|
|
|
Case Identification Date of Decision: 15 May 2002 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Hof van
Beroep, Gent Case Number: 2001/AR/0180 Case History: Appealed from Rechtbank van Koophandel, Ieper, 27 November 2000 Parties: Seller’s Country: Buyer’s Country: Goods Involved: Judges: B. Schoonjans, A. Deene, L. Thabert Status: Published in Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht, 2003, 155; note by E. Bodson and Thalia Kruger Classification of issues present Application of CISG: Yes CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(b), 6, 7, 11, 29 and 57 Applicaton of CISG - parties chose French law - CISG applicable on France Jurisdiction - Art. 5(1) Brussels Convention - place of performance - payment at residence of seller - Belgian court has jurisdiction 'letter of intent' - no definite juridical meaning - content is important - not contract, but may gradually become contract Contractual obligations - may be modified by consent between parties Notion of good faith under CISG
English Summary A Belgian seller negotiated with a French buyer to produce the plastic holders for pagers and to integrate the pagers in these. The negotiations were represented in a signed ‘letter of intent’, but it was made clear that that was not a contract. Subsequent market changes led to further correspondence. The seller sued the buyer in the Rechtbank van Koophandel (Commercial Court) of Ieper and in a judgment of 27 November 2000 the court declared that it lacked jurisdiction. The seller appealed to the Hof van Beroep (Court of Appeal) of Ghent. To determine its jurisdiction, the Court applied the Brussels Convention (1968) on Jurisdiction and the Recognition and Enforcement of Judgments in Civil and Commercial Matters, in force in the European Union. Article 5 determined that the court of the place of performance (in this case payment) had jurisdiction. The place had to be determined according to the applicable law. The parties had agreed that French law would be applicable and, since France was a party to the CISG, that Convention had to be applied. Article 57 determined that payment should be made at the residence of the seller, thus Belgium, and therefore the Belgian courts had jurisdiction. The next question was the formation of the contract. The court stated that in reality there was not always a clearly definable offer and acceptance as set out in the CISG. He deduced the existence of a contract in the light of the facts and the notion of good faith (art. 7), despite the name ‘letter of intent’ given by the parties.
Text of the Decision In de zaak van N.V. A.R. (…), met maatschappelijke zetel gevestigd te 8900 leper (…),
ingeschreven in het handelsregister te leper (…) APPELLANTE, hebbende als raadsman Meester Marc De Vlieghere, advokaat te
8501 Kortrijk (…),
tegen
N.V, naar Frans recht I., met maatschappelijke zetel gevestigd te
78280 Guyancourt (Frankrijk) (…), ingeschreven in het handelsregister van
Versailles (…), woonplaats gekozen hebbende bij gerechtsdeurwaarder (…) te 9900 Ieper GEÏNTIMEERDE, hebbende als raadslieden Meester K. Linsmeau en Meester
G.B. Van Parys, advokaten te 1050 Brussel (…),
velt het Hof het volgend arrest
De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en
conclusies. Het Hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken in
behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis op 27 november 2000
uitgesproken door de enige kamer van de rechtbank van koophandel te leper;
vonnis tegen dewelke op 23 januari 2001 tijdig en geldig naar de vorm hoger
beroep werd ingesteld, gelet op de betekening ervan op 15 januari 2000 aan
appellante ten verzoeke van geïntimeerde. 1. Relevante feitelijke gegevens van het geschil Geïntimeerde is actief als semafoonoperator, en had in die hoedanigheid
voor Frankrijk de rechten verworven om een ‘pager’ (= gesofisticeerde
versie van een semafoontoestel) te produceren en op de markt te brengen.
Appellante werd door geïntimeerde aangezocht en om een vormgeving voor die
semafoon volgens bepaalde normen te ontwerpen en om de electronische
apparatuur (beantwoordend aan de Ermes ETSI 300 133 en CE - vereisten) van
geïntimeerde met goed gevolg in het te ontwerpen plastieken omhulsel te
integreren, zodat het toestel na de nodige goedkeuring kon worden
ingeschakeld in het sefamoon-netwerk ‘Kobby’ van geïntimeerde in
Frankrijk (stavingstukken 8 tot 13 van geïntimeerde). Geïntimeerde houdt
op blz. 8 van haar syntheseconclusie voor dat kwestieuze te produceren
semafoon van meet af aan de referentiering AE32200 meekreeg. De onderhandelingen tussen partijen vonden uiteindelijk hun neerslag in
een door beiden ondertekend beginselakkoord (zgn. ‘letter of intent’)
van 29 juli 1997 (stavingstuk 1 van geïntimeerde), waarin voorzien werd dat
geïntimeerde, na goedkeuring van 10 door appellante over te leggen
prototypes, een bestelling zou plaatsen tijdens de maanden november 1997 tot
januari 1998 van in totaal 30.000 semafoons tegen een eenheidsprijs van 425
FF. De partijen benadrukten in het beginselakkoord dat dit document niet de
overeenkomst zelf betrof, aangezien die na onderlinge onderhandelingen nog
diende te worden opgesteld, en wel uiterlijk op 31 augustus 1997.
Desniettemin werd tevens aan appellante toegelaten om op basis van het
ondertekend beginselakkoord reeds een aanvang te nemen met het ontwerpen en
het integreren van de te bestellen semafoons. Tenslotte werd onder artikel
10 van die zgn. ‘letter of intent’ voorzien dat zowel die
beginselverklaring zelf als de nog of te sluiten overeenkomst beheerst werd
door het Frans recht. In een faxbericht van 1 september 1997 drong geïntimeerde bij appellante
aan op ontvangst van de prototypes en op mededeling van de stand van
ontwikkeling van de semafoons. Tevens stuurde zij ontwerp van overeenkomst
op, met vraag om eventuele opmerkingen hierop te laten kennen (stavingstuk 2
van geïntimeerde). De gevraagde stand van ontwikkeling en levering van de
semafoons heeft appellante slechts op 30 september aan geïntimeerde
medegedeeld, samen met 1 prototype. Appellante beloofde daarenboven levering vanaf 30 november 1997 aan het
tempo van 5.000 stuks per week (stavingstuk 19 van geïntimeerde). Op 14 oktober 1997 drong geïntimeerde aan op meer informatie, met name op
een duidelijk productie- en leveringsschema (stavingstuk 23 van geïntimeerde),
aangezien de levering van 15.000 semafoons in de loop van december 1997 en
nog eens 15.000 van die toestellen in de loop van januari 1998 gewenst was.
Tijdens een bijeenkomst van partijen op 28 oktober 1997 diende appellante
toe te geven dat er minstens met een vertraging van vier weken diende te
worden rekening gehouden, aangezien de oorspronkelijk door haar beloofde
leveringstermijnen technisch niet haalbaar bleken. Levering van de eerste
5.000 semafoons werden nu door appellante aangekondigd op 12 januari 1998
(zie punt 5 op bl. 4 en 5 van stavingstuk 25 van geïntimeerde). Daarenboven
ontstond er nog een hele briefwisseling tussen partijen met betrekking tot
de kleurvorming van het deksel en de randen van en de knopen van het
plastieken omhulsel en het logo ‘Kobby’ van de te produceren semafoons.
Geïntimeerde drong terug bij appellante aan op de toezending van
kleurenstalen, en eens de kleuren goedgekeurd, op een volledig prototype van
semafoons in die kleuren (stavingstukken 30 en 4 - punt 1 van geïntimeerde).
De oorspronkelijk door appellante aan geïntimeerde toegezonden kleurstalen
beantwoordden niet aan hetgeen gevraagd werd (zie punt 2 van de bijeenkomst
van partijen op 24 november 1997 stavingstuk 33 van geïntimeerde). Ook de
nieuw opgestuurde kleurstalen bleken niet te voldoen (stavingstuk 37 van geïntimeerde).
Daarenboven liep appellante achterstand op bij het doorsturen van de
benodigde gegevens om geïntimeerde toe te laten een handleiding van de
semafoons op te stellen (stavingstuk 32, 5 en 37 van geïntimeerde). Geïntimeerde
begon zich ernstig vragen te stellen naar de weerslag van een en ander op de
vooropgestelde algemene planning. In haar schrijven van 12 december 1997 (stavingstuk 40 van geïntimeerde)
deelde geïntimeerde aan appellante mee dat zij in de gegeven omstandigheden
besloten had om het op de markt brengen van de semafoons welke
oorspronkelijk voorzien was voor februari 1998, uit te stellen naar de maand
mei 1998, en zij drong daarenboven aan dat appellante een daaraan aangepast
leveringsschema zou opstellen, (stavingstukken 40 tot 43, 41 van geïntimeerde).
Op 24 december 1997 maakte appellante weliswaar een nieuw leveringsschema
over, nl. levering van 3.000 stuks per week vanaf 4 februari 1998, maar die
werd door geïntimeerde niet aangepast gevonden aan de periode van het op de
markt brengen van de semafoons (stavingstukken 44 van geïntimeerde). Partijen zijn op 13 januari 1998 bijeengekomen, en waren er blijkbaar over
eens dat de tegenvallende verkoop van semafoons op de Franse markt tijdens
de kerstperiode 1997, hetgeen tot gevolg had dat de distributeurs met een
grote stock van die toestellen bleven zitten, het welslagen van de lancering
van een nieuw type semafoon ernstig in het gedrang bracht. Op dat ogenblik
had appellante echter reeds het geheel van de onderdelen voor de productie
van kwestieuze 30.000 semafoons aangekocht. De partijen bespraken op die vergadering drie mogelijke opties: -
hetzij dat appellants die onderdelen zou gebruiken voor de productie van
semafoons bestemd voor de eigen en vreemde netwerken. In dat geval zou een
het door geïntimeerde betaald voorschot van 1.912.500 FF worden
terugbetaald, terwijl appellante recht had op compensatie voor de
financieringskosten (gedurende 8 weken?) voor het in stock hebben de
onderdelen. De kostprijs voor het maken van de matrijs van semafoon zou
appellante kunnen recupereren bij andere cliënten. -
hetzij voor zover appellante de matrijs van semafoon niet elders kon
gebruiken, zou geïntimeerde die overnemen. In dat geval werd de kostprijs
ervan in mindering worden gebracht van het voornoemd aan geïntimeerde te
betalen bedrag van 1.912.500 FF. -
hetzij dat de voorziene semafoons tegen het einde van 1998 zouden worden
geproduceerd en gedistribueerd op de Franse markt door appellante zelf,
weliswaar met de steun van geïntimeerde (stavingstuk 47 van geïntimeerde). Bij aangetekend schrijven van 23 maart 1988 stelt appellante de geïntimeerde
in gebreke wegens het afblazen van de bestelling van de kwestieuze 30.000
semafoons, welke ze beweert reeds in voorraad te hebben. Ze wenst uitvoering
van de overeenkomst. (stavingstukken 49 bis van geïntimeerde en 43 van
appellante 6 - van geïntimeerde). Per aangetekend schrijven van 9 april 1998 reageert geïntimeerde heel
verwonderd op voornoemde ingebrekestelling, aangezien de bijeenkomst op 13
januari 1998 en de latere onderlinge contacten tussen partijen, haar de
indruk hadden gegeven dat ook appellante de wens had om een minnelijke en
voor iedereen bevredigende oplossing te zoeken binnen de krijtlijnen van de
mogelijke opties vermeld in de notulen van de vergadering van 13 januari
1998. Tevens drukte geïntimeerde haar verwondering uit over het feit dat
appellante aan de productie van de semafoons was begonnen. Ten slotte drong
geïntimeerde op een samenkomst na 12 mei 1998, teneinde vooralsnog tot een
minnelijke regeling te komen (stavingstuk 50 van geïntimeerde). Alhoewel appellante zich in een daaropvolgend aangetekend schrijven van 6
mei 1998 beperkte om haar standpunt te herhalen, was zij toch bereid om tot
een redelijke oplossing voor het geschil te komen tijdens een bijeenkomst
van partijen, welke zij zo snel mogelijk plaatsvond wilde zien plaatsvinden
(stavingstuk 7 van geïntimeerde). Alhoewel er een bijeenkomst tussen partijen was voorzien op 20 mei 1998
bleef appellante aldaar afwezig. De standpunten verhardden zich. Geïntimeerde
betwistte formeel ooit aan appellante opdracht te hebben gegeven om 30.000
semafoons ‘Kobby’ aan te maken. Zij wees erop dat er tussen partijen
geen definitieve overeenkomst tot stand kon komen, juist wegens het
onvermogen van appellante om het project te realiseren, in het bijzonder
gelet op de aan haar te wijten vertragingen in de levering (stavingstuk 58
van geïntimeerde). Uit de vaststelling op 4 november 1998 gedaan door gerechtsdeurwaarder
Raphaelle Diey uit Paris (Frankrijk) blijkt dat appellante op Internet een
semafoon ‘Acyclon AE2200’ te koop stelde welke volgens geïntimeerde
‘punt voor punt’ gelijkt op het prototype welke zijzelf van plan was te
laten produceren door appellante; semafoon welke appellante volgens geïntimeerde
niet op de markt mocht brengen, aangezien de vorm beschermd is en waarbij de
reproductierechten trouwens toebehoren aan haar ontwerper Desdoigts
(stavingstuk 53 van geïntimeerde). 2. In het dispositief van haar laatste conclusie voor de eerste rechter
heeft appellante de bevestiging gevorderd van de eenzijdig door haar gegeven
ontbinding lastens geïntimeerde van de overeengekomen bestelling van 30.000
semafoons, minstens gevorderd dat de gerechtelijke ontbinding wordt
uitgesproken, en in beide gevallen dat geïntimeerde zou worden veroordeeld
om een schadevergoeding van € 1.950.547,57 (78.684.894 BEF) te betalen,
onder voorbehoud van verhoging in de loop van het geding, te vermeerderen
met gerechtelijke rente, gelijke aan de wettelijke rentevoet, vanaf 1 april
2000 op een bedrag van € 781.608,28 ( 31.530.000 BEF) tot de dag van
integrale betaling. Strikt subsidiair vorderde appellante betaling van
€2.032.678,97 (13.333.500 FF) en 13.720,41 (90.000 FF) [telkens te
vermeerderen met 21% B.T.W.], te verhogen met gerechtelijke rente aan de
wettelijke rentevoet vanaf 14 juli 1998 tot de dag van algehele betaling. Tevens vorderde appellante de veroordeling van geïntimeerde om 30.000
Ermes Alpha Numeric semafoons en 2000 dummies van deze semafoon of te halen
op haar maatschappelijke zetel, na betaling van voornoemd bedrag, binnen een
termijn van 20 dagen na betekening van het tussen te komen vonnis, bij
gebreke waarvan appellante vrij over de goederen zal kunnen beschikken,
zonder dat een en ander afbreuk doet aan de betalingsverplichting van geïntimeerde; In hoofdorde betwistte geïntimeerde de (internationale) bevoegdheid van
de eerste rechter. In ondergeschikte orde vorderde zij ontbinding van
terugbetaling van het voor het semafoon-project betaald voorschot van €
291.558,75 (1.912.500 FF), te vermeerderen met rente aan de wettelijke
rentevoet vanaf 15 januari 1998 en gerechtelijke rente. 3. De eerste rechter heeft zich aangesloten bij het door geïntimeerde in
hoofdorde ingenomen standpunt en zich (internationaal) onbevoegd verklaard,
aangezien volgens hem uit de overgelegde stavingstukken enerzijds zou
blijken dat partijen akkoord zijn gegaan om de Franse Wet toe te passen
(aldus het Verdrag van Wenen uitsluitend), terwijl anderzijds en de
voornaamste verbintenis tussen partijen de betaling van de prijs zou zijn,
hetgeen volgens de Franse wet in Frankrijk moet gebeuren, en er ook niet
wordt aangetoond dat de levering in België diende plaats te vinden. 4. Het hoger beroep strekt ertoe om het bestreden vonnis te horen teniet
doen, en opnieuw wijzend de oorspronkelijke vordering van appellante, zoals
gewijzigd, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Met name vordert
appellante thans volgens het dispositief van haar synthesconclusies: -
in hoofdorde: de bevestiging van de ontbinding lastens geïntimeerde van
de overeengekomen bestelling van 30.000 semafoons, minstens de gerechtelijke
ontbinding ervan, en in beide gevallen geïntimeerde te veroordelen om een
schadevergoeding van € 1.548.698,81 (62.474.355 BEF) te betalen, onder
voorbehoud van verhoging in de loop van het geding, te vermeerderen met
gerechtelijke rente, gelijk aan de wettelijke rentevoet, vanaf 1 april 2000
op een bedrag van € 1.418.596,2 ( 57.226.029 BEF) tot de dag van integrale
betaling. -
Subsidiair: de bevestiging van de ontbinding lastens geïntimeerde van de
overeengekomen bestelling van 30.000 semafoons, minstens de gerechtelijke
ontbinding ervan, en in beide gevallen geïntimeerde te veroordelen tot
betaling van een provisionele schadevergoeding van € 743.680,57
(30.000.000 BEF), en aanstelling van een deskundige om de totaliteit van de
door appellante geleden verlies en gederfde winst te bepalen. -
de veroordeling in eerste instantie tot betaling van € 2.032.678,97
(13.333.500 FF) en € 13.720,41 (90.000 FF) [telkens te vermeerderen met
21% B.T.W.], te verhogen met gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet
vanaf 14 juli 1998 tot de dag van algehele betaling. -
de veroordeling van geïntimeerde om 30.000 Ermes Alpha Numeric semafoons
en 2000 dummies van deze semafoon af te halen op haar maatschappelijke
zetel, na betaling van voornoemd bedrag, binnen een termijn van 20 dagen na
betekening van het tussen te komen vonnis, bij gebreke waarvan appellante
vrij over de goederen zal kunnen beschikken, zonder dat een en ander afbreuk
doet aan de betalingsverplichting van geïntimeerde; Geïntimeerde besluit tot de bevestiging van het eerste vonnis. In
ondergeschikte orde stelt zij incidenteel beroep in en herneemt haar
oorspronkelijke tegeneis. 5. De eerste rechter heeft zich ten onrechte internationaal onbevoegd
verklaard om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. 5.1. Voor het bepalen van zijn (internationale) bevoegdheid dient de
rechter immers in beginsel enkel uit te gaan van de feiten en het voorwerp
van de vordering(en) zoals die door de eiser in zijn gedinginleidend exploot
werden omschreven en verwoord. Het is hierbij helemaal niet noodzakelijk om
voorafgaandelijk o.a. de juiste feitelijke gegevens en/of werkelijke
juridische verhouding tussen partijen op te sporen. De oorspronkelijke vordering van appellante betreft enerzijds een
vordering tot betaling van €1.629.298,87 (10.687.500 FF) in hoofdsom,
zijnde het saldo van haar facturen nrs. 8.315 en 9085, en anderzijds een
vordering tot afhaling van voornoemde 30.000 ‘Ermes Alphanumeric Pagers’ 5.2. Er kan tevens geen betwisting bestaan over de omstandigheid dat
partijen, in art. 9 van de ‘letter of intent’ van 29 juli 1998,
bedongen hebben om hun onderlinge relaties vanaf de ondertekening van die
akte - derhalve zowel vóór als na ondertekening van een toekomstige te
ondertekenen overeenkomst, steeds te laten beheersen door het Franse recht. Het Weens Koopverdrag van 11 april 1980 is voor Frankrijk in werking
getreden op 1 januari 1988. Een nationale recht waarin het CISG door
ratificatie werd geïncorporeerd, neemt neemt die verdragsbepalingen m.b.t.
de internationale koop-verkoop op in haar ‘nationaal recht’. Dat volgt
uit de regelen van volkenrecht en uit de bekrachtigingshandeling van
lidstaten in verband met art. 1 CISG zelf. Derhalve is de het Weens Koopverdrag (CISG) ten dezen van toepassing,
aangezien de partijen in hun beginselakkoord van 29 juli 1997 het Frans
recht hebben aangeduid als de wetgeving die hun onderlinge relaties vanaf
dan zouden beheersen (zie in dezelfde zin : Hans Van Houtte, Johan Erauw en
Patrick Wautelet [eds.], ‘Het Weens
Koopverdrag’, bl. 25, pt. 1.8. en bl. 48, pt.1.60), terwijl
overeenkomstig art. 3, 1e lid CISG met koopovereenkomsten dienen te worden
gelijkgesteld overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te
brengen roerende zaken. De omstandigheid dat het Weens koopverdrag slechts vanaf 1 november 1997
opgenomen werd in de Belgische rechtsorde is hierbij irrelevant. Geïntimeerde
kan niet worden gevolgd in haar op niets gesteunde redenering dat partijen
in feite zouden verwezen hebben naar het Frans recht, doch met uitsluiting
van het Weens koopverdrag. 5.3. Bovendien kan op met betrekking tot een internationale koopverkoop,
op grond van art. 5,1 EEX-Verdrag de koper worden gedagvaard voor het
gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt
moet worden uitgevoerd. Art. 6 van de ‘letter of intent’ van 29 juli 1997 voorzag een
aankoopprijs voor elke door appellante ontworpen en geïntegreerde semafoon
van "...425 Francs Frangais DDP
unloaded at Guyancourt or another adress in France. ' Het gebruik van die zgn. Incoterm 1990 ‘DDP’ (= ‘delivered duty
paid’) geeft weliswaar de omstandigheid aan dat alle kosten van vervoer,
verzekering, dedouanering, taxen enz... ten laste van de verkoper vallen, en
dat de levering in Frankrijk dient t’ geschieden (waarbij verstaan moet
worden dat de inontvangstnameplicht van de koper naar tijd en plaats bepaald
wordt door de leveringsplicht van de verkoper, waarvan zij toch het
tegenbeeld vormt – zie H.Van Houtte, J. Erauw en P. Wautelet, Het
Weens Koopverdrag, bl.165, pt.5.24), maar levert geen aanwijzing op met
betrekking tot de plaats waar betaling diende plaats te vinden. Wanneer er meerdere verbintenissen in het geding zijn die samen het
voorwerp uitmaken van eenzelfde eis, zal de plaats waar de hoofdverbintenis
of karakteristieke verbintenis moet worden uitgevoerd bevoegdheidsbepalend
zijn (zie in die zin : H.v.J., 15 januari 1987, Shenavai
tl Kreisher, zaak nr.266/85, Jur., 1987, 239; noot bij Kh. Brussel, 29
maart 1988 door Petillion F., in T.B.H., 1990, 800). Het betalen van de prijs, welk zonder twijfel de hoofdverplichting van de
koper uitmaakt dient, bij gebrek aan afwijkend beding, overeenkomstig art.
57,1' CISG te gebeuren ter plaatse van de vestiging van de verkoper. Op grond van art. 5,1' EEX Verdrag kon geïntimeerde worden gedagvaard
voor het gerecht van de plaats waar, overeenkomstig de wetgeving die het
contract beheerst, de betalingsverbintenis is of moest worden uitgevoerd. Hieruit dient ten dezen besloten dat de eerste rechter wel degelijk
internationale bevoegdheid had om van de zaak kennis te nemen. 6.1. Het tot stand komen van een koopovereenkomst wordt in deel II van het
CISG vereenvoudigd en tamelijk abstract benaderd, met name als de
opeenvolging van duidelijk of te lijnen aanbod en aanvaarding. Nochtans
betekent zulks niet dat partijen de koopovereenkomst niet op een andere
wijze tot stand kunnen laten komen. Op grond van het in art. 6 CISG
neergelegd principe van de wilsautonomie, kunnen partijen immers geleidelijk
overeenstemming bereiken als gevolg van een onderhandelingproces waarin
aanbod en aanvaarding niet duidelijk te onderscheiden zijn (zie in die zin :
Magnus, U., Wiener UNKaufrecht, in
J. von Staundigers Kommentar zum Burgerlichen Gezetsbuch mit
Einfurhungsgesetz and Nebengesetzen, Berlin, De Gruyter, 1994, p. 204). 6.2. Ten dezen hebben partijen als resultante van hun voorafgaande
besprekingen, en ter voorbereiding van de totstandkoming van een algehele
overeenkomst, op 29 juli 1997 een zg. ‘letter of intent’ opgesteld en
ondertekend. De uitdrukking ‘letter of intent’ heeft geen nauwkeurige juridische
betekenis: belangrijk is hierbij de inhoud van het geschrift. Het Hof stelt vast dat partijen op 31 juli 1997eigenlijk zeer ver
gevorderd waren in de tussen hen gevoerde onderhandelingen met betrekking
tot de productie van en de integratie van electronische componenten in
Ermes-semafoons door appellante. Met name hadden partijen toen reeds
overeenstemming bereikt over: -
een toekomstige bestelling door geïntimeerde van 30.000 semafoons in de
periode 30 november 1997 tot 15 januari 1998 tegen een eenheidsprijs van 425
FF per stuk. -
vaststellen van het ogenblik van betaling van provisies en van het saldo. -
een boete ten laste van appellante voor elke week vertraging in de
levering volgend de vastgestelde data, met de vermelding dat geïntimeerde
van elke contractuele verplichting bevrijd is bij een vertraging in de
levering van meer dan 5 weken. -
het onder toepassing van het Frans recht vallen van zowel de zg. ‘letter
of intent’ als van het toekomstig te sluiten contract; contract dat zich
niet in de plaats kon stellen van de toekomstige overeenkomst en waarover
partijen zouden onderhandelen om ze in elk geval vóór 31 augustus 1997 af
te sluiten. -
de noodzaak van het toekomstig te ondertekenen contract om de door geïntimeerde
voorgeschreven algemene en bijzondere voorwaarden te omvatten waaraan de te
produceren Ermes-semafoons dienen te beantwoorden, en met name de
voorwaarden m.b.t. goedkeuringstests, kwaliteitsdoelstelling, markering en
etikettering, verpakking en verzending, patenten en andere beschermde
rechten (inclusief patenten en rechten met betrekking tot het ontwerp en het
gebruik). -
de wederzijdse rechten en verplichting bij niet ondertekenen van een
contract uiterlijk op 31 augustus 1997. Alhoewel partijen op blz.2 van de ‘letter of intent’ uitdrukkelijk en
ondubbelzinnig verklaarden dat voornoemd document niet in de plaats kwam van
een toekomstig contract waarover nog diende te worden onderhandeld, hebben
zij daaraan duidelijk toch zekere rechtsgevolgen willen hechten, aangezien
enerzijds op basis van die intentieverklaring appellante mocht beginnen met
het aanmaken en het integreren van de Enmes-semafoons en anderzijds reeds
een voorschot van 1.912.500 FF door geïntimeerde aan appellante werd
betaald. Gelet op de inhoud van de ‘letter of intent’ van 29 juli 1997 heeft
die onderhandse acte dan ook veeleer de juridische draagwijdte en betekenis
van een beginselakkoord (zg. ‘accord de principe’), waarbij partijen
enerzijds de elementen vaststellen waarover er reeds overeenstemming
bestaat, en anderzijds zich verbinden om de tussen hen gevoerde
onderhandelingen onderhandelingen voort te zetten. Een beginselakkoord verbindt de partijen niet alleen tot het ter goede
trouw verder zetten van de onderhandelingen, maar belet ook dat zij tijdens
die onderhandelingen nog kunnen terugkomen op punten waarover reeds
overeenstemming was bereikt. Het beginselakkoord kan ook een aantal
bijkomende verbintenissen tot de nog te voeren onderhandelingen bepalen
(o.a. schadebedingen, forumkeuze. . . ). Nochtans moet het beginselakkoord worden onderscheiden van het definitief
contract. Partijen verbinden zich bij een beginselakkoord niet tot het
afsluiten van een overeenkomst, enkel tot het verder zetten van de
onderhandelingen. Een beginselakkoord zal echter in voorkomend geval wel de
beoordeling van de rechtmatigheid van het afbreken van onderhandelingen beïnvloeden
(zie in die zin Kruithof. R. (+), Bocken H. De Ly F. en de Temmerman B., ‘Overzicht
van rechtspraak [1982‑ 1992]‑ Yerbintenissen’, T.P.R.,
1995, p. 293 nr.84). 6.3. Wegens niet-onmiddellijk aanwijsbare redenen is het contract,
waarover partijen het in ontwerp nochtans grotendeels eens bleken te zijn
(stavingstukken 15 tot 18 van geïntimeerde) nooit, en zeker niet vóór of
op de ultieme datum van 31 augustus 1997 ondertekend. Desnietemin bleven partijen verder onderhandelen. Geïntimeerde was het er
op een bijeenkomst tussen partijen van 28 oktober 1997 (stavingstuk 25 van
geïntimeerde) zelfs ermee eens dat de levering van de semafoons werd
uitgesteld, maar stond erop dat - op straffe van een vertragingsboete van 5%
voor elke meerdere week vertraging - vanaf 12 januari 1997 tot 9 februari
1997 in elk geval wekelijks 5.000 semafoons zouden worden geleverd. Het verslag van de daaropvolgende bijeenkomst van 24 november 1997
(stavingstuk 33 van geïntimeerde), inzonderheid het daarin gebruikt
taalgebruik, laat er weinig twijfel over bestaan dat partijen toen reeds het
gebied van de vrijblijvende voorstellen en tegenvoorstellen verlaten hadden
en als het ware de grens van de contractuele binding overschreden hadden
(zie hierover: G. Schrans, De
progressieve totstandkoming der contracten', T.P.R., 1984, p. 16 e.v.;
A. Van Oevelen, ‘Juridische
verhoudingen en aansprakelijkheid bij onderhandelingen over [commerciële]
contracten’, DAOR 1990, 43, nr. 16-20). De omstandigheid dat er
nog geen overeenstemming bestond over een aantal uitvoeringsmodaliteiten
welke nog dienden te worden gepreciseerd doet daaraan geen afbreuk. Zo werden in voornoemd verslag onder de hoofding ‘modifications
contractuelles’, een aantal ‘contractuele’ bepalingen gewijzigd, werd
de contractuele eenheidsprijs voor de semafoons verlaagd tot 420 FF ...enz. Geïntimeerde is dan ook weinig ernstig wanneer zij achteraf in een
schrijven van 29 mei 1998 (stavingstuk 58 van geïntimeerde) betwist ooit de
bestelling van 30.000 semafoons bij appellante te hebben geplaatst. 6.4. In de hiernavolgende weken begonnen partijen zich echter vragen te
stellen over de haalbaarheid van de vooropgestelde leveringsplanning,
aangezien o.a. niet alleen overeenstemming wegbleef over bepaalde kleuren
waarin de semafoons dienden te worden geproduceerd, terwijl geïntimeerde er
op stond om voorafgaandelijk een prototype te ontvangen in de goedgekeurde
kleuren, maar er ook geen handleiding kon worden opgesteld bij gebrek aan
door appellante te leveren informatie (stavingstuk 5, 29, 30, 31, 37, 43,
43bis, 46 van geïntimeerde). Anderzijds bleek de verkoop van semafoons
tijdens het eindejaarsinkopen 1997 een tegenvaller te zijn, zodat geïntimeerde
het op de markt brengen van een nieuwe semafoon in de loop van de maand
februari 1998 niet wenselijk achtte, aangezien de verdelers in die maand nog
over een aanzienlijke stock van die apparaten zouden beschikken. Reden
waarom geïntimeerde het wenselijk oordeelde om de lanceerperiode van de
door appellante te produceren semafoon naar de maand mei uit te stellen
(stavingstukken 40 tot 42 van geïntimeerden). Appellante heeft zich niet echt verzet tegen dat voornemen van geïntimeerde,
maar integendeel op vraag van laatstgenoemde een nieuw schema opgesteld
waarin voorzien werd dat zij gedurende tien weken (van 4 februari 1998 tot 8
april 1998) telkens 3.000 semafoons zou leveren; leveringen welke volgens geïntimeerde
dan weer te vroeg vielen in het licht van een op de markt brengen van de
kwestieuze geproduceerde semafoons in de loop van de maand mei 1998
(stavingstuk 44 en 45 van geïntimeerde). 6.5. Uiteindelijk zijn partijen op 13 januari 1998 opnieuw bijeengekomen
om de toekomst van de geplande te produceren semafoon te bespreken
(stavingstuk 47 van geïntimeerde). Van die besprekingen heeft een verslag
opgesteld waarvan zij op 10 januari 1998 een exemplaar aan appellante deed
toekomen. Volgens dat verslag zouden partijen toen drie mogelijke
oplossingen besproken hebben: -
hetzij het afblazen van de productie, waarbij appellante de reeds
aangekochte onderdelen zou kunnen aanwenden om semafoons of te zetten op
zijn eigen net en op andere markten (enkel de financieringskosten voor de
aankoop ervan zou geïntimeerde vergoeden)e In dat geval zou het door geïntimeerde
betaald voorschot terugbetaald worden en het prototype zou kunnen aangewend
worden door appellante bij ander cliënteel. -
hetzij eenzelfde scenario als hiervoor, behalve dat geïntimeerde aan
appellante de kostprijs voor het prototype zou betalen (mits overhandiging
ervan), voor zover dat niet ergens anders kan worden aangewend. -
hetzij behoud van de voorziene productie met lancering op de Franse markt
einde 1998, maar commerciële verspreiding (weliswaar met logistieke steun
van geïntimeerde) door appellante zelf. Appellante heeft binnen een redelijke termijn na ontvangst van dat verslag
daarop geen enkele reactie laten kennen. Met name heeft zij niet betwist dat
voornoemd verslag, inzonderheid de drie mogelijke opties om kwestieuze
bestelling van 30.000 semafoons af te voeren, overeenkwam met hetgeen
partijen daadwerkelijk op 13 januari 1998 besproken hebben en/of
overeengekomen zijn. Het is slechts nadat geïntimeerde op 2 maart 1998 bij appellante had
aangedrongen om toch haar keuze van oplossing mede te delen (stavingstuk 49
van geïntimeerde), dat appellante drie weken later op 23 maart 1996 heeft
gereageerd; reactie in twee aangetekende brieven die er echter in bestond
dat appellante enerzijds het annuleren door geïntimeerde van de door haar
gedane bestelling verwierp (stavingstuk 49 bis van geïntimeerde) en
anderzijds er op aandrong om het tijdstip te kennen waarop zij die 30.000
semafoons mochten leveren (stavingstuk 43 van appellante). 6.6. Naar het oordeel van het Hof kan in de gegeven omstandigheden het
standpunt van geïntimeerde worden gevolgd waar zij in haar aangetekend
schrijven van 9 april 1998 voorhield dat die voornoemde brieven van 23 maart
1996, uitgaande van appellante, de voorafgaande gesprekken tussen partijen
en hun bereidheid om tot een voor iedereen aanvaardbare en redelijke
oplossing te komen negeerde; mogelijke oplossingen welke vervat werden in
het verslag van de bijeenkomst van 13 januari 1998 (stavingstuk 47 van geïntimeerde). Overeenkomstig art. 29, 1e juncto 11 CISG kan elke overeenkomst, ongeacht
de vorm waarin ze tot stand is gekomen, principieel worden gewijzigd of beëindigd
door de enkele wilsovereenstemming tussen partijen, welke bewezen wordt door
alle middelen van recht, hierbij inbegrepen de gedragingen van partijen zelf
(Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P. (eds.), o.c., p. 69, nr. 6.) Teneinde een vlot (internationaal) handelsverkeer mogelijk te maken, rust
ongetwijfeld op een handelaar de verplichting om onmiddellijk, zoniet binnen
een redelijke termijn te protesteren wanneer hij een schrijven/bericht
ontvangt waarmede hij het niet eens kan zijn. Deze verplichting is gewoon
het gevolg van de positieve betekenis die in het handelsverkeer aan het
stilzwijgen wordt gehecht bij ontvangst van allerlei documenten,
briefwisseling en dergelijke. In de gegeven omstandigheden komt het Hof tot het besluit dat partijen op
13 januari 1998 inderdaad overeen zijn gekomen om de bestelling door geïntimeerde
van 30.000 semafoons niet te laten doorgaan, en dat er nog enkel een keuze
moest worden gemaakt over de modaliteiten waarin partijen de zaak op een
redelijke en voor beiden aanvaardbare manier konden afronden. De
omstandigheid dat de drie mogelijke oplossingen in het verslag van de
bijeenkomst van 13 januari 1998 mogelijks slechts ‘denkpistes’ waren, en
dat er in voorkomend geval bij verdere onderhandelingen een andere beëindigingvorm
uit de bus zou zijn gekomen, doet daaraan gene afbreuk. Het was dan ook onterecht dat appellante in haar aangetekende brieven van
23 maart 1998 vorderde dat geïntimeerde toch nog 30.000 semafoons zou
afnemen. Een dergelijke handelswijze is duidelijk onverzoenbaar met de regel van
goede trouw welke toch overeenkomstig art. 7, 1e CISG in de internationale
handel steeds dient nageleefd bij de toepassing en uitleg van het Weens
Koopverdrag. Alleszins geeft appellante blijk gegeven van een zeer merkwaardig en
wispelturig gedrag welke van aard was om het gerechtvaardigd vertrouwen van
geïntimeerde te verschalken. Dit blijkt vooreerst uit de omstandigheid dat,
daar waar uit het verslag van de bijeenkomst van 13 januari 1998 blijkt dat
appellante toen slechts over de nodige losse componenten beschikte om
kwestieuze 30.000 semafoons te produceren, zij nadien tot dergelijke
productie is overgegaan (zij beweerde immers in haar voornoemd schrijven van
23 maart 1998 30.000 afgewerkte semafoons in stock te hebben), alhoewel de
bestelling van geïntimeerde toch was afgelast. De grillige handelswijze van
appellante komt daarenboven ook tot uiting wanneer, na in haar aangetekende
brieven van 23 maart 1998 de uitvoering van de oorspronkelijke bestelling
van 30.000 semafoons te hebben gevorderd, zij, op voorstel van geïntimeerde,
in haar schrijven van 6 mei 1998 (stavingstuk 7 van geïntimeerde) toch nog
bereid bleek om bijeen te komen teneinde een redelijke minnelijke regeling
te bereiken en de zaak te beëindigen zonder verlies voor enige partij, om
dan plots op de vooravond van dergelijke bijeenkomst, gepland op 20 mei
1998, per faxbericht van 19 mei 1998 te laten weten alle contacten tussen
partijen te verbreken en de zaak door te geven aan haar juridische dienst
....(stavingstukken 57 en 58 van geïntimeerde). 7. Aangezien partijen op 13 januari 1998 minnelijk besloten hebben om de
eertijds door geïntimeerde bij appellante geplaatste bestelling voor de
productie en integratie van 30.000 ‘Ermes Alpha-Numeric Pagers’ af te
blazen, kan er geen sprake zijn van weldanige contractbreuk in hoofde van geïntimeerde,
en kan de ontbinding ervan, met betaling van schadevergoeding, niet meer in
haar nadeel worden gevorderd. Derhalve heeft noch de oorspronkelijke, noch de nadien gewijzigde
vordering van appellante enige grond. Diezelfde minnelijke ontbinding heeft daarentegen wel als gevolg dat geïntimeerde
aanspraak kan maken op terugbetaling van de reeds betaalde provisie, nl. het
bedrag van € 291.558,75 (1.9112.500 FF), te vermeerderen met gerechtelijke
rente gelijk aan de wettelijke rentevoet vanaf 6 december 1999 (datum van
het instellen bij eerste aanvullende conclusies voor de eerste rechter van
de tegeneis van geïntimeerde). Het antwoord op de vraag of appellante al dan niet na 13 januari 1998
kwestieuze vooropgestelde semafoon onder de naam Acyclon AE2200 onder eigen
beheer heeft gecommercialiseerd, hierbij al dan niet inbreuk makend op
welkdanige rechten van zowel geïntimeerde als een derde, is ten dezen niet
relevant, aangezien geïntimeerde dienaangaande geen specifieke vordering
stelt. 8. De uitgaven gemaakt voor vertaling van hun stavingstukken waartoe
partijen overgingen, maken geen deel uit van de in art. 1018 van het
Gerechtelijk Wetboek bedoelde gedingkosten. Elke partij dient de
vertalingkosten te dragen van haar eigen overtuigingstukken. OM DEZE REDENEN Het Hof, op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in
gerechtszaken; Alle meeromvattende en/ of andersluidende conclusies en of grieven
verwerpend als niet dienend. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel toelaatbaar en beiden
gedeeltelijk gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet. Mitsdien, toepassing makend van art. 1068 van het Gerechtelijk Wetboek,
oordeelt opnieuw, en: Stelt vast de eerste rechter internationaal en nationaal bevoegd was om
van de zaak kennis te nemen. Verklaart de oorspronkelijke hoofdeis en tegeneis beiden toelaatbaar, de
hoofdeis ongegrond en de tegeneis gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt appellante om aan geïntimeerde te terug te betalen het bedrag
van € 291.558,75 ( 1.912.500 FF), te vermeerderen met gerechtelijke rente
vanaf 6 december 1999. Veroordeelt appellante in de kosten van beide aanleggen, en begroot die
aan de zijde van geïntimeerde op in -
eerste aanleg: € 312,35 (12.600 BEF) -
in hoger beroep : € 446,21 (18.000 BEF). (…)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |