|
|
|
Case Identification Date of
Decision: 28 January 2004 Jurisdiction:
Belgium Tribunal: Hof
van Beroep, Gent Case
Number: 2003/AR/902 Case History: Appeal
from Rechtbank van Koophandel, Veurne, 15 January 2003 Parties: J.B. and G.B. v. BV
H.V. Seller’s Country: Netherlands (Plaintiff & Respondent on Appeal) Buyer’s
Country: Belgium (Defendant & Appellant) Goods
Involved: Breeding sows and cages Judge: D.
Floren Status: Unpublished Classification of issues
present
Application
of CISG: Yes CISG Provisions Applied: Arts. 38, 39, 40, Non-conformity – notice – not proved that within reasonable time –
faxed copy of medicine – not sufficient as notice Presumption relating to latent defects – does not exist under CISG Case postponed – debates re-opened on matter of mount already paid.
Text of the Decision GEDEELTELIJK
TUSSENARREST: in de zaak van
: l. J.B.,
landbouwhelper, wonende te 8600 Diksmuide (Vladslo)..., 2. G.B.,
landbouwhelper, wonende te 8600 Diksmuide (Vladslo)..., appellanten,
hebbende als raadsman mr. Rik Demeyer, advocaat te 8000 Brugge... tegen B.V. H.V., met
maatschappelijke zetel te 5473 KT Dinthen, gemeente Bernheze (Nederland)... en
ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel Oost- Brabant te
Eindhoven..., geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. Wilfried Van Looveren, advocaat te 2018 Antwerpen..., velt het Hof
volgend arrest: Het Hof heeft
in openbare terechtwijzing de partijen in hun middelen en conclusies gehoord,
alsmede de stukken ingezien. Het hoger
beroep tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Veurne van 15 januari 2003,
werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 april 2003.
Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een exploot van betekening ligt niet
voor. I.
Voorgaanden. 1. Met
dagvaarding van 28 juni 2002 vordert geïntimeerde van appellanten
betaling van € 34.376,73, hetzij € 22.448,94 uit hoofde van
factuursaldo, € 8.827,79 conventionele rente en € 3.100,00
forfaitaire schadevergoeding. De litigieuze
facturen hebben betrekking op de verkoop van fokzeugen en stalinstallaties, die
door geïntimeerde aan appellanten werden geleverd in juni en augustus 2000. Appellanten
weigeren betaling van de facturen, omdat de geleverde fokzeugen ziek waren,
waardoor een groot aantal biggen stierf. Uit dien hoofde vorderen zij bij
tegeneis een schadevergoeding van € 30.000,00 en de aanstelling van een
deskundige. 2. De eerste
rechter verklaart geïntimeerde's vordering gegrond tot beloop van de hoofdsom,
hetzij € 22.448,94, te vermeerderen met de rente à 10,50% per jaar vanaf
5 september 2000. De tegeneis
van appellanten wordt afgewezen, omdat zij geïntimeerde niet tijdig kennis
hebben gegeven van hun klachten. 3. Appellanten
kunnen zich met deze uitspraak niet verzoenen. Zij houden voor dat zij, in
strijd tot hetgeen de eerste rechter heeft aangenomen, geïntimeerde tijdig in
kermis gesteld hebben van het feit dat geleverde dieren ziek waren. Bovendien
merken zij op dat bij de veroordeling geen rekening werd gehouden met een door
hen betaald voorschot van 33.000 gulden of € 14.974,75. Zij besluiten
tot de afwijzing van geïntimeerde's vordering en hernemen hun tegeneis,
strekkende tot de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van € 30.000,00
schadevergoeding en de aanstelling van een deskundige. 4. Geïntimeerde
besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van
het bestreden vonnis. Bovendien vordert zij een schadevergoeding van € 2.500,00,
wegens tergend en roekeloos hoger beroep. II.
Bespreking. 1. De
blijvende betwisting tussen partijen betreft, enerzijds, de door appellanten
aangeklaagde niet-conformiteit en gebreken van de dieren, die zij van geïntimeerde
hebben aangekocht, en de schade die zij daardoor hebben geleden, en, anderzijds,
de aanrekening van een betaling van 33.000 gulden. 2. Partijen
betwisten niet dat, zoals de eerste rechter terecht heeft aangenomen, de tussen
hen gesloten koopovereenkomst onder de toepassing valt van het Weens Koopverdrag
(CISG). Krachtens de
bepalingen van dit verdrag, inzonderheid de artikelen 38 en 39, moet
de koper de zaken binnen een zo kort mogelijke termijn keuren en verliest hij
het recht om zich er op te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst
beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft
ontdekt of had behoren te ontdekken, de verkoper hiervan in kennis stelt, onder
opgave van de aard van de tekortkoming. Bovendien verliest hij het recht om zich
erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij
de koper niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de datum waarop de
zaken feitelijk aan de koper werden afgegeven, hiervan in kennis stelt. Het behoort de
koper, die de zaak voorbehoudsloos in ontvangst heeft genomen, het bewijs te
leveren van het beweerd conformiteitsgebrek, alsook van het feit dat dit gebrek
anterieur is aan de risico-overdracht. Ten deze
betreft de non-conformiteit of de gebreken, waarover appellanten zich beklagen,
de ziektes, waarmee de fokzeugen, die in juni en augustus 2000 door geïntimeerde
werden geleverd, volgens hen besmet waren. Meer precies houden appellanten voor
dat de dieren besmet waren met blauwziekte (bloedanalyse, gedateerd 17 oktober 2000)
en met het EMC-virus of encyphalomyocarditis, met bloederige diarree
(autopsieverslag, gedateerd 2 februari 2001). In het
schrijven van de raadgever van appellanten van 27 maart 2002 wordt
expliciet vermeld dat de ziekte 'abortus blauw' bij de aankoop onmiddellijk werd
vastgesteld en dat enige tijd nadien een tweede ziekteverschijnsel werd
vastgesteld, nl. EMC-bloeddiarree. Dit schrijven
bevat de eerste naspeurbare opmerking van appellanten, die evenwel voorhouden
dat zij geïntimeerde reeds eerder telefonisch in kennis hadden gesteld van hun
klachten, waarbij zij opmerken dat in de brief verwezen wordt naar diverse
telefonische gesprekken. Bovendien wijzen appellanten op een (niet-gedateerde)
fax, die zij blijkbaar hebben verstuurd in december 2000, waarin zij
betaling beloven van anderhalf miljoen frank in de loop van januari 2001 en
waarop onderaan de vermelding voorkomt: “Aansluitend bij deze fax:
Bijsluiter van de vaccin Miloxan voor bloederige diarree ter informatie”.
Tenslotte houden zij ook voor dat Paul Verhoeven, aangestelde van geïntimeerde,
in oktober 2000 persoonlijk werd op de hoogte gebracht van de problemen. Ten aanzien
van dit verweer, dient vooreerst te worden opgemerkt dat er geen enkel bewijs
voorligt van de vermeende telefonische gesprekken omtrent de beweerde
niet-conformiteit van de leveringen, terwijl evenmin bewezen wordt dat aan Paul
Verhoeven persoonlijk werd kermis gegeven van de klachten van appellanten. Nu er
geen enkele schriftelijke bevestiging van voorligt, kan de precieze inhoud en
draagwijdte van eventuele mondelinge mededelingen onmogelijk worden nagegaan. Dat er tussen
de levering (augustus 2000) en maart 2002 (eerste schriftelijke
reactie) geen enkele naspeurbare opmerking met betrekking tot de toestand van de
dieren werd gemaakt, wekt des te meer verwondering, waar moet worden vastgesteld
dat appellanten in deze periode herhaalde malen door geïntimeerde schriftelijk
aangemaand werden om haar achterstallige facturen betreffende de leveringen te
vereffenen. De toezending
van een bijsluiter van een geneesmiddel kan bezwaarlijk worden beschouwd als de
kennisgeving van de niet-conformiteit van de gekochte zaak, overeenkomstig de
bepalingen van het Weens Koopverdrag. Een dergelijke kennisgeving is weliswaar
niet aan bijzondere vormvereisten onderworpen en moet evenmin de afwijkingen
omstandig preciseren, maar er moet minstens kunnen worden uit afgeleid dat de
gekochte zaak met bepaalde gebreken behept is of op een of andere wijze niet
conform is, zodat de verkoper, voor wie het moet duidelijk zijn dat de koper
klachten heeft in verband met de levering, zich een oordeel kan vormen over het
gevolg dat hij aan de klacht moet voorbehouden. Zo moet het de partijen in staat
stellen te beslissen of bepaalde maatregelen (eventueel inzake de bewijsvoering)
zich opdringen. Het hoeft geen
betoog dat de loutere toezending van een bijsluiter van een geneesmiddel (zonder
enige commentaar) niet in het minst beantwoordt aan de hiervoor uiteengezette
vereisten van een kennisgeving, in de zin van artikel 39 CISG. In casu is het
evident dat thans niet meer kan worden nagegaan of de in de loop van 2000
geleverde dieren, op het ogenblik van de verkoop, al dan niet reeds besmet waren
met één of zelfs meerdere ziektes, met andere woorden of geïntimeerde kan
worden aansprakelijk gesteld voor conformiteitsgebreken, die anterieur zijn aan
de risico-overdracht. Als gevolg van
het verzuim om geïntimeerde tijdig en op een correcte wijze kennis te geven van
hun (al dan niet terechte) klachten (de voormelde brief van 27 maart 2002
valt, om de aangehaalde redenen, zonder de minste twijfel buiten de redelijke
termijn, waarbinnen de kennisgeving moet gebeuren), hebben appellanten hun
rechten ten aanzien van de verkoper verloren. Hieruit volgt,
enerzijds, dat zij er toe gehouden zijn de koopsom volledig te vereffenen, en,
anderzijds, dat zij geen afspraak kunnen maken op enige schadevergoeding, zodat
ook de vordering tot aanstelling van een deskundige ongegrond is. Tot slot kan
hier worden aan toegevoegd dat appellanten zich niet kunnen beroepen op de
uitzondering, voorzien in artikel 40 CISG, nu uit niets blijkt dat geïntimeerde,
als verkoper, kennis had van de ingeroepen gebreken. Appellanten
verwijzen in dit verband tevergeefs naar een vermoeden van aansprakelijkheid
voor verborgen gebreken in hoofde van de professionele leverancier, aangezien,
zoals de eerste rechter zeer terecht opmerkt, een dergelijk vermoeden onder het
regime van het Weens Koopverdrag niet bestaat. 3. Voor het
eerst in hoger beroep, houden appellanten voor dat bij de afrekening ook
rekening moet worden gehouden met een betaling van 33.000 gulden (€ 14.974,75).
Tot bewijs van hun beweringen, leggen zij een fotokopie voor van een kwijting,
gedateerd 23 juni 2000 en blijkbaar ondertekend door Paul Verhoeden. Enerzijds, is
het uiteraard merkwaardig vast te stellen dat appellanten, noch in antwoord op
de herhaalde aanmaningen van geïntimeerde, noch voor de eerste rechter, deze
betaling ter sprake hebben gebracht. Anderzijds
evenwel, stelt het Hof vast dat geïntimeerde zich beperkt tot de opmerking dat
in haar afrekening rekening werd gehouden met alle betalingen, zonder aan te
duiden waarop de litigieuze betaling, die zij niet lijkt te betwisten, dan wel
betrekking zou hebben. Het is
duidelijk dat de zaak, wat dit aspect betreft niet in staat van wijzen is. Partijen
dienen hierover verder uitleg te verstrekken en hun argumentatie eventueel
staven met bewijskrachtige boekhoudkundige documenten. 4. De door
appellanten gevoerde betwisting is niet van ernst ontbloot. Het tergend en
roekeloos karakter van het hoger beroep, is niet aangetoond. De uit dien
hoofde gestelde tussenvordering (dat ten onrechte een incidenteel beroep wordt
genoemd) is ongegrond. OP DEZE
GRONDEN, HET HOF, Melding
makelde van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het
hoger beroep toelaatbaar. Verklaart het
ongegrond wat de terugvordering van appellanten betreft. Bevestigt
dienvolgens het bestreden vonnis, waar het de terugvordering van appellanten als
ongegrond afwijst. Wijst de
tussenvordering hoofdens tergend en roekeloos hoger beroep af als ongegrond. Vooraleer
verder ten grande te oordelen. Heropent
ambtshalve de debatten, teneinde partijen toe te laten te handelen, zoals hoger
vermeld onder randnummer 3. Stelt de zaak
daartoe op de zitting van woensdag 9 juni 2004 om 9.30 uur. (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |