|
|
|
Case Identification Date of Decision: 19 March 2003 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Veurne Case Number: A/01/00392 Parties: CVBA L. v. E.G. BV Seller’s Country: Belgium (Plaintiff) Buyer’s Country: Netherlands (Defendant) Goods Involved: Leek Judges: M. Pattyn, L. Tulpin, P. Deseyne Status:
Unpublished Classification
of issues present
Application
of CISG: Yes Application of CISG – Both parties from Contracting states; Court finds applicable despite fact that parties said nothing about CISG CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(a), 9, 11, 18, 19, 39, 53, 55, 57, 78 & 100 Seller performed obligations - Buyer did not complain in time - Buyer liable to pay price Interests - EC Directive, 29 June 2000 - 10% Text of the Decision CVBA L, met maatschappelijke zetel te 8650 Houthulst (...), ingeschreven in het handelsregister te Veurne (...), eiseres op hoofdeis, verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman, Mr. Rik Ascrawat, advocaat te 8630 Veurne (...), - tegen : - E.G. BV,
met maatschappelijke zetel te 8311AA Espel (Nederland) (...), ingeschreven
in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor
Flevoland (...), verweerster op hoofdeis, eiseres op tegeneis, hebbende als raadsman, Mr. Arnoud Declerck, advocaat te 8530 Harelbeke (...), voor wie ter zitting pleit Mr. Joris Verhelst, advocaat te 8530 Harelbeke.
Gelet op de art. 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935. Gezien de dagvaarding dd. 18 mei 2001 ; Gezien de door partijen neergelegde conclusies en stukken ; Gehoord de partijen ter zitting van 19 februari 2003 waarop de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld ter zitting van 19 maart 2003 ; De feiten en de vorderingen. Standpunten van partijen.1. Bij dagvaarding vordert eiseres ten aanzien van verweerster de betaling van 793.871 BEF of 19.679,55 EUR in hoofdsom, met de “vergoedende” interest vanaf 4 april 2001 tot 18 mei 2001 en met de gerechtelijke rente vanaf 18 mei 2001. In de dagvaarding zet eiseres uiteen dat verweerster, ondanks diverse ingebrekestellingen, “pertinent” weigert om geleverde prei te betalen ten bedrage van voormeld bedrag (“BTW inclusief”). 2. Verweerster voert aan dat het deze rechtbank aan rechtsmacht ontbreekt om van voormelde eis kennis te nemen. Subsidiair is de vordering van eiseres in ieder geval ongegrond nu er géén koopovereenkomst werd gesloten voor de levering van (slechts) zeven vrachten prei tegen een vrije marktprijs. Integendeel werd een koopovereenkomst gesloten voor de levering van in totaal 4 hectare prei (waarvan eiseres slechts de helft geleverd heeft) tegen eerder vooropgestelde, vaste eenheidsprijzen (naargelang van de kwaliteitsklasse en de leveringsperiode). Hieromtrent wordt het getuigenbewijs aangeboden ; minstens wordt aangedrongen op een persoonlijke verschijning van de partijen. Bij tegeneis vordert zij dan de veroordeling van hoofdeiseres in betaling van 174.824 BEF of 4.333,77 EUR, zijnde het saldo dat bekomen wordt bij aftrek van hetgeen aan hoofdeiseres toekomt uit hoofde van de geleverde zeven vrachten (437.061 BEF of 10.834,46 EUR) van hetgeen voor de ontbrekende 2 hectare prei noodgedwongen werd betaald aan een andere leverancier (nl. 611.885 BEF of 15.168,23 EUR). 3. In conclusies verwerpt hoofdeiseres het verweer en de tegeneis, evenals de exceptie van onbevoegdheid. Zij voert aan dat verweerster ten onrechte poogt haar alsnog een contract op te dringen (betreffende de opbrengst van 4 hectare), dat nooit werd afgesloten ; in dat verband produceert verweerster zelfs valse stukken die zij achteraf heeft gefabriceerd. Beoordeling. 1.
Exceptie
van onbevoegdheid (internationale rechtsmacht). Eiseres vordert betaling van de prijs n.a.v. een internationale verkoop van roerende goederen (nl. prei). Eiseres voert aan dat de overeenkomst werd afgesloten in januari 2001, terwijl verweerster voorhoudt dat ze in december 2000 tot stand is gekomen. Alleszins situeren de leveringen zich in de periode januari-februari 2001 (cf. bundel eiseres, stukken nrs. 1 t.e.m. 7). Verweerster voert lapidair aan dat zij “ingevolge art. 2 en 5.1 van het EEX-verdrag slechts (kan) worden gedagvaard voor de materieel en territoriaal bevoegde rechtbank te Nederland van de plaats waar (haar) zetel gevestigd is en waar de betalingsverbintenis moet worden uitgevoerd”. Eiseres van haar kant beperkt zich tot een citaat uit de rechtsleer waarin sprake is van o.a. het Haagse IPR-Verdrag van 15 juni 1955 en de zgn. Eenvormige Koopwetten van 1 juli 1964. Nochtans hebben zowel België als Nederland de beide Haagse Verdragen van 1 juli 1964 (zg. EKW en EKWT) opgezegd (België met ingang van 1 november 1997 en Nederland met ingang van 1 januari 1992), terwijl het IPR-Verdrag van 1955 ook al door België werd opgezegd (cf. Belgisch Staatsblad, 30 juni 1999, blz. 24535). Met ingang van 1 september 1999 is het Haags IPR-Verdrag van 1955 alhier buiten werking en dient ook voor koopovereenkomsten de verwijzingsregel in principe gehaald te worden uit het zg. Europees Overeenkomstenverdrag of EVO (Verdrag van Rome dd. 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomst), dat alhier sinds 1 april 1991 trouwens als het gemeen conflictenrecht inzake contracten geldt (cf. J. Meeusen, “Belgisch internationaal contractenrecht in Europees perspectief ” in : X., “Overeenkomstenrecht”, Verslagboek van de XXVIste postuniversitaire cyclus Willy Delva 1999-2000, p. 379 e.v., inz. p. 385, nr. 486 en p. 387, nr. 489 ; M. Traest, « De opzegging door België van het Haagse Verdrag van 15 juni 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet », DAOR, afl. 50, 1999, blz. 45-47). De rechtbank stelt daarbij ook vast dat de partijen zich hoegenaamd niet bekommeren om de toepassing van het zg. Weens Koopverdrag (Verdrag der Verenigde Naties van 11 april 1980 inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken – « Convention on Contracts for the International Sale of Goods » of CISG), niettegenstaande zij beiden gevestigd zijn in verdragsluitende staten (in België is het CISG in werking getreden op 1 november 1997 en in Nederland op 1 januari 1992). Bovendien regelt dat verdrag (o.a.) specifiek de totstandkoming van een internationale koopovereenkomst (waar in casu toch wel enige discussie over bestaat tussen de partijen) ; omgekeerd ligt er geen enkele aanduiding voor dat de partijen de toepassing van het CISG conventioneel zouden uitgesloten hebben (cf. art. 4 en 6 van het CISG). Krachtens art. 1.1.a) van het CISG is het van toepassing op koop-verkoopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende staten gevestigd zijn, wanneer die staten verdragsluitende staten zijn ; aldus omschrijft het CISG rechtstreeks de eigen territoriale toetsingscriteria, zonder dat nog een omweg moet gebeuren via de verwijzingsregels (cf. J. Meeusen, o.c., nr. 490, p. 388). Waar in casu de koop-verkoopovereenkomst in elk geval (d.w.z. zowel volgens eiseres als volgens verweerster) dateert van na het tijdstip dat het Weens Koopverdrag in beide landen in werking is getreden, is ook op dat punt de door art. 100.2 van het CISG gestelde voorwaarde vervuld. Derhalve staat het vast dat onderhavige zaak dient beslecht te worden met inachtneming van de bepalingen van het CISG. Alsdan bepaalt art. 57.1.a. CISG dat, behoudens andersluidende overeenkomst (die in casu weliswaar impliciet lijkt te worden aangevoerd maar door verweerster geenszins wordt bewezen), de koper dient te betalen ter plaatse van de vestiging van de verkoper. Derhalve moet de litigieuze betalingsverbintenis van verweerster worden uitgevoerd ter plaatse van de vestiging van eiseres te Houthulst (gerechtelijk arrondissement Veurne), zodat deze rechtbank rechtsmacht heeft op basis van art. 5.1 van het EEX-Verdrag (dat bepaalt dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een door het EEX-Verdrag gebonden staat, in een andere door het EEX-Verdrag gebonden staat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, uitgevoerd is of moet worden uitgevoerd). Louter volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat de vordering werd ingesteld vóór 1 maart 2002, zodat de nieuwe regeling inzake koop-verkoop van roerende lichamelijke zaken zoals voorzien door art. 5.1.b van de EEX-Verordening nr. 44/2001, alhier niet van toepassing is (cf. art. 66 van de EEX-Vo).
2.
Ten
gronde. 2.1. Partijen discussiëren nopens het tijdstip en de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en – mede als gevolg daarvan – nopens de omvang en de draagwijdte van de wederzijdse verbintenissen. Eiseres houdt voor dat zij eerder het slachtoffer is geweest van een “chantagepraktijk” van verweerster, nl. aangaande een eerder gesloten koopovereenkomst betreffende de oogst van het seizoen 1999-2000. Alsdan had verweerster zich volgens contract d.d. 15 maart 1999 ertoe verbonden de volledige preioogst van 6 hectare aan te kopen tegen een vooraf vastgestelde eenheidsprijs. Toen bij de levering de marktprijs lager uitviel dan de overeengekomen prijs, dreigde verweerster de levering af te keuren, zodat eiseres noodgedwongen is moeten akkoord gaan met een lagere prijs dan contractueel voorzien. Eiseres heeft geweigerd om een gelijkaardig contract dat haar m.b.t. de litigieuze oogst van het seizoen 2000-2001 door verweerster in de maand juli 2000 werd toegestuurd, te ondertekenen. Op een later door verweerster in de maand december 2000 mondeling geformuleerd aanbod tot aankoop, is eiseres evenmin willen ingaan vanwege een te lage aankoopprijs. Uiteindelijk heeft eiseres, n.a.v. een telefonische contactname vanwege verweerster in januari 2001, aangeboden om een partij prei van ongeveer 2 ha 20 a (of 7 vrachten) te verkopen tegen marktprijs, hetzij 0,37 EUR per kg. Hiermede heeft verweerster ingestemd. Verweerster van haar kant ontkent niet dat eiseres het in juli 2000 toegestuurde schriftelijk contract m.b.t. de oogst van het seizoen 2000-2001 niet ondertekend heeft. Verweerster beweert echter dat zij, n.a.v. een bezoek d.d. 5 december 2000 aan de preivelden van haar Belgische leveranciers, door een tussenpersoon (een zekere Crétien) werd voorgesteld om ook de preivelden van eiseres te bezoeken, gezien eiseres alsnog interesse had betoond om toch prei te leveren aan verweerster. Per brief d.d. 6 december 2000 heeft verweerster dan aan eiseres bevestigd dat zij 4 hectare prei zou afnemen volgens de modaliteiten van het eerder toegestuurde contract (dat niet getekend werd). Deze brief eindigt met de zinsnede “Indien wij binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief geen reactie van u hebben ontvangen dan gaan wij ervan uit dat u akkoord gaat met het gestelde in de koopovereenkomst” (bundel verweerster, stuk nr. 4). Eiseres ontkent deze brief te hebben ontvangen. Feit is dat in de periode van 29 januari 2001 tot 20 februari 2001 er zeven vrachten van telkens 28 volle kratten prei van bij eiseres naar verweerster zijn gegaan (bundel eiseres, stukken nrs. 1 t.e.m. 7). Deze vrachten werden afgehaald bij eiseres en vervoerd van België naar Nederland door een door verweerster aangestelde transporteur, op kosten van verweerster. Per brief d.d. 7 maart 2001 deelt verweerster mede dat de laatste 2 vrachten (van 19 en 20 februari 2001) “erg slecht van kwaliteit (waren) en niet acceptabel” ; verweerster dringt daarbij wel aan op de levering van nog 2 hectare prei volgens “de gemaakte afspraken voor de levering van 4 ha. prei”. (bundel eiseres, stuk nr. 8). Per brief d.d. 4 april 2001 van de raadsman van eiseres wordt de brief d.d. 7 maart 2001 van verweerster geprotesteerd (evenals alle aanspraken die er in vervat zijn). Eiseres geeft haar eigen versie van de feiten (zoals hierboven aangehaald). Verdere briefwisseling (van verweerster d.d. 23 april 2001 en van de raadsman van eiseres d.d. 4 mei 2001) brengt geen soelaas. Op 18 mei 2001 wordt de dagvaarding betekend. 