuele relatie tussen de partijen.

Onder art. 15.1 van deze voorwaarden staat dat alle met de verkoper aangegane overeenkomsten beheerst worden door het Nederlands recht, waarop de algemene voorwaarden als aanvulling gelden, en voorzover bepalingen van dwingend karakter zich niet daartegen verzetten, als afwijking gelden.

Aldus moeten partijen geacht worden de rechtskeuze van het Nederlands recht te hebben gedaan.

Wat het Nederlands recht betreft, er zij aangemerkt dat dit niet meteen het koopverkooprecht betekent zoals opgenomen in het Nederlands Burgerlijk Wetboek.

Zoals in België is het Weens Koopverdrag opgenomen in het nationaal recht en is er meteen van toepassing zoals overigens reeds vermeld in punt I.A. hierboven: waar de overeenkomsten internationale koopverkoopovereenkomsten betreffen, is het CISG (Weense Koopverdrag) immers van toepassing.

De voormelde algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden worden toegepast in zoverre deze afwijken van het CISG én in zoverre de partijen omtrent de toepasselijkheid ervan ook het debat aangaan.

Met name zal een en ander zijn gevolgen hebben naar de beoordeling toe van de door de geïntimeerde gevorderde intresten en schadevergoeding.

D.

Waar het Nederlands recht van toepassing is voor wat betreft de "externe leemten" van het CISG, heeft dit zijn gevolgen naar de beoordeling van de verjaring van de vordering vanwege de appellante, welke zal geschieden volgens het Nederlands Burgerlijk Wetboek.

III.

Aanspraken vanwege de appellante - oorspronkelijke tegenvordering

A.

Art. 7 - 23, 2. Nederlands Burgerlijk Wetboek bepaalt:

Rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving. Doch de koper behoudt de bevoegdheid om aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op vermindering daarvan door gedeeltelijke ontbinding van de koop of op schadevergoeding tegen te werpen.”

Dit "verjaringsysteem" is van toepassing op de aanspraken vanwege de appellante, geformuleerd bij tegenvordering in besluiten voor de eerste rechter neergelegd op 3 april 2003.

In voormeld artikel 7 - 23,2 Nederlands Burgerlijk Wetboek kan een verjaring worden gelezen van twee jaar.

De kwestieuze factuur is betaald geworden, zodat de tweede zin van art. 7 - 23, 2 NBW niet van doen is (vordering van schadevergoeding indien de koper wordt aangesproken tot betaling).

B.

Op de juiste gronden die het hof alhier uitdrukkelijk als herhaald aanziet, behalve waar zij strijdig zouden zijn met wat in onderhavig arrest wordt overwogen, heeft de eerste rechter in het vonnis a quo (blz. 4, punt 2 "De tegeneis") terecht de aanspraken van de appellante afgewezen als ontoelaatbaar wegens verjaring.

c.

a.

De termijn van twee jaar begint te lopen vanaf de datum van de kennisgeving door de koper van de feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de geleverde zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst.

Hierbij is de datum van de kennisgeving zoals deze is vermeld door de appellante / koper zelf, determinerend ("verzendtheorie"). Een ander criterium, meer bepaald de datum van ontvangst, kan er niet zijn en zou overigens de rechtszekerheid ondergraven.

Met schrijven d.d. 30 maart 2001 (…) heeft de appellante de geïntimeerde in kennis gesteld van de beweerde gebreken, nl. "langs de binnenkant vlekken en schimmel”.

b.

1.

De appellante kan hoegenaamd niet gevolgd worden waar zij voorhoudt datwaar geïntimeerde niet kan bewijzen dat zij de brief d.d. 30.03.2001 op 2 april ontvangen heeft, kan zij dit wel m.b.t. de aanmaning die dateert van 11.07.2001, gezien geïntimeerde hierop voor het eerst gereageerd heeft op 15.08.2001. Zodoende loopt de termijn van tweejaar ten vroegste vanaf 15.08.2001, zijnde de datum waarop geïntimeerde voor het eerst geantwoord heeft en waaruit blijkt dat zij de brief van concluante die op 11.07.2001 gedateerd is, ontvangen heeft.”…

2.

Vooreerst wordt in voormelde redenering verkeerdelijk ervan uitgegaan dat het aan de verkoper is om te bewijzen wanneer hij de aanmerkingen heeft ontvangen, terwijl het voor de verkoper volstaat te verwijzen naar de datum zoals door de koper op zijn protestschrijven vermeld (in casu 30 maart 2001).

Vervolgens kan het bezwaarlijk worden aangenomen dat de appellante plots een redenering creëert die ervan uitgaat dat haar schrijven d.d. 30 maart 2001 dat ze zelf voorlegt, eigenlijk niet zou bestaan.

3.

Indien op de redenering van de appellante verder wordt ingegaan, kan niet anders dan worden vastgesteld dat zij zich beroept op haar schrijven van 11 juli 2001.

Uit de voorliggende feitelijke gegevens blijkt echter dat dit schrijven d.d. 11 juli 2001 niet meer beantwoordt aan de "redelijke termijn" die door art. 39, 1) CISG wordt opgelegd aan de koper om na de ontdekking van de beweerde gebreken de verkoper hiervan in kennis te stellen.

In die hypothese zou de appellante vervallen zijn van haar recht om er zich op te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden (toepassing art. 39, 1) CISG)...

c.

1.

Uit de voorliggende stukken en gegevens blijkt dat de geïntimeerde aan de appellante heeft geleverd wat was besteld.

Dienomtrent bestaat geen betwisting.

Intrinsiek waren er hoe dan ook geen gebreken aan de geleverde waren.

2.

De appellante werpt op dat er na enige tijd aan de door de geïntimeerde geleverde platen, schimmels en vlekken optreden.

Deze schimmels en vlekken zouden het gevolg zijn van het niet-verticaal aanwenden van de platen.

De appellante verwijt de geïntimeerde dat zij haar niet op de hoogte heeft gesteld van deze gevolgen van het niet-verticaal aanwenden van de platen, zodat de geïntimeerde zich niet kan beroepen op 38 en 39 CISG en dit met toepassing van art. 40 CISG.

3.

Het was niet aan de geïntimeerde om aan de appellante mede te delen dat het misschien best aangewezen was de platen niet in een niet-verticale stand te plaatsen, op gevaar van schimmels en plekken.

De appellante is specialiste in het plaatsen van serres / kassen  en mocht verondersteld worden te weten wat zij bestelde en of het volledig gepast was voor datgene waarvoor zij de platen bestemde.

De informatieplicht tegenover een specialist in het vak is uiteraard veel minder stringent dan de informatieplicht tegenover een leek.

Het spreekt vanzelf dat de platen ook nog op andere wijzen kunnen worden geplaatst.

Het is niet aan de verkoper om deze op te sommen en dan telkenmale te zeggen dat die concrete plaatsingswijze minder aangewezen is, doch het is aan de koper om gebeurlijke technische informatie te verzoeken en dit aan de hand van de door hem aangereikte concrete informatie nopens de aanwending ervan.

Het is anderzijds niet aangetoond dat de geïntimeerde wist dat de appellante de platen in een niet-verticale stand zou plaatsen.

De geïntimeerde is niet tekort geschoten aan haar informatieplicht.

Van bedrog is vanzelfsprekend geen sprake.

4.

Tevergeefs verwijst de appellante naar een schrijven vanwege de geïntimeerde d.d. 8 oktober 2001 (…), waarbij de appellante schrijft “De Eterkasplaten worden bij duizenden geleverd t.b.v. de kassenbouwen zeker ook in het dak”.

De appellante vergeet de volgende alinea van het kwestieuze schrijven te citeren:

U heeft in de afgelopen jaren reeds meerdere orders bij ons geplaatst in dit materiaal en gezien de geleverde afmetingen ook in het dak bereik.

Ook heeft u eerder platen in gecoate vorm van ons gehad.”

Waar er desbetreffend geen tegenspraak is geweest door de appellante, wordt aangenomen dat er inderdaad ook platen in gecoate vorm zijn geleverd.

Nu is het precies zo dat gecoate platen de schimmelvorming tegengaan.

Uit wat voorafgaat blijkt dan ook duidelijk dat de appellante uiteindelijk zelf in gebreke is geweest gecoate platen te bestellen, waar uitstuitend zijzelf wist wat zij er zou mee doen en waar zijzelf ook moest weten dat gecoate platen schimmelvorming tegengaan.

5.

Voor zoveel als nodig zij er aangestipt dat het Belgische "systeem" van vermoeden van kennis van gebreken in hoofde van de professionele verkoper, niet van toepassing is.

c.

Ten overvloede en niet als schragende motivering overweegt het hof wat volgt.

Uit een schrijven van de firma Eternit d.d. 18 december 1997 aan de geïntimeerde (…), blijkt dat een schimmelvorming “de levensduur van de platen niet of nauwelijks zal beïnvloeden. Deze schimmelvorming geeft naar onze inschatting geen aanleiding tot desintegratie of verrotting van de platen”, zodat men zich kan afvragen in welke mate er sprake zou zijn van een gebrek en niet eerder sprake van een gewone zaak van uitzicht.

D.

Aangezien er geen sprake een tekortkoming aan enige informatieplicht in hoofde van de geïntimeerde, is er geen aanleiding tot toepassing van art. 40 CISG.

Er moet dan ook niet verder ingegaan worden op de vraag of de appellante haar keuring- en protestplicht conform het CISG heeft uitgevoerd.

III.

Aanspraken vanwege de geïntimeerde – oorspronkelijke hoofdvordering

A.

a.

Op de juiste gronden die het hof alhier uitdrukkelijk als herhaald aanziet, behalve waar zij strijdig zouden zijn met wat in onderhavig arrest wordt overwogen, heeft de eerste rechter in het vonnis a quo (…) terecht de aanspraken van de geïntimeerde als toelaatbaar aangenomen.

Het hof acht de zinnen van het vonnis a quo “Na de cessie van een schuldvordering is de cessionaris aanspraakgerechtigd voor buitengerechtelijke kosten en op rente, niet de cedent. Het is ook de cessionaris die, na overdracht van de vordering, mogelijks betalingsuitstel toestaat, dan wel tot procedure overgaat.” als niet geschreven.

b.

In haar schrijven d.d. 18 september 2002 (…), heeft de "Kredietbewaking Bouw" bestempeld als "incassodienst" zoals gedrukt op de onderzijde van het kwestieuze schrijven ‑ vermeld: Onze cliënte, Gebr. Prins Bouwstoffen- handel B. V., heeft ons ter incasso overgedragen haar vordering op u ad € 5.588,34 (...)”.

Verder heeft de incassodienst het voortdurend over haar "cliënte" die aanspraak maakt op betaling.

Hierin een overdracht van schuldvordering lezen, kan niet.

De bewoordingen zijn voor geen interpretatie vatbaar: "een vordering ter incasso overdragen" is niets minder maar ook niets meer dan "opdracht geven tot inning van een schuldvordering".

B.

a.

De appellante betwist het saldo factuurbedrag voor de levering van de "polykasplaten" ad 4.583,66 EUR niet, noch het principieel verschuldigd zijn ervan.

Zij wenste evenwel haar beweerde schade uit de beweerde gebreken, voorwerp van de levering van midden 2000, te compenseren.

Waar de oorspronkelijke tegenvordering desbetreffend vanwege de appellante als verjaard wordt afgewezen, is er geen compensatie met de aanspraken vanwege de geïntimeerde mogelijk.

b.

Uit het feit dat de geïntimeerde een negental maanden heeft gewacht om na factuurdatum in gebreke te stellen, kan hoegenaamd niet worden besloten - en zeker niet op eenduidige wijze - dat zij van welk recht dan ook afstand zou hebben gedaan.

C.

Wat de door de geïntimeerde gevorderde intresten en bijkomende vergoeding betreft.

a.

Hierboven is reeds vastgesteld dat de “Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden Bouwstoffen” zoals neergelegd ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en zoals voorgelegd door de geïntimeerde onder haar dossierstuk nr. 4, in beginsel van toepassing is.

b.

Art. 13, 2,b van voormelde "Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden Bouwstoffen" bepaalt:

“De koper, die op de dertigste dag na de vervaldag nog niet of niet volledig heeft betaald, is, zonder dat enige aanmaning of ingebrekestelling is vereist in verzuim en derhalve over het opeisbare bedrag rente verschuldigd”.

Art 13, 2,c bepaalt:

“De rente vermeldt in lid 2b van dit artikel, loopt vanaf voormelde dertigste dag tot aan het tijdstip der algehele voldoening. Het rentepercentage is gelijk aan de wettelijke rente, vermeerderd met twee procent”.

Art. 13, 3,b en 3,c, vermelden een datum vanaf wanneer de intrest begint te lopen, die op 30 dagen na levering wordt gesitueerd.

In dit geval zou dit dan 23 november 2001 zijn, terwijl de factuur evenwel dateert van 18 december 2001.

Een en ander komt in rechte en in feite verward en verwarrend voor, zodat de voor de koper de meest voordelige toepassing van de voorwaarden van de geïntimeerde in aanmerking wordt genomen.

Uit wat voorafgaat volgt dat de appellante het bedrag van 4.583,66 EUR verschuldigd is, meer de intresten vanaf 19 februari 2002 - 30 dagen op de 30 dagen zoals vermeld op de factuur, komt neer op intresten vanaf 2 maand na factuurdatum -, aan de wettelijke Nederlandse rentevoet, vermeerderd met twee procent.

 

c.

Art. 13, 5 van voormelde "Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden Bouwstoffen" bepaalt onder meer:

In ieder geval is de koper verschuldigd een gefixeerd bedrag aan kosten, berekend volgens het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, zoals dat geldt op het moment dat de koper in verzuim komt. Indien verkoper aantoont hogere kosten te hebben gemaakt, welke redelijkerwijs noodzakelijk waren, dient koper ook deze te vergoeden”.

Kosten moeten worden bewezen.

Eenduidige vermoedens kunnen ook een bewijs zijn.

De geïntimeerde had evenwel bewijsstukken over een en ander kunnen voorleggen.

Dit doet zij evenwel niet.

Het hof acht een vergoeding ad 5% ofwel 229,18 EUR als aanneembaar, het meer gevorderde evenwel als onbewezen.

d.

De hoofdsom waartoe de appellante veroordeeld wordt, wordt aldus verminderd tot 4.583,66 EUR (saldo factuur) + 229,18 EUR (schadevergoeding van 5%) = 4.812,84 EUR.

IV.

Rekening houdend met het - weliswaar minieme - gelijk aan de zijde van de appellante, past het de kosten verbonden aan de beroepsprocedure ten laste te laten van de respectieve partij die ze gemaakt heeft.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak

Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in zeer beperkte mate gegrond in de zin die volgt;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en in zeer beperkte mate gegrond in de zin die volgt;

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen met dien verstande dat de bedragen waartoe de appellante wordt veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde, worden vastgelegd als volgt.

De appellante wordt veroordeeld tot betaling van 4.812,84 EUR, meer de moratoire intresten vanaf 19 februari 2002 op 4.583,66 EUR aan de intrestvoet die gelijk is aan de Nederlandse wettelijke rentevoet vermeerderd met 2 procent, meer de gerechtelijke intresten vanaf heden op hetzelfde hoofdbedrag van 4.583,66 EUR

aan dezelfde hiervoor omschreven rentevoet tot de dag van de effectieve betaling.

Zegt voor recht dat elk der partijen haar eigen beroepsprocedurekosten dient te dragen.

Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.

(…)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 20-11-2009 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be