|
|
|
Case
Identification
Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 2003/AR/901 Case
History: Appeal from Rechtbank van
Koophandel, Kortrijk, 4 February 2003 Parties: Van Oers BV v. NV Turbo’s Hoet
Truckcenter Productie Seller’s
Country: Belgium (Defendant; Respondent on
Appeal) Buyer’s
Country: Netherlands (Plaintiff;
Appeallant) Goods
Involved: trucks Judge:
E. Teirlinck, J. Baudrez, E. Dursin Status:
Unpublished Classification
of issues
CISG
Provisions Applied: Arts 1(1)(a), 3(1),
3(2) Application
of CISG – both Belgium and Netherlands Contracting States Sale
of goods to be produced – CISG applicable Fundamental
breach – not proved – buyer cannot require substitute goods Text of the Decision
In
de zaak met het rolnr. 2003/AR/901 van: VAN
OERS BV, vennootschap naar Nederlands recht met zetel te 5281 RW Boxtel-
Nederland…, ingeschreven
in de Kamer van Koophandel voor Oost-Brabant…, appellante
tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak
gewezen door de tweede kamer dd. 4-2-2003, oorspronkelijk
eisende partij, hebbende
als raadsmanmr. HERMANS Leo, advocaat te 2400 Mol…; tegen: nv
TURBO'S HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE (in besluiten van deze partij ook geschreven:
nv TURBO’S HOET TRUCKCENTER PRODUKTIE), met
zetel te 8830 Gits…, ingeschreven
in het handelsregister te Kortrijk…, geïntimeerde,
oorspronkelijk verwerende partij, hebbende
als raadsman mr. GHEKIERE Alain, advocaat te 8870 Izegem…; velt
het Hof het volgend arrest. Partijen
werden gehoord in hun middelen en conclusies in openbare terechtzitting. De
stukken werden ingezien. Met
dagvaarding betekend op 07/06/2002 zet de Besloten Vennootschap naar Nederlands
recht VAN OERS uiteen dat de NV TURBO’S HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE (hierna
verkort tot: TURBO's HOET) haar twee opleggers heeft geleverd die niet conform
zijn met het bestelde. Zij vordert alsdan twee nieuwe opleggers, ditmaal conform
de wettelijke bepalingen, onder verbeurte van een dwangsom van 500 EUR per
dag, en een schadevergoeding van 10.000 EUR, ondergeschikt een
gerechtsdeskundige aan te stellen om te onderzoeken of de opleggers “al dan
niet beantwoorden aan de specificaties” zoals voorzien in de offerte dd.
21/02/2001. Van
meet af aan besluit de NV TURBO's HOET tot de ongegrondheid van deze aanspraken,
minstens tot de laattijdigheid ervan. Het
vonnis dd. 04/02/2003 op tegenspraak gewezen door de tweede kamer van de
rechtbank van koophandel te Kortrijk wijst de vordering van de BV VAN OERS af
als ongegrond. Met
verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 14/04/2003, stelt de BV VAN
OERS tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep in. Zij houdt staande
onmiddellijk de NV TURBO's HOET te hebben ingelicht van de afwijking omtrent de
hoogte en dat laatstgenoemde uiteindelijk bevestigde akkoord te gaan om twee
nieuwe opleggers te bouwen. De BV VAN OERS biedt aan dit met getuigen te
bewijzen en zij herneemt haar vordering zoals voor de eerste rechter ingesteld,
inbegrepen haar vordering tot aanstelling van een gerechtsdeskundige. De NV
TURBO's HOET verwerpt dit hoger beroep als niet-toelaatbaar wegens gebrek aan
motivering en betwist verder de beweringen van de BV VAN OERS om te besluiten
tot de ongegrondheid ervan. Op haar beurt stelt de NV TURBO's HOET een tegeneis
in, wegens tergend en roekeloos hoger beroep een vergoeding vorderend van 1.250 EUR,
vermeerderd met de gerechtelijke rente. 2. Artikel
1057 Ger. W. vereist enkel, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de
grieven, die zowel de grond van de zaak als de procesvoering voor de eerste
rechter kunnen betreffen. Daartoe is het noodzakelijk maar voldoende dat
appellante haar bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt; die
verplichting houdt echter niet in dat zij ook de middelen tot staving van haar
grieven moet vermelden, of die anderszins moet ‘motiveren’. Blijkbaar
heeft de BV VAN OERS voldoende klaar en duidelijk haar grieven uiteengezet,
dermate dat de NV TURBO's HOET in staat was haar conclusie voor te bereiden en
de appèlrechter in staat is om de draagwijdte ervan na te gaan. De «exceptio
obscuri libelli» kan dan ook niet staande worden gehouden. 3. De
betwisting tussen partijen betreft de koop-verkoop van roerende zaken waarbij
partijen in verschillende Staten gevestigd zijn. Zowel België als Nederland
zijn, sinds 01/11/1997 resp. 01/01/1992, toegetreden tot het Weens koopverdrag
dd. 11/04/1980 (hierna afgekort CISG) dat van toepassing is op
koopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in
verschillende verdragsluitende Staten gevestigd zijn, zoals te dezen. De
rechtsregels die voortvloeien uit dit Verdrag zijn in beide nationale
wetgevingen geïncorporeerd, zodat de toepasselijkheid van het nationaal recht
van een lidstaat noodzakelijk leidt tot de toepassing van het CISG. Luidens
art. 3.1 staan overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te
brengen roerende zaken gelijk met koopovereenkomsten. Ten
onrechte beroept de NV TURBO's HOET zich op art. 3.2: de voorliggende facturen
(…) rekenen enkel “koopwaar” aan, terwijl nergens wordt aangetoond
noch waarschijnlijk gemaakt dat in weerwil daarvan het belangrijkste deel van de
verplichtingen van de NV TURBO's HOET bestond in de verstrekking van
arbeidskracht (zoals zij thans alhier opwerpt). 4. De
BV VAN OERS houdt staande dat de opleggers die de NV TURBO's HOET haar heeft
geleverd en aangerekend in de facturen nrs. 1060136 en 1060137 dd. 14/06/2001
(…) niet conform zijn met wat was besteld: de orderbevestigingen van
21/02/2001 en 05/03/2001 (…) vermelden duidelijk een hoogte van 4 meter
uitwendig en 2,4 meter inwendig, terwijl dit in werkelijkheid zowat 10 cm méér
bedraagt; naar zij voorhoudt werd dit vastgesteld op 04/07/2001 naar aanleiding
van een controle met het oog op de keuring bij de Rijksdienst voor het
Wegverkeer (…). Het
CISG kent slechts één uniform conformiteitsbegrip; in het systeem van dat
verdrag wordt er géén onderscheid gemaakt tussen de vrijwaring voor verborgen
gebreken en de leveringsplicht: de verkoper moet conforme goederen leveren (art.
35). Anderzijds
legt het CISG (art. 38 en 39) aan de koper op om de geleverde zaken, gelet
op de omstandigheden, te (doen) keuren binnen een zo kort mogelijke termijn
alsook, binnen een redelijke termijn, de verkoper voldoende specifiek in kennis
te stellen van de vastgestelde (of normaliter vast te stellen) non-conformiteit,
dit laatste op straffe van verval van zijn recht om zich op de
niet-overeenstemming te beroepen. 5. In
eerste instantie benadrukt de NV TURBO's HOET dat de BV VAN OERS de opleggers in
ontvangst nam en betaalde zonder specifiek noch tijdig protest. De afwijking is
nochtans eenvoudig vast te stellen en zal allicht niet onopgemerkt voorbij gaan
in een wagenpark van soortgelijke opleggers. Hoewel de BV VAN OERS zelf staande
houdt dat het hoogteverschil werd vastgesteld op 04/07/2001 (nadat reeds een
koelinstallatie door een derde was ingebouwd), kan pas voor het eerst in de
brief dd. 30/08/2001 van de NV TURBO's HOET aan de BV VAN OERS enig spoor van
betwisting worden gelezen (..): “De
wettelijk toegelaten hoogte van een oplegger is in Nederland 4.000 mm. Met deze
hoogte kan men aan geen enkele brug haperen… Daarom
is het voor ons onbegrijpelijk dat U deze hoogte niet aanvaardt. Al onze
opleggers voor Nederland worden gebouwd met een hoogte van 4.000 mm. Wij
blijven bij onze aanbieding een van uw combinaties tot bij ons te laten komen
waar wij de nodige onderzoekingen zullen doen om
deze combinaties binnen de wettelijke voorschriften rijden te laten. Zoals
wij reeds gisteren herhaaldelijk gezegd hebben, ligt het probleem niet bij de
oplegger, maar wel bij de trekker”. In
weerwil van wat de BV VAN OERS voorhoudt heeft de NV TURBO's HOET noch in deze
brief noch later “toegegeven een fout te hebben gemaakt”. Integendeel
bevestigt laatstgenoemde met haar brief van 28/11/2001 nogmaals (…): “De
voertuigen werden uiteindelijk in Nederland tot het verkeer toegelaten, zodat
onmogelijk kan gesteld worden of zouden de voertuig niet conform de Nederlandse
wetgeving geconstrueerd zijn. Bijgevolg
is de Directie niet van mening enige schadeloosstelling verschuldigd te zijn”. Daarenboven
zijn de beweringen van de BV VAN OERS in verband met de hoogte niet
tegensprekelijk vastgesteld, terwijl de NV TURBO's HOET tot op heden de beweerde
non-conformiteit betwist en van in den beginne staande hield dat het
aangeklaagde hoogteverschil niet door de oplegger als zodanig veroorzaakt is,
maar door de trekker. Het is in dit licht niet zonder belang vast te stellen dat
de eenzijdige vaststellingen die de BV VAN OERS heeft laten uitvoeren door een
derde (DEKRAKEURINGENBV), inderdaad aantonen dat de hoogte van de geleverde
opleggers (op een trekker DAF TE75PC) in onbeladen toestand, vooraan weliswaar
411,5 cm bedraagt, doch achteraan slechts 390 resp. 394 cm bedraagt (…). 4 Op
de uitnodiging dd. 30/08/2001 van de NV TURBO's HOET om een combinatie aan te
bieden die zij dan “binnen de wettelijke voorschriften” zou laten
rijden, is de BV VAN OERS trouwens nooit ingegaan. Anderzijds tonen de facturen
en verklaringen die deze laatste neerlegt (…) aan dat de opleggers op dat
ogenblik reeds waren verbouwd. Tenslotte
ontkent de BV VAN OERS niet dat de voertuigen ‑ thans reeds drie jaar
‑ in gebruik zijn. Terloops kan hierbij worden opgemerkt dat het voormelde
onderzoek van de B.V. DEKRA doorging op 10/01/2002 en dat bij die gelegenheid
ook metingen zijn uitgevoerd “in de stand zoals er thans mee gereden dient
te worden”. Bezwaarlijk kan eerstgenoemde dan ook betwisten dat de
opleggers “geschikt zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van dezelfde
omschrijving gewoonlijk zouden worden gebruikt” (cfr. art. 35, 2, a CISG);
de BV VAN OERS beweert niet dat zij een andere oplegger diende aan te wenden in
de plaats van de geleverde. Alleszins
bewijst de BV VAN OERS alzo geenszins dat de aangeklaagde tekortkoming wezenlijk
zou zijn. Naar luid van art. 25 CISG is een tekortkoming immers slechts
wezenlijk, indien zij leidt tot zodanige schade voor de andere partij “dat
haar in aanmerkelijke mate wordt onthouden wat zij uit hoofde van de
overeenkomst mag verwachten”. Dit
wordt te dezen niet aangetoond, zodat de BV VAN OERS hoe dan ook geen vervanging
van de opleggers kan eisen (cfr. art. 46, 2 CISG: “Indien de zaken niet
beantwoorden aan de overeenkomst, kan de koper slechts aflevering van
vervangende zaken eisen, indien de afwijking van het overeengekomene een
wezenlijke tekortkoming vormt...”), zoals zij dit nochtans vordert (cfr.
inleidende dagvaarding). 6. De
BV VAN OERS bewijst niet dat het haar onmogelijk was een nuttig tegensprekelijk
onderzoek uit te lokken, dan wel haar rechten anderszins te vrijwaren of vast te
leggen, zodat het minder betrouwbaar getuigenbewijs zou moeten worden bevolen op
grond van de eigen nalatigheid van de BV VAN OERS. Daarenboven zou zulks in
genen dele weerleggen wat voorafgaat, zodat dergelijk onderzoek dan ook als
nutteloos van de hand moet worden gewezen. Op
dezelfde gronden is een deskundig onderzoek evenmin nog dienstig. Aldus
kan in wat voorafgaat geen bewijs worden gevonden van enige tijdige of
anderszins nuttige keuring noch van enige tijdige kennisgeving van een
vaststaande non-conformiteit. 7. Terzelfder
tijd vordert de BV VAN OERS ook een schadevergoeding van 10.000 EUR. Met
haar laatste syntheseconclusies neergelegd op 17/05/2004, beredeneert zij dan
dat “De kosten en verlies... kunnen per trailer per maand geraamd
worden op € 500 à € 1000 (meerkilometers en
tijdverlies mankracht)”. Luidens
art. 74 CISG bestaat de vergoeding uit een bedrag gelijk aan de schade met
inbegrip van de gederfde winst; enig bewijs van. dergelijke of andere schade dan
wel van gederfde winst blijft volkomen achterwege, zodat ook dit onderdeel van
de vordering de noodzakelijke grondslag mist. 8. Noch
het feit een rechtsmiddel aan te wenden noch de vaststelling dat appellante
aldus het door haar verhoopte resultaat niet heeft bereikt, laat te dezen toe
aan te nemen dat het beroep tergend of roekeloos zou zijn. Het
is verder onvoldoende dat de NV TURBO's HOET hierin een zinloze betwisting ziet
zonder dat zij tevens aantoont dat deze procedure werd gevoerd met het oogmerk
de tegenstrever te tergen, i.e. met een ongepaste handeling uit te dagen, én
dat het geding op zich roekeloos zou zijn, i.e. zonder acht te slaan op de
gevolgen. Deze gegevens zijn in casu niet voorhanden. De
tegeneis van de NV TURBO’s HOET mist dan ook iedere grond. OM
DEZE REDENEN, HET
HOF, rechtdoende
op tegenspraak; met
toepassing van art. 24 van de wet van 15/06/1935 op het taalgebruik in
gerechtszaken; verklaart
het hoger beroep toelaatbaar doch wijst dit af als ongegrond; bevestigt
het bestreden vonnis; Verklaart
de tegeneis van de NV TURBO's HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE toelaatbaar doch
ongegrond; verwijst
de BV VAN OERS in de kosten van deze instantie, aan de zijde van de NV TURBO's
HOET TRUCKCENTER PRODUCTIE op heden begroot op 456,12 EUR (rechtsplegingsvergoeding
hoger beroep). (…) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |