K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 11 September 2003

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 2002/AR/2233

Case history: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Gent, 11 September 2002

Parties: M. N.V. v. C. B.V.

Seller’s Country: Netherlands (Defendant, Respondent on appeal)

Buyer’s Country: Belgium (Plaintiff, Appellant)

Goods Involved: Digital archive

Judges: M. Vercruysse

Status: Unpublished

 

 

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

Provisions of the CISG applied: Arts. 1(1)(a), 31 & 84

Jurisdiction – Brussels Convention – art. 17 – no valid forum clause

Jurisdiction – Brussels Convention – art. 5(1) – place of delivery – Gent – according to contract – not necessary to apply CISG art. 31 - court has jurisdiction

Non-conformity – price should be paid back including damages

Interests – Belgian interest since this is what buyer would have got on the money

 

 

English Summary

A Belgian buyer bought a digital archive from a Dutch seller. The buyer had already paid parts of the price, but the digital archive did not work properly. The buyer declared the contract avoided and sued the seller in the Rechtbank van Koophandel (Commercial Court) of Ghent. In a judgment of 11 September 2002 the court declared that it did not have jurisdiction to hear the case. The buyer appealed to the Hof van Beroep (Court of Appeal) of Ghent. That court found that the forum agreement between the parties was not valid according to article 17 of the Brussels Convention on Jurisdiction and the Recognition and Enforcement of Judgments in Civil and Commercial Matters (1968), in force in the European Union. Article 5 of the Convention stated that the court of the place of performance had jurisdiction. In this case that was the place of delivery, which was agreed between the parties as Ghent. Thus the Belgian courts did have jurisdiction. It was clear the seller did not deliver goods conformed to the agreement. The court ordered the repayment of the already paid amount and appointed an expert to assess the damage.

 

Text of the Decision

 

in de zaak van:

M. N.V.,

met maatschappelijke zetel te 9031 DRONGEN…, ingeschreven in het H.R. te Gent…,

appellante,

hebbende als raadsman mr. DE GRAEVE Lieven, advocaat te 9000 GENT…

tegen:

C. B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te … 2000 CA HAARLEM (NEDERLAND),

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. VAN DEN BROECKE Philippe, advocaat te 1000 BRUSSEL…

velt het Hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 17 oktober 2002 stelt de appellante tijdig en in regelmatige vorm hoger beroep in tegen het vonnis van 11 september 2002 van de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent dat zich zonder rechtsmacht verklaart om kennis te nemen van de vordering door de appellante gesteld bij dagvaarding betekend op 7 december 2000.

Met haar rechtsmiddel bestrijdt de appellante deze beslissing en herneemt zij haar oorspronkelijke vordering ertoe strekkend, na de ontbinding van de koopovereenkomst tussen partijen te hebben vastgesteld, de geïntimeerde te veroordelen het reeds betaald bedrag van € 5.445,36, meer moratoire intresten ad 12 % vanaf 2 februari 2002 tot de dag van de algehele betaling en een schadevergoeding van € 114.657,47, meer compensatoire intrest vanaf 31 december 1998 tot de datum van de uitspraak, meer de moratoire intrest op de hoofdsom en compensatoire intrest tot de dag van algehele betaling, te betalen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.

Op 23 november 1998 bestelde de appellante bij de geïntimeerde een SmartDAX CD-wisselaar voor de prijs van 36.500 HFL.

Het blijkt te gaan om een digitaal archief op basis van CD- technologie dat door de appellante werd aangekocht om het te gebruiken als demonstratiemateriaal voor haar eigen cliënteel. Zij had de bedoeling de SmartDax aan te bieden aan haar klanten (fotografen, persbureau's, krantenuitgeverijen e.d.) als archiveringssysteem voor hun beeldmateriaal.

Het toestel werd eind 1998 bij de appellante afgeleverd.

Er rezen technische problemen om het toestel naar behoren te laten werken. Die problemen bleven maandenlang aanhouden en na herhaalde vruchteloze herstellingspogingen werd het apparaat door de geïntimeerde teruggenomen voor herstelling, doch zonder resultaat.

Nadat de appellante bij e-mail van 1 juli 2000 (…) aankondigde de geïntimeerde in gebreke te zullen stellen volgde een correspondentie waaruit bleek dat de problemen met de SmartDax door de geïntimeerde werden erkend en partijen erover akkoord gingen dat deze een SmartDax Appliance zou leveren, de appellante een DVD Ram upgrade bestelde voor levering in Q4 2000, de appellante 80 % van de totale som zou betalen (minus de reeds betaalde som) en de rest na het oplossen van het nog steeds persisterend probleem "66110088''.

De geïntimeerde bleek niet in staat tot levering en werd bij brief van 9 oktober 2000 van de raadsman van de appellante bericht dat de overeenkomsten tussen partijen als ontbonden werden beschouwd en aangesproken in betaling van een bedrag van € 120.483, 98.

Op 2 februari 2000 had de appellante reeds 12.000 HFL (€ 5.445,35) betaald op de factuur van 36.500 HFL van 31-12-1998.

Onder de rubriek ''Het forumbeding'' heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat niet wordt aangetoond dat tussen partijen een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter werd gesloten die beantwoordt aan de vereisten gesteld in art. 17, lid 1 EEX-verdrag.

De door de appellante daaromtrent aangevoegde grieven ontzenuwen de pertinente redengeving van de eerste rechter niet.

Wel moet de appellante worden bijgetreden waar zij art. 5.1 van het EEX- verdrag toepasselijk acht.

Waar de appellante vordert vast te stellen dat zij omwille van een tekortkoming in de leveringsverplichting van de geïntimeerde terecht de overeenkomst ontbonden achtte en op grond daarvan terugbetaling vordert van het betaalde voorschot, meer schadevergoeding, stelt zij een vordering die haar grondslag vindt in de leveringsverplichting van de geïntimeerde. Deze leveringsverplichting diende in casu te worden uitgevoerd te Gent. Uit de aard van de activiteit van de geïntimeerde, de kenmerken van het voorwerp van de verkoop en uit de uitvoerige correspondentie van partijen blijkt dat overeenkomst ertoe strekte de appellante te Gent de beschikking te verschaffen over een toestel dat gebruiksklaar was en waarvoor software diende te worden geïnstalleerd en geconfigureerd. De geïntimeerde zegt te bestaan uit circa 180 specialisten met high-end kennis en kunde, IT-mensen die gezamenlijk werken aan de beste oplossing door het combineren van verschillende technologische disciplines en levert en dient zich aan als leverancier van automatiseringsdiensten (micro-elektronica ontwikkeling en embedded software) - producten en bedrijfskritische toepassingen.

De overeengekomen plaats van levering was Gent waar het toestel in een operationele staat diende te worden afgeleverd.

Nu de verkoper gehouden was het verkochte goed aldaar af te leveren is voldaan aan de voorwaarde aangehaald in de aanhef van art. 31 van het Weens Koopverdrag en dient voor het situeren van de verplichting tot aflevering geen toepassing te worden gemaakt van het bepaalde in art. 31 a of 31 b van het Verdrag van Wenen dat op grond van art. 1,1) a ervan in casu toepasselijk is nu partijen de toepassing ervan niet hebben uitgesloten.

De tekortkoming van de geïntimeerde aan haar leveringsverplichting blijkt ten overvloede uit de uitvoerige correspondentie van partijen. Zij bestaat uit verschillende technische mankementen waardoor het toestel niet kon worden gebruikt voor het beoogde doel en het niet beantwoordde aan de kwaliteiten die de geïntimeerde eraan toedichtte in haar publiciteit (…)

Dat de appellante een oneigenlijk gebruik maakte of beoogde van het toestel wordt niet aangetoond en werd in tempore non suspecte overigens door de geïntimeerde nooit beweerd.

Ten onrechte stelt de geïntimeerde dat de oorspronkelijke overeenkomst in juli 2000 door akkoord van partijen werd ontbonden en vervangen door een nieuwe koopovereenkomst. In juli 2000 bood de appellante de geïntimeerde een bijkomende kans om de leveringsplicht die zij in 1998 op zich had genomen en waaraan zij tot dan toe was tekort geschoten alsnog te vervullen, weze het op een enigszins verschillende manier.

Toen zij ook daaraan niet voldeed liet de appellante terecht weten dat de overeenkomst als ontbonden werd beschouwd. De geïntimeerde beging een wezenlijke tekortkoming in haar leveringsverplichting.

De appellante kan aanspraak maken op de terugbetaling van het voorschot en, op grond van art. 84 -1) CISG op rente daarop vanaf het tijdstip waarop dit voorschot werd betaald.

Het percentage van de intrest wordt door het Verdrag niet bepaald. Anders dan de appellante voorhoudt blijkt uit haar e-mail bericht van 1 juli 2000 (…) geen overeenkomst om een rentevoet van 12 % toe te passen. In het bericht wordt slechts in het vooruitzicht gesteld dat o.m. rente aan die rentevoet zal worden gevorderd. Het betreft een eenzijdige aanspraak, geen overeenkomst.

In casu staat de intrest voor de opbrengst die de appellante in België heeft moeten derven ingevolge het betalen van het voorschot. Het is aangewezen ze te vergoeden volgens de Belgische wettelijke rentevoet.

Met de teruggave van het voorschot, meer rente, bekomt de appellante nog geen volledige vergoeding van haar schade. Het toestel is voor haar niet beschikbaar geweest en er werd arbeidsraad en blijkbaar ook uitgaven gespendeerd aan pogingen om het systeem operationeel te maken. Verder maakt de appellante gewag van commerciële verliezen door het afhaken van klanten die interesse zouden hebben betoond voor het archiveringssysteem.

Wat die meerder schade betreft vordert de appellante in ondergeschikte orde terecht de aanstelling van een deskundige.

Thans kan omwille van die meerdere schade reeds een voorschot worden toegekend van € 1.500.

OM DEZE REDENEN,

het hof,

gelet op art, 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds ten dele gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende.

Verklaart de vordering gesteld bij dagvaarding betekend op 7 december 2000 ontvankelijk en deels gegrond.

Stelt vast dat de appellante de verkoopsovereenkomst van 23 november 1998 betreffende een Smartdax - toestel voor de prijs van HFL 36.500 op regelmatige wijze ontbonden heeft verklaard.

Veroordeelt C. B.V. om aan de NV M. € 5.445,36 te betalen meer moratoire rente aan 7 % vanaf 2 februari 2000 tot aan de dag van de algehele betaling alsook een voorschot van € 1.500.

Stelt aan als deskundige:

… met als opdracht om met naleving van het bepaalde in art. 962 e.v. Ger.W., advies te geven over de begroting van de schade die de appellante voorhoudt te hebben geleden ingevolge de wanprestatie van de geïntimeerde.

Verwijst de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer.

Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten thans reeds gevallen in de beide instanties. Begroot ze aan de zijde van de appellante, volgens opgave, in hun geheel op €1.376,08.

(…)

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be