|
|
|
Case
Identification
Date
of Decision: 10 May 2004 Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 2003/AR/2026 Case
History: Appeal from Rechtbank van
Koophandel, Kortrijk, 3 June 1996 Parties:
N.V. Maes Roger v. N.V. Kapa Reynolds Seller’s
Country: France (Plaintiff; Respondent on
Appeal) Buyer’s
Country: Belgium (Defendant; Appellant) Goods
Involved: plastic film Judges:
H. Debucquoy, F. Deschoolmeester, G. Macours Status:
Unpublished Classification
of issues
Application
of CISG: Yes CISG
Provisions applied: Arts. 1(1)(b),
35,
36, 38, 39,
48, 49, 74,
75,
77, 78 Application
of CISG – Convention
on the law applicable to the contracts for the international sale of goods (Hague
Conference, June 15, 1955)– determines applicable
law – residence of seller – France – CISG as part of French law Notice
of non-conformity – type of non-conformity only clear upon use of product –
notice in time Remedy
by seller – not done Fundamental
breach – buyer may avoid contract Damages
– loss of profit included Interests Text
of the Decision
in
de zaak van : N.V.
MAES ROGER, met maatschappelijke zetel te 8500 Kortrijk… en ingeschreven in
het handelsregister te Kortrijk… appellante,
hebbende als raadsman mr. Rudy De Waele, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk…,
alwaar woonstkeuze gedaan wordt, tegen N.V.
KAPA REYNOLDS, vennootschap naar Frans recht, met maatschappelijke zetel te
92500 Rueil Malmaison (France).., ingeschreven in het handelsregister te
Nanterre… geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. Tillo Mestdagh, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk…,
alwaar woonstkeuze gedaan wordt, velt
het Hofvolgend arrest: Partijen
werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien. 1
Gegevens van de zaak in beroep: 1.1
ROGER MAES NV stelde op 24 juni 1996 hoger beroep in tegen het vonnis van
3 juni 1996 van de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te
Kortrijk. KAPA
REYNOLDS NV vordert
de ongegrondverklaring van dit hoger beroep en herneemt haar eis in betaling van
een factuurschuld van 95.610,67 EUR (627.164,90 FRF), vermeerderd met
de moratoire intresten vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de betaling,
waarop de eerste rechter bij toepassing van artikel 19, 2° van het gerechtelijk
wetboek een provisie van 49.578,70 EUR (2.000.000 BEF) heeft
toegekend. 1.2
De blijvende betwisting betreft de levering op 10, 19 en 31 mei 1995 van
plasticfolie door KAPA REYNOLDS NV aan ROGER MAES NV, waarvan de
gerechtelijk deskundige - die de kortgedingrechter op 23 november 1995
heeft aangesteld - vaststelde, dat zij ernstige gebreken vertoonde. Uit het
deskundigenverslag weerhoudt het Hof volgende relevante gegevens: 1.2.1
Wat de aard van de gebreken betreft stelde de gerechtelijk deskundige vast, dat
een aantal rolkernen van de plastiekfolie ‑ gefabriceerd door AMPLAS
LTD en door KAPA REYNOLDS NV verkocht voor het omwikkelen van
voorgedroogd gras ‑ beschadigd waren, waardoor de rol moeilijker of
helemaal niet op de wikkelmachine kon worden geplaatst en alle geraadpleegde
loonondernemers, werknemers van loonondernemers en landbouwers volgende gebreken
het meest aanklaagden: 'de folie is te dun, te licht en scheurt bij normaal
gebruik; de folie is heterogeen, zowel op vlak van kleur als trekweerstand; bij
het rekken wisselen lichtgekleurde zones af met donkergekleurde; bij het rekken
treden lensvormige strengen, meer doorzichtige stroken op of gaatjes, waar de
folie dan gaat scheuren'. Tijdens
de praktijkproef die de gerechtelijk deskundige organiseerde, scheurde één van
de vijf rollen en werd bij een andere rol het verschijnsel "windowing"
vastgesteld, dit is het optreden van blekere en intenser gekleurde stroken bij
het uitrekken van de folie. Verder werden bij het afwikkelen van de folie
vastgesteld dat er frequent stofdeeltjes of andere onzuiverheden voorkwamen
tussen twee lagen folie. 1.2.2
Het onderzoek dat BECETEL, Belgian Research Centre for Pipes and Fittings van
de Universiteit te Gent naar de trekkarakteristieken en de kwaliteit van de
folie uitvoerde, wijt het scheuren van de folie aan onzuiverheden die bij de
fabricatie tijdens het oprollen tussen de folie terecht kwam. 1.2.3
Op grond van de uitgevoerde enquête, vaststellingen en verklaringen tijdens de
verschillende plaatsbezoeken, resultaten van de praktijkproef en het onderzoek
dat BETECEL uitvoerde legde de gerechtelijk deskundige de technische en
feitelijke verantwoordelijkheid voor de gebreken bij de fabrikant van de folie, AMPLAS
Ltd. 1.2.4
De gerechtelijk deskundige raamde de schade die ROGER MAES NV heeft
geleden als gevolg van de omzetdaling, die hij toeschrijft aan de
gebrekkige levering, op 29.894,12 EUR (1.205.926 BEF) per jaar en liet
het oordeel over het aantal jaren dat ROGER MAES NV aanspraak kan maken
op dit inkomstenverlies over aan de rechtbank. Hij
was wel van oordeel dat, naast een vergoeding voor een termijn van 5 jaar nodig
voor reconversie, ROGER MAES NV ook schade heeft geleden tijdens de
termijn van drie jaar dat partijen met het oog op een minnelijke regeling met
elkaar hebben onderhandeld (…). In
zijn voorverslag was hij tot deze begroting gekomen op de overwegingen,dat -
waar de kwaliteit niet voldeed- de klanten de geleverde folie niet hebben
betaald en ROGER MAES een belangrijk aandeel van de wikkelfolie, namelijk
32%, niet heeft kunnen verkopen. Ingevolge
de slechte ervaring met de folie en het uitblijven van een regeling met de
leverancier zou ROGER MAES NV bij de misnoegde klanten ook geen andere
producten uit haar traditioneel aanbod meer hebben kunnen verkopen of diensten
hebben kunnen presteren: zaaizaden, plastiek, andere grondstoffen, doorzaaien
van weiden. Door
de negatieve mond aan mond reclame zou het vertrouwen in ROGER MAES NV bij
een belangrijk deel van het potentieel koperspubliek en specifiek bij het
overige cliënteel aangetast geweest zijn. De verkopers, werkzaam voor ROGER
MAES NV zouden geen omzet meer gehaald hebben en zouden opgezegd of ontslag
gegeven hebben. Vooral
in Wallonië, waar het grootste deel van het cliënteel van de wikkelfolie was
gevestigd en waar ROGER MAES NV op basis van de door KAPA REYNOLDS NV gehanteerde
eenheidsprijzen, voor [4.169.024 - 1.386.738 - 319.869 =] 2.462.417 BEF aan
plastiekfolie heeft geleverd, zou het commercieel en financieel een ramp
geworden zijn. De gemiddelde omzet in 1992-'93, 1993-'94 en 1994- '95
[(5.922.151 + 7.611.061 + 6.145.699) / 3 =] was er 6.559.637 BEF tegenover
een gemiddelde omzet in de laatste drie jaar van [(1996-97-98: 2.117.431 +
1998-99: 1.252.567) / 3 =] 1.123.333 BEF, wat een omzetdaling op jaarbasis
van [6.559.637- 1.123.333 =] 5.436.304 BEF betekende; de brutowinst van ROGER
MAES NV bedroeg in de jaren 1993-'94, 1994-'95 en 1995-'96 gemiddeld 30,18%
uitgedrukt t.o.v. de aankopen en 23,18% t.o.v. de verkopen, waardoor een
omzetdaling van 5.436.304 BEF aanleiding gaf tot een terugloop van de
brutowinst van [5.436.304 x 0,2318 =] 1.260.135 BEF, wat overeenstemt met
51,17% van de aankoopprijs van de folie [1.260.135 BEF verlies in
verhouding tot de aankoopprijs van 2.462.417 BEF van de in Wallonië
verkochte plastiekfolie]. In
zijn voorverslag weerhield hij dat in Vlaanderen - zo een identieke verhouding
in aanmerking werd genomen en rekening houdend met het feit dat er alleen aan de
twee klanten voor 319.869 BEF wikkelfolie werd geleverd - dit aanleiding
zou gegeven hebben tot een terugloop van de brutowinst met [319.869 x 0,5117 =]
163.677 BEF. Bij
het begroten van het uitbatingverlies ingevolge de plastiekfolie van slechte
kwaliteit trok de gerechtelijk deskundige van de gederfde bruto-omzet de
minderkosten af, die de minderomzet aan plastiekfolie meebracht Hierbij
weerhield hij dat het impact van de slechte folie op het volume aan kosten
moeilijk, zo niet onmogelijk te begroten is, zodat hij bij wijze van billijke
benadering 217.886 BEF aan minderkosten verrekende. Aldus
kwam hij in zijn voorverslag tot een schade van [Wallonië: 1.260.135 BEF +
Vlaanderen: 163.677 BEF - minderkosten: 217.886Fr
=] 1.205.926 BEF of 29.894,12 EUR per jaar en adviseerde hij om deze
vergoeding gedurende 8 jaar, of 9.647.408 BEF of 239.153,00 EUR toe te
kennen, rekening houdende met de vertraging in de onderhandelingen tussen
partijen waardoor drie jaar verloren zouden gegaan zijn en waar 5 jaar nodig
zouden zijn voor een reconversie van de activiteiten van ROGER MAES NV. 1.2.5
Verder weerhield hij dat ROGER MAES NV niet tot de betaling van de
gebrekkige plastiekfolie kon gehouden zijn en gerechtigd was op de terugbetaling
van de al uitgevoerde betaling van de eerste factuur van KAPA REYNOLDS NV. Hij
was van oordeel dat ROGER MAES NV aldus voor alle schade die zij heeft
geleden vergoed werd, met uitzondering van (1) bepaalde meeruitgaven en kosten
waarvan de bewijsstukken niet werden voorgelegd en (2) vorderingen van klanten
voor schadevergoeding ingevolge levering van de minderwaardige folie. In zijn
tussenverslag ging hij uit van de veronderstelling, dat tot dan geen enkele
klant ROGER MAES NV in gebreke heeft gesteld voor de schade die zijn
bedrijf heeft geleden ingevolge de minderwaardige kwaliteit van de wikkelfolie,
maar zo dergelijke vorderingen zou worden ingesteld, de leveranciers van de
folie ook deze schade zou moeten vergoeden. 1.3
Op grond van de conclusies van de gerechtelijk deskundige vordert ROGER MAES
NV (1) de ontbinding van de koop/verkoop van de plastiekfolie en de
betaling, (2) de vernietiging van het vonnis van de eerste rechter waarbij hij
werd veroordeeld tot de betaling van een provisie van 49.578,70 EUR
(2.000.000 BEF) vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 3 juni 1996
en (3) de betaling van een schadevergoeding van 314.060,27 EUR (12.669.160 BEF),
vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 21 maart 1996. 1.4
KAPA REYNOLDS NV betwist de vordering van ROGER MAES NV, waar ROGER
MAES NV de leveringen op 10, 19 en 31 mei 1995 heeft aanvaard en laattijdig
- na de doorverkoop van 71% van de nog niet-betaalde goederen, waarvoor het
eigendomsvoorbehoud van de niet-betaalde verkoper werd bedongen - de kwaliteit
ervan op 7 augustus 1995 heeft geprotesteerd. Zij
vordert de betaling van haar facturen, vermeerderd met de verwijlintresten vanaf
de vervaldata overeenkomstig artikel 78 van het Weens Koopverdrag, dat de
verhouding tussen de partijen zou beheersen bij toepassing van artikel 3 van het
Haags verdrag van 15 juni 1955. Zij
stelt verder dat ROGER MAES NV- bij toepassing van artikel 38 en 39
van het Weens Koopverdrag- haar recht op een ontbinding van de verkoop wegens
een niet-conforme levering heeft verloren. In
ondergeschikte orde betwist zij de gegrondheid van de door ROGER MAES NV gevorderde
schadevergoeding en intresten. Zij stelt dat de gerechtelijk deskundige de
schade op vrij arbitraire wijze heeft begroot en niet afdoende heeft
verantwoord; daarenboven zou hij voorbijgegaan zijn aan de
schadebeperkingplicht, die – zoals bepaald in artikel 77 van het Weens
Koopverdrag- op ROGER MAES NV als koper rustte. 2
Beoordeling 2.1
Het Weens Koopverdrag van 11 april 1980 inzake internationale
koopovereenkomsten betreffende roerende zaken beheerst de verhouding tussen
partijen: -
Het verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op
verbintenissen uit overeenkomsten laat in artikel 21 de toepassing van
internationale verdragen, waarbij een verdragsluitende staat partij is,
onverlet. -
België was partij bij het Haags Koopverdrag van 15 juni 1955, dat het
eerst vanaf 1 september 1999 heeft opgezegd, zodat de
verwijzingsregels uit dit verdrag moeten toegepast worden op geschillen met
betrekking tot verkopen die vóór de opzegging werden afgesloten (zie B.S. van
30 juni 1999). -
De Belgische koper (ROGER MAES NV) en de Franse verkoper (KAPA
REYNOLDS NV) blijken hier geen wet aangewezen te hebben, die hun
verhoudingen zou regelen, zodat bij toepassing van artikel 3, lid 1 van het
Haags Koopverdrag van 15 juni 1955 hun verhouding wordt beheerst door de interne
wet van het land, waar KAPA
REYNOLDS NV als verkoper haar verblijf had op het ogenblik waarop zij
de order ontving. -
Het Weens koopverdrag van 11 april 1980 trad in Frankrijk met ingang van 1 januari 1988
in werking en beheerst dan ook de koop/verkoopverhouding tussen partijen. 2.2
Uit de vaststellingen van de gerechtelijk deskundige volgt dat de plastiekfolie
niet geschikt was voor de doeleinden waarvoor zaken van dezelfde omschrijving
gewoonlijk zouden worden gebruikt (artikel 35, 2 - a van het Weens
Koopverdrag). 2.3
Bij toepassing van artikel 36, 2 van het Weens Koopverdrag is KAPA REYNOLDS
NV aansprakelijk voor elk niet beantwoorden van de plastiekfolie aan de
overeenkomst hetwelk optrad na de risico overdracht op de koper en die te wijten
is aan een tekortkoming in de nakoming van een van zijn verplichtingen,
waaronder begrepen een garantie dat de zaken gedurende een bepaalde tijd
geschikt moesten blijven voor het doel waarvoor zij normaal bestemd waren. 2.4
Overeenkomstig artikel 39 van het Weens Koopverdrag is ROGER MAES NV hier
niet vervallen van zijn recht om zich op de niet-conformiteit te beroepen, waar
zij (1) de vordering binnen de twee jaar inleidde en (2) KAPA REYNOLDS NV op
7 augustus 1995 schriftelijk op de hoogte bracht van het scheuren van
de plastiekfolie, nadat zij KAPA REYNOLDS NV al in juni 1995 had
betrokken bij visuele vaststellingen op het terrein (…). Het scheuren
van de folie was geen gebrek dat zich manifesteerde op het ogenblik van de
inontvangstneming van de goederen, maar eerst aan het licht kwam op het ogenblik
van het gebruik van de plastiekfolie. 2.5
KAPA REYNOLDS NV liet na om - binnen een redelijke termijn en zonder dat
dit een onredelijk ongerief voor ROGER MAES NV zou uitgemaakt hebben of
waarbij ROGER MAES NV niet in het ongewisse werd gelaten over de
vergoeding van haar al gemaakte kosten – de tekortkoming in de nakoming van
haar verplichtingen te herstellen (artikel 48, 1 van het Weens
Koopverdrag). Zij heeft de klacht van ROGER MAES NV betreffende de
slechte kwaliteit van de geleverde plastiekfolie afgewezen in haar antwoord van
10 augustus 1995 en gaf aan de herhaalde klachten die ROGER MAES NV
op 30 augustus, 4 september en 12 oktober 1995 geen verder
nuttig gevolg; zij herhaalde in haar brief van 17 oktober 1995 dat
naar haar oordeel de plastiekfolie voldeed (‘Nous confirmons notre jugement
que l’état de la plastique recouvrant les balles était satisfaisant’),
waarop ROGER MAES NV zich verplicht zag om haar op 20 oktober 1995
in kortgeding in aanstelling van een gerechtelijk deskundige te dagvaarden. 2.6
Overeenkomstig artikel 49, 1 - a van het Weens Koopverdrag kon ROGER MAES NV de
overeenkomst ontbonden verklaren uit hoofde van de wezenlijke tekortkoming,
zoals zij uit het deskundigenverslag volgt. Zij heeft dit ook binnen redelijke
termijn gedaan, waar zij al op 7 augustus 1995 aanspraak maakte op een
creditnota, gezien de plastiekfolie niet verder kon gecommercialiseerd worden
(artikel 49, 2 - b - ii van het Weens Koopverdrag). 2.7
Overeenkomstig artikel 74 van het Weens Koopverdrag heeft ROGER MAES NV enerzijds
recht op een schadevergoeding gelijk aan de schade, met inbegrip van de gederfde
winst, die evenwel niet hoger mag zijn dan de schade die KAPA REYNOLDS NV bij
het sluiten van de overeenkomst voorzag of moest voorzien als mogelijk gevolg
van de tekortkoming, gegeven de feiten die KAPA REYNOLDS NV kende of die
zij had behoren te kennen; anderzijds moest ROGER MAES NV overeenkomstig
artikel 77 redelijke maatregelen treffen tot beperking van de uit de
tekortkoming voortvloeiende schade, met inbegrip van de gederfde winst en kan KAPA
REYNOLDS NV een vermindering van de schadevergoeding verlangen ten belope
van het bedrag waarmee het verlies had moeten worden beperkt. Van een handelaar
mag verwacht worden dat hij de verstoring van de handelsbetrekkingen met zijn
klanten als gevolg van gebrekkige leveringen over een maand op passende wijze
het hoofd biedt. -
ROGER MAES NV gaf al op 7 augustus 1995 te verstaan dat zij de
ontbinding van de verkoop voorstond wegens de ernstige gebreken die de commerciële
verkoop onmogelijk maakten en heeft zij niet aangedrongen op een vervanging van
de plastiekfolie. Dit laatste is begrijpelijk, aangezien zij de juiste oorzaak
van de ernstige gebreken niet kende, en van dan af had zij bij toepassing van
artikel 75 van het Weens Koopverdrag het recht op het verschil tussen de
verkoopprijs die zij voor de goederen aan KAPA REYNOLDS NV had moeten
betalen en de prijs van een dekkingskoop. -
ROGER MAES NV was tegenover zijn eigen Belgisch cliënteel vrijwaring
verschuldigd voor de ernstige gebreken, die zij vaststelde en erkende. Zo zij
van oordeel was dat het niet-vervangen van de uitgevoerde bestelling de relaties
met haar cliënteel ernstig kon bezwaren en zij niet kon volstaan met het niet
in rekening brengen van de geleverde plastiekfolie, dan behoorde het haar de
verdere schade die zij uit hoofde van het verlies van haar goede faam bij het
cliënteel kon oplopen of de eigen schade die het cliënteel als gevolg van het
uitblijven van een dekkingskoop zou kunnen lijden, te beperken door in de
vervangende verkoop te voorzien. -
Zij had of moet verondersteld worden hiertoe de middelen te hebben gehad, nu zij
- op een de eerste factuur van 12.201,27 EUR (80.035,10 FRF) na - de
drie volgende facturen voor de sommen van 10.551,00 EUR (69.210,00 FRF),
46.051,80 EUR (302.080,00 FRF) en 51.222,87 EUR (336.000,00 FRF)
ontbetaald heeft gelaten; en het gegeven dat zij niet in een dekkingskoop heeft
voorzien en evenmin de facturen van KAPA REYNOLDS NV vereffende, wettigde
het vermoeden dat zij zich een onrechtmatig krediet op KAPA REYNOLDS NV verschafte,
wat de eerste rechter ongetwijfeld aanzette om haar op 3 juni 1996 tot
de betaling van een provisie van 49.578,70 EUR (2.000.000 BEF) te
veroordelen. Het
omzetverlies dat de gerechtelijk deskundige weerhield en zonder veel verdere
bewijsvoering volledig toeschrijft aan de gebrekkige leveringen die KAPA
REYNOLDS NV uitvoerde, kan dan ook in grote mate bij toepassing van artikel 77
van het Weens Koopverdrag niet toegekend worden. 2.8
Uit het deskundigenverslag volgt nergens, dat de gerechtelijk deskundige andere
mogelijke oorzaken voor het omzetverlies in overweging nam. Het vaststaand
verlies aan klanten schreef hij volledig toe aan de gebrekkige leveringen die KAPA
REYNOLDS NV uitvoerde, alhoewel vast staat dat de eerste handelsbetrekkingen
tussen partijen op de betwiste leveringen betrekking hadden, in de tijd beperkt
bleven tot een kleine maand en niet werden verder gezet. De
gerechtelijk deskundige deed geen enkel onderzoek naar de goede werking en
organisatie van ROGER MAES NV, naar haar solvabiteit en liquiditeit en
naar de verhouding tussen haar eigen kapitaal en de schuldenlast. Concrete
vaststellingen die zouden toelaten om de aanzienlijke verliezen over de
boekjaren 1997/98 en 1998/99 aan de betwiste leveringen toe te schrijven,
ontbreken alsook enige concrete aanwijzing dat de vertegenwoordigers op grond
van deze betwiste leveringen in het najaar 1996 hebben afgehaakt. -
Uit de schaarse gegevens die terzake aan de gerechtelijk deskundige werden
voorgelegd volgt, dat in het boekjaar 1993/1994 een verlies van 113.351,64 EUR
(4.572.594 BEF) werd
geleden en in het boekjaar 1994/95 een kleine winst van 1.726,13 EUR
(69.632 BEF) werd gehaald. Daartegenover staat dat slechts een klein
verlies van 1.154,27 EUR (46.563 BEF) werd geleden in het boekjaar
1995/96, waarin de gevolgen van de gebrekkige levering zich zouden moeten
gemanifesteerd hebben aangezien elk boekjaar op 30 juni eindigt, de aankopen in
mei gebeurden en het volle verkoopseizoen zich situeert in de zomermaanden of
het begin van een nieuw boekjaar. In het daaropvolgend boekjaar 1996/97 werd
opnieuw een winst van 3.053,30 EUR(123.170 BEF) gemaakt –
daarenboven het hoogste winstcijfer dat overgelegd wordt ‑ waarna in de
volgende boekjaren 1997/98 en 1998/99 opnieuw zware verliescijfers,
respectievelijk 50.111,48 EUR (2.021.492 BEF) en 41.804,96 EUR
(1.686.408 BEF), werden geleden en die de deskundige blijft toeschrijven
aan de gebrekkige leveringen die in uitsluitend in mei 1995 hebben plaats
gevonden. -
Uit het deskundigenverslag citeert het Hof nog volgende alinea’s: ‘Ondergetekende
heeft ervaren dat uit de boekhoudkundige documenten van ROGER MAES NV maar een
zeer partieel deel van de informatie kan geput worden, die zou moeten
beschikbaar zijn om een gefundeerd en sluitend antwoord te kunnen geven op de
vragen die de rechtbank stelt. Anderzijds is de interpretatie van de
resultatenrekening voor de opeenvolgende boekjaren moeilijk en delicaat en
moeten bepaalde indicaties met de nodige omzichtigheid worden beoordeeld
teneinde geen voorbarige, foutieve conclusies te formuleren’. (...) ‘Hierdoor
kan op een aantal vragen van de raadslieden geen antwoord gegeven worden en kon
ondergetekende zich enkel steunen op een beperkt aantal gegevens. De berekende kengetallen
en een aantal indicaties vormden de basis van het advies in het aanvullend
voorverslag’ (punt
1.2.4 hierboven bevat de relevante gegevens terzake). (...) ‘In
dit verband is het onder meer niet mogelijk om, zoals Mr. Deleu vraagt, de omzet
op te splitsen per product.’ (...) ‘Toen
in het najaar van 1996
de vertegenwoordigers afhaakten, viel de verkoop in Wallonië praktisch
volledig stil’. -
Het Hof stelt vast dat de gerechtelijk deskundige zijn conclusies betreffende
het omzetverlies en de reconversie die zich voor het bedrijf nog over de jaren
1998/99 tot 2003/04 blijkt op te dringen na een tijdsverlies over drie jaar
expertise, niet afdoende fundeert en geloofwaardig maakt. ROGER MAES NV heeft
het bewijs van zijn schade en de overlegde gegevens leveren hiervan slechts in
zeer geringe mate het bewijs. 2.9
Het Hof begroot de schade van ROGER MAES NV aldus op: -
de waarde van de goederen, die hij in mei 1995 betaalde, zij op 11.774,94 EUR
(475.000 BEF), vermeerderd met de intresten vanaf 1 juni 1995 tot
aan de betaling; -
een omzetverlies begroot op 10% van 1.205.926 BEF of2.987,19 EUR
(120.503 BEF), vermeerderd met de intresten vanaf 1 juni 1995 tot
aan de betaling, wat in ruime mate het verlies van 1.154,27 EUR (46.563 BEF)
goed maakt dat ROGER MAES NV in 1995/96 leed. 2.10
Het Hof laat de kosten van de expertise voor 1/3 de aan de zijde van ROGER
MAES NV vallen, waar zijn aanspraken op een schadevergoeding - die hij de
gerechtelijk deskundige liet uitvoeren -manifest ongegrond en/of onbewezen
bleven. OP
DEZE GRONDEN, HET
HOF, Op
tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op
het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart
het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt
het bestreden vonnis. Verklaart
de eis van ROGER MAES NV ontvankelijk en gegrond voor 14.762,03 EUR,
vermeerderd met de vergoedende intresten tot aan de dagvaarding en vanaf dan
gevolgd door de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet tot aan de
betaling. Verwijst
KAPA REYNOLDS NV in 2/3den van de expertisekosten van € 9.322,23,
zij € 6.214,82 en in alle andere gedingkosten, die het Hof aan de zijde
van ROGER MAES NV vaststelt op: -
dagvaarding kortgeding
€ 228,24 -
idem:
€ 56,92 -
rechtsplegingvergoeding kortgeding:
€ 99,16 -
rechtsplegingvergoeding eerste aanleg:
€ 297,47 -
rolrechten
€ 185,92 -
uitgavenvergoeding:
P.M. -
rechtsplegingvergoeding in hoger beroep:
€ 456,12. (…) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |