|
|
|
Case Identification
Date of Decision: 25 February 2004 Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt Case Number: AR. 04/79 Parties: K BVBA v. I BV Seller’s Country: Belgium Buyer’s Country: Netherlands Goods Involved: carpet Judges: P. Vanhelmont, L. Claes, H. Eraly Status: Unpublished Classification of issues
Brussels I Regulation: Arts. 5(1) and 26 Service Regulation: Art. 19 Application of CISG: Yes CISG Provisions Applied: Arts. 74 and 78 Place of delivery – factual – Belgium – therefore parties agreed
that Belgium – Belgian courts have jurisdiction Interests and Damages – CISG, but amount according to lex contractus –
party that delivers characteristic performance – seller – Belgian law Debates re-opened on amounts Text of the Decision
in zake: A.R.04/79-<K
BVBA.>, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3990 PEER...; aanleggende
partij, die verschijnt door meester A. Stevens, advocaat te 3500
Hasselt...; tegen: <I BV>,
vennootschap naar Nederlands recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd
is te 5595 AS LEENDE (NL...; verwerende
partij, die niet verschenen is ter zitting van 18 februari 04 en tegen
wie een vonnis bij verstek is gevorderd. Volgt het
vonnis. Bij inleidend
exploot van het ambt van gerechtsdeurwaarder B. Heines te Hasselt van 9 december 03
liet eisende partij dagvaarding uitreiken aan verweerster teneinde deze te doen
veroordelen in betaling van € 326.855,83 te vermeerderen met de
interesten à rato van 10,5% op jaarbasis vanaf de respectievelijk factuurdata
van de facturen tot en met 30 juni 03 en van dan af te vermeerderen
met de interesten à rato van 9,5% van 1 juli 03 tot de dag van
dagvaarding, tevens verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 26.762,93 te vermeerderen met de gerechtelijke interesten à rato van
9,5% op jaarbasis van de vervaldag van de factuur tot de datum van dagvaarding,
verweerster tevens te veroordelen tot de gerechtelijke interesten van 9,5% zoals
voorzien in de wet van 2 augustus 02 en de kosten van dagvaarding en
rechtsplegingsvergoeding, verweerster tevens te veroordelen tot de
invorderingskosten ten bedrage van € 2.500,00. Het bedrag van
€ 326.855,83 en € 26.762,93 was volgens de dagvaarding
samengesteld, als volgt: Hoofdsom niet
geprotesteerde facturen van 19 februari 03 tot 12 augustus 03
€ 326.855,83 factuur nr. 31571
van 11 september 03
€ 26.762,93 Ter zitting
van 18 februari 04 is Mr. A. Stevens verschenen voor eisende
partij; verweerster is niet verschenen, noch iemand voor haar, Mr. A. Stevens
heeft een vonnis bij verstek gevorderd; de rechtbank heeft verstek verleend. IN FEITE: De eis heeft
betrekking op de niet betaalde prijs voor de verkoop van niet afgewerkte rollen
tapijt door een Belgische verkoper aan een Nederlandse koper. Eiseres houdt
voor dat de partijen geen leveringsplaats overeengekomen waren en dat in dat
geval de hoofdregel van art. 5 lid 1 EEX-Vo van toepassing is. De
verbintenis waarover het geschil gaat is deze tot betaling en volgens art. 57
van het Weens Koopverdrag moet de koper de koopprijs betalen in de vestiging van
de verkoper d.w.z. in België. Bovendien is voorzien dat er betaling dient te
gebeuren op een Belgische bankrekening. In de mate dat de rechtbank van oordeel
zou zijn dat er toch een leveringsplaats zou overeengekomen zijn, blijkt uit de
medegedeelde stukken dat de goederen door een door de koper aangeduide
vervoerder werden afgehaald bij de verkoper om geleverd te worden bij de
vennootschap BVBA B met zetel te Tiegem in België, zodat de Belgische
rechtbanken rechtsmacht zouden hebben overeenkomstig art. 5. 1 b
EEX-Vo. Eiseres
beroept zich in verband met haar vordering in verband met de
nalatigheidsinteresten en het door haar gevorderde bedrag van de
invorderingskosten op de wet van 2 augustus 02 tot bestrijding van de
betalingsachterstand inzake handelstransacties. BEOORDELING : Voorafgaand
aan de vraag naar haar bevoegdheid dient de rechtbank na te gaan of zij
internationale rechtsmacht heeft, rekeninghoudend met het onderwerp, de
hoedanigheid van de partijen en de geografische plaats van de betwisting (zie
Born H., Fallon M. en Van Boxstael J.-L., Droit judiciaire international,
Chronique de jurisprudence, 1991-98, Larcier, Brussel, 2001, p. 54). Ter zake is
sinds 1 maart 02 de EEX-Vo van toepassing vermits verwerende partij
woonachtig is in Nederland, waar de EEX-Vo van toepassing is. Overeenkomstig
art. 26.1 EEX-Vo dient de rechter zich onbevoegd te verklaren, wanneer de
verwerende partij met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende
staat voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en
niet verschijnt, indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van de
verordening. Eisende partij
beroept zich niet op een overeenkomst over de internationale rechtsmacht, maar
op het feit dat de verbintenis waarover het geschil gaat in België dient
uitgevoerd te worden overeenkomstig art. 5.1. EEX-Vo. De EEX-Vo
heeft het art. 5.1. EEX gewijzigd. Dat luidt thans, als volgt: "Een
persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een Lidstaat, kan in een
andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: 1.a) ten
aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar
de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden
uitgevoerd; b) voor de
toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen is de plaats van
uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt: -voor de
koop en verkoop van lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken
volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden ... '' Dit heeft tot
gevolg dat voor alle vorderingen inzake koop de rechtbank van de plaats van de
effectieve plaats van levering bevoegd is. Het lijkt niet
juist dat partijen geen plaats van levering afspraken, vermits de goederen bij
eiseres in België werden afgehaald, hetgeen veronderstelt dat zij akkoord
gegaan zijn omtrent een levering "af fabriek". Dus zijn de Belgische
rechtbanken bevoegd voor de vordering tot betaling. I BV. werd
bovendien gedagvaard overeenkomstig de Betekening-Vo, ingevolge afgifte van de
dagvaarding door gerechtsdeurwaarder J.D. Kuik te Eindhoven op 12 december 03,
zodat de eis kan worden toegelaten (het stuk is aan verweerder in persoon en zo
tijdig geschied dat verweerder gelegenheid gehad heeft verweer te voeren). Er kan
aangenomen worden dat het toepasselijk recht terzake het Weens Koopverdrag is nu
de landen waar koper en verkoper gevestigd zijn verdragsluitende landen zijn van
het Weens Koopverdrag. Art. 74
en 78 van het Weens Koopverdrag voorziet het principe van de
nalatigheidsinterest en het schadevergoeding zonder de hoegrootheid van
interestvoet of schade te bepalen. Eiseres kan daarvoor terugvallen op de lex
contracten en nu eiseres de meest kenmerkende prestatie diende te leveren en
partijen geen akkoord sloten over het toepasselijk recht, kan er aangenomen
worden dat dat het Belgisch recht is, zodat eiseres zich terecht beroept op de
wet van 2 augustus 02 tot bestrijding van de betalingsachterstand
inzake handelstransacties. Ten onrechte
vordert eiseres nochtans overeenkomstig die wet een interest van 10,5% voor de
facturen, die werden opgesteld in het eerste semester van 2003, nu de
interestvoet overeenkomstig art. 5 tweede lid van de wet van 2 augustus 03
in die periode beliep op 10% (B.S., 14 februari 03). De debatten
worden ambtshalve heropend om eiseres toe te laten een berekening van de totale
nalatigheidsinteresten bij te brengen. Bovendien
vordert eiseres onberecht een rechtsplegingsvergoeding nu in geval van
toekenning van de invorderingskosten overeenkomstig art. 6 eerste lid in
fine er geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend. De
voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935
op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. OM DEZE
REDENEN, beslist de
rechtbank, na beraadslaging, bij verstek : verklaart de eis toelaatbaar en deels
gegrond, veroordeelt
verregende partijen tot betaling aan eigende partij van € 356.118,76,
zegt voor recht dat eiseres bovendien recht heeft op nalatigheidsinteresten
vanaf de vervaldag van de facturen tot de datum van dagvaarding op basis van
art. 5 van de wet van 2 augustus 02 tot bestrijding van de
betalingsachterstand inzake handelstransacties in het eerste semester 2003
ad 10% en van dan af ad 9,5%, heropent ambtshalve de debatten teneinde eiseres
toe te laten een precieze berekening van deze nalatigheidsinteresten bij te
brengen en stelt de zaak daartoe ter zitting van 7 april 04 om 9h30, veroordeelt
verweerster tot de gerechtelijke interesten aan de interestvoet van art. 5
van de wet van 2 augustus 02 tot bestrijding van de
betalingsachterstand inzake handelstransacties (op dit ogenblik 9,5%) op € 353.618,76, zegt van nu af
dat eiseres geen recht heeft op de rechstsplegingsvergoeding, behoudt de kosten
voor, verklaart het
vonnis uitvoerbaar bij voorraad ondanks alle verhaal en zonder borgstelling (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 16-05-2012 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |