|
|
|
Case Identification
Date of Decision: 12 May 2003 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Hof van Beroep, Gent Case Number: 2000/AR/1957 Case history: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Dendermonde,
afdeling St.-Niklaas, 5 October 1999 and 4 April 2000 Parties: S. GmbH v. A. bvba Seller’s Country: Belgium (Plaintiff, Respondent on appeal) Buyer’s Country: Germany (Defendant, Appellant) Goods Involved: clothing Judges: P. Vanherpe Status: Unpublished Classification of
issues present
Application of CISG: Yes Provisions of the CISG applied: Arts. 38, 39, 78, 85 and 88 Notice of non-conformity – fashion bound items – needs to be soon –
non-conformity easy to ascertain by simple examination – three months
after too late Fact that buyer did not complain and sold clothing to third party – not
proof of acceptance of notice of non-conformity Sales relation has expired – provision on preservation of goods – no
longer applicable Seller should not have resold goods without prior notice to buyer, who was
owner – buyer not proved that would have got higher amount – amount that
seller obtained accepted Interest – Belgian interest rate English Summary A German buyer bought clothing (pull-overs) from a Belgian seller. The seller sued the buyer for payment of the price in the Rechtbank van Koophandel (Commercial Court) of Dendermonde. In judgments of 5 October 1999 and 4 April 2000 that court found that the CISG was applicable and ordered the buyer to pay the amount. The buyer appealed to the Hof van Beroep (Court of Appeal) of Ghent. Three months after delivery the buyer sent the pull-overs back complaining about the quality. The court stated that in the case of fashion bound items, the buyer had to examine the goods within a short period of time. The non-conformity in this case was easily visible upon a simple examination. Therefore the buyer had lost the right to rely on the non-conformity of the goods and had no right to send the items back to the seller. The seller resold the goods without informing the buyer beforehand. Article 85 CISG regarding the preservation of the goods was no longer applicable since the sales relation was terminated. The resale was not prudent, but justifiable in light of the fact that fashion bound items lost their value quickly. The price that the seller obtained, could not be kept as damages, but should be subtracted from the amount owed by the buyer. The Belgian legal interest rate plus 2% was granted.
Text
of the Decision EINDARREST 2000/AR/1957
- In de zaak van: S.
GmbH, vennootschap naar Duits recht met
zetel te D-41460 Neeus…, appellante
tegen de vonnissen van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling
St.-Niklaas, op tegenspraak gewezen -
door de vierde kamer dd. 5-10-1999 en -
door de vijfde kamer dd. 4-4-2000, oorspronkelijk
verweerster op hoorders en aanlegster op tegeneis, hebbende als raadsman
meester VANDEVYVERE Yves, advocaat te 9100 St.Niklaas…; tegen
: A.
bvba, met
zetel te 9100 St.-Niklaas…, ingeschreven
in het handelsregister te St-Niklaas…, geïntimeerde oorspronkelijk
aanlegster op hoofdzin en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman
meester MULLER Joris, advocaat te 9140 Temse…, velt
het Hof het volgend arrest. Partijen
werden gehoord in hun middelen en besluiten ter openbare terechtwijzing en
de stukken werden ingezien. Het
hoger beroep tegen de vonnissen dd. 5 oktober 1999 en 4 april 2000 gewezen
door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, respectievelijk van de
vierde en de vijfde kamer, is tijdig en regelmatig naar de vorm. PROCEDURE.
VORDERINGEN EN FEITELIJKE VOORAFGAANDEN I. A. Met
dagvaarding dd. 9 oktober 1998 vordert de BVBA A., alhier geïntimeerde, de
veroordeling van de vennootschap naar Duits recht S. GmbH, alhier
appellante, tot betaling van 9.029 DEM in hoofdsom, om te zetten in
Belgische frank aan de hoogste koers op datum van de uitbetaling, meer de
moratoire intresten aan 12%. Deze
vordering is gestoeld op de levering van pulls door geïntimeerde aan
appellante, neergelegd in factuur nr. 1998/89 dd. 24 maart 1998 ad 8.208
DEM. Hierbij
rekent geïntimeerde een bedrag van 821 DEM uit hoofde van schadebeding ad
10%. Met
besluiten neergelegd voor de eerste rechter op 7 mei 1999 vraagt appellante
de afwijzing van de hoofdvordering van geïntimeerde en eist bij
terugvordering de ontbinding van de overeenkomst ten laste van geïntimeerde. Met
besluiten neergelegd op 22 december 1999 formuleert zij de terugvordering
tot veroordeling van geïntimeerde tot betaling van 203.000 BEF, meer de
gerechtelijke intresten. B
. a. Met
tussenvonnis dd. 5 oktober 1999 oordeelt de eerste rechter dat het Weense
Koopverdrag het op de betwistingen toepasselijk recht is. Verder
besluit de eerste rechter dat het protest dat pas op 14 juni 1998 is geuit
omtrent een levering van maart 1998, laattijdig is. De
eerste rechter stelt evenwel vast dat geïntimeerde is overgegaan tot de
verkoop van de goederen wat mogelijk is met toepassing van art. 88,1° van
het Weense Koopverdrag, mits voorafgaande kennisgeving aan de koopster
(appellante) van het voornemen daartoe. Waar
geïntimeerde slechts nà de verkoop hiervan kennis heeft gegeven is er
gebeurlijk een aanspraakmogelijkheid op schadevergoeding. Na
de respectieve hoofd- en terugvordering ontvankelijk te hebben verklaard,
heropent de eerste rechter ambtshalve de debatten teneinde partijen toe te
staan hierover te laten concluderen. b. Met
eindvonnis dd. 4 april 2000 stelt de eerste rechter vast dat de goederen
door appellante werden terugbezorgd bij geïntimeerde na de
inontvangstneming, zodat de hypothese van ad. 88,1° van het Weense
Koopverdrag niet van toepassing is en bijgevolg de terugvordering van
appellante niet gegrond. Appellante
wordt veroordeeld tot betaling van 186.228 BEF, meer de moratoire intresten
aan 12% per jaar vanaf 17 juni 1998 tot de dagvaarding op de som van 165.582
BEF, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf
dagvaardingsdatum op het voormeld bedrag van 165.582 BEF. Tenslotte
wordt appellante ook veroordeeld tot de gerechtskosten. II. A.
a. Appellante
vordert de vernietiging van zowel het voormelde tussenvonnis dd. 5 oktober
1999 als het eindvonnis dd. 4 april 2000. Zij
vraagt de afwijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde
als ongegrond. In
zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat haar protest laattijdig en
ongegrond zou zijn, vraagt zij de toekenning van haar oorspronkelijke
terugvordering tot veroordeling van geïntimeerde tot betaling van 203.000
BEF als schadevergoeding, meer de gerechtelijke intresten vanaf 22 december
1999. b. Appellante
houdt voor dat haar protest tijdig is en dat het tevens is aanvaard geworden
door geïntimeerde, wat onder meer blijkt uit de verkoop van de goederen
door geïntimeerde. Dat
de goederen ondeugdelijk waren blijkt volgens appellante ook uit de geringe
prijs die geïntimeerde heeft kunnen bekomen (12.500 BEF + BTW - zie stuk
nr. 4, dossier geïntimeerde). Appellante
verwijt geïntimeerde eveneens dat zij door de verkoop ervan, iedere
vaststelling omtrent de gebreken heeft onmogelijk gemaakt. Anderzijds
is appellante van mening dat zij minstens aanspraak kan maken op een
schadevergoeding, daar zij door geïntimeerde voorafgaandelijk niet is
verwittigd nopens de verkoop ervan. Desbetreffend begroot appellante haar
schade op 203.000 BEF. Nog
meer subsidiair eist appellante dat het bedrag van de verkoopfactuur van de
pulls, nl. 15.125 BEF in aftrek zou worden genomen van de vordering van geïntimeerde. B. Geïntimeerde
vraagt de afwijzing van het hoger beroep. BEOORDELING 1. Geïntimeerde
legt haar factuurvoorwaarden niet voor. Onder stuk nr. 3 legt zij gewoon een
kopie van de voorzijde van een blancofactuur voor, terwijl de
verkoopsvoorwaarden aan de achterzijde staan gedrukt... Bij
gebreke van voorlegging ervan kan de inhoud ervan niet worden getoetst aan
de beweringen van geïntimeerde; er kan ook niet worden nagegaan of zij al
dan niet verduidelijkt zijn geworden in het Duits, taal van de bestemmeling. II. A. Het
Weense Koopverdrag is van toepassing zoals door de eerste rechter terecht is
aangenomen. De
levering van de pulls heeft in de loop van maart 1998 plaatsgevondenen. B. a. 1. Art.
38, 1 van het Weense Koopverdrag bepaalt dat de koper de zaken binnen een,
gelet op de omstandigheden, zo kort mogelijke termijn moet keuren of doen
keuren. Nergens
blijkt dat appellante zich naar dit vereiste heeft gedragen. Het
enige waarover zekerheid bestaat is dat appellante op 12 juni 1998 207 + 30
polls heeft teruggegeleverd aan de tussenpersoon, zekere D.Spiessens te
Temse (zie faxschrijven dd. 14 juni 1998 vanwege D.Spiessens aan geïntimeerde
- stuk nr. 1, dossier appellante). De
redenen voor de weigering zouden zijn: “
- haakjes en lussen in breiwerk - vlekken, vnl. in de kleur zwart - slechte
afwerking aan kraag – andere” (zie voormeld faxschrijven dd. 14 juni 1998). 2. Het
betreft modegebonden goederen zodat het vanzelfsprekend is dat de koper
meteen dient over te gaan tot keuring van de goederen. De
aanmerkingen die appellante heeft geformuleerd nopens de kwaliteit van de
koopwaar, betreft duidelijk zichtbare gebreken die snel kunnen worden
ontdekt bij een oppervlakkige controle.
b. Terloops
merkt het Hof op dat uit de door geïntimeerde voorgelegde factuur blijkt
dat er 180 pulls (“getrokken naald”) zijn geleverd aan appellante (zie
stuk nr. 1, dossier geïntimeerde) terwijl er 237 (= 207 “getrokken
naald” + 30 “korrelsteek”) pulls zijn teruggeleverd aan dhr. D. Sp.
(zie stuk nr. 1, dossier appellante). Beide
partijen zijn onvolledig in hun verhaal. c. Art.
39.1 Weens Koopverdrag bepaalt dat de koper het recht verliest om zich erop
te beroepen dat de koopwaar niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij
niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren
te ontdekken, de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard
van de tekortkoming. Hierboven
is reeds vermeld dat appellante, koper van de goederen, er zich gewoon heeft
toe beperkt koopwaar terug te leveren aan D. Sp. op 12 juni 1998 met
vermelding van een aantal gebreken. Waar
uit de aard van de goederen (modegebondenheid) en de aard van de beweerde
gebreken (vlot op te sporen) volgt dat appellante de gebreken snel had
dienen te ontdekken, diende zij minstens tegen einde april, begin mei 1998,
hiervan geïntimeerde in kennis te stellen. Zij
heeft zich hieraan niet gehouden: pas midden juni 1998 heeft geïntimeerde
samen met de goederen ook de melding van de beweerde gebreken ontvangen.
d. Ten
onrechte werpt appellante op dat geïntimeerde het protest zou aanvaard
hebben, daar zij niet heeft geprotesteerd tegen de teruggave ervan en de
goederen heeft verkocht aan een derde.
Er
zij verwezen naar het aangetekend schrijven dd. 17 juni 1998 vanwege de
raadsman van geïntimeerde die zowel heeft geprotesteerd tegen de
terugbezorging van de goederen als aangemaand heeft tot betaling. De
verzending van de brief als de brief zelf worden voldoende naar recht
bewezen door de twee stukken die geïntimeerde onder nr. 2 van haar
stukkendossier neerlegt. e. Uit
wat voorafgaan volgt dat appellante het recht heeft verloren zich te
beroepen op niet-conformiteit van de koopwaar. Geïntimeerde
heeft geleverd aan appellante. Appellante kan zich niet beroepen op de
niet-conformiteit om niet te betalen. C. a. De
koop-verkooprelatie was midden juni 1998 “af”: geïntimeerde had als
verkoopster aan al haar verplichtingen voldaan en appellante diende als
koopster te betalen. Appellante
had geen enkele rechtsbasis binnen de koop-verkooprelatie om de goederen bij
geïntimeerde terug te brengen (zie supra: appellante vermocht de zaken niet
meer te weigeren noch zich te beroepen op enige niet-conformiteit).
Appellante
heeft ten onrechte gemeend de goederen te kunnen terugbezorgen om zo doende
niet te moeten betalen. Appellante
beschikte over geen enkele grond om de goederen terug te brengen bij geïntimeerde
tenzij gewoon op grond van de overweging dat zij met haar eigendom mag doen
wat zij wil. b. Waar
de contractuele relatie uit de koop-verkoop voorbij was, is de regeling van
het Weense Koopverdrag neergelegd in art. 85 e.v. onder de afdeling VI
“Zorg voor behoud van de zaken”, niet van toepassing. c. 1. Gebeurlijk
kan appellante aanspraak maken op een schadevergoeding doch dit kan dan
hoogstens op grond van de extra-contractuele gehoudenheid vanwege geïntimeerde.
Hiertoe dient appellante een fout en de schade die in oorzakelijk
verband is met die fout, aan te tonen. 2. Geïntimeerde
heeft de eigendom van appellante verkocht aan een derde, wetende dat het de
goederen van appellante waren en zonder appellante hiervan vooraf in kennis
te stellen teneinde de laatstgenoemde de mogelijkheid te bieden de goederen
ofwel nog te komen afhalen ofwel zelf te zorgen voor de tegeldemaking. Rekening
houdend met het geheel van voormelde omstandigheden heeft geïntimeerde een
fout begaan. Een
voorzichtige handelaar geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden zou
niet gehandeld hebben zoals geïntimeerde in concrete heeft gehandeld. Er
mag worden aangenomen dat geïntimeerde van oordeel was dat zij, rekening
houdend met het modegebonden karakter van de goederen, deze zo snel als
mogelijk diende te gelde te maken teneinde de schade te beperken. Dit
rechtvaardigt op zich evenwel geenszins dat geïntimeerde dit vermocht te
doen zonder de eigenares, appellante, vooraf in kennis te stellen van haar
inzichten, teneinde appellante vooralsnog in staat te stellen zelf over te
gaan tot het te gelde maken dan wel de goederen weer te komen afhalen.
3. De
schade die in oorzakelijk verband staat met de fout die geïntimeerde heeft
begaan, is de kans die appellante heeft verloren om de goederen zelf aan de
man te brengen en een hogere opbrengst te bekomen dan die welke uiteindelijk
“slechts” is gehaald, nl. 12.500 BEF + BTW, ofwel 309,87 EUR.
De
factuur vanwege geïntimeerde aan appellante bedraagt 8.208 DEM, ofwel
4.196,68 EUR. Over
de ondermaatsheid van het uiteindelijk bekomen bedrag van 309,87 EUR beweert
appellante veel, doch toont niets aan.
Anderzijds
is het inderdaad van algemene bekendheid dat in de medegedongen sector van
de kledij een waardevermindering van 90% meer de regel dan de uitzondering
is ingeval een kledingstuk niet meer kan aangeboden worden in het seizoen
waarvoor het werd geproduceerd. Appellante
toont geenszins aan dat zij met redelijke waarschijnlijkheid een hogere
prijs zou hebben bekomen dan die welke geïntimeerde uiteindelijk bekomen
heeft. 4. Waar
er weliswaar een fout is begaan door geïntimeerde doch waar appellante geen
schade kan aantonen ten gevolge van de fout, is er geen aanleiding om een
hogere verrekening toe te kennen aan appellante dan de 12.500 BEF die de
koopwaar uiteindelijk heeft opgebracht. d. 1. Ten
onrechte heeft de eerste rechter de opbrengst van 12.500 BEF (exclusief BTW,
aangezien deze hoe dan ook dient doorgestapt te worden door geïntimeerde
aan de fiscale overheid) niet in rekening gebracht voor de aftrek van wat
uiteindelijk door appellante verschuldigd is. 2. Ten
onrechte wenst geïntimeerde dit bedrag als schadevergoeding ex art. 1382
B.W. voor zich te houden. Geïntimeerde
heeft weliswaar onterecht de goederen teruggebracht in de mening verkerend
dat zij hiermee niet tot betaling van de goederen zou zijn gehouden. Dit
maakt evenwel geen fout ex art. 1382 B.W. uit. Nog
minder toont geïntimeerde enige concrete schade aan. e. 1. Op
grond van art. 78 Weense Koopverdrag kan geïntimeerde aanspraak maken op
een intrest, onverminderd haar recht op een schadevergoeding overeenkomstig
ad. 74 van zelfde verdrag. Waar
geïntimeerde geen schade aantoont en anderzijds evenmin een overeenkomst
nopens werkdadig schadebeding dan ook, kan zij “slechts” aanspraak maken
op een intrest. Het
past de intrestvergoeding te doen lopen vanaf 17 juni 1998. Een passende
vergoeding bestaat uit de Belgische wettelijke rentevoet vermeerderd met 2%
die verder loopt ook na dagvaarding. 2. Waar
zij door de eerste rechter een hoofdsom uit hoofde van factuurbedrag van
165.582 BEF of 4.104,67 EUR is toegekend, past het dan ook het bedrag van
12.500 BEF hiervan af te trekken, zodat er in hoofdsom 153.082 BEF of
3.794,80 EUR overblijft, waarop vanaf 17 juni 1998 een intrestvergoeding
wordt toegekend gelijk aan de Belgische wettelijke rentevoet, vermeerderd
met zal tot aan de uiteindelijke betaling. III. Rekening
houdend met de mate van ieders gelijk past het de rechtsplegingsvergoedingen
verbonden aan onderhavige beroepsprocedure te compenseren en het rolrecht ad
185,92 EUR ten laste te leggen van geïntimeerde. De
verdeling van de gerechtskosten in het vonnis a quo wordt behouden. OP
DEZE GRONDEN, HET
HOF, Recht
doende op tegenspraak Toepassing
wakend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in
gerechtszaken; Verklaart
het hoger beroep ontvankelijk en in beperkte mate gegrond: Bevestigt
het bestreden tussenvonnis van 5 oktober 1999; Bevestigt
het bestreden eindvonnis van 4 april 2000 met dien verstande dat de bedragen
waartoe appellante wordt veroordeeld in beperkte mate worden verminderd en
het disposities ter zake van de concrete bedragen dient te worden aangepast
en de veroordeling te worden gelezen als volgt: “Veroordeelt
appellante tot betaling aan geïntimeerde van de som van 3.794,80 EUR, meer
vanaf 17 juni 1998 een intrestvergoeding gelijk aan de Belgische wettelijke
rentevoet, vermeerderd met 2% tot aan de uiteindelijke betaling.” Veroordeelt
geïntimeerde tot het rolrecht van de beroepsakte, vastgesteld op 185,92 EUR
en zegt voor recht dat de overige gerechtskosten verbonden aan de
beroepsprocedure ten laste blijven van wie ze gemaakt heeft. (…)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 16-05-2012 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |