K.U.Leuven
CISG Belgium 2004-05-17

Case Identification

Date of Decision: 17 May 2004

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 2001/AR/1679

Case History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Ieper, 29 January 2001

Parties: NOMA BVBA v. MISA SUD REFRIGERAZIONE SPA

Seller’s Country: Italy (Plaintiff; Respondent on Appeal)

Buyer’s Country: Belgium (Defendant; Appellant)

Goods Involved: cooling installation

Judge: F. Deschoolmeester

Status: Unpublished

 

Classification of issues

Application of CISG: Yes

CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(a), 1(1)(b), 19 & 39

Application of CISG – regarding main claim – both Italy and Belgium Contracting States

Application of CISG – regarding counter-claim – CISG not yet applicable in Belgium – Convention on the law applicable to the contracts for the international sale of goods (Hague Conference, June 15, 1955) – law of residence of seller – Italy – CISG as part of Italian law

General conditions – not proved that accepted by buyer

Interests – according to applicable Italian law

Notice of non-conformity (counter-claim) – according to art; 39 CISG

Prescription (counter-claim) – according to applicable Italian law

Text of the Decision

 

in de zaak van:

NOMA B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 8840 STADEN…

ingeschreven in het handelsregister te Ieper…,

appellante,

hebbende als raadsman mr. PRIEM Tom, advocaat te 8800 ROESELARE…

tegen:

MISA SUD REFRIGERAZIONE S.P.A., vennootschap naar Italiaans recht,

met zetel te 1-00040 Pomezia (Roma) Italia…,

doch woonst kiezend bij haar gewezen raadsman mr. Tassin Genevičve te 1170 WATERMAAL-BOSVOORDE…

geďntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DELVAUX Paul-Henry, advocaat te 1170 WATERMAAL-BOSVOORDE…

velt het Hof het volgend arrest:

1.

Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 19 april 2004 in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien.

Bij verzoekschrift neergelegd op 19 juli 2001 ter griffie van het Hof heeft appellante tijdig en regelmatig naar vorm hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 januari 2001, tussen partijen op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Ieper, enige kamer (AR 288/99). Een exploot van betekening ligt niet voor.

feiten en procedure in eerste aanleg

2.

Bij dagvaarding betekend op 31 mei 1999 vorderde geďntimeerde lastens appellante uit hoofde van de verkoop van koelinstallaties en toebehoren de betaling van 92.224.000 Italiaanse lire in hoofdsom, dit voor volgende facturen:

- F. V2/00419 van 30 juni 1998:                                                                      60.104.000 Lit.

- F. V2/00464 van 16juli 1998:                                                                        28.983.840 Lit.

- F. V2/00498 van 28 juli 1998:                                                                         2.453.760 Lit.

- F. V2/00531 van 19 september 1998:                                                              682.400 Lit.

totaal:                                                                                                                  92.224.000 Lit.

Appellante betwistte deze facturen (hoofdeis) in se niet, doch stelde enerzijds dat zij op 17 februari 2000 een bedrag van 45.020.827 Lit. (=936.433 BEF) had betaald en anderzijds dat ze gerechtigd is op een schadevergoeding n.a.v. een eerdere transactie in 1993, nl. voor een barst in de polyesterkuip van een diepvriesinstallatie, welke ze bij tegeneis vorderde voor de som van 47.203.173 Lit. (= 981.826 BEF), zodat zij mits gerechtelijke compensatie niets meer verschuldigd is.

Bij het bestreden vonnis van 29 januari 2001 werd: (1) m.b.t. de hoofdeis appellante veroordeeld tot betaling aan geďntimeerde van 47.203.173 Lit. (= 24.378,40 EUR), méér 7% rente op 92.224.000 Lit. vanaf 10 augustus 1998 tot 17 februari 2000 en op 47.203.173 Lit. vanaf 17 februari 2000 tot de betaling, (2) de tegenvordering afgewezen als verjaard, en (3) appellante tot de gedingkosten veroordeeld.

procedure in hoger beroep

3.

Het hoger beroep werd ingesteld door de oorspronkelijke verweerster.

Appellante stelt dat haar oorspronkelijke tegeneis niet verjaard is, omdat art. 39.2 van het Weens Koopverdrag (CISG) primeert boven het nationale Italiaanse recht (art. 1495 al.3 C.C.). Appellante vordert 981.826 BEF, méér de gerechtelijke rente vanaf 17 februari 2000, méér de gedingkosten. Ook wordt de m.b.t. de hoofdeis toegekende rente betwist.

Geďntimeerde stelt incidenteel beroep in om de conventionele rente toegekend te krijgen conform art. 5 van haar algemene verkoopsvoorwaarden. Voor het overige vraagt ze bevestiging van het vonnis a quo.

beoordeling

4.

Geďntimeerde vorderde bij oorspronkelijke hoofdeis betaling van de prijs n.a.v. internationale verkopen van roerende lichamelijke zaken, nl. koelinstallaties en toebehoren. De bepalingen van het Weens Koopverdrag van 11 april 1980 (CISG) zijn van toepassing.

Gezien de betrokken verkopen dateren uit 1998 en beide partijen gevestigd zijn in Verdragsluitende Staten, gebonden door het CISG (Italië sinds 1 januari 1988 en België sinds 1 november 1997), moeten de Verdragsregelen worden toegepast zonder een omweg via de verwijzingsregels (art. 1-1-a en art. 100-2 CISG).

M.b.t. de tegenvordering is de juridische situatie anders. Het gaat om een internationale verkoop uit 1993, toen in België het CISG nog niet in werking was getreden. Bij gebreke aan een duidelijke rechtskeuze door partijen, moet voor de tegeneis de verwijzingsregel van art. 3 van het IPR-Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijk wet worden toegepast.

De koop-verkoop uit 1993 wordt beheerst door de interne wet van het land van de verkoper, hier Italië. Sinds 1 januari 1988 is echter het CISG van toepassing in Italië, zodat ook voor de berechting van de tegenvorderingin de eerste plaats het CISG geldt (art. 1-1-b en art. 100-2 CISG), aangevuld door de lex contractus voor niet door het CISG geregelde principes.

5. de oorspronkelijke hoofdeis

5.1

Er bestaat geen betwisting nopens de openstaande facturen in se, mits hiervan de uitgevoerde betalingen worden afgetrokken, zodat in hoofdsom 47.203.173 Lit. openstaat.

Inzake de verkoopsvoorwaarden op de achterzijde van een factuur houdt art. 9 CISG strikte regels in m.b.t. aanbod, aanvaarding en wijziging van de voorwaarden. Er wordt bepaald dat er steeds volledige wilsovereenstemming omtrent deze voorwaarden vereist is vooraleer het contract tot stand komt en louter stilzwijgen geldt niet als aanvaarding.

N.a.v. het tussenarrest van 14 februari 2003 werd aan geďntimeerde een behoorlijk leesbare kopie van haar algemene verkoopsvoorwaarden gevraagd, met volledige vertaling. Geďntimeerde legde inmiddels het gevraagde voor. Uit haar nieuwe stukken 1-2 blijkt dat de slotparagrafen van deze voorwaarden tweemaal een handtekening voorzien van de koper, dit voor akkoord. Geďntimeerde kan geen exemplaar van verkoopsvoorwaarden voorleggen, dat ondertekend werd door de koper, zijnde appellante.

Er ligt aldus geen enkel bewijs voor dat appellante bij de totstandkoming van de verkopen, voorwerp van de bij hoofdeis gevorderde facturen, kennis heeft genomen van de verkoopsvoorwaarden van geďntimeerde, nog minder dat ze deze zou hebben aanvaard. De factuurvoorwaarden van geďntimeerde en de hierin vermelde artikelen 1341 en 1342 C.C. kunnen aldus géén toepassing vinden in dit geschil.

5.2

Geďntimeerde kan evenwel toch aanspraak maken op rente wegens laattijdige betaling volgens art. 78 CISG. Deze rente kan toegekend worden vanaf de ingebrekestelling van 10 september 1998 (…). Het CISG bepaalt de intrestvoet niet. Naar Belgisch IPR wordt deze vastgesteld volgens de lex contractus, zijnde in casu het Italiaans recht, meer in het bijzonder art. 1284 Codice Civile. Geďntimeerde legde nŕ het tussenarrest van 14 februari 2003 de wettelijke rentevoeten voor naar Italiaans recht. Deze werd bepaald bij wet van 23 december 1996 op 5%, bij decreet van 11 december 2000 op 3,5% vanaf 1 januari 2001 en bij decreet van 11 december 2001 op 3% vanaf 1 januari 2002 (…).

In haar aanvullende conclusie neergelegd op 3 oktober 2003 herleidt geďntimeerde zelf de hoegrootheid van de op haar oorspronkelijke hoofdeis toe te passen rentevoet naar 3%, zodat het bestreden vonnis op dit punt moet hervormd worden.

6. de oorspronkelijke tegeneis

6.1

Bij factuur van 15 februari 1993 (stuk 13 appellante) heeft geďntimeerde aan appellante een zgn. "diepvrieseiland" type FAGUS 5 met toebehoren verkocht voor 453.981 BEF, die de installatie op haar beurt heeft verkocht aan een derde, de SV ANKRA die een UNIC-warenhuis uitbaat in Hoeselt.

Het verborgen gebrek aan de koelinstallatie heeft zich medio 1994 gemanifesteerd ingevolge het voortgezet gebruik door de SV ANKRA.

Appellante heeft haar beklag gemaakt bij brief van 27 oktober 1994 (…).

Uit het verslag van gerechtsdeskundige ir. Dirk Ghristiaens te Kortrijk van 28 mei 1996 blijkt dat 3 van de 4 eilandelementen barstvorming vertoonden van de polyesterkuip onder de koelbatterij. Deze expertise, aanvankelijk bevolen bij beschikking van 20 oktober 1994 op verzoek van de SV ANKRA lastens appellante, werd op verzoek van appellante aan geďntimeerde tegenstelbaar verklaard bij beschikking van 9 februari 1995 (…).

In de hierop volgende procedure ten gronde werd geďntimeerde niet betrokken. Bij vonnis van 21 april 1998 van de rechtbank van koophandel te Kortrijk werd appellante aansprakelijk gesteld t.o.v. de SV ANKRA en veroordeeld tot betaling aan deze laatste van 572.726 BEF, méér de gerechtelijke rente en de gedingkosten.

Dit vonnis heeft echter geen gezag van gewijsde t.o.v. geďntimeerde, die in deze procedure zelfs niet eens in tussenkomst noch gemeenverklaring werd opgeroepen (Gass., 20 juni 1996, RW. 1997- 1998, 234; Gass., 14 mei 1982, RW. 1983-84, 186) en vormt zodoende geen titel om betaling van.wege geďntimeerde te bekomen.

6.2

Appellante heeft slechts op deze basis een vordering ten gronde ingesteld bij wijze van tegenvordering in besluiten in huidige procedure, neergelegd op 17 februari 2000. Dit is volle 7 jaar nŕ de levering van de installatie en 6 jaar nŕ het ontdekken van het gebrek. Geďntimeerde werpt terecht de verjaring van de vordering op.

De artikelen 39,1° en 39,2° GISG regelen de kennisgeving door de koper van een verborgen gebrek binnen een "redelijke termijn" nŕ de ontdekking ervan, met een vervaltermijn van twee jaar.

De verjaringstermijn van het vorderingsrecht wordt echter niet geregeld in het GISG, zodat het betrokken nationale recht moet worden toegepast (Antwerpen, 20 december 1999, RW. 2000-2001, 523), in casu het Italiaans recht als lex contractus.

Art. 1495, 3° van de Italiaanse G.G. bepaalt dat de vordering voor verborgen gebreken verjaart door verloop van één jaar. De eerste rechter heeft terecht de verjaring van de oorspronkelijke tegeneis vastgesteld.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gelet op het tussenarrest van 14 februari 2003;

Verklaart het principaal en incidenteel hoger beroep ontvankelijk, doch slechts in beperkte mate gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve dat m.b.t. de oorspronkelijke hoofdvordering de wettelijke verwijlrente naar Italiaans recht van 3% per jaar wordt toegepast.

Wijst al het méérgevorderde af als ongegrond.

Veroordeelt appellante tot de gedingkosten van huidige

beroepsprocedure, begroot in hoofde van geďntimeerde op 456,12 EUR rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

(…)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be