2.2. Art. 11 CISG bepaalt dat een koopovereenkomst niet door een geschrift moet gesloten of bewezen worden (en aan geen ander vormvereiste onderworpen is) ; een koopovereenkomst kan door alle middelen (waaronder getuigen) bewezen worden. Deel II van het Weens Koopverdrag handelt specifiek over de totstandkoming van de overeenkomst (art. 14-24 CISG). Onder meer art. 19 CISG houdt strikte regels in terzake van aanbod, aanvaarding en wijziging van voorwaarden, waarbij steeds volledige wilsovereenstemming nodig is vooraleer het contract tot stand komt. Art. 18.1 CISG bepaalt o.a. dat stilzwijgen of niet reageren op zichzelf niet als aanvaarding geldt. Daartegenover staat dan weer art. 9 CISG, dat de bindende kracht vooropstelt van gewoonten en handelsgebruiken. Waar verweerster laat gelden dat eiseres niet gereageerd heeft binnen 7 dagen na de toezending van de hogervermelde brief d.d. 6 december 2000, waardoor de overeenkomst tot stand gekomen is (met de inhoud en de draagwijdte zoals in deze brief bevestigd wordt), dient allereerst vastgesteld te worden dat eiseres uitdrukkelijk de ontvangst ontkent van de bewuste brief. Verweerster bewijst niet dat eiseres de voorgelegde brief d.d. 6 december 2000 ontvangen heeft en kennis heeft genomen van de inhoud ervan. Het valt trouwens op dat verweerster van deze brief eerst gewag heeft gemaakt, toen de moeilijkheden tussen partijen reeds begonnen waren, in haar (tweede) brief d.d. 23 april 2001, nadat de raadsman van eiseres reeds per brief d.d. 4 april 2001 de aanspraken van verweerster integraal had betwist. In haar (eerste) brief d.d. 7 maart 2001 heeft verweerster de bewuste brief d.d. 6 december 2000 niet eens aangehaald noch melding ervan gemaakt. Nochtans voelde verweerster zich geroepen om reeds in die brief de wijze te schetsen waarop – volgens haar – de overeenkomst tot stand gekomen was. Letterlijk schrijft verweerster : “Ondanks het feit dat u het contract niet getekend hebt teruggestuurd wilde u de prei, die wij hebben gezien, aan ons leveren op de voorwaarden conform het door ons gestuurde contract. Hiermee zijn wij beiden mondeling akkoord gegaan en de heer Cretien van Novartis is hiervan op de hoogte” (bundel eiseres, stuk nr. 8). Het komt de rechtbank logisch en aannemelijk voor dat, indien verweerster deze afspraak schriftelijk had bevestigd per brief d.d. 6 december 2000, zij daarvan melding zou gemaakt hebben in haar brief d.d. 7 maart 2001 (wat niet gebeurd is). Vervolgens merkt de rechtbank op dat verweerster, door haar bovenvermelde handelwijze (en in de veronderstelling dat eiseres wel de voorgelegde brief d.d. 6 december 2000 zou ontvangen hebben), een stilzwijgende aanvaarding aan eiseres heeft willen opdringen. Zulks gaat in principe niet onder de gelding van art. 18.1 CISG en er wordt geen overeenkomst, geen gewoonte en geen handelsgebruik aangevoerd – laat staan bewezen – waardoor het niet reageren van eiseres op de beweerde brief d.d. 6 december 2000 alsnog als stilzwijgende aanvaarding zou moeten uitgelegd worden (cf. H. Van Houtte e.a., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, nr. 3.32). Integendeel blijkt uit de uitvoerige feitelijke uiteenzetting die verweerster in conclusies geeft, dat zij “gelet op de reusachtige afnamevolumes van haar eigen cliëntèle, (…) eenvoudigweg nooit groenten via een dergelijk kleinschalig systeem van “een of meer vrachten” (aankoopt). Zij werkt systematisch slechts aan de hand van voor elke teler (quasi-)identiek geredigeerde standaardcontracten, waarbij zoals algemeen gebruikelijk in de sector slechts groenten per hectare worden aangekocht (…)” (conclusie ingediend op 20 december 2002, blz. 11).
2.3. Feit is dan wel dat, volgens de voorgelegde vervoerdocumenten, er 7 vrachten van telkens 28 volle kratten prei door eiseres aan verweerster geleverd werden in de periode van 29 januari 2001 tot 20 februari 2001. M.b.t. die vrachten is er tussen partijen eigenlijk geen discussie dat ze gebeurd zijn in uitvoering van een tussen hen afgesloten koopovereenkomst, wat voor verweerster de (evidente) verplichting meebrengt om te betalen (art. 53 CISG). Enkel zou de prijs niet bepaald zijn (volgens verweerster) maar op grond van art. 55 CISG dient dan in casu de vrije marktprijs te worden toegepast.
2.4. Waar verweerster naspeurbaar voor het eerst per brief d.d. 7 maart 2001 de laatste 2 vrachten (van 19 en 20 februari 2001) geweigerd heeft, dient vastgesteld te worden dat – gelet op de aard van de goederen (verse groenten) – deze kennisgeving niet gebeurd is binnen de redelijke termijn welke in art. 39.1 CISG daartoe voorzien is, waarbij er uiteraard (om dezelfde reden, nl. het bederfelijk karakter van de goederen) van dient uitgegaan te worden dat verweerster onmiddellijk na de aflevering van de goederen door de transporteur in haar werkhuizen, tot de door art. 38 CISG vereiste keuring is overgegaan (of alleszins had moeten overgaan). Bijgevolg dient verweerster ervan vervallen verklaard te worden om zich op de beweerde niet-conformiteit te beroepen tegenover eiseres. Verweerster betwist overigens niet, zoals eiseres aanvoert, dat de groenten reeds verwerkt waren toen per brief d.d. 7 maart 2001 (méér dan 2 weken na de levering) kennis werd gegeven van het feit dat de 2 bewuste vrachten “niet acceptabel” zouden geweest zijn ; enige tegensprekelijke controle was m.a.w. niet eens meer mogelijk.
2.5. Verweerster bewijst niet dat eiseres zich tot méér verbonden heeft dan de 7 vrachten prei die effectief geleverd werden. Op het aanbod van getuigenbewijs gaat de rechtbank in casu niet in. Een getuigenbewijs, dat een buitengewoon bewijsmiddel is, moet niet verplicht door de rechter toegelaten worden en hij beslist soeverein indien het bruikbaar of dienstig is (Cass., 13 maart 1997, J.L.M.B., 1997, 1396 ; Cass., 16 september 1996, Arr. Cass., 1996, 754). Ook in handelszaken moet dit buitengewoon middel met grote omzichtigheid benaderd worden, temeer wanneer blijkt dat degene die de machtiging vraagt, dit moet doen op grond van zijn eigen nalatigheid om ten gepaste tijde te zorgen voor de schriftelijke vastlegging der verbintenis(sen) wanneer zulks mogelijk was (cf. M.E. Storme, “De goede trouw in het geding”, T.P.R., 1990, blz. 523, nr. 128 in fine ; Gent (7de kamer), 17 december 1981, A.R. 10.703/79), of wanneer hij zelf aan de basis ligt van de geschapen onduidelijkheid (Gent, 26ste kamer, 21 december 1999, A.R. 1996/2372). Een persoonlijke verschijning van de partijen is zinloos, nu zij hun wederzijdse standpunten uitvoerig in conclusies hebben uiteengezet ; de rechtbank ziet niet in welke nieuwe elementen een persoonlijke verschijning nog zou kunnen bijbrengen. 3. De conclusie van het voorgaande is dat de hoofdeis principieel gegrond is en de tegeneis ongegrond. M.b.t. het netto-gewicht van de geleverde vrachten dient, gezien de specifieke omstandigheden van de zaak en gelet op de gangbare werkwijze in de sector van de groentenverwerkende nijverheid, uitgegaan te worden van de door verweerster in haar afrekening d.d. 23 april 2001 opgegeven netto-hoeveelheden, hetzij in casu een totaal van 47.752 kg voor de 7 vrachten samen (bundel verweerster, stuk nr. 7). Eiseres bewijst trouwens van haar kant niet dat grotere netto-hoeveelheden zouden moeten verrekend worden. Anderzijds dient op basis van de voorgelegde stukken (bundel eiseres, stuk nr. 17) een marktprijs van 0,37 EUR/kg toegepast te worden. Eiseres kan evenwel geen B.T.W. in rekening brengen, gezien zij vooralsnog geen factuur met aanrekening van B.T.W. heeft uitgeschreven en het bovendien gaat om (intracommunautaire) uitvoer, welke van belasting vrijgesteld is (art. 39 BTW-Wetboek). De hoofdeis is dienvolgens gegrond ten belope van 47.752 kg x 0,37 EUR/ kg = 17.668,24 EUR in hoofdsom. 4. Eiseres kan aanspraak maken op rente wegens laattijdige betaling in toepassing van art. 78 CISG. Nochtans bepaalt het CISG zelf de interestvoet niet. In de rechtsleer wordt verdedigd aan het begrip “rente” in art. 78 CISG een “transnationale inhoud” te geven (cf. H. Van Houtte, “Het Weens Koopverdrag in het Belgisch Recht ”, T.B.H., 1998, p. 344 e.v., inz. nr. 33, p. 352-353 ; K. Roox, noot onder Kh. Ieper, 29 januari 2001, R.W., 2001-2002, p. 1398 e.v., inz. nr. 8, p. 1401). Zowel Nederland als België zijn EU-lidstaten die de Richtlijn van 29 juni 2000 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties hebben moeten omzetten. De rechtbank kent de aldaar voorziene rente toe, hetzij tegen een voet van 10 % per jaar zoals hierna bepaald (zijnde vanaf de datum dat eiseres rente vordert). 5. Waar eiseres in de dagvaarding op stereotiepe wijze de uitsluiting vordert van de mogelijkheid tot kantonnement – wat een principieel recht is voor de schuldenaar –, dient zij te bewijzen dat de vertraging in de regeling haar aan een ernstig nadeel blootstelt en volstaat een dergelijke bewering niet. Nu eiseres terzake geen bewijzen voorlegt, kan op haar verzoek tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement niet worden ingegaan. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak, alle verdere besluiten afwijzend, verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate : veroordeelt hoofdverweerster B.V. ENVOORT GROENTEN om aan hoofdeiseres C.V.B.A. L & K te betalen de som van zeventienduizend zeshonderd achtenzestig euro, vierentwintig cent (€ 17.668,24), te vermeerderen met de rente à rato van 10 % per jaar vanaf 4 april 2001 tot aan de betaling; wijst het méérgevorderde van de hoofdeis af als ongegrond ; verklaart de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond ; veroordeelt hoofdverweerster B.V. ENVOORT GROENTEN tot de kosten van het geding, deze gevallen aan de zijde van hoofdeiseres C.V.B.A. L & K begroot op : - dagvaarding en rolrecht : 299,73 EUR - rechtsplegingsvergoeding : 334,66 EUR
634,39 EUR ; verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |