K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 10 April 2002

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Tongeren

Case Number: AR. A/01/00021

Parties: S. & S. (curator of NV.V B. in liquidation) v. L.L.S. VOF.

Seller’s Country: Belgium (Plaintiff)

Buyer’s Country: Netherlands (Defendant)

Goods Involved: beer installation for pub

Judges: P. Martens, M. Gobyn, S. Jeurissen

Status: Unpublished

 

 

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

Provisions of the CISG applied: Arts. 3, 38, 39, 40 and 49

Application of CISG – beer installation sold and installed – CISG applicable

Buyer cannot rely on non-conformity if he knew or should have known

Avoidance of the contract – not allowed – not within reasonable period – no evidence that repairs insufficient – therefore no fundamental breach

 

 

Text of the Decision

 

DE RECHTBANK VAN KOOPHANDEL VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN, heeft het volgende vonnis uitgesproken:

INZAKE: AR. A/0l/00021

Mrs. S. & S., advocaten te 3700 Tongeren…, curatoren van het faillissement N.V. B., ingeschreven in het handelsregister te Tongeren…, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3700 Tongeren…, in die hoedanigheid aangesteld bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren, dd. 11.02.2002.

EISERS QQ, voor wie optreedt, Mr.J.Scheepers, voornoemd.

TEGEN:

L.L.S., vennootschap onder firma, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg…, met maatschappelijke zetel te 6211 GT Maastricht (Nederland)…

VERWEERSTER, voor wie optreedt, Mr.J.Coch, advocaat te 3500 Hasselt…

IN AANWEZIGHEID VAN:

F&PB., vennootschap onder firma, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg…, met maatschappelijke zetel… te 6227 RM Maastricht (Nederland), met exploitatiezetel o.a te Maastricht…

VRIJWILLIG TUSSENKOMENDE PARTIJ, voor wie optreedt, Mr.J.Coch, voornoemd.

Gelet op:

het vonnis dezer rechtbank dd. 16.05.2001 ;

de beschikking overeenkomstig art. 747§2 Ger.W. dd. 26.11.01;

de besluiten neergelegd ter zitting van 13.03.02 waarbij de curatele het geding hervat namens oorspronkelijk eiseres;

de conclusies en de stukken van partijen;

Ter zitting van 13.03.02 werden partijen bij monde van hun raadslieden gehoord in hun middelen en besluiten.

De zaak werd hernomen voor deze zetel, anders samengesteld.

I. Feiten en retroacten

Hiervoor kan verwezen worden naar ons vonnis van 16.05.2001.

II. Vorderingen

Eisers qq vorderen (zie conclusies neergelegd ter griffie alhier op 20.09.2001) om verweersters solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling aan eiseres de som van 12.681,46 euro, meer de verwijlsinteresten van 9 % vanaf 01.11.2000, meer de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding.

Bij wijze van conclusies (neergelegd ter griffie alhier op 28.12.01) stelt de vrijwillig tussenkomende partij een tegeneis in jegens oorspronkelijk eiseres geneigde de ontbinding te horen uitspreken van de tussen partijen bestaande overeenkomst, met veroordeling van oorspronkelijk eiseres op hoorders tot betaling van l euro provisioneel ten titel van schadevergoeding.

III. Beoordeling

1. Aangaande de bevoegdheid

Bij vonnis dd. 16.05.01 werd de bevoegdheid dezer rechtbank reeds beslecht.

2. Aangaande de ontvankelijkheid

Bij vonnis dd. 16.05.01 werd de eis reeds ontvankelijk verklaard. 

De debatten werden heropend teneinde partijen toe te laten nader te concluderen over:

-         de voorliggende internationale koop volgens het Weens Koopverdrag;

-         de gehoudenheid van een vennootschap onder firma voor de rechtshandeling van één harer vennoten en de tegenstelbaarheid t.a.v. derden volgens Nederlands recht.

3. Aangaande de hoofdeis

De hoorders ingesteld jegens verweerster VOF L.L. is ongegrond nu uit geen enkel stuk blijkt dat het hier een rechtspersoon betreft, doch enkel een handelsnaam waaronder de vrijwillig tussenkomende partij handel drijft (stuk 1 dossier verweerster).

4. Aangaande de tussenvordering jegens de vrijwillig tussenkomende partij en de tegeneis

In het licht van art. 3 van het Weens Koopverdrag (hierna verkort CISG) dient de voorliggende primaire verbintenis tot het leveren van een tapinstallatie, met bijkomend het installeren ervan te worden gekwalificeerd als een internationale koop van roerende lichamelijke zaken, dat een autonome definitie heeft onder het CISG (ERAUW, J, “Wanneer is het Weens Koopverdrag van toepassingen, in Het Weens Koopverdrag, VAN HOUTTE, H. e.a. ed., nu. 1.48 env.).

Overeenkomstig art. 38 CISG is de koper verplicht de goederen binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke termijn, te keuren of te doen keuren.

Overeenkomstig art. 39 CISG verliest de koper het recht om zich erop te beroep dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming.

In het algemeen wordt van de koper verwacht dat hij het bewijs levert van zijn tijdige kennisgeving (WAUTELET, P., “Verplichtingen van de koper”, in Het Weens Koopverdrag. o.c., nr. 5.59).

Terecht stelt de vrijwillig tussenkomende partij dat overeenkomstig art. 40 CISG oorspronkelijk eiseres als verkoper zich niet meer kan beroepen op art. 38 en 39 CISG indien het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn. 

Immers, de levering vond plaats in het najaar van 1997 (besluiten vrijwillig tussenkomende partij dd. 06.04.01 p. 2) en nadien heeft oorspronkelijk eiseres nog herstellingen uitgevoerd aan het geleverde goed, (zie de facturen dd. l4.l0.98, 24.02.99 en 20.05.99), zodat zij als verkoper niet kan voorhouden onwetend te zijn geweest over de niet conformiteit van het initieel geleverde goed.

Het bewijsaanbod van het tijdig protest is niet diegene nu dit onvoldoende precies in tijd en ruimte werd geformuleerd.

5. Anders is de vraag of de niet-conformiteit wel de eis tot ontbinding van de internationale koop rechtvaardigt.

Naar oordeel van de rechtbank is de door verweerster bij tegeneis gevorderde ontbinding van de internationale koop (art. 49 CISG) wegens laattijdige uitvoering (zie haar conclusies dd. 28.12.01 p. 4 1ste alinea) niet gerechtvaardigd nu (a) deze tegeneis niet binnen een redelijke termijn is ingesteld (meer dan twee jaar en half na de laatste herstelfactuur), en nu (b) de deugdelijkheid van de herstellingen niet werd betwist (althans hiervan ligt geen bewijs voor) zodat er geen wezenlijke tekortkoming vaststaan.

Het door verweerster aangewende rechtsmiddel van ‘ontbinding’ is nochtans enkel toepasbaar in het kader van een wezenlijke tekortkoming, en dan nog indien de koper dit doet binnen een redelijke termijn (STIJNS, S. & VAN RANSBEECK, R., “De rechtsmiddelen (algemeen)”, in Het Weens Koopverdrag. o.c . , nr. 6.30 env.) al hetgeen te dezen in het geheel niet geschiedde.

Precies omwille van dit ruime tijdsverloop sedert de gedane levering, en vooral sedert de uitgevoerde herstelwerkzaamheden, acht de rechtbank de in zeer uiterst ondergeschikte orde aangeboden onderzoeksmaatregel (deskundigenonderzoek) evenmin dienend.

6. Doordat de tegeneis beperkt is tot de gevorderde ‘ontbinding’ van de koopovereenkomst, die om boven vermelde redenen niet wordt toegestaan, en doordat door de vrijwillig tussenkomende partij geen ander rechtsmiddel wordt ingesteld, is er voor haar geen reden meer om de betaling van de openstaande facturen in te houden.

De tussenvordering jegens de vrijwillig tussenkomende partij is bijaldien gegrond met inbegrip van interesten waarvan de afrekening niet wordt betwist, en de tegeneis is ongegrond.

7. Dat overeenkomstig het uittreksel uit het handelsregister de heer Baltussen die de overeenkomst afsloot namens de vennootschap maar een beperkte bevoegdheid had de vennootschap te verbinden (tot 5.000 NLG), wijzigt hieraan niets, nu naar Nederlands recht (hetgeen het toepasselijk recht is voor de vraag of de vennoot de vennootschap kan verbinden), de inontvangstname en het feitelijk gebruik van de tapinstallatie door de vennootschap de bevoegdheidsoverschrijding een harer vennoten heeft ontzenuwd.

Uit geen enkel bewijsstuk blijkt dat de geleverde tapinstallatie door de vrijwillig tussenkomende partij niet zou zijn gebruikt na de leveringen van eind 1997.

Gelet op de artikels 2, 30 tot 37 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, die nageleefd werden.

OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, recht doende op tegenspraak,

Haar vonnis dd. 16.05.2001 verder uitwerkende;

Verleent akte aan de curatele van gedinghervatting namens oorspronkelijk eiseres;

Verklaart de hoofdeis ingesteld jegens L.L.S. Vennootschap onder firma ongegrond;

Verklaart de tussenvordering ingesteld jegens de vrijwillig tussenkomende partij F & P Baltussen Vennootschap onder firma gegrond zoals hierna bepaald;

Veroordeelt de vrijwillig tussenkomende partij om te betalen aan eisers qq de som van TWAALFDUIZEND ZESHONDERDEENENTACHTIG EURO en ZESENVEERTIG CENT (12.681,46 euro, meer de verwijlsinteresten aan 9 % jaarlijks vanaf 01.11.2000 tot op datum der dagvaarding, en vanaf dan meer de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet tot de dag der algehele betaling;

Verklaart de tegeneis ongegrond;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zonder borgstelling en niettegenstaande alle verhaal;

Veroordeelt de vrijwillig tussenkomende partij tot de hierna volgende gerechtskosten in hoofde van eisers qq begroot op:

- 327,22 euro (rechtsplegingsvergoeding);

en laai de kosten van dagvaarding en rolzetting jegens oorspronkelijke verweerster (L.L.S. VOF) ten laste van eisers qq ad 322,11 euro.

(…)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be