K.U.Leuven
CISG 6 Jan 2004

Case Identification

 

Date of Decision: 6 January 2004

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt

Case Number: AR/02/04011

Parties: H.-S. v. NV C.

Seller’s Country: Belgium (Defendant)

Buyer’s Country: Germany (Plaintiff)

Goods Involved: Polo shirts

Judges: C. Beerten, K. Swartelé, D. de Preter

Status: Unpublished

 

 

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

CISG provisions applied: Arts. 38 and 39

Non-conformity – buyer only complained after his buyer complained- buyer had shirts 6 weeks – too long to rely on art. 38(3) CISG – not within reasonable period

Buyer’s statements that could not inspect goods because of package – not proved – could also have done spot check.

Claim on extra-contractual liability – formulated according to Belgian law – other party did not complain – Belgian law applicable

 

English Summary

A German buyer bought polo shirts from a Belgian seller. Without examining the shirts, the buyer delivered them to another firm after six weeks. That firm complained that the shirts were too small, that the correct label had not been attached and that the textile make-up of the shirts was not as ordered. Subsequently the buyer complained to the seller for non-conformity and requested a credit note for the amount already paid. The buyer then sued the seller. The court found that the buyer had had sufficient time to examine the goods (six weeks) and that he had not proved that the packaging made examination impossible. In subsidiary order, the buyer relied on extra-contractual liability according to the Belgian civil code. The court did not accept this claim, since the buyer had not proved that the damage caused by the seller had a source other than the contract. 

 

Text of the Decision

 

in zake : A.R.02/04011 -

<H.-S.>, vennootschap naar Duits recht, met zetel te DE-95126 Schwarzenbach a.d. Saale..., Duitsland,

aanleggende partij, vertegenwoordigd door meester Hallemans loco meester Hoffmann, advocaat te 1050 Brussel...,

tegen

<NV C.>, met zetel te 3920 Lommel..., op het ogenblik van de dagvaarding ingeschreven in het handelsregister te Hasselt...,

verwerende partij, vertegenwoordigd door meester Mertens loco meester Verachtert, advocaat te 3900 Overpelt...

Volgt het vonnis

Gelet de inleidende dagvaarding dd 20 november 2002 waarbij aanlegster de betaling vordert van verweerster van een bedrag van 32.734,75 euro, meer de moratoire interesten aan de wettelijke rentevoet op 12.398,25 euro vanaf 6 mei 2002 en op 20.336,50 euro vanaf 4 september 2002, meer de gerechtelijke interesten en de kosten;

Gelet op de door partijen genomen besluiten en neergelegde stukken;

Gehoord de raadslieden van partijen in hun mondelinge pleidooien ter zitting van 23 december 2003;

1. Op 8 februari 2002 bestelde aanlegster bij verweerster, op basis van een voorheen aan aanlegster verzonden monster, 2000 poloshirts. Op de shirts diende het label van de firma ''R" te worden aangebracht.

Tevens moest de stof waaruit de shirts werden gemaakt uit 65% katoen (200g/m²) en 35% polijster bestaan.

De door aanlegster bestelde shirts januari 2002 verkocht aan de firma De shirts werden op aanlegster geleverd.

De shirts werden op 15 april 2002 door verweerster aan aanlegster geleverd.

De kledingsstukken werden op dezelfde dag gefactureerd voor een bedrag van 12.396,25 euro.

Op 27 mei 2002 leverde aanlegster op haar beurt de shirts aan de firma "R''

Bij brief van 28 mei 2002 liet aanlegster aan verweerster weten dat "R" had vastgesteld dat de pasvorm van de shirts en het aangebrachte label tekortkomingen vertoonden en dat de samenstelling van het stof niet zou overeenkomen met het bestelde. Het stof zou aan een onderzoek worden onderworpen.

Bij brief van 28 mei 2002 drukte verweerster haar verwondering uit over de geuite klachten, rekening houding met het feit dat de goederen reeds meer dan 1 maand geleden werden geleverd en aanvaard.

Op 6 juni 2002 liet aanlegster aan verweerster weten dat het onderzoek op de stof had uitgewezen dat deze bestond uit 75,4% polijster en 24,6% viscose.

Bij brief van 10 juni 2002 wees verweerster erop dat de klachten van aanlegster niet konden worden aanvaard daar volgens haar algemene verkoopsvoorwaarden klachten binnen de 8 dagen moesten worden geuit.

Bij brief van 21 juni 2002 deelde aanlegster aan verweerster mede dat:

- zij onmiddellijk na ontvangst der goederen dhr Truyens, lasthebber van verweerster, in kennis had gesteld van het feit dat de goederen licht waren en dat de stof, optisch, niet overeenstemde met de bestelde stof.

- zij onder tijdsduur de goederen aan "R" had geleverd en de factuur van verweerster had betaald ervan uitgaande dat zich geen problemen zouden voordoen.

- bij ontvangst van de goederen ''R'' had vastgesteld dat de shirts klein uitvielen en het label slecht werd aangebracht.

- nader onderzoek aan het licht bracht dat de samenstelling van het stof anders was dan overeengekomen.

- dit laatste een verborgen gebrek inhield

- schade als gevolg van de niet nakoming van de overeenkomst zou worden verhaald op verweerster.

Bij brief van 2 juli 2002 stelde aanlegster dat de shirts niet door de firma ''R" werden aanvaard en onverkoopbaar waren geworden. Aanlegster vroeg om de aflevering van een credinota tbv 12.396,25 euro.

Bij brief van 3 juli 2002 wees verweerster aanlegster erop dat deze en haar klant ruimschoots de tijd hadden gehad om de waren te onderzoeken, het stof anders was samengesteld om de gewenste kleur te bereiken, het gebruikte stof duurder was dan het oorspronkelijk bestelde, zij bereid was een creditnota op te stellen tot beloop van 10% van de koopprijs.

Bij brief van 9 juli 2002 hield aanlegster voor dat verweerster niet eenzijdig de samenstelling van het stof kon wijzigen. In dezelfde brief kondigde aanlegster aan het dossier aan haar raadsman te zullen overhandigen.

Bij exploot van 20 november 2002 dagvaardde aanlegster verweerster in (terug)betaling van het bedrag van 12.398,25 euro, meer een vergoeding van 10.336,50 euro ten titel van winstderving en 10.000,00 euro uit hoofde van commercieel verlies.

2. In besluiten breidt aanlegster haar vordering uit en vordert zij uit hoofde van winstverlies een bedrag van 11.915,35 euro.

Tevens vordert aanlegster dat de ontbinding van de overeenkomst zou worden vastgelegd.

De tussen partijen voltrokken koop heeft een grensoverschrijdend karakter zodat het Weens Koopverdrag, nu dit zowel in Duitsland als in België geldt, van toepassing is.

Hierover bestaat overigens tussen partijen geen discussie.

4. Verweerster is van oordeel dat, daar de goederen op 15 april 2002 werden geleverd en voor het eerst bij brief van 27 mei 2002 klachten werden geuit, aanlegster heeft nagelaten de goederen, gelet op de omstandigheden, binnen een zo kort mogelijke termijn te keuren (art. 38 CISG) en heeft nagelaten binnen een redelijke termijn nadat de niet-conformiteit werd vastgesteld de verkoper hiervan in te lichten (art. 39 CISG).

Aanlegster meent, zich beroepend op art. 38.3 CISG dat het tijdstip, waarop de goederen dienen gekeurd te worden, kan worden uitgesteld tot op het ogenblik dat deze bij de bestemmeling (R) zijn toegekomen.

Art. 38.3 CISG bepaalt dat wanneer de koper de zaken doorzendt, zonder dat hij redelijkerwijs de gelegenheid heeft gehad deze te keuren en de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de voorwending kende of behoorde te kennen, de keuring kan worden uitgesteld tot het tijdstip waarop de zaken op de nieuwe bestemming zijn aangekomen.

Of de koper redelijkerwijs de mogelijkheid heeft de goederen te keuren hangt af van hoelang de goederen te zijner beschikking staan voordat ze doorgezonden worden.

Te lezen heeft aanlegster de goederen op 15 april 2002 ontvangen terwijl ze op 27 mei 2002 aan "R" werden geleverd. M.a.w. de goederen bleven 6 weken in het bezit van aanlegster alvorens ze werden doorgezonden.

In die periode van 6 weken had aanlegster ruimschoots de tijd om de goederen te keuren.

Of de koper redelijkerwijs de mogelijkheid heeft de goederen te keuren hangt ook af van de omstandigheid of ze al dan niet zijn verpakt. Indien de keuring het openbreken van de verpakking meebrengt, die voor het vervoer van de goederen noodzakelijk is, of tot gevolg heeft dat zegels of authentificatiebewijzen moeten worden verwijderd, wordt aangenomen dat de koper niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad de goederen te keuren.

Te dezen ligt geen enkel bewijs voor waaruit kan worden afgeleid dat verpakking, noodzakelijk voor het vervoer, om tot keuring over te gaan diende onafgebroken te worden (volgens de bestelling van aanlegster dienden de shirts te worden verpakt in polyzakjes. Uit niets blijkt dat deze pakjes niet gemakkelijk konden geopend en terug gesloten worden). Evenmin is aangetoond dat keuring tot gevolg zou hebben gehad dat zegels of authentificatiebewijzen dienden verwijderd te worden.

Aanlegster kan zich dan ook niet beroepen op de bepalingen van art. 38.3 CISG.

Zulks houdt in dat de termijn tot keuring van de goederen een aanvang nam op het ogenblik van de levering, hetzij 15 april 2002.

Overigens dient te worden vastgesteld dat aanlegster, na ontvangst, tot keuring van de goederen is overgegaan.

In haar brief van 21 juni 2002 stelt aanlegster immers dat zij onmiddellijk, na ontvangst van de waar, verweerster zou hebben in kennis gesteld van bepaalde gebreken.

De stelling van aanlegster als zou zij de goederen niet aan een nader onderzoek hebben kunnen onderwerpen, daar ze verpakt waren, kan niet worden gevolgd.

Gelet op de gebreken die op zicht konden vastgesteld worden, had aanlegster, ondanks de aanwezige verpakking, nader onderzoek dienen uit te voeren, desnoods steekproefsgewijs (H. Van Houtte, J. Erauw en P. Wautelet, Het Weens Koopverdrag, Intersentia Rechtswetenschappen, 1997, p. 168, nrs. 5.34, 5.35 en 5.36).

5. Aan de hand van het voorgaande dient te worden vastgesteld dat aanlegster, kort na de levering der goederen op 15 april 2002, bepaalde gebreken heeft opgemerkt en bepaalde gebreken had behoren te ontdekken.

Art. 39.1 CISG legt aan de koper de verplichting op om, binnen een redelijke termijn na de omtrekking van de non-conformiteit of na het ogenblik waarop de non-conformiteit had moeten ontdekt worden, te protesteren.

Aanlegster heeft in casu, door slechts na verloop van 6 weken, te rekenen vanaf de ontdekking van de gebreken en vanaf het tijdstip waarop de overige gebreken hadden moeten ontdekt zijn, te protesteren, de in art. 39.1 CISG voorziene redelijke termijn overschreden (S. De Groot, Non-conformiteit volgens het Weens Koopverdrag, TPR, 1999, 691).

Hierbij dient opgemerkt te worden dat de bewering van aanlegster, als zou zij verweerster kort na de levering van de gebreken op de hoogte hebben gebracht (hetgeen verweerster ontkent), op geen enkele wijze wordt bewezen.

De vordering van aanlegster, in zoverre gebaseerd op de bepalingen van het Weens Koopverdrag, dient te worden afgewezen.

6. Aanlegster steunt, in ondergeschikte orde, haar vordering op de buitencontractuele aansprakelijkheid van verweerster zoals voorzien in art. 1382 BW.

Verweerster verweert zich niet op de eis van aanlegster, gegrond op art. 1382 BW.

Uitgaande van het gegeven dat aanlegster haar vordering steunt op art. 1382 BW en verweerster hierop geen repliek voert, kan worden aangenomen dat partijen het eens zijn omtrent het feit dat de op de onrechtmatige daad gesteunde vordering dient beoordeeld te worden volgens het Belgische recht. M.a.w. er kan worden aangenomen dat partijen gekozen hebben voor de toepassing van het Belgische recht.

Een contractspartij kan, wegens een bij de uitvoering van de overeenkomst begane fout slechts dan extra-contractueel aansprakelijk worden gesteld, indien de ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet van de contractuele verbintenis, doch van de algemene zorgvuldigheidsplicht en indien die fout een andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt (Cass., 14 juni 1971, Arr. Cass., 1971, 1989; Cass., 7 december 1973, Arr. Cass., 1974, 395).

Te dezen toont aanlegster niet aan dat de eventuele door verweerster begane fout een andere fout is dan een tekortkoming van een contractuele verbintenis en bovendien deze fout een andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt.

Derhalve dient ook de vordering van aanlegster, in zoverre gesteund op art. 1382 BW, te worden afgewezen.

(...)

OM DEZE REDENEN:

de rechtbank, rechtdoende op tegenspraak:

Verklaart de eis van aanlegster ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt aanlegster tot de kosten, deze in hoofde van verweerster begroot op 342,09 euro;

(...)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be