|
|
|
Case Identification
Date of Decision: 7 May 2003 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt Case Number: AR. 03/1493 Parties: J. v. F Seller’s Country: Belgium (Plaintiff) Buyer’s Country: France (Defendant) Goods Involved: Car spare parts Judges: P. Vanhelmont, R. Hoedemakers, Claes Status: Unpublished Classification of
issues present
Application of CISG: Yes Provisions of the CISG applied: Arts. 31 Jurisdiction - Brussels I Regulation art. 23 – practice between the
parties – in Dutch – not proved that French buyer understood Jurisdiction - Brussels I Regulation art. 5.1. – sale – place of
delivery – obligation included transportation, no incoterm – according
to CISG – place of handing over to first carrier – Belgium – Belgian
court has jurisdiction Proceedings stayed in accordance with Service Regulation, art. 19 – must
be shown that defendant was served. Text of the
Decision
De rechtbank van koophandel te Hasselt, eerste kamer heeft
het volgende vonnis uitgesproken : in zake: A. R. 03/1493 <J.> handeldrijwend onder de naam
"T.S.B." die woont te 3540 HERK-DE-STAD... en die ingeschreven is
in het handelsregister te Hasselt…; aanleggende partij die verschijnt door meester P.
Schruers, advocaat te 3500 Hasselt…; tegen : <F.>, die woont te 69760 LIMONEST-FRANKRIJK…; verwerende partij, die niet verschenen is ter zitting van
23 april 03 en tegen wie een vonnis bij verstek is gevorderd. Volgt het vonnis. Bij inleidend exploot van het ambt van gerechtsdeurwaarder
G. Gemis te Genk van 6 maart 03 liet eisende partij dagvaarding uitreiken
aan verweerder teneinde deze te doen veroordelen in betaling van €
4.537.01 te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten op € 4.267,96
sedert 3 februari 03 tot de dag der algehele betaling de gerechtelijke
interesten en de kosten. Bij conclusies neergelegd ter zitting van 23 april 03
heeft eiser de vordering uitgebreid met een factuur van 29 augustus 02 ad
€ 1.580.31 en anderzijds de eis voor wat de interesten betreft herleid,
als volgt: hoofdsom niet geprotesteerde facturen
€ 5.848,27 Forfaitaire schadevergoeding
€ 584,82
€ 6.433,09 te vermeerden met de wettelijke interesten op € 6.433.09
sedert de factuurdatum en de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding
tot de datum der algehele betaling. Ter zitting van 23 april 03 is Mr. P. Schruers verschenen
voor eisende partij; verwerende partij is niet verschenen, noch iemand voor
hem; Mr. Schruers heeft een vonnis bij verstek gevorderd, de rechtbank heeft
verstek verleend. IN FEITE: De eis heeft betrekking op de niet betaalde prijs van niet-geprotesteerde facturen voor verkopen door een Belgische eisende partij aan een buitenlandse koper. De factuurvoorwaarden voorzien enkel in het Nederlands dat uitsluitend rechtbevoegdheid wordt toegekend aan de rechtbank van Hasselt. Volgens eiser hebben de Belgische rechtbanken internationale rechtsmacht omwille van het bevoegdheidsbeding. Eiser toont ook aan dat partijen courante handelsbetrekkingen hadden waarbij de factuurvoorwaarden gebruikt werden Bovendien acht eiser de Belgische rechtbanken bevoegd op basis van art. 5.1 EEX-Vo. Het gaat hier om levering van auto-onderdelen die door verweerder in Herk-de-Stad werden afgehaald. Bovendien dient verweerder overeenkomstig art. 57 van het Weens Koopverdrag te betalen op de plaats van de vestiging van de verkoper.
BEOORDELING: Voorafgaand aan de vraag naar haar bevoegdheid dient de
rechtbank na te gaan of zij internationale rechtsmacht heeft,
rekeninghoudend met het onderwerp, de hoedanigheid van de partijen en de
geografische plaats van de betwisting (zie Born H ., Fallon M . en Van
Boxstael J.-L., Droit judiciaire international. Chronique de jurisprudence. 199l-98,
Larcier. Brussel. 2001, p. 54). Ter zake is sinds 1 maart 02 de EEX-Vo van toepassing
vermits verwerende partij woonachtig is in Frankrijk waar de EEX-Vo van
toepassing is. Overeenkomstig art. 26.1 EEX-Vo dient de rechter zich
onbevoegd te verklaren wanneer de verwerende partij met woonplaats op het
grondgebied van een verdragsluitende staat voor een gerecht van een andere
verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, indien zijn
bevoegdheid niet berust op de bepalingen van de verordening. De rechtsmacht van de Belgische rechtbanken zou kunnen
gebaseerd zijn op art. 23 EEX-Vo. Dat geeft rechtsmacht aan het gerecht van
een verdragsluitende staat dat de partijen hebben aangewezen voor de
kennisneming van geschillen welke naar aanduiding van een bepaalde
rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. Art. 23 bepaalt verder
hoe de overeenkomst dient gesloten te worden. Voor dit geschil is van belang dat deze overeenkomst kan
worden gesloten in een vorm, die wordt toegelaten door de handelwijzen die
tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden. Dit betekent dat partijen
onderworpen zijn aan forumbedingen, die voorkomen in hun algemene
voorwaarden, waaraan ook hun vroegere transacties waren onderworpen. Indien
partijen geregeld geconfronteerd worden met dezelfde voorwaarden, worden zij
vermoed om - behoudens laakbare onzorgvuldigheid - kennis te hebben gekregen
van het forumbeding dat in deze algemene voorwaarden is vervat. Indien zij
hiertegen nooit hebben geprotesteerd, zijn zij verondersteld met het
forumbeding te hebben ingestemd (Van Houtte H., Uitsluitende
Bevoegdheidsgronden in Van Houtte H. en Pertegas Sender M., Europese
I.P.R.-verdragen, Acco Leuven, 1997, 55, randnummer 2.22). Deze
regel is niet anders onder de EEX-Vo dan onder het EEX-verdrag. Eiser toont nochtans niet aan dat verweerder in staat is
haar Nederlandstalige algemene voorwaarden te begrijpen. Bedingen in een
voor de wederpartij vreemde taal de toepassing van art. 23 EEX-Vo een
probleem (Van Houtte H., "Uitsluitende bevoegdheidsgronden" in Van
Houtte H. en Pertegas Sender M (eds) Europese I.P.R.-verdragen. Acco
Leuven l997, 55 randnummer 2.22). In die omstandigheden is de rechtbank
van oordeel dat het bevoegdheidsbeding niet beantwoordt aan de voorschriften
van art. 23 EEX- Vo. Overeenkomstig art. 5.1 a EEX-Vo kan de verwerende partij,
die woonplaats heeft in een andere verdragsluitende staat, worden opgeroepen
voor de gerechten van een andere verdragsluitende staat ten aanzien van
verbintenissen uit overeenkomst voor het gerecht van de plaats, waar de
verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden
uitgevoerd. Ingevolge art. 5.l b EEX-Vo is tenzij anders is
overeengekomen voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken de
plaats van uitvoering van de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt,
de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd
werden of geleverd hadden moeten worden. Art. 31 van het Weens Koopverdrag bepaalt dat de levering
bestaat uit het ter beschikking stellen van de zaken of wanneer de
koopovereenkomst het vervoer insluit, uit het afgeven van de goederen aan de
eerste vervoerder. Hier stelt eiser dat verweerder de goederen afhaalde, de
facturen houden nochtans de kosten van vervoer in maar vermelden geen
Inco-terms. Wat er ook van zij, in de betekenis van art. 31 van het Weens
Koopverdrag vond de levering plaats in België (het is onverschillig of
verweerder de goederen afhaalde dan wel dat eiser ze afgaf aan de eerste
vervoerder vermits de verkoop blijkbaar tevens het vervoer van de zaken
omvatte) en hebben overeenkomstig art. 5.1 b EEX-Vo de Belgische rechtbanken
ter zake rechtsmacht. Wanneer, zoals hier, verweerder niet verschijnt dient de
rechter overeenkomstig art. 19.1 van de Betekeningverordening zijn
beslissing aan te houden totdat gebleken is dat, hetzij van de dagvaarding
betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de in de wetgeving
van de aangezochte lidstaat voorgeschreven vormen voor de betekening of
kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en voor zich op het
grondgebied van dat land beginnende personen bestemd zijn, hetzij de
dagvaarding aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven
op een andere in de verordening geregelde wijze en dat de betekening of
kennisgeving, respectievelijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de
verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren. Uit het aan de dagvaarding gehechte blijkt wel dat de
dagvaarding werd gepost met het adres van verweerder, hierboven vermeld en
aan een gerechtsdeurwaarder te Lyon, maar er blijkt niet te uit dat de post
de stukken aan verweerder heeft kunnen overmaken of dat de
gerechtsdeurwaarder met inachtneming van de in de wetgeving van de Franse
voorgeschreven vormen voor de betekening of kennisgeving van stukken, die in
Frankrijk zijn opgemaakt en voor zich in Frankrijk bevindende personen
bestemd zijn, heeft betekend of er kennis van heeft gegeven. De rechtbank
dient dus overeenkomstig art. 19.l Betekeningsverordening haar beslissing
aan te houden. Overeenkomstig art. 807 Ger. W. kan een eis die voor de
rechter aanhangig is uitgebreid worden, indien de nieuwe op tegenspraak
genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding
aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Wanneer in de inleidende dagvaarding de betaling wordt
gevorderd van een factuur is de eisuitbreiding, die betrekking heeft op een
andere factuur voor een ander werk niet ontvankelijk daar deze
eisuitbreiding niet berust op een feit in de inleidende dagvaarding
aangevoerd (Antwerpen, tweede kamer, 26 april 1994, niet gepubliceerd inzake
N.V. Indusco/.V.Diliën). Nu de rechtbank een en ander ambtshalve omwerpt worden in
dat verband de debatten heropend. De voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de wet van 15
juni op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd: Om D EZE REDENEN, beslist de rechtbank, na beraadslaging, bij verstek: zegt dat de Belgische rechtbanken rechtsmacht hebben
overeenkomstig de EEX-Vo: alvorens uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van de
eis en de uitbreiding van de eis. heropent ambtshalve de debatten, stelt de zaak daartoe ter zitting van 4 juni 03 om 9h30. behoudt de kosten voor. verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad ondanks alle
verhaal en zonder borgstelling. (…)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |