|
|
|
Case
Identification
Date
of Decision: 18 February 2002 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Ieper Case Number: A.R. 318/00 Parties: L. v. SA C. Seller’s Country: Belgium (Plaintiff) Buyer’s
Country: France (Defendant) Goods involved: Pork meat Judges: P. Deseyne, F. Sinaeve, J.P. Noyez Status:
Unpublished Classification
of issues present
Application of CISG: Yes CISG Provisions Applied: Arts. 1(1)(a), 6, 9, 19, 78 and 100 Application of CISG - France and Belgium parties to CISG Non-conformity - not proved Altered economic circumstances - defendant cannot rely thereupon to escape contractual obligations General Conditions on invoice - not accepted - not valid Interest rate - currency of payment
English Summary A French buyer bought pork meat from a Belgian seller. The seller sued the buyer for payment of the price. The CISG was applicable since both France and Belgium were contracting states. The buyer relied on the non-conformity of the delivery since the seller could not guarantee that the meat was not infected by dioxin during the dioxin crisis in Belgium. However, the court pointed out that the buyer had the meat analysed himself and it was found free of dioxin. According to article 69 CISG the risk had passed to the buyer. Therefore the buyer was liable to pay the price except if the loss or damage was accountable to the seller. This was not proved. The seller removed from the shelves and destroyed the meat because their date had expired. After the passing of the risk, the seller could only be held liable for losses in two instances: the breach of an obligation or the existence of a warrantee given by the seller (art. 36(2)). The fact that the French authorities afterwards instituted rules regarding the import of meat products from Belgium could not be accounted to the seller. It was not proved that the buyer was aware of the General Conditions (on the invoice) of the seller and they could not be applied. The buyer was ordered to pay the price and interest was granted according to the Belgian rate, since the payment currency was Belgian franks.
Text
of the decision
In de zaak A.R. 318/00 De naamloze vennootschap L., met maatschappelijke zetel te 8840,
Staden (...). H.R. leper: (...) eiseres op hoofdeis, verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman
Meester J.-P. Van Neste, advocaat te 8500-Kortrijk (...). tegen SA C., vennootschap naar Frans recht, met maatschappelijke zetel te Frankrijk - 69960 Corbas (...). RCS Lyon: (...) verweerster op hoofdeis,
eiseres op tegeneis, hebbende als raadsman Meester J. Lievens, advocaat te
8500 Kortrijk (...), voor wie ter zitting verschijnt
Meester I. Hemeryck, advocaat te 8500 Kortrijk. Gezien de dagvaarding d.d. 2 mei 2000. Gezien de door partijen neergelegde
conclusies en stukken. Gehoord de partijen ter zitting van 21 januari 2002,
waarop de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen en voor
uitspraak gesteld ter zitting van 18 februari 2002.
De
feiten en de vorderingen. Standpunten van partijen. 1. Bij dagvaarding d.d. 2 mei 2000 vordert eiseres ten aanzien van
verweerster de betaling van 1.414.803 BEF (= 35.072,05 E) in hoofdsom,
samengesteld als volgt: - factuur nr. 1910 d.d. 19/05/1999:
246.642 BEF (=
6.114,10 €) - creditnota nr. 1940 d.d. 21/05/1999:
-
1.870 BEF (=
46,36 €) - factuur nr. 1927 d.d. 21/05/1999 :
301.476 BEF (=
7.473,39 €) - creditnota nr. 1960 d.d. 21/05/1999:
-
2.936 BEF (=
72,78 €) - factuur nr. 2043 dal. 28/05/1999 :
458.736 BEF (= 11.371,77 €) - creditnota nr. 2138 d.d. 02/06/1999:
-
4.728 BEF (=
117,20 €) - factuur nr. 2128 d.d. 02/06/1999 :
264.240 BEF (=
6.550,34 €) - creditnota nr. 2156 d.d. 04/06/1999:
-
3.006 BEF (=
74,52 €)
1.258.554 BEF (=
31.198,74 €) - conventionele interesten :
81.249 BEF (= 2.014,11 €) - conventioneel schadebeding :
75.000 BEF (=
1.859,20 €)
1.414.803 BEF (=
35.072,05 €). Met voormelde facturen heeft eiseres de prijs aangerekend voor 4
opeenvolgende verkopen van vers versneden varkensvlees; de creditnota's
werden uitgeschreven vanwege bepaalde reclamaties door verweerster nopens
teveel aangerekende hoeveelheden enerzijds en de onderdimensionering van
bepaalde versneden stukken anderzijds (bundel eiseres, stukken nrs. 1-12). 2. Verweerster betwist de aldus tegen haar gestelde betalingsvordering,
waar zij aanvoert dat de kwestieuze leveringen van vlees niet geschikt waren
voor de doeleinden, waarvoor ze zouden gebruikt worden, inzonderheid waar
eiseres er in het licht van de zgn. dioxinecrisis niet in geslaagd is de
conformiteit van de goederen aan te tonen. Bij tegeneis vordert zij dan een schadevergoeding van 54.713,95 EUR,
zijnde het bedrag dat eveneens ten titel van schadevergoeding (wegens kosten
van analyse en vernietiging) van haar wordt gevorderd door de uiteindelijke
koper van de kwestieuze vleeswaren, nl. de Franse vennootschap H.,
gevestigd in F-62130 St.-Pol sur Ternoise (waar de goederen trouwens
rechtstreeks aangeleverd werden door eiseres). 3. In conclusies verwerpt hoofdeiseres het verweer en de tegeneis. Zij
wijst er o.a. op dat verweerster zelf en uitdrukkelijk de conformiteit van
de geleverde goederen erkend heeft en alleszins faalt in haar bewijslast
terzake het beweerde gebrek der goederen; er bestond geen verplichting om
garantiebewijzen af te leveren (laat staan met terugwerkende kracht). Beoordeling. 1.
Toepasselijk recht. Hoofdeiseres vordert betaling van de prijs n.a.v. (opeenvolgende)
internationale verkopen van roerende zaken (nl. versneden varkensvlees). Krachtens art. l.l.a) van het CISG (Weens Koopverdrag) is het van
toepassing op koop-verkoopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen
partijen die in verschillende staten gevestigd zijn, wanneer die staten
verdragsluitende staten zijn; aldus omschrijft het CISG rechtstreeks de
eigen territoriale toetsingscriteria, zonder dat nog een omweg moet gebeuren
via de verwijzingsregels (cf. J. Meeusen, "Belgisch internationaal
contractenrecht in Europees perspectief in X.,
"Overeenkomstenrecht", Verslagboek van de XXVIste
postuniversitaire cyclus Willy Delva, 1999-2000, p. 379 e.v., inz. nr.
490, p. 388). In casu zijn zowel België als Frankrijk gebonden landen. Anderzijds dateren de litigieuze koop-verkoopovereenkomsten van na het
tijdstip waarop het CISG in beide landen in werking is getreden, zodat ook
op dat punt de door art. 100.2 van het Verdrag gestelde voorwaarde vervuld
is. Derhalve staat het vast dat onderhavige zaak dient beslecht te worden met
inachtneming van de bepalingen van het CISG, inzonderheid gelet op art. 4
dat bepaalt dat het Verdrag - benevens de totstandkoming van een
koopverkoopovereenkomst - de rechten en verplichtingen van koper en verkoper
regelt (met inbegrip van de sanctieregeling ingeval van wanprestatie van de
partijen - cf H. Van Houtte e.a., "Het Weens Koopverdrag", p. 44,
nr. 1.51). Dit klemt des te meer nu er geen enkele aanduiding voorligt dat
de partijen de toepassing van het CISG conventioneel zouden uitgesloten
hebben; de partijen gaan trouwens akkoord dat het CISG van toepassing is op
onderhavige casus. 2. Hoofdeis. Hoofdverweerster betwist de vordering in betaling van de hoger vermelde
facturen niet cijfermatig, doch enkel waar zij aan hoofdeiseres een
wanprestatie verwijt waarvoor zij bij tegeneis trouwens een schadevergoeding
vordert. Het oordeel nopens de hoofdeis wordt derhalve (mede-)bepaald door
het oordeel nopens de tegeneis (infra, nr. 3). 3.
Tegeneis. Hoofdverweerster beroept zich op niet-conforme levering, meer bepaald waar
eiseres er na het uitbreken van de dioxinecrisis niet (tijdig) in geslaagd
is om een sluitend garantiebewijs of te leveren dat de 4 kwestieuze
leveringen van vleeswaren niet behept waren met een dioxinecontaminatie
en/of PCBbesmetting. Vooreerst dient in dat verband vastgesteld en beklemtoond te worden dat
hoofdverweerster zelf, uitdrukkelijk en schriftelijk, op basis van de
resultaten van doorgevoerde analyses, de conformiteit erkend en bevestigd
heeft van de door eiseres geleverde vleeswaren (bundel eiseres, stukken nrs.
16a en 16b). Het blijkt ook dat de door H. uitgevoerde analyses negatief
waren (bundel verweerster, stukken nrs. 18b-18c-18d). Van enige contaminatie
of besmetting is er in casu dus geen sprake en op zichzelf dus evenmin van
enig gebrek dat uit dien hoofde de conformiteit van het geleverde in het
gedrang zou brengen. Anderzijds blijkt uit de stukken dat de 4 leveringen van vlees gebeurd
zijn door toedoen van eiseres, die deze goederen franco diende of te leveren
in Frankrijk te St.-Pol sur Temoise, rechtstreeks bij H. De leveringen
zijn aldaar gebeurd op 19 mei 1999, op 21 mei 1999, op 28 mei 1999 en op 2
juni 1999. Telkens werden de leveringen zeer grondig en nauwkeurig nagezien,
waarbij zelfs eenmaal een tekort van 2 kg op een totale vracht van meer tan
3.300 kg werd vastgesteld en aangeklaagd, evenals een verschil van enkele
centimeter in de opgelegde afmetingen der versnijdingen (reden waarom
trouwens telkenmale een creditnota diende uitgeschreven te worden door
eiseres). Elke levering werd nagezien de dag zelf van de levering of
uiterlijk de eerstvolgende werkdag, gezien de brieven, waarbij de kwestieuze
opmerkingen nopens gewicht en afmetingen werden geformuleerd, verstuurd
werden per fax op respectievelijk 20 mei 1999, op 21 mei 1999, op 1 juni
1999 en op 4 juni 1999 (bundel eiseres, stukken nrs. 2, 5, 8 en 11). Overeenkomstig art. 69, 2° CISG is daardoor het risico overgegaan. Art. 66 CISG bepaalt dat de koper in die omstandigheden niet ontslagen is
van zijn verplichting om de prijs te betalen, tenzij het verlies van of de
schade aan de goederen te wijten is aan een handeling of nalatigheid van de
verkoper. In casu bewijst hoofdverweerster niet dat enig verlies of schade te wijten
zou zijn aan een handeling of nalatigheid van eiseres. Het blijkt
integendeel dat de medecontractant van hoofdverweerster (H.) eenzijdig
beslist heeft om haar afgewerkte producten uit de markt te halen en te
vernietigen, overigens niet vanwege enige vastgestelde contaminatie, maar
omwille van het overschrijden der houdbaarheidsdatum (bundel verweerster,
stukken nrs. 17 en 18d). Zulks tegenwerpen aan eiseres houdt
noodzakelijkerwijze de erkenning in dat de door eiseres geleverde
grondstoffen reeds verwerkt waren (en derhalve hun bestemming hadden gekend
volgens het doel waarvoor ze werden aangekocht). Al deze elementen en omstandigheden in acht genomen, kan er bezwaarlijk
van een aan eiseres toerekenbare handeling
of nalatigheid gewag gemaakt worden. Overigens dient vastgesteld te worden dat indien art. 36,2° CISG toelaat
dat de verkoper nog aansprakelijk wordt gesteld voor een gebrek, dat later
optreedt dan het tijdstip waarop het risico op de koper is overgegaan, zulks
dan beperkt is tot 2 gevallen, nl. ingeval van niet-naleving van een
accessoire verbintenis bij de levering of ingeval de verkoper een specifieke
garantie nopens de "blijvende geschiktheid" van de geleverde zaken
zou gegeven hebben (H. Van Houtte e.a., Het Weens Koopverdrag, o.c., p.
139‑140, nrs. 4.54 en 4.55). Die gevallen zijn in casu niet aan de
orde: enige garantie in de zin van art. 36,2° CISG wordt ten aanzien van
eiseres niet bewezen (en ook niet aangevoerd), terwijl evenmin wordt
aangetoond dat in hoofde van eiseres enige wettelijke, reglementaire of
conventionele verbintenis bestond bij het afsluiten van de 4
koopverkoopovereenkomsten of uiterlijk op het ogenblik dat de vier litigieuze leveringen plaatsvonden
en het risico is overgegaan om enig garantiebewijs af te geven dat de
vleeswaren niet door dioxine of PCB's waren gecontamineerd (of althans niet
buiten tolerantie, wat daaronder ook zou moeten verstaan worden, gezien er
alsdan zelfs geen algemeen erkende, welomschreven en/of uniforme normen voor
dergelijke contaminanten waren). De omstandigheid dat de Franse overheid nadien regelen heeft uitgevaardigd i.v.m. de invoer en het aldaar op
de markt brengen van dieren of dierlijke producten uit België (Ministerieel
Besluit van 4 juni 1999, gepubliceerd in Le
Journal Officiel van 5 juni 1999 - cf. bundel eiseres, stuk nr. 18), kan
aan eiseres niet tegengeworpen worden. Het risico was in casu immers reeds
voorafgaandelijk overgegaan en daardoor was, zoals reeds aangehaald,
hoofdverweerster niet ontslagen van haar verplichting om de prijs te
betalen; voor het overige - en bij gebreke aan bewijs van andersluidende
afspraken - kan hoofdverweerster zich ook niet op imprevisie of gewijzigde
economische omstandigheden beroepen (cf F. Cleeren, Juridische
aspecten van de dioxinecrisis volgens het Weens Koopverdrag, Limb.
Rechtsl., 2000, p. 213 e.v., inz. p. 219‑220, nrs. 6‑9). De conclusie van het voorgaande is dat het verweer op de hoofdeis faalt en
dat de tegeneis ongegrond is; de hoofdeis is gegrond ten belope van
1.258.554 BEF of 31.198,74 EUR. 4. Terzake de bij hoofdeis gevorderde aanhorigheden (conventioneel
schadebeding, conventionele interesten) dient te worden vastgesteld dat art.
6 CISG het beginsel van de partijautonomie huldigt (de partijen kunnen de
toepassing ervan uitsluiten, dan wel afwijken van de bepalingen ervan of het
gevolg ervan wijzigen) en dat art. 9 CISG daarbij de bindende kracht
vooropstelt van de gewoonten waarmede de partijen ingestemd hebben en van de
tussen hen gebruikelijke handelwijzen. Daartegenover staat art. 19 CISG dat
strikte regels inhoudt terzake van aanbod, aanvaarding en wijziging van
voorwaarden, waarbij steeds volledige wilsovereenstemming nodig is vooraleer
het contract tot stand komt; daarbij geldt louter stilzwijgen niet als
aanvaarding (J. Meeusen, "Totstandkoming van de overeenkornst", in
H. Van Houtte e.a., o.c., nrs. 3.56, 3.58 en 3.60, p. 91-94; volgens
H. Van Houtte komt de Belgische opvatting dat de factuurvoorwaarden bindend
zijn omdat de koper deze stilzwijgend aanvaard heeft zelfs op de helling te
staan in het Weens Koopverdrag : zie "Het Weens Koopverdrag in het
Belgisch recht", T.B.H., 1998, p. 344 e.v., inz. nr. 22, p. 350; cf Kh.
'Hasselt, 2 december 1998, R.W., 1999‑2000, 648). In casu ligt er geen bewijs voor dat hoofdverweerster, bij de
totstandkoming van de koopverkoopovereenkomsten die de grondslag uitmaken
van de bij dagvaarding opgevorderde facturen, kennis genomen heeft van de
algemene voorwaarden van hoofdeiseres en deze alsdan aanvaard heeft (cf.
bundel verweerster, stukken nrs. 2a-2b-2c). De factuurvoorwaarden van
hoofdeiseres kunnen derhalve geen toepassing vinden. Hoofdeiseres kan wel aanspraak maken op rente wegens laattijdige betaling
in toepassing van art. 78 CISG. Waar het CISG evenwel zelf de interestvoet ingeval van laattijdige
betaling niet bepaalt, wordt deze bepaald volgens het recht van de
betaalmunt (cf. H. Van Houtte, "Het Weens Koopverdrag in het Belgisch
recht", ox., nr. 33, p. 352-353), ten dezen de Belgische wettelijke
rente, te rekenen vanaf de datum waarop diende betaald te worden, nl. in
casu de respectievelijke factuurdata. 5. Waar hoofdeiseres op stereotiepe wijze de uitsluiting vordert van de
mogelijkheid tot kantonnement - wat een principieel recht is voor de
schuldenaar -, dient zij te bewijzen dat de vertraging in de regeling haar
aan een ernstig nadeel blootstelt en volstaat een dergelijke bewering niet.
Nu hoofdeiseres terzake geen bewijzen voorlegt, kan op haar verzoek tot
uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement niet worden ingegaan (zie
Gent, 1 ' kamer, 17 april 1997, A.R. 1997/564 inzake Mafar/Fenestra). Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het
gebruik der talen in gerechtszaken. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak, alle verdere
besluiten afwijzend, Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate Veroordeelt hoofdverweerster, S.A. C., om aan hoofdeiseres, N.V. L., te betalen de som van eenendertigduizend honderd achtennegentig
euro en vierenzeventig cent (31.198,74 EUR), te vermeerderen met de rente a
rato van 7 % per jaar: op 6.067,74 EUR vanaf 19 mei 1999 op 7.400,61 EUR vanaf 21 mei 1999 op 11.254,57 EUR vanaf 28 mei 1999 op 6.475,82 EUR vanaf 2 juni 1999.
.. Wijst het méérgevorderde van de hoofdeis af als ongegrond. Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch ongegrond. Veroordeelt hoofdverweerster tot de kosten van het geding, deze gevallen
aan de zijde van hoofdeiseres begroot op: - dagvaarding en rolrecht :
355,03 € - rechtsplegingsvergoeding :
327.22 €
682,25 €. Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad. (…) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 16-05-2012 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |