K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 31 January 2002

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 2000/AR/1466

Case History: Appeal from Rechtbank van koophandel, Dendermonde, 30 December 1999

Parties: B.S. AS v. N.V. D.C. and N.V. C.

Seller’s Country: Belgium (Plaintiff; Respondent on appeal)

Buyer’s Country: Norway (Defendant; Appeallant)  

Goods involved: Candy

Judges: H. Debucquoy, J. Baudrez, A. Deene

Status: Published in 2002-2003, Rechtskundig Weekblad, 664, note by S. Rutten

 

 

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Arts. 1(1)(a) & 57

Jurisdiction - art. 5 of Brussels Convention - place of performance 

Applicable law - both countries party to CISG - CISG applicable

Place of performance (payment) - residence of seller

Supplementary law - Belgian

Payment by daughter company of buyer to sister company of seller - transferred to seller - valid payment

 

English Summary

A Belgian seller sold candy to a Norwegian buyer. The seller sued the buyer for payment in the Rechtbank van Koophandel (Commercial Court) of Dendermonde. In a judgment of 30 December 1999 the court ordered the buyer to pay. The buyer stated that its subsidiary had (accidentally) paid the sister company of the seller, but the court found that since it was a different legal person, the payment did not free the buyer of his payment obligation. The buyer appealed to the Hof van Beroep (Court of Appeal) of Ghent. Regarding jurisdiction that court applied the Brussels Convention on Jurisdiction and the Recognition and Enforcement of Judgments in Civil and Commercial Matters (1968). Article 5(1) determined that the court of the place of performance had jurisdiction. The place of payment was determined by article 57 CISG, which stated that payment should be made at the residence of the seller, in this case Belgium so that the Belgian courts had jurisdiction. The CISG did not contain provisions on the way in which payment should be made. According to Belgian Private International Law, the law of the place where payment should be made, was applicable. There was no objection to the buyer asking its subsidiary to pay the invoice of the seller since it owed the buyer money. After receipt of the money from its sister company, the seller could have refused it, but it accepted the payment. The seller did not prove that it had assumed that the payment had been made for a debt of the subsidiary. The appeal was successful.

 

Text of the decision

 

B.S. AS, vennootschap naar het recht van Noorwegen, met maatschappelijke zetel te 1440 Drobak (Noorwegen) (...) en ingeschreven in het cenrtrale handelsregister van Noorwegen (...),

appellante, hebbende als raadsman mr. Mia Declercq, advocaat te 1050 Brussel (...), alwaar zij woonst kiest,

 

tegen

 

N.V. D.C., met maatschappelijke zetel te 9230 Wetteren (...) en ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde (...),

geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Jo Van de Velde, advocaat te 9230 Wetteren (...),

 

en mede inzake

 

N.V. C., met maatschappelijke zetel te 9270 Kalken (...) en ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde (...),

gedaagde in gedwongen tussenkomst, hebbende als raadsman mr. Jo Van de Velde, voornoemd,

 

velt het Hof volgend arrest:

 

Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.

 

1. Gegevens van de zaak in beroep:

 

1.1. B.S. AS stelde op 7 juli 2000 hoger beroep in tegen het vonnis van 30 december 1999 van de derde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Dendermonde. Op 12 september 2000 dagvaardde zij C. NV in gedwongen tussenkomst.

1.2. De blijvende betwistingen betreffen:

1.2.1. de rechtsmacht van de Belgische rechter om kennis te nemen van de eis van D.C. NV. Deze eis strekt tot de betaling van de facturen nrs. 980.191 en 980.206, die D.C. NV op 1 en 29 oktober 1998 uitschreef op naam van de vennootschap naar Noors recht B.S. AS voor een bestelling van snoepgoed door B.S., die aan E. moest geleverd worden.

1.2.1. de gegrondheid van deze vordering. D.C. NV stelt dat zij van B.S. AS geen betaling van deze facturen bekwam. B.S. AS antwoordt, dat D.C. NV wel betaling bekwam, zij het dan vanwege E. die op 10 december en 31 december 1998 (= de valutadata) de facturen op rekening van C. NV vereffende, die op haar beurt de betaling op de rekening van D.C. NV overschreef. E. AS blijkt een dochtervennootschap van B.S. AS te zijn; C. NV een zustervennootschap van D.C. NV.

1.2.3. gesteld dat de vordering van D.C. NV tegenover B.S. AS gegrond zou zijn, de gegrondheid van de eis in gedwongen tussenkomst die B.S. AS tegenover C. NV op 12 september 2000 instelde. Deze eis strekt ertoe voor recht te zeggen, dat C. NV een fout beging door zonder nadere precisering de betalingen - die zij van E. AS voor rekening van B.S. AS ontving - aan D.C. NV door te storten, en voor recht te zeggen dat B.S. AS dan ook gerechtigd is om terugbetaling en/of schadevergoeding van C. NV te eisen.

1.3. De eerste rechter weerhield - bij toepassing van artikel 5 EEX en bij toepassing van artikel 57, 1° A van het Weens Koopverdrag - de rechtsmacht van de Belgische rechter.

Hij verklaarde de eis van D.C. NV tegenover B.S. AS gegrond op de overwegingen, dat de betaling van E. AS aan C. NV een betaling aan een verkeerde rechtspersoon uitmaakte, die niet bevrijdend kon werken, aangezien C. NV geen volmacht had om voor D.C. NV de betaling te ontvangen en deze laatste de betaling niet heeft bekrachtigd en er ook geen voordeel heeft uitgetrokken.

Verder stelde hij ook vast, dat E. As de schuldenaar was van D.C. NV en dat deze laatste de betaling - die zij vanwege C. NV zonder nadere precisering ontving - mocht toerekenen op de schulden van E. AS.

 

2.. Beoordeling:

2.1. Het Hof weerhoudt de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken en naast de toepassing van het Weens Koopverdrag op de internationale koop/verkoop die voorligt, ook de toepassing van het Belgisch recht.

2.1.1. Het hoger beroep stelde partijen in de mogelijkheid om zich uit te spreken over de toepassing van artikel 5 EEX en artikel 57,1° A van het Weens Koopverdrag, die voorzien dat de Belgische rechtbanken zich kunnen uitspreken over de eis van D.C. NV, die strekt tot de betaling van haar facturen.

De eis stoelt op een internationale verkoop die na goedkeuring van het Weens Koopverdrag door België op 1 november 1997 en door Noorwegen op 1 augustus 1989 de verhouding beheerst tussen D.C. NV en B.S. AS.

De bestelbons bedongen een betaling op 60 dagen na levering (zie stuk 1 en 3 in de bundel van B.S. AS), zodat B.S. AS als koper - bij gebrek aan nadere precisering - de betaling bij toepassing van artikel 57,1°-a van het Weens Koopverdrag verschuldigd was op de zetel van D.C. NV als verkoper. Artikel 57,1°-b is hier niet van toepassing, waar B.S. AS de betaling niet verschuldigd was tegen afgifte van de goederen bij E. AS.

Artikel 5,1° EEX liet D.C. NV dan ook toe, om B.S. AS voor de uitvoering van haar betalingsverbintenis voor de Belgische rechter te dagvaarden.

2.1.2. Met partijen weerhoudt het Hof naast de toepassing van het Weens Koopverdrag, ook de toepassing van het Belgisch recht.

De overeenkomst tussen partijen bepaalt geen modaliteiten van betaling en het Weens Koopverdrag bevat evenmin een regeling van de manier waarop betaald moet worden, zodat hier naar het nationaal recht van de verkoper moet worden teruggegrepen, zij krachtens het Belgisch internationaal privaat recht het recht van de plaats waar de betalingsverbintenis moet worden uitgevoerd.

2.2. D.C. NV bekwam van de leveringen, die zij voor rekening van B.S. AS bij E. AS uitvoerde, betaling. Het gegeven dat E. AS als dochtervennootschap van B.S. AS de betalingen voor rekening van B.S. AS heeft uitgevoerd op rekening van C. NV die op haar beurt de betalingen heeft door gestort aan haar zustervennootschap D.C. NV, laat D.C. NV niet toe aanspraak maken op een tweede betaling.

2.2.1. Uit de overgelegde stukken volgt dat D.C. NV bereid was, om verder bestellingen te leveren aan E. AS. Zo weerhouden de facturen die D.C. NV uitschreef als leveringsadres: E. A/S (...).

De overlegde stukken bewijzen anderzijds niet, dat D.C. NV tot de uitvoering van de bestellingen overging onder de sluitende afspraak, dat alleen B.S. AS - met uitsluiting van E. AS - voor betaling van de leveringen moest zorgen of onder de voorwaarde dat E. AS op haar openstaande schuld enige aanbetaling zou doen.

B.S. AS zag er als schuldenaar op toe, dat D.C. NV betaling bekwam en dat de betalingen bij toepassing van artikel 1253 van het burgerlijk wetboek ook duidelijk werden toegerekend op de facturen nrs. 980.191 van 1 oktober 1998 en 980.206 van 29 oktober 1998. Zo vermeldde haar dochterbedrijf E. AS in haar bankoverschrijvingen expliciet, dat zij de facturen nrs. 980.191 van 1 oktober 1998 en 980.206 van 29 oktober 1998 vereffende.

2.2.2. Geen enkele wettelijke bepaling belette B.S. AS om haar dochterbedrijf E. AS - dat tegenover haar zelf schuldenaar was geworden - te vragen, om de facturen nrs. 980.191 en 980.206 te vereffenen (zie onder andere De Page, Tome III, nr. 405 - d) en als geïntresseerde derde kon E. AS de betalingsverbintenis die de moeder op zich had genomen, ook op zich te nemen.

D.C. NV had wel de betaling kunnen weigeren, zo zij een rechtmatig belang had kunnen aantonen (artikel 1237 van het burgerlijk wetboek; De Page, Tome III, nr. 403; J. Van Damme, Aspects juridiques du parement par un tiers, R.C.J.B. 1974, pagina 242). Zij heeft de betalingen die E. AS voor rekening van B.S. AS heeft verricht, na ontvangst via haar zustervennootschap evenwel aanvaard en er voordeel uit getrokken (artikel 1239 van het burgerlijk wetboek).

-         Door de overschrijvingen die E. AS voor rekening van B.S. AS verrichtte, bekwam D.C. NV juist betaling van haar facturen nrs 980.191 en 980.206.

-         Verder laat geen enkel gegeven veronderstellen, dat E. AS dat in zware financiële moeilijkheden verkeerde en kort na de transactie failliet werd verklaard - nog een betaling aan D.C. NV zou verricht hebben, ware het niet dat haar moedermaatschappij zich had verbonden voor de betaling van de twee laatste leveringen.

-         D.C. NV heeft de betalingen, die E. AS voor de schuld van B.S. AS uitvoerde, verder niet geweigerd omdat zij er belang bij zou gehad hebben dat de schuld door de schuldenaar zelf werd voldaan. Zij heeft de betalingen aanvaard en wenst alleen de betaling op de schuld van E. toe te rekenen tegen de toerekening in, die E. AS bij haar betalingen heeft gemaakt (zie artikel 1237 van het burgerlijk wetboek).

2.2.3    D.C. NV kan niet terugkomen op de toerekening van de betalingen, die haar schuldenaar overeenkomstig artikel 1253 van het burgerlijk wetboek kon maken en maakte.

-         D.C. NV kan feitelijk niet voorbijgegaan zijn aan de toerekening van de betalingen, die haar schuldenaar maakte. Zowel D.C. NV als C. NV maakten deel uit van de GROEP D. (member of D. Group), met W. als gedelegeerd bestuurder. Het zonder meer doorstorten van de betalingen wijst op een interne verrichting binnen deze groep en een verstandhouding tussen de twee vennootschappen van de groep.

-         D.C. NV en C. NV bewijzen hun beweringen niet, dat C. NV in opdracht van E. AS (na telefonische instructies) de betalingen zou door gestort hebben. Met deze bewering probeert D.C. NV een tweede maal betaling te bekomen, waar C. NV aldus een fout zou begaan hebben tegenover E. As door de toerekening van de betalingen niet door te geven. De rechter kan evenwel niet steunen op beweringen van een partij in haar eigen zaak, tenzij ze door andere gegevens of verdere vermoedens worden gestaafd (Cass. 17.04.1989, RW. 1989/90, pg. 401). Daarenboven weerhield het Hof hiervoor al, dat de feitelijke gegevens van de zaak niet toelaten om aan te nemen, dat D.C. NV geen weet zou gehad hebben van de toerekening van de betalingen en dus ter goeder trouw de betalingen op de schulden van E. AS zou toegerekend hebben.

2.3. B.S. AS moest tegenover D.C. NV zorgen voor betaling. De uitvoering van deze contractuele verbintenis door E. AS bracht voor haar in geen geval schade mee en maakte evenmin voor haar een onverschuldigde betaling uit. Het Hof verwijst B.S. AS dan ook in de gedingskosten van C. NV.

 

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering van D.C. NV ontvankelijk, maar ongegrond.

Verwijst D.C. NV in de kosten van B.S. AS, die het Hof begroot op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg                             12.600 BEF     of    € 312,35

- rolrecht                                                                                                          € 185,92

- uitgavenvergoeding                                                                                          € 54,54

- rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep                                                       € 436,29

 

en B.S. AS in de kosten van C. NV, die het Hof begroot op