|
|
|
Case Identification
Date of Decision: 29 October 2003 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Hof van Beroep, Gent Case Number: 2002/AR/1855 Case
history: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Kortrijk, 28 June 2002 Parties: ECS BV v. DKR NV Seller’s Country: Belgium (Plaintiff, Defendant on Appeal) Buyer’s Country: The Netherlands (Defendant, Appellant) Goods Involved: Placing of cooling installations and material necessary
for the works Judges: E. Teirlinck, J. Baudrez, A. Deeene Status: Unpublished Classification of
issues present
Application of CISG: No CISG provisions applied: Arts. 1 and 3 CISG not applicable – most important part of agreement: services –
sale of moveable goods – small part of agreement Jurisdiction – forum clause – Art. 17 Brussels Convention -
validity not proved Jurisdiction
– place of performance – Art. 5 Brussels Convention – place of
payment – Kortrijk – Belgian court has jurisdiction Text
of the Decision E.C.S.
bv, [hierna verder genoemd: B.V. ECS ] Vennootschap naar Nederlands recht met
zetel te Nederland,
7475 RZ Markelo…, ingeschreven in het handelsregister te Apeldoorn…, appellante
tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak
gewezen door de derde kamer dd. 28-6-2002, oorspronkelijk verwerende partij en
eisende partij op wedereis, hebbende als raadsman mr. VAN LOOVEREN Wilfried,
advocaat te 2018 Antwerpen…,. tegen: D.K.R.
nv, [hierna verder genoemd: N.V. DKR ] met zetel te 8530 Harelbeke…,
ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk…, geïntimeerde,
oorspronkelijk eiseres en verwerende partij op wedereis, hebbende als raadsman
mr. DECLERCK Chris, advocaat te 8530 Harelbeke…; velt
het Hof het volgend arrest. Partijen
werden gehoord in hun middelen en conclusies in openbare terechtwijzing. De
stukken werden ingezien. 1.
Met dagvaarding betekend op 20/06/2001 vordert de N.V. DKR de betaling van
werken uitgevoerd in opdracht van de B.V. ECS bij de firma C te Thulin, zoals
aangerekend met 10 facturen uit de periode 31/07/2000 tot en met 31/05/2001 voor
een totaal bedrag van 335.488,05 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de
10% rente vanaf de vervaldata van de facturen en 5.939,51 EUR conventioneel
begrote schade. Meteen
betwist de B.V. ECS de bevoegdheid van de geadieerde rechter. Vervolgens vordert
zij in ondergeschikte orde de aanstelling van een gerechtsdeskundige, om na
onderzoek van de uitgevoerde werken de afrekening tussen partijen op te maken,
en de toekenning van haar terugvordering in schadevergoeding wegens “het
onprofessionele handelen van DKR eerst provisioneel begroot op 49.578,70 EUR en
uiteindelijk op 168.639,86 EUR; één en ander verwerpt de N.V. DKR als
ongegrond. Met
vonnis op tegenspraak gewezen op 28/06/2002 verklaart de rechtbank van
koophandel te Kortrijk zich bevoegd op grond van ad. 5,1° EEX, veroordeelt
zij de B.V. ECS tot betaling van de hoofdsom, vermeerderd met de rente vanaf
30/03/2001 en wijst zij het meer gevorderde af als ongegrond. Met
verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 16/08/2002, stelt de B.V.
ECS Twente tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep in. Zij werpt de “onbevoegdheid
ratione loci” op van de rechtbank van koophandel te Kortrijk en verwerpt
in elk geval de toepassing van het Weens Koopverdrag; ten gronde herneemt zij in
ondergeschikte orde haar verweer en haar terugvordering als voor de eerste
rechter. Zij besluit aldus tot de ongegrondheid van de hoofdvordering, minstens
de aanstelling van een gerechtsdeskundige, en de gegrondheid van haar
terugvordering ten bedrage van 168.639,86 EUR.
