|
|
|
Case
Identification
Date of Decision: 2004-04-14 Tribunal: Case Number: 2002/AR/902
and 2002/AR/1946 Parties: ING
Insurance NV / HVA Koeling BVBA and Fagard Winand HVA Koeling BVBA / Fagard Winand and Seller’s Country: Buyer’s Country: Goods involved: cooling installation – sensors Judges: Van Gelder, Van Laken and Bleyenbergh Status: unpublished – appeal against Kh. Hasselt 2002-02-26 Classification
of issues present
CISG – arts. 1 – 39 Applicability Non-conformity – notice – reasonable period - duty of
information Extra-contractual liability Specialist English
summary
The CISG is part of Dutch internal law and thus
applicable if Dutch law is applicable. A period of 12 months is not ‘reasonable’ to
give notice of non-conformity.
The alleged breach of the duty of information does not change this. The period
does not start when the delivered good caused damage to other goods, but when
the defect of the delivered good itself was discovered. The phrase ‘exchange for defect one’ on the
invoice, does not free the buyer of his obligation to give timely notice. A party can only be held liable on an
extra-contractual basis if the fault is a breach, not of a contractual
obligation, but of a general duty of care and the fault has caused another damage than that caused by a defective performance
of the contract. A breach of the duty of information is a contractual breach. The seller is liable if he delivered a good
that is not fit for the purpose for which it would be used. If the buyer is not a specialist, he can rely
on the expertise of the seller, so that the seller has to give a special
warning about possible problems. Text of the
decision
Het
HOF VAN BEROEP, zitting houdend
te lnzake: 2002/AR/902 — 2002/AR/i
946 I. 2002/AR/902 ING INSURANCE NV, verzekeringsonderneming, voorheen NV
DE VADERLANDSCHE, naamswijziging ingevolge
de notulen van de buitengewone algemene aandeelhoudersvergadering d.d. 20
december 2001, gepubliceerd in de bijlage tot het Belgisch
Staatsblad van 12 januari 2002, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, …,
ingeschreven in het handelsregister te Brussel, onder het nummer…, appellante, vertegenwoordigd door Mr. KONINCKX Els loco Mr.
KONINCKX Jan, advocaat te 3500 HASSELT, … tegen het vonnis gewezen op 26 februari 2002 door de
TEGEN 1.
H.V.A. KOELING BVBA, met maatschappelijke zetel te 3590
DIEPENBEEK, …, ingeschreven in het geïntimeerde, 2.
FAGARD Winand, fruitkweker, wonende te 3700
TONGEREN, …, H.R.Tongeren
nr. … geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. GEELEN Koen, advocaat te
3500 **** II. 2002/AR/i 94 HVA KOELING BVBA, met maatschappelijke zetel te 3590 DIEPENBEEK, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt, onder
het nummer … appellante, vertegenwoordigd door Mr. VANDERPUTTE Luc, advocaat te 3630 tegen het vonnis gewezen op 26 februari 2002 door de
TEGEN
geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. GEELEN Koen, advocaat te
3500 HASSELT, … 2. BESSELING AGRI-TECHNIC
BV, met
maatschappelijke zetel te …NL 1689 AG ZWAAG (Nederland), ingeschreven in het commercieel register van de Kamer van Koophandel te
Hoorn,onder het nummer…, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. PHILIPSEN G. loco Mr.
GOOSSENS Bart Gelet op het bestreden vonnis van de rechtbank
van koophandel te Hasselt van 26 februari 2002, waarvan geen akte van
betekening wordt voorgebracht, alsmede het
verzoekschrift strekkende tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof
op 31 juli 2002, gekend onder 2002/AR/1946 en op 12 april 2002, gekend onder
2002/AR/902, waarmee naar vorm en termijn regelmatige hogere beroepen werden
ingesteld. Het hoger beroep van
NV ING INSURANCE (hierna te noemen ING) (2002/AR/902) strek ertoe na
samenvoeging met de zaak 2002/AR/1946, het hoger beroep toelaatbaar en gegrond
te horen verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te horen hervormen, de
oorspronkelijke tussenvordering van FAGAR D opzichtens
haar ongegrond te horen verklaren, de oorspronkelijke eis in tussenkomst en
vrijwaring van HVA KOELING lastens haar ongegrond te
horen verklaren, dienvolgens gedaagden in hoger beroep te veroordelen tot de
kosten. Het hoger beroep van H.V.A. KOELING BVBA (hierna te noemen HVA KOELING)
(2002/AR/i 946) strekt ertoe de procedure te voegen met 2002/AR/902, haar hoger
beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, dat van ING ontvankelijk
doch ongegrond, dienvolgens de oorspronkelijke vordering van FAGARD opzichtens haar slechts gegrond te willen verklaren tot
maximum 50% van de som van 4.601,72 EUR meer aankleven, de oorspronkelijke eis
in tussenkomst en vrijwaring van haar jegens BESSELING
AGRI TECHNIC BV ontvankelijk en gegrond te willen verklaren, dienvolgens te
zeggen voor recht dat BESSELING AGRI TECHNIC BV gehouden is haar te vrijwaren
voor alle bedragen waartoe zij opzichtens FAGARD
wordt veroordeeld, zowel in hoofdsom, interesten als kosten, de oorspronkelijke
eis in tussenkomst en vrijwaring van haar jegens ING ontvankelijk en gegrond.
te willen verklaren, onder aftrek van de contractueel voorziene vrijstelling,
derhalve BESSELING AGRI TECHNIC BV en ING solidair, in solidum,
minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen haar te vrijwaren
voor alle bedragen waartoe zij opzichtens FAGARD
wordt veroordeeld zowel in hoofdsom, interesten als kosten. Geïntimeerde, FAGARD WINAND (hierna te noemen
FAGARD) verzoekt de procedures 2002/AR/i 946 en 2002/AR/902 te .voegen. GeIntimeerde, BESSELING AGRI TECHNIC BV (hierna
te noemen BESSELING) besluit tot de onontvankelijkheid
minstens de ongegrondheid van het hoger beroep evenals
tot de ongegrondheid van het incidenteel beroep van FAGARD.
1.
Feiten en voorgaanden In het bestreden vonnis van de rechtbank van
koophandel te HASSELT van 26 februari 2002 werden de onderscheiden vorderingen
alsook de ter zake dienende feitelijke elementen op
gepaste wijze uiteengezet zodat het hof daarnaar verwijst. De eerste rechter oordeelde dat de vordering en
de tussenvordering van FAGARD ten aanzien van HVA KOELING en ING (toen nog NV
DE VADERLANDSCHE) ontvankelijk en gegrond was, de tusseneis van FAGARD ten
aanzien van BESSELING ontvankelijk doch ongegrond was. Verder oordeelde hij dat
de eis in tussenkomst en vrijwaring van HVA KOELING ontvankelijk en gegrond was
ten aanzien van ING doch ongegrond ten aanzien van BESSELING.
ING tekende hoger beroep aan met verzoekschrift
van 12 april 2002 en HVA KOELING met verzoekschrift van 31 juli 2002. 2.
Samenvoeging
3.
Beoordeling a)
Toepasselijk
recht op de verhouding HVA KOELING en BESSELING
Dit wordt niet meer betwist. b)
Laattijdigheid
van de vordering in tussenkomst en vrijwaring van HVA KOELING ten laste van
BESSELING
De eerste rechter is terecht HVA KOELING daarin
niet gevolgd. Overeenkomstig artikel 39.1 CISG verliest de koper
zijn recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet beantwoorden aan de
overeenkomst, indien hij niet binnen een redelijke termijn, nadat hij dit heeft
ontdekt of had behoren te ontdekken, de verkoper hiervan in kennis stelt onder
opgave van de tekortkoming. In casu heeft HVA
KOELING BESSELING slechts in december 1998 ingelicht over de ontstane
problemen, terwijl het vaststaat dat zij reeds van in
december 1997 op de hoogte was van het probleem. De bewering van HVA KOELING dat BESSELING aan
haar verplichting tot informatie tekort zou zijn geschoten, doet geen afbreuk
aan haar tekortkoming om BESSELING binnen een redelijke termijn op de hoogte te
brengen. Er worden door HVA KOELING geen afdoende
redenen aangehaald om hierover anders te oordelen. HVA KOELING vertrekt ten onrechte van het
ogenblik waarop de schade aan de appelen werd vastgesteld. De eerste sensor werd door BESSELING geleverd
in augustus 1997 en nadien vervangen in december 1997. Kort op de vervanging in
december 1997 werden (terug) meetafwijkingen vastgesteld. Zij heeft vervolgens
twaalf maanden gewacht alvorens BESSELING op de hoogte te brengen. HVA KOELING werpt op dat zo zij haar rechten
heeft prijsgegeven om zich met betrekking tot de in augustus 1997 geleverde
sensor nog te kunnen beroepen op non-conformiteit, dit geenszins
zou gelden met betrekking tot de in december 1997 nieuw geleverde sensor. Nochtans betwist zij niet dat deze nieuwe
sensor ook (aanvankelijk) problemen leverde waarop tot nieuwe ijking is
overgegaan. Het is slechts wanneer zich in december 1998
opnieuw problemen voordoen dat HVA KOELING BESSELING op de hoogte brengt. Het feit dat BESSELING op haar factuur van 7
december 1998 meldt: Gelet op het voorgaande moet dan ook niet
verder ingegaan worden op de argumentatie van de mogelijke verjaring van de
vordering van HVA KOELING lastens BESSELING.
De vordering in vrijwaring van HVA KOELING ten
laste van BESSELING dient dan ook onontvankelijk verklaard te worden, in
zoverre gesteund op de contractuele aansprakelijkheid, wegens het niet
respecteren van de redelijke termijn. In die zin moet het bestreden vonnis worden
hervormd. c)
Buitencontractuele
aansprakelijkheid van BESSELING opzichtens De eerste rechter oordeelde zeer terecht met
betrekking tot de buitencontractuele aansprakelijkheid van BESSELING opzichtens HVA KOELING dat laatstgenoemde niet aantoont dat
de schade die zij zou lijden een andere schade is dan deze die het gevolg zou
zijn van een slechte uitvoering van de overeenkomst. Inderdaad moet in casu
worden vastgesteld dat HVA KOELING niet aantoont dat de voorwaarden opdat zij
zich zou kunnen beroepen op een buitencontractuele aansprakelijkheid vervuld
zijn. De vordering van HVA KOELING op grond van
artikel 1382 BW ten laste van BESSELING werd dan ook zeer terecht door de
eerste rechter als ongegrond afgewezen. De thans in hoger beroep aangehaalde fout door
HVA KOELING ni. een gebrek
aan informatie door BESSELING in verband met het gebruik van de sensor en dit
meer bepaald in combinatie met kalkgescrubde
koelcellen, maakt een contractuele tekortkoming uit. De argumentatie in verband met het a! dan niet ontvangen rondschrijven van BESSELING in
verband met het gebruik van de sensor in combinatie met kalkscrubber
(niet te gebruiken), is dan ook niet ter zake doende. d)
Aansprakelijkheid
van HVA KOELING ten aanzien van FAGARD - fout van FAGARD Er kan geen betwisting bestaan over het feit
dat de schade is ontstaan doordat in de koelcel het zuurstofgehalte niet
automatisch op peil werd gehouden door de automatische installatie. HVA KOELING betwist niet dat de schade bet
gevolg is van een slechte werking van de sensor, zij het als gevolg van een
gebrek in de sensor, zij het omdat de geïnstalleerde sensor niet geschikt was
voor bet type koelinstallatie. Er heeft wel een onderzoek plaatsgegrepen naar
de oorzaak doch de expert diende in het midden te laten of de zuurstofsensor
slecht werkte door een gebrek dan we! door het feit
dat hij door vreemde gassen werd ontregeld. Terecht oordeelde de eerste rechter dat HVA
KOELING aansprakelijk Het staat vast dat HVA KOELING aan FAGARD een
koelcel heeft geleverd die niet geschikt was voor het doel waartoe zij diende
te worden gebruikt. De koe!cel vertoonde een gebrek
(zij het door een gebrekkige sensor, zij het door een verkeerd type sensor)
waarvoor zij aansprakelijk is. HVA KOELING betwist zulks
niet maar houdt voor dat FAGARD een fout heeft gepleegd omdat deze na
ontdekking van het gebrek, nagelaten heeft het fruit te controleren. De eerste rechter verwees naar de dagvaarding
in tussenkomst en vrijwaring van HVA KOELING (4 april 2001) lastens
BESSELING en ING waaruit deze terecht vermocht af te leiden dat HVA KOELING
toegaf dat zij in de fout ging door niet onmiddellijk op het ogenblik van het
defect de lading in de koelcellen te controleren. HVA KOELING erkent dat het haar taak was om het
fruit te controleren. FAGARD schrijft in conclusies (blz.2) dat in
elk geval HVA KOELING nooit aan haar heeft laten blijken dat er enig probleem
zou zijn met betrekking tot de bewaring van de appels. FAGARD beweert dat het trouwens de fout was van
HVA KOELING, na de vervanging van de sensor, niet het fruit te hebben
gecontroleerd of hem ervan te verwittigen dit te doen. Het behoorde tot de taak van HVA KOELING het
fruit te contoleren, zij heeft zuiks toegegeven. FAGARD wijst er terecht op dat hij geen
specialist is inzake koelcellen of bewaartechnieken.
Hij mocht vertrouwen op de deskundigheid van HVA KOELING zodat deze een
speciale waarschuwing had moeten geven over mogelijke problemen. e)
Vordering
van FAGARD ten laste van BESSELING - Incidenteel beroep van FAGARD FAGARD stelt een vordering op grand van artikel
1382 BW ten laste van BESSELING. De eerste rechter heeft deze afgewezen, na te
hebben geoordeeld dat Door FAGARD worden geen afdoende redenen
aangehaald om dit te weerleggen. Ten overvloede kan gezegd worden dat FAGARD
geen bewijs van fout in hoofde van BESSELING bewijst. FAGARD houdt voor dat ofwel de sensor met een
gebrek behept was ofwel dat er een verkeerde sensor werd gebruikt waarbij
BESSELING tekort is geschoten in haar informatieverplichting. Een gebrek van de sensor wordt niet aangetoond,
evenmin dat de schade bet gevolg was van een verkeerde
type van sensor. Het verslag dat in casu werd
opgesteld op verzoek van de verzekeraar van HVA KOELING, kan geen uitsluitsel
geven. Wat het gebrek aan informatie betreft, toont
FAGARD niet aan dat BESSELING daarin is tekortgeschoten. f)
Vordering
ten aanzien van de verzekeraar ING blijft betwisten tot dekking te zijn
gehouden. Zij blijft zich beroepen op artikel 21,3 van de polis. Voornoemd artikel 21,3 bepaalt dat: ING beweert daarbij dat de oorspronkelijk
geplaatste sensor niet geschikt was om gebruikt te worden in koelinstallaties
met kalkscrubbing zodat dit schadegeval zou vallen
onder voornoemd artikel. Zoals hiervoor reeds
aangehaald is in casu niet vaststaand bewezen dat de
oorzaak van de schade te wijten zou zijn aan het type van sensor in combinatie
met de koelinstallatie met kalkscrubbing. Terecht oordeelde de eerste rechter dat indien
ING beweert bevrijd te zijn tot het verlenen van dekking, moet zij overeenkomstig artikel 1315,2° BW daarvan het bewijs
leveren. Uit de voorliggende stukken kan niet afgeleid
worden dat de aanvankelijk geplaatste sensor niet geschikt was voor dat type
van koelinstallatie. Terecht besloot de eerste rechter dan ook dat
de vordering in vrijwaring van HVA KOELING gegrond was. Gelet op het rechtstreekse vorderingrecht van
FAGARD ten aanzien van ING, heeft de eerste rechter terecht deze vordering ook
toegekend. g)
De
schade Met betrekking tot de schade benadrukte de
eerste rechter terecht dat in casu een expert werd
aangesteld door de verzekeraar van HVA KOELING, zijnde ING, die zich akkoord
kon verklaren met een bedrag van 13.585,66 EUR. ING kan dit bedrag dan ook niet betwisten. Wat HVA KOELING betreft, moet gezegd dat deze
de schadeomvang niet ernstig kan betwisten. Tussen HVA KOELING en ING moet rekening worden
gehouden met de contractueel bedongen vrijstelling van 619,73 EUR. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
1935; Voegen de zaken gekend onder 2002/AR/902 en
2002/AR/i 946 samen. Verklaart de hogere beroepen en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn
onderdelen mits die wijziging dat de oorspronkelijke vordering in tussenkomst
en vrijwaring van HVA KOELING ten laste van BESSELING op contractuele basis
onontvankelijk dient te worden verklaard. Verwijst ING INSURANCE NV en HVA KOELING BVBA
in de kosten van hoger beroep begroot aan de zijde van FAGARD Winand begroot volgens opgave in conclusie op 446,21 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van BESSELING
AGRITECHNIC BV op 446,21 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare
terechtzitting van 14 april 2004.
R. Van Laken Raadsheer M Bleyenbergh Raadsheer M. Gijsemans Griffier | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |