K.U.Leuven
CISG Belgium 2004-06-30

Case Identification

 Date of Decision: 30 June 2004

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 2003/AR/901

Case History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Kortrijk, 4 February 2003

Parties: Van Oers BV v. NV Turbo’s Hoet Truckcenter Productie

Seller’s Country: Belgium (Defendant; Respondent on Appeal)

Buyer’s Country: Netherlands (Plaintiff; Appeallant)

Goods Involved: trucks

Judge: E. Teirlinck, J. Baudrez, E. Dursin

Status: Unpublished

 

Classification of issues

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Arts 1(1)(a), 3(1), 3(2)

Application of CISG – both Belgium and Netherlands Contracting States

Sale of goods to be produced – CISG applicable

Fundamental breach – not proved – buyer cannot require substitute goods

 

Text of the Decision

In de zaak met het rolnr. 2003/AR/901 van:

VAN OERS BV, vennootschap naar Nederlands recht met zetel te 5281 RW Boxtel- Nederland…,

ingeschreven in de Kamer van Koophandel voor Oost-Brabant…,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de tweede kamer dd. 4-2-2003,

oorspronkelijk eisende partij,

hebbende als raadsmanmr. HERMANS Leo, advocaat te 2400 Mol…;

tegen:

nv TURBO'S HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE (in besluiten van deze partij ook geschreven: nv TURBO’S HOET TRUCKCENTER PRODUKTIE),

met zetel te 8830 Gits…,

ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk…,

geïntimeerde, oorspronkelijk verwerende partij,

hebbende als raadsman mr. GHEKIERE Alain, advocaat te 8870 Izegem…;

velt het Hof het volgend arrest.

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies in openbare terechtzitting. De stukken werden ingezien.

Met dagvaarding betekend op 07/06/2002 zet de Besloten Vennootschap naar Nederlands recht VAN OERS uiteen dat de NV TURBO’S HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE (hierna verkort tot: TURBO's HOET) haar twee opleggers heeft geleverd die niet conform zijn met het bestelde. Zij vordert alsdan twee nieuwe opleggers, ditmaal conform de wettelijke bepalingen, onder verbeurte van een dwangsom van 500 EUR per dag, en een schadevergoeding van 10.000 EUR, ondergeschikt een gerechtsdeskundige aan te stellen om te onderzoeken of de opleggers “al dan niet beantwoorden aan de specificaties” zoals voorzien in de offerte dd. 21/02/2001.

Van meet af aan besluit de NV TURBO's HOET tot de ongegrondheid van deze aanspraken, minstens tot de laattijdigheid ervan.

Het vonnis dd. 04/02/2003 op tegenspraak gewezen door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk wijst de vordering van de BV VAN OERS af als ongegrond.

Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 14/04/2003, stelt de BV VAN OERS tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep in. Zij houdt staande onmiddellijk de NV TURBO's HOET te hebben ingelicht van de afwijking omtrent de hoogte en dat laatstgenoemde uiteindelijk bevestigde akkoord te gaan om twee nieuwe opleggers te bouwen. De BV VAN OERS biedt aan dit met getuigen te bewijzen en zij herneemt haar vordering zoals voor de eerste rechter ingesteld, inbegrepen haar vordering tot aanstelling van een gerechtsdeskundige. De NV TURBO's HOET verwerpt dit hoger beroep als niet-toelaatbaar wegens gebrek aan motivering en betwist verder de beweringen van de BV VAN OERS om te besluiten tot de ongegrondheid ervan. Op haar beurt stelt de NV TURBO's HOET een tegeneis in, wegens tergend en roekeloos hoger beroep een vergoeding vorderend van 1.250 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke rente.

2.

Artikel 1057 Ger. W. vereist enkel, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven, die zowel de grond van de zaak als de procesvoering voor de eerste rechter kunnen betreffen. Daartoe is het noodzakelijk maar voldoende dat appellante haar bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt; die verplichting houdt echter niet in dat zij ook de middelen tot staving van haar grieven moet vermelden, of die anderszins moet ‘motiveren’.

Blijkbaar heeft de BV VAN OERS voldoende klaar en duidelijk haar grieven uiteengezet, dermate dat de NV TURBO's HOET in staat was haar conclusie voor te bereiden en de appèlrechter in staat is om de draagwijdte ervan na te gaan. De «exceptio obscuri libelli» kan dan ook niet staande worden gehouden.

3.

De betwisting tussen partijen betreft de koop-verkoop van roerende zaken waarbij partijen in verschillende Staten gevestigd zijn. Zowel België als Nederland zijn, sinds 01/11/1997 resp. 01/01/1992, toegetreden tot het Weens koopverdrag dd. 11/04/1980 (hierna afgekort CISG) dat van toepassing is op koopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende verdragsluitende Staten gevestigd zijn, zoals te dezen. De rechtsregels die voortvloeien uit dit Verdrag zijn in beide nationale wetgevingen geïncorporeerd, zodat de toepasselijkheid van het nationaal recht van een lidstaat noodzakelijk leidt tot de toepassing van het CISG.

Luidens art. 3.1 staan overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te brengen roerende zaken gelijk met koopovereenkomsten.

Ten onrechte beroept de NV TURBO's HOET zich op art. 3.2: de voorliggende facturen (…) rekenen enkel “koopwaar” aan, terwijl nergens wordt aangetoond noch waarschijnlijk gemaakt dat in weerwil daarvan het belangrijkste deel van de verplichtingen van de NV TURBO's HOET bestond in de verstrekking van arbeidskracht (zoals zij thans alhier opwerpt).

4.

De BV VAN OERS houdt staande dat de opleggers die de NV TURBO's HOET haar heeft geleverd en aangerekend in de facturen nrs. 1060136 en 1060137 dd. 14/06/2001 (…) niet conform zijn met wat was besteld: de orderbevestigingen van 21/02/2001 en 05/03/2001 (…) vermelden duidelijk een hoogte van 4 meter uitwendig en 2,4 meter inwendig, terwijl dit in werkelijkheid zowat 10 cm méér bedraagt; naar zij voorhoudt werd dit vastgesteld op 04/07/2001 naar aanleiding van een controle met het oog op de keuring bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (…).

Het CISG kent slechts één uniform conformiteitsbegrip; in het systeem van dat verdrag wordt er géén onderscheid gemaakt tussen de vrijwaring voor verborgen gebreken en de leveringsplicht: de verkoper moet conforme goederen leveren (art. 35).

Anderzijds legt het CISG (art. 38 en 39) aan de koper op om de geleverde zaken, gelet op de omstandigheden, te (doen) keuren binnen een zo kort mogelijke termijn alsook, binnen een redelijke termijn, de verkoper voldoende specifiek in kennis te stellen van de vastgestelde (of normaliter vast te stellen) non-conformiteit, dit laatste op straffe van verval van zijn recht om zich op de niet-overeenstemming te beroepen.

5.

In eerste instantie benadrukt de NV TURBO's HOET dat de BV VAN OERS de opleggers in ontvangst nam en betaalde zonder specifiek noch tijdig protest. De afwijking is nochtans eenvoudig vast te stellen en zal allicht niet onopgemerkt voorbij gaan in een wagenpark van soortgelijke opleggers. Hoewel de BV VAN OERS zelf staande houdt dat het hoogteverschil werd vastgesteld op 04/07/2001 (nadat reeds een koelinstallatie door een derde was ingebouwd), kan pas voor het eerst in de brief dd. 30/08/2001 van de NV TURBO's HOET aan de BV VAN OERS enig spoor van betwisting worden gelezen (..):

“De wettelijk toegelaten hoogte van een oplegger is in Nederland 4.000 mm. Met deze hoogte kan men aan geen enkele brug haperen…

Daarom is het voor ons onbegrijpelijk dat U deze hoogte niet aanvaardt. Al onze opleggers voor Nederland worden gebouwd met een hoogte van 4.000 mm.

Wij blijven bij onze aanbieding een van uw combinaties tot bij ons te laten komen waar wij de nodige onderzoekingen zullen doen om deze combinaties binnen de wettelijke voorschriften rijden te laten.

Zoals wij reeds gisteren herhaaldelijk gezegd hebben, ligt het probleem niet bij de oplegger, maar wel bij de trekker”.

In weerwil van wat de BV VAN OERS voorhoudt heeft de NV TURBO's HOET noch in deze brief noch later “toegegeven een fout te hebben gemaakt”. Integendeel bevestigt laatstgenoemde met haar brief van 28/11/2001 nogmaals (…):

“De voertuigen werden uiteindelijk in Nederland tot het verkeer toegelaten, zodat onmogelijk kan gesteld worden of zouden de voertuig niet conform de Nederlandse wetgeving geconstrueerd zijn.

Bijgevolg is de Directie niet van mening enige schadeloosstelling verschuldigd te zijn”.

Daarenboven zijn de beweringen van de BV VAN OERS in verband met de hoogte niet tegensprekelijk vastgesteld, terwijl de NV TURBO's HOET tot op heden de beweerde non-conformiteit betwist en van in den beginne staande hield dat het aangeklaagde hoogteverschil niet door de oplegger als zodanig veroorzaakt is, maar door de trekker. Het is in dit licht niet zonder belang vast te stellen dat de eenzijdige vaststellingen die de BV VAN OERS heeft laten uitvoeren door een derde (DEKRAKEURINGENBV), inderdaad aantonen dat de hoogte van de geleverde opleggers (op een trekker DAF TE75PC) in onbeladen toestand, vooraan weliswaar 411,5 cm bedraagt, doch achteraan slechts 390 resp. 394 cm bedraagt (…).

4

Op de uitnodiging dd. 30/08/2001 van de NV TURBO's HOET om een combinatie aan te bieden die zij dan “binnen de wettelijke voorschriften” zou laten rijden, is de BV VAN OERS trouwens nooit ingegaan. Anderzijds tonen de facturen en verklaringen die deze laatste neerlegt (…) aan dat de opleggers op dat ogenblik reeds waren verbouwd.

Tenslotte ontkent de BV VAN OERS niet dat de voertuigen ‑ thans reeds drie jaar ‑ in gebruik zijn. Terloops kan hierbij worden opgemerkt dat het voormelde onderzoek van de B.V. DEKRA doorging op 10/01/2002 en dat bij die gelegenheid ook metingen zijn uitgevoerd “in de stand zoals er thans mee gereden dient te worden”. Bezwaarlijk kan eerstgenoemde dan ook betwisten dat de opleggers “geschikt zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van dezelfde omschrijving gewoonlijk zouden worden gebruikt” (cfr. art. 35, 2, a CISG); de BV VAN OERS beweert niet dat zij een andere oplegger diende aan te wenden in de plaats van de geleverde.

Alleszins bewijst de BV VAN OERS alzo geenszins dat de aangeklaagde tekortkoming wezenlijk zou zijn. Naar luid van art. 25 CISG is een tekortkoming immers slechts wezenlijk, indien zij leidt tot zodanige schade voor de andere partij “dat haar in aanmerkelijke mate wordt onthouden wat zij uit hoofde van de overeenkomst mag verwachten”.

Dit wordt te dezen niet aangetoond, zodat de BV VAN OERS hoe dan ook geen vervanging van de opleggers kan eisen (cfr. art. 46, 2 CISG: “Indien de zaken niet beantwoorden aan de overeenkomst, kan de koper slechts aflevering van vervangende zaken eisen, indien de afwijking van het overeengekomene een wezenlijke tekortkoming vormt...”), zoals zij dit nochtans vordert (cfr. inleidende dagvaarding).

6.

De BV VAN OERS bewijst niet dat het haar onmogelijk was een nuttig tegensprekelijk onderzoek uit te lokken, dan wel haar rechten anderszins te vrijwaren of vast te leggen, zodat het minder betrouwbaar getuigenbewijs zou moeten worden bevolen op grond van de eigen nalatigheid van de BV VAN OERS. Daarenboven zou zulks in genen dele weerleggen wat voorafgaat, zodat dergelijk onderzoek dan ook als nutteloos van de hand moet worden gewezen.

Op dezelfde gronden is een deskundig onderzoek evenmin nog dienstig.

Aldus kan in wat voorafgaat geen bewijs worden gevonden van enige tijdige of anderszins nuttige keuring noch van enige tijdige kennisgeving van een vaststaande non-conformiteit.

7.

Terzelfder tijd vordert de BV VAN OERS ook een schadevergoeding van 10.000 EUR. Met haar laatste syntheseconclusies neergelegd op 17/05/2004, beredeneert zij dan dat “De kosten en verlies... kunnen per trailer per maand geraamd worden op € 500 à € 1000 (meerkilometers en tijdverlies mankracht)”.

Luidens art. 74 CISG bestaat de vergoeding uit een bedrag gelijk aan de schade met inbegrip van de gederfde winst; enig bewijs van. dergelijke of andere schade dan wel van gederfde winst blijft volkomen achterwege, zodat ook dit onderdeel van de vordering de noodzakelijke grondslag mist.

8.

Noch het feit een rechtsmiddel aan te wenden noch de vaststelling dat appellante aldus het door haar verhoopte resultaat niet heeft bereikt, laat te dezen toe aan te nemen dat het beroep tergend of roekeloos zou zijn.

Het is verder onvoldoende dat de NV TURBO's HOET hierin een zinloze betwisting ziet zonder dat zij tevens aantoont dat deze procedure werd gevoerd met het oogmerk de tegenstrever te tergen, i.e. met een ongepaste handeling uit te dagen, én dat het geding op zich roekeloos zou zijn, i.e. zonder acht te slaan op de gevolgen. Deze gegevens zijn in casu niet voorhanden.

De tegeneis van de NV TURBO’s HOET mist dan ook iedere grond.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

rechtdoende op tegenspraak;

met toepassing van art. 24 van de wet van 15/06/1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst dit af als ongegrond;

bevestigt het bestreden vonnis;

Verklaart de tegeneis van de NV TURBO's HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE toelaatbaar doch ongegrond;

verwijst de BV VAN OERS in de kosten van deze instantie, aan de zijde van de NV TURBO's HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE op heden begroot op 456,12 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

(…)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be