Van
haar kant wijst de N.V. DKR dit hoger beroep af als ongegrond en op haar beurt
vordert zij bij wijze van incidenteel beroep de toekenning van haar rente en
boetebedrag, zoals gevorderd vóór de eerste rechter. 2
Het kenmerkend assertief woordgebruik ten spijt, blijven partijen - net als voor
de eerste rechter - in gebreke ten genoege van rechte aan te tonen dat een
overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter tot stand kwam, hetzij bij
een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde
mondelinge overeenkomst, hetzij in een vorm die voor zulke handel gangbaar is
Als het inderdaad voldoende is dat het beding de objectieve elementen bevat
(eventueel nog te concretiseren door middel van de omstandigheden), op basis
waarvan partijen overeenstemming kunnen bereiken, oordeelt het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschap vaststaand dat artikel 17 Executieverdrag, de
geadieerde rechter in de eerste plaats verplicht te onderzoeken, of de clausule
die hem bevoegd verklaart, daadwerkelijk het voorwerp is geweest van een
wilsovereenstemming, die duidelijk en nauwkeurig tot uiting moet komen (cfr.
C387/98, inzake Coreck Maritime GmbH van Handelsveem BV e.a., nr. 13). Derhalve
moeten partijen niet alleen een clausule opstellen zoals bedoeld bij voormeld
artikel (hetgeen wél voorhanden is - maar voor beiden anders luidt), doch ook
de instemming aantonen van de wederpartij daaromtrent - wat toch iets meer
veronderstelt dan het louter tersluiks onderscheiden van eigen doorgedrukte
voorwaarden op standaardformulieren (alsof zij die zouden wissen of aanpassen,
mocht de wilsovereenstemming tussen hen anders luiden). Wél
houdt de N.V. DKR staande dat de facturen nr. 987256 dd. 31/07/2000 ad
117.453,50 EUR, en nr. 200957 dd. 31/07/2000 ad 52.359,19 EUR door de B.V.
ECS werden betaald, “conform de algemene voorwaarden” (cfr. conclusie
neergelegd op 10/09/2003, p. 19). De B.V. ECS erkent deze facturen ontvangen te
hebben (cfr. conclusie neergelegd op 30/06/2003, p. 9) en bevestigt deze betaald
te hebben (eodem loco, p. 17). Daarenboven blijkt uit de neerbuigende
overtuigingsstukken dat de B.V. ECS met haar faxbericht van 25/09/2000 (stuk nr.
27 geïntimeerde) aankondigde vier andere facturen “nu” te betalen evenals
een vijfde, na correctie van de hoofdsom. Derhalve mag worden aangenomen dat de
B.V. ECS betaalde op maatschappelijke zetel van de N.V. DKR te Kortrijk’,
alleszins beweert noch bewijst zij het tegendeel, noch toont zij aan dat er
anders was overeengekomen of werd betaald. Dergelijke wijze van betalen is
trouwens courant en de overeenkomst daaromtrent wordt ten deze afdoende bewezen
door de uitvoering die de B.V. ECS hieraan gaf. Nu
bepaalt ad. 5,1° van het Executieverdrag in afwijking op de algemene regel
vervat in art. 2 dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied
van een verdragsluitende Staat (ten deze Nederland) in een andere
verdragsluitende Staat (ten deze België) ten aanzien van verbintenissen uit
overeenkomst, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de
verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden
uitgevoerd. Deze plaats moet worden uitgelegd als verwijderd naar het recht dat
volgens de collisieregels van de aangezochte rechter op de betrokken verbintenis
van toepassing is. Partijen zijn het erover eens dat de (aannemings-)werken in
België werden uitgevoerd door een Belgische aannemer en zij passen dan ook
terecht het Belgische recht toe. Naar luid van het gemeen recht (art. 1247 B.W.,
eerste lid) moet de betaling in beginsel gedaan worden op de plaats die door de
overeenkomst is aangewezen en nergens wordt aangetoond dat een andersluidende
wettelijke regeling van toepassing is. In elk geval betreft het Weense
koopverdrag roerende zaken (art. 1) en is het uitdrukkelijk niet van toepassing
op overeenkomsten waarin het belangrijkste deel van de verplichtingen van de
partij die de roerende zaken levert, bestaat in de verstrekking van
arbeidskracht of de verlening van andere diensten (art. 3,2) - zoals te delen. Hiervoor
werd vastgesteld dat de betalingsverbintenis waarvoor de N.V. DKR dagvaardt moet
worden uitgevoerd te Kortrijk - als de plaats waaromtrent een overeenkomst tot
stand was gekomen, zodat het Belgische gerecht dan ook bevoegd is.
3.
Ten gromde houdt de B.V. ECS staande dat zij tijdig en regelmatig “de
vordering” van de N.V. DKR protesteerde.
De
voormelde fax van 25/09/2000, waarin zij uitdrukkelijk bevestigt dat de facturen
nrs. 200956, 200962, 201502 en 200955, allen dd. 31/07/2000, “door ons nu
betaald” zouden worden doet zij af als “een vergissingen”,
blijkbaar omdat zij niet waren voorzien van de noodzakelijke werkbons. De N.V.
DKR legt deze facturen neer als overtuigingsstukken nrs. 1-4 (de eerste vier uit
de dagvaarding, voor een totaal bedrag van 11.579,30 EUR), met aangehecht
de werkbaas, meestal ondertekend door of voor de B.V. ECS, zonder dat deze
laatste aantoont waar deze aantekeningen niet met de werkelijkheid zouden
overeenstemmen of anderszins nuttig geprotesteerd werden. In
de voormelde fax betwist de B.V. ECS ook de aantekening uit de factuur nr.
200974 die volgens haar begroot moet worden op 437 EUR. De huidige
vordering van de N.V. DKR met betrekking tot deze factuur bedraagt 437,54 EUR,
zonder dat de B.V. ECS dit nog verder concreet betwist. In
de faxen van 25/09/2000 of 18/01/2001 kan alvast geen enkele verwijzing worden
gelezen naar de factuur nr. 987263 dd. 31/07/2000 ad 6.336,64 EUR. Terecht
heeft de eerste rechter vastgesteld dat de B.V. ECS deze factuur pas voor het
eerst protesteert met de fax van 29/01/2001 (stuk nr. 11 appellante), waar zij
“een credit nota over het teveel berekende (onze mening +/EURO 1500)”
vraagt, omdat enerzijds zij meent te weten: “Bij retourzendingen naar S
word bij aankoop van nieuwe regelaars 30% van de prijs afgetrokken” en
anderzijds de N.V. DKR 50% toeslag op de materialen aanrekent in plaats van 20%;
terloops kan hierbij worden gewezen op een handgeschreven overeenkomst dd.
26/10/1995, waarbij werd vastgelegd dat de N.V. DKR de “materiaalkosten
koeltechnisch” zou aanrekenen aan “50% bruto katalogus” (stuk
nr. 14 appellante). Terecht merkt de eerste rechter reeds op dat de B.V. ECS
geenszins verantwoordt waarom dergelijk eenvoudig protest zes maand op zich laat
wachten, terwijl de gegrondheid ervan niet kan worden gestaafd door de
neerbuigende overtuigingsstukken. Hoe dan ook beweert noch bewijst de B.V. ECS
dat zij hieromtrent (een andere) prijsbinding heeft geëist, terwijl zij al
evenmin aantoont dat de prijsbepaling door de N.V. DKR onredelijk zou zijn.
De
factuur nr. 987257 dd. 30/12/2000 ad 155,82 EUR wordt in concrete
geprotesteerd in de fax/email van 02/02/2001 door de B.V. ECS. Hoewel de N.V.
DKR thans geen enkel detail hieromtrent neerlegt, weet de B.V. ECS dat deze
betrekking heeft op “een levering aan [DKR] door AZO van 30-10-2000 een
zaagblad 6F en 3 stuks frees dia 14, deze zijn nooit door ECS besteld”
(stuk nr. 12 appellante - p. 4). Evenwel tonen de neerbuigende
overtuigingsstukken aan dat zulke verbruiksgoederen door de N.V. DKR werden
aangewend ter verwerking van de globale opdracht; zo wordt dergelijk materiaal
ook aangerekend in de totale afrekening dd. 31/05/2001, zowel door AZO geleverd
(stukken geïntimeerde nrs. 10, onderdeel 11, en 18a), als andere (stukken geïntimeerde
nrs. 10 en 11a-17a: silicone, lijm, teflonband, klasseringen, vet,
laselektroden, soldeerstaven, argot, stikstof en snijschijven) zonder dat zulks
tot concreet protest aanleiding gaf. Dat de B.V. ECS deze verbruiksgoederen -
niet heeft besteld lijkt evident, maar is anderzijds geen afdoende grond om aan
de betaling ervan te ontsnappen, nu zij niet betwist dat deze goederen werden
verbruikt tijdens de aanneming. De
facturen nr. 209451 dd. 30/12/2000 ad 121.000 EUR en nr. 202352 dd.
25/01/2001 ad 60.500 EUR betreffen voorschotten “voor leveren en
plaatsen van verschillende koelinstallaties” Het enige protest van de B.V.
ECS daarop is dat zij deze laatste factuur “onmogelijk zo kunnen accepteren”
(cfr. fax dd. 02/02/2001 - stuk nr. 12 appellante). Thans werpt de B.V. ECS op:
“Het is volstrekt onlogisch en onwaarachtig dat DKR ná vroegtijdige
stopzetting van haar werken toch nog voorschotfacturen stuurt” (cfr.
conclusie neergelegd op 30/06/2003, p. 17). Evenwel betwist zij niet dat de N.V.
DKR inderdaad voorschotten kon aanrekenen zoals ten deze, hetzij 100.000 EUR
en 50.000 EUR, vermeerderd met de btw, terwijl deze bedragen overigens
correct worden verrekend op de totale kostprijs in de eindfactuur (stuk nr. 10
geïntimeerde), welke hierna wordt ontmoet. Deze betwisting heeft dan ook geen
(afzonderlijk) voorwerp. Tenslotte
rekent de N.V. DKR met haar eindfactuur nr. 508 dd. 31/05/2001 het saldo der
werken aan ten bedrage van 135.478,75 EUR (btw incl.). Deze eindfactuur
wordt door de B.V. ECS betwist met haar brief van 23/06/2001 (stuk nr. 13
appellante), door te herhalen wat volgens haar de opdracht was, en met de klacht
“Bij deze factuur was geen afgetekende werkten gevoegd, maar wel een lange
excellijst met materialen” (cfr. conclusie neergelegd op 30/06/2003, p.
18). De
N.V. DKR legt - enkel in verband met deze eindafrekening - 87 werkbons voor,
zoals gebundeld bij haar overtuigingsstukken nrs. 1la tot en met 21a, waarvan er
82 door of voor de B.V. ECS zijn afgetekend “voor akkoord”. Al deze
werkbons zijn vervolgens samengevat op overzichtelijke rekenbladen, met één
item per lijn, onder uitdrukkelijke verwijzing naar de toepasselijke werkbon. Zo
kan daaruit zelfs gemakkelijk in concreto worden aangetoond dat het “lassen
rails voor transportkar” (onderdeel 9 in de eindafrekening - ondertekende
werkbon 19771) geen dubbel gebruik uitmaakt met het onderdeel “lassen
profiel voor rails” (gevorderde factuur nr. 200955 dd. 31/07/2000 -
ondertekende werkbons 19733-19734-19735-19762 en 19763); dit in tegenstelling
tot de bewering van de B.V. ECS in haar conclusie neergelegd op 30/06/2003 op p. 18. In
totaal vordert de N.V. DKR thans inderdaad de betaling voor de levering en
plaatsing van 12 “regelstanden”; terloops kan hierbij worden
opgemerkt dat de aangerekende eenheidsprijs (6.656 EUR) overeenstemt met de
overeengekomen eenheidsprijs (vgl. offerte dd. 31/01/2000: 39.937 EUR voor
zes rechtstanden - stuk nr. 24 geïntimeerde). Waar
de B.V. ECS voorwendt dat “dezelfde zes regelaars worden aangerekend”
met de factuur nr. 987263 dd. 31/07/2000, kan dit slechts door die factuur
verkeerd te lezen, waar daarin immers sprake is van 6 stuks “stafregelaar”
(412,02 EUR per stuk) in het kader van nazicht- en meesterwerken conform de bons
19922/15193 en 15197 (stuk nr. 5 geïntimeerde). Waar
de B.V. ECS tenslotte ervan uitgaat dat “de omvang van de werken nooit meer
dan 330.161,00 EUR kon bedragen” vindt dit geen enkele steun in de
voorliggende stukken, temeer nu geenszins voorligt dat de aangerekende werken
ook inderdaad samenvallen met de voorliggende offeren. Dit klemt des te meer nu
de B.V. ECS zelve aanvoert dat de N.V. DKR bepaalde werken in regie heeft
uitgevoerd (cfr. conclusie neergelegd op 30/06/2003, p. 3).
Het
verweer van de B.V. ECS op de hoofdvordering mist elke grond. Als zij de
gedetailleerde afrekeningen van de N.V. DKR niet wil controleren kan dit niet
ten laste komen van deze laatste. Zij weerlegt verder niet dat de werken die in
de thans opgevorderde facturen worden aangerekend wél werden uitgevoerd,
terwijl zij niet bewijst deze facturen betaald te hebben, zodat zij daartoe
dient te worden veroordeeld. 4
. De neerbuigende overtuigingsstukken tonen afdoende aan dat de B.V. ECS in
oktober 2000 de installatie in bedrijf heeft gesteld. Met haar faxbericht van
06/11/2000 bevestigt zij de afspraak met de N.V. DKR, wat in hoofdorde inhoudt
dat deze laatste afgetekende bons bezorgt, een lek herstelt aan de regelklep van
de machine nr. 40, een eerder geleverde koelmachine en de koelmachine MK92O
opstart, de reeds geleverde isotherme panelen plaatst in de
perslucht-installatie, de Nederlandse en de Franse handleidingen aflevert, de
koudwaterleiding in de machinekamer isoleert en in de technische ruimte nog
manometers en thermometers monteert (stuk nr. 3 appellante). Zij brengt deze fax
in herinnering op 18/11/2000, 24/11/2000 en 1 1/12/2000. Pas voor het eerst met
de fax van 02/01/2001 voert zij dan aan “Bij het in bedrijf stellen van de
installatie zin diverse mankementen geconstateerd. Buiten een groot aantal
kleinigheden geven wij hierbij de fouten die gemaakt zijn tijdens de installatie
die het goed functioneren van de installatie onmogelijk maken”; de lijst
waarnaar verwezen wordt kan evenwel nergens worden teruggevonden. In elk geval
herhaalt de B.V. ECS met haar fax van 02/02/2001 (stuk nr. 12 appellante)
slechts de gebreken die zij
in haar fax van de maand voordien (cfr. supra) aanhaalde. Dat deze klachten
schade zouden aantonen is onjuist: op de onderpand herstelde (cfr. fax van 18/1
1/2000, stuk nr. 4 appellante) regelklep na, betreft het allemaal nog uit te
voeren taken waarvan de B.V. ECS zelfs niet voorwendt dat hiervoor iets werd
aangerekend, terwijl de werken grotendeels in regie werden uitgevoerd. Tevens
moet worden vastgesteld dat de B.V. ECS vanaf 30/12/2000 reeds wijzigingen
aanbracht aan de werken van de N.V. DKR, op een ogenblik dat zij reeds een vrij
belangrijke betalingsachterstand had opgebouwd, wat op zich reeds afdoend de
weigerachtige houding verantwoordt van de N.V. DKR om nog bijkomende
inspanningen te leveren. Vervolgens
vordert de B.V. ECS de aanstelling van een gerechtsdeskundige. De eerste rechter
heeft reeds terecht aangestipt dat het enkel feit dat de B.V. ECS op eigen
initiatief wijzigingen (zij houdt voor: herstellingen) heeft aangebracht het
verder onderzoek naar de werken van de N.V. DKR onredelijk bemoeilijkt; in elk
geval toont zulks afdoende aan dat de werken werden opgeleverd. Daarenboven zal
een gerechtsdeskundige enkel worden ingezet om de concrete klachten van de B.V.
ECS te toetsen op hun feitelijke gegrondheid, en niet om mogelijke
verweermiddelen aan de hand te doen, dan wel om mogelijke gebreken in de
uitvoering op te speuren ten behoeve van de B.V.
ECS, terwijl enerzijds uit wat voorafgaan blijkt dat de ‘klachten’
van de B.V. ECS hiervoor ontmoet niet als zodanig kunnen staande gehouden worden
en anderzijds noch aan de hand van de neerbuigende overtuigingsstukken noch aan
de hand van het thans gevoerde verweer, enig concreet voorwerp tot nader
onderzoek kan worden aangetoond of ontwaard.
Tenslotte
vordert de B.V. ECS de toekenning van een vergoeding van 162.444,89 EUR voor de
schade “door het onprofessionele handelen van DKR” (cfr. conclusie
neergelegd op 30/06/2003, p. 23). Deze schade begroot zij aan de hand van
de optelsom van de betalingen die zij aan derden heeft verricht inzake C.
Enig (begin van) bewijs van oorzakelijk verband met een vaststaande fout
waarvoor de N.V. DKR in gebreke was ontbreekt evenwel totaal, terwijl dit
onderdeel van de terugvordering louter gesteund lijkt op een willekeurige
optelsom (zelfs de verwijzing naar haar stuk 36 is fout; allicht bedoelde zij de
stukken 37 en 38, woedende een uittreksel van de ‘factuurhistorie per klant’,
voor een totaal van 361 .358,47 EUR). Deze
terugvorderingen falen dan ook volkomen. 5.
Nergens toont de N.V. DKR aan dat partijen voorafgaandelijk aan de samenwerking
overeen kwamen omtrent bijzondere of afwijkende betalingsmodaliteiten en boetes,
noch dat zij tijdens de samenwerking hieraan uitvoering gaven - behoudens dan de
betaling op haar zetel. Anderzijds
kan niet worden aangenomen dat het tijdens de werkzaamheden aanbieden van
facturen met op de rugzijde daarvan dergelijke bedingen, de voorafgaandelijke
wilsovereenstemming van de schuldenaar aantoont: deze is immers in beginsel
verplicht de factuur te betalen, zodat uit zijn enkele betaling niet zomaar zijn
instemming kan worden afgeleid met voor hem nadelige bepalingen. Dit
ontneemt meteen de grond voor het incidenteel beroep. OM
DEZE REDENEN, HET
HOF, rechtdoende
op tegenspraak; met
toepassing van ad. 24 van de wet van 15/06/1935 op het taalgebruik in
gerechtszaken; verklaart
het principaal en het incidenteel beroep toelaatbaar doch wijst beide af als
ongegrond; bevestigt
het bestreden vonnis, zij het deels op andere gronden; verwijst
de B.V. ECS in de kosten van deze instantie, aan de zijde van de N.V. DKR op
heden begroot op: 456,12 EUR - (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). (…) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |