|
|
|
Case
Identification
Date
of Decision: 16 June 2004 Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 2003/AR/990 Case
History: Appeal from Rechtbank van
Koophandel, Dendermonde, 6 February 2003 Parties:
Mermark Fleischhandelsgesellschaft mbH v. Cvba Lokerse Vleesveiling Seller’s
Country: Belgium (Plaintiff; Respondent on Appeal) Buyer’s
Country: Germany (Defendant; Appellant) Goods
Involved: pork meat Judge:
E. Theirlinck, J. Baudrez, M. Ryde Status:
Unpublished Classification
of issues
Application
of CISG: Yes CISG
Provisions applied: Arts. 38, 39, 66 & 69 Non-conformity
not proved Dioxin
problem only arose after passing of risk – buyer still obliged to pay Text
of the Decision
in
de zaak met het rolnr. 2003/AR/990 van: MERMARK
FLEISCHHANDELSGESELLSCHAFT mbH, vennootschap
naar Duits recht met
zetel te 47441 Moers (Duitsland)..., appellante tegen het vonnis van de
rechtbank van koophandel te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de tweede
kamer dd. 6-2-2003, oorspronkelijk verweerster op hoofdeis en eiseres op
tegeneis, hebbende als raadsman mr. PLESSERS Luc, advocaat te 2300 Turnhout... tegen: cvba LOKERSE VLEESVEILING, met zetel te 9160 Lokeren..., met ondernemingsnr... geïntimeerde, oorspronkelijk
eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. MULLIEZ Philippe, advocaat te 8500 Kortrijk...; velt het Hof het volgend arrest. Partijen
werden gehoord in hun middelen en conclusies in openbare terechtzitting. De
stukken werden ingezien. 1. Met
dagvaarding betekend op 08/10/2001 zet de C.V.B.A. LOKERSE VLEESVEILING uiteen
dat de vennootschap naar Duits recht MERMARK FLEISCHHANDELSGESELLSCHAFT
mbH (hierna genoemd: MERMARK GmbH genaamd) op de factuur nr. 15.590 dd. 19/12/2000 voor
levering van goederen een saldo van 23.591,96 DEM onbetaald laat, om alzo haar
schade uit de dioxinecrisis te verhalen. De C.V.B.A. LOKERSE VLEESVEILING
betwist het bestaan van enige schade en alleszins dat zij daarvoor dient in te
staan. Zij vordert aldus de betaling van deze hoofdsom, vermeerderd met een
schadebeding ad 2.359 DEM en de rente vanaf de factuurdatum aldaar begroot
op 1.854 DEM, hetzij voor een totaal van 27.804,96 DEM (omgerekend
14.216,45 EUR). Met
haar conclusie dd. 11/03/2002 houdt MERMARK GmbH voor dat zij voor 7.268,50 DEM
(omgerekend 3.716,33 EUR) schade heeft geleden ingevolge de dioxinecrisis,
die zij bij tegeneis terugvordert. Het
vonnis dd. 06/02/2003 op tegenspràak gewezen door de tweede kamer van de
rechtbank van koophandel te Dendermonde veroordeelt MERMARK GmbH tot betaling
van de hoofdsom van 12.062,38 EUR, vermeerderd met de rente aan 12% vanaf
19/12/2000 en tot betaling van de schadevergoeding van 1.206,23 EUR,
vermeerderd met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf
09/10/2001, wijst de tegenvordering van MERMARK GmbH af als ongegrond en
veroordeelt haar tot de kosten. Met
verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 24/04/2003, stelt MERMARK
GmbH tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep in. Zij werpt op dat zij de
factuur nr. 15.590, vermeld in de dagvaarding, nooit heeft ontvangen (wel nr.
ME015027 van diezelfde datum) en dat de eerste rechter ten onrechte het risico
bij haar heeft gelegd; zij vordert alsdan “de oorspronkelijke
hoofdvordering... onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren”. Tevens
herneemt MERMARK GmbH haar
oorspronkelijke tegenvordering in vergoeding van de schade naar aanleiding van
de dioxinecrisis, hetgeen zij uiteindelijk nog aanvult met “Advocatenkosten”,
zodat zij na verrekening van in- en uitschulden, nog betaling vordert van
3.407,42 EUR. Met
haar samenvattende conclusie neergelegd op 27/02/2004 vordert de C.V.B.A.
LOKERSE VLEESVEILING dan overeenkomstig de werkelijk toegezonden factuur nr. ME015027,
de betaling van 12.179,95 EUR (de tegenwaarde van 23.821,91 DEM),
vermeerderd met de rente hierop aan 12% vanaf 19/12/2000 en een forfaitaire
schadevergoeding van 1.218 EUR. 2. Ter
pleitzitting van 26/05/2004 werd vastgesteld dat het vonnis uitgesproken op
06/02/2003 door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde
in deze zaak, niet regelmatig ondertekend is: het eensluidend verklaard
afschrift vertoont geen handtekening van de rechter in handelszaken L. Van
Nuffel. Naar
luid van art. 861 j° 862 Ger. W. brengt een verzuim in de ondertekening van de akte de
nietigheid mede, zelfs zo dit geen. belangen schaadt. Nu er ten deze niet
voorligt dat deze nietigheid zou zijn gedekt conform art. 864 Ger. W. en er
verder geen grond is om art. 867 Ger.W. toe te passen, wordt de nietigheid
ambtshalve uitgesproken. 3. Waar
de oorspronkelijke dagvaarding haar grond vindt in de levering van goederen
zoals aangerekend in de ‘factuurnr. 15.590’ van 19/12/2000 ad
68.849,55 DEM, stelt MERMARK GmbH vast (voor het eerst in graad van beroep) dat
zij enkel de factuur nr. ME015027 dd. 19/12/2000 voor een bedrag van
69.079,50 DEM ontving - en niet deze waarvan sprake in de dagvaarding. De
CV.B.A. LOKERSE VLEESVEILING legt deze beide stukken neer als nrs. 1a en 1b, en
verduidelijkt dat nr. 15.590 een ‘voorlopige’ factuur betreft,
bedoeld voor intern gebruik; de 'definitieve' factuur nr. ME015027
verschilt enkel in het aangerekende gewicht: deze eerste rekent 19.671,3 kg aan
à 3,5 DEM/kilo, terwijl deze laatste 19.737 kg in rekening brengt.
MERMARK GmbH betwist niet dat de factuur nr. ME015027 de levering betreft
bedoeld in de dagvaarding; trouwens legt de C.V.B.A. LOKERSE VLEESVEILING de
CMR-vrachtbrief terzake neer, afgetekend voor ontvangst van 19.737 kg
(...). Tenslotte blijkt uit het nazicht van de briefwisseling tussen partijen
dat zij steeds de factuur nr. ME015027 hebben bedoeld. Ten
onrechte houdt MERMARK GmbH voor dat ingevolge deze materiële vergissing de
vordering geen voorwerp zou hebben of anderszins niet ontvankelijk zou zijn: zij
ontkent niet de goederen ontvangen te hebben (noch zelfs deze te moeten betalen
- cfr. infra), terwijl de factuur enkel als een bewijs(middel) kan worden
aangezien en een eventuele tekortkoming daarin de onderliggende vordering niet
aantast. 4. Met
de fax van 04/01/2001 (...) klaagt MERMARK GmbH erover dat er nog steeds geen
beslissing gevallen was met betrekking tot het ‘dioxine-schandaal’;daarom
zal zij een bedrag van 23.131,11 DEM inhouden op de betaling van de factuur
nr. ME015027 dd. 19/12/2000. Na aftrek van 1% wegens contante betaling,
betaalde zij inderdaad (69.079,50 - 690,80 - 23.131,11=) 45.257,59 DEM,
hetgeen de C.V.B.A. LOKERSE VLEESVEILING erkent ontvangen te hebben op
08/01/2001. Zowel
in het inleidend verzoekschrift neergelegd op 24/04/2003 als met haar
syntheseconclusie neergelegd op 28/11/2003 erkent MERMARK GmbH trouwens
ondubbelzinnig de factuur nr. ME015027 dd. 19/12/2000 ad 69.079,50 DEM
verschuldigd te zijn. Enkel voert zij compensatie door met de schade die zij
vordert naar aanleiding van de dioxinecrisis, uiteindelijk begroot op 24.826,37
DEM en later nog uitgebreid met de kosten van haar advocaat ad 2.540,65 EUR.
Deze bedragen vormen trouwens het voorwerp van haar tegenvordering. Waar
MERMARK GmbH aldus erkent dat zij het bedrag van 69.079,50 DEM verschuldigd
is, doch inroept hiervan bevrijd te zijn, dient zij deze bevrijding te bewijzen. 5. In
eerste instantie werpt MERMARK GmbH op dat “de geleverde vleeswaren” niet
conform zouden zijn (cfr. syntheseconclusie neergelegd op 28/11/2003, sub 2.1:
“De niet-conformiteit van de vleeswaren vóór de levering ligt wettelijk
vast”). Hier
kan worden begrepen dat zij doelt op de 3.514 kg varkensvlees ter waarde
van 14.611,10 DEM, die op 07/06/1999 werden verzegeld; het zijn immers ook deze
vleeswaren die MERMARK GmbH aanwendt als basis voor haar schaderekening dd.
10/03/2000 (ad 20.542,73 DEM...). Hoe dan ook ligt geen enkele andere
klacht voor. Met
de fax van 27/08/1999 (...) laat MERMARK GmbH voor het eerst weten dat zij de
betaling van de “Levering van 1/2.6.1999 -
varkenshelftenin de
periode van het dioxineschandaal” uitvoert
“zonder rechtserkentenis” en zich het recht voorbehoudt “deze
zaak (leveringvan vlees met dioxineresten)met nieuweleveringente verrekenen”. Enig
spoor van (vroeger) protest ligt niet voor. Naar luid van de artt. 38 j°
39
van het terzake toepasselijke Weens koopverdrag (hierna afgekort
als CISG) moet de koper nochtans de zaken binnen een, gelet op de omstandigheden
zo kort mogelijke, termijn keuren of doen keuren; hij verliest het recht om zich
erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij
niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te
ontdekken, de verkoper in kennis stelt van de afwijking, onder opgave van de
aard van de tekortkoming. Blijkbaar
had MERMARK GmbH geen opmerkingen met betrekking tot de levering van begin juni
1999, minstens moeten haar “opmerkingen” in de fax van 27/08/1999 als
laattijdig van de hand worden gewezen. Dit klemt des temeer bij de vaststelling
dat de levering van 01/06/1999, volgens de factuur die MERMARK GmbH uiteindelijk
betaalde, 16.458 kg bedroeg, en er slechts 3.514 kg werd in beslag
genomen (cfr. supra); de overige 13 ton werden blijkbaar doorverkocht
zonder enige opmerking. 6. Er
is echter meer. Een
brief van “DERLANDRATKREISWESEL”opgemaakt op 02/09/99 en gericht aan MERMARK
GmbH (...), verduidelijkt (geciteerd conform de vertaling die partijen
aanvaarden en met eerbiediging van de wit-ruimtes zoals in de neergelegde kopie
van de oorspronkelijke brief): “Op
03.06.1999 ontving
U een levering van varkenshelften van de firma uit België. Op het tijdstip van
de levering bestonden nog geen beperkingen van de Bondsrepubliek met betrekking
tot Belgisch varkensvlees wegens potentiële dioxine besmettingen. De EG-Commissie besliste op
04.06.1999
het invoeren van vlees uit België te verbieden. Deze beslissing werd op
07.06.1999 in de Bundesanzeiger gepubliceerd. Na deze beslissing en na de
Verordnung zum Schutz der Verbraucher var Gefährdung durch Dioxine van
09.06.1999 was het zo
ingevoerde vlees enkel verhandelbaar, wanneer door ambtelijke attesten kon
bewezen worden, dat de varkens voor hun slachting niet in versperde bedrijven
gehouden werden, of wanneer door onderzoeken op Uw kosten een
dioxinebesmetting uitgesloten kon worden. Dit bewijs kon U tot op heden niet
leveren. De
bij U opgeslagen in beslag genomen resten van deze levering zijn om deze reden
niet meer verhandelbaar”. Wat
voorafgaat toont derhalve aan dat de rest van de levering van 01/06/1999 enkel
werd verzegeld ingevolge een verordening van de overheid die werd beslist enkele
dagen nádat MERMARK GmbH, zonder protest, opmerkingen of klachten, deze
goederen in ontvangst had genomen. Terecht werpt de C.V.B.A. LOKERSE
VLEESVEILING daarbij op dat het verlies van, of schade aan de zaken, nadat het
risico is overgegaan op de koper (wanneer de koper de zaken overneemt), deze
niet ontslaat van de verplichting de prijs te betalen (cfr. art. 66 en 69 CISG). Ten
onrechte houdt MERMARK GmbH dan voor dat het vlees reeds ten tijde van de
levering de eigenschappen had die later de verzegeling ervan noodzakelijk voor
gevolg zouden hebben: zij heeft immers geen enkel onderzoek laten doorvoeren op
het vlees (hetgeen uitdrukkelijk alzo werd aangekruist op de “Verzeichnis
der zu berücksichtigenden Kostenpositionen” gehecht aan stuk nr. 24
appellante), zodat zij niet eens
kan aantonen dat de goederen besmet zijn. Zij had er nochtans alle belang bij
dergelijk onderzoek door te voeren om, bij bewezen afwezigheid van dioxine, het
vlees opnieuw verhandelbaar te maken (dr. supra). 7. In
wat voorafgaat kan er derhalve geen enkel bewijs worden gevonden van de bewering
van MERMARK GmbH dat haar niet-conforme goederen werden geleverd en al evenmin
blijkt waar de C.V.B.A. LOKERSE VLEESVEILING in gebreke was. Dit ontneemt de
grond aan de tegenvordering van MERMARK GmbH. Anderzijds
voert MERMARK GmbH geen concreet verweer omtrent de begroting van de vordering
van de C.V.B.A. LOKERSE VLEESVEILING, noch omtrent de gevorderde
schadevergoeding. OM
DEZE REDENEN, HET
HOF, rechtdoendeoptegenspraak; met toepassing van art. 24 van de
wet van 15/06/1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; verklaart het principaal en incidenteel beroep
toelaatbaar, dit eerste ongegrond en dit tweede gegrond als onderstaand; stelt
de nietigheid vast van het aangevochten vonnis en opnieuw wijzende; verklaart
de oorspronkelijke vordering van de C.V.B.A. LOKERSE
VLEESVEILING toelaatbaar en gegrond; veroordeelt
de vennootschap naar Duits recht MERMARK FLEISCHHANDELSGESELLSCHAFT mbH
om te betalen aan de C.V.B.A. LOKERSE
VLEESVEILING de som van 12.179,95 EUR, vermeerderd met de moratoire rente
aan de conventionele rentevoet van 12% vanaf 19/12/2000 tot aan de dagvaarding
en vanaf dan de gerechtelijke rente aan de conventionele rentevoet van 12% tot
aan de datum van volledige betaling, en de som van 1.218 EUR; wijst
de tegenvordering van de vennootschap naar Duits recht MERMARK
FLEISCHHANDELSGESELLSCHAFT
mbH af
als ongegrond. Verwijst MERMARK FLEISCHHANDELSGESELLSCHAFT mbH in de kosten van beide
instanties, aan de zijde van de C.V.B.A. LOKERSE VLEESVEILING op heden begroot op: 472,88 EUR (...),
334,67 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 456,12 EUR (rechtsplegingsvergoeding
hoger beroep); | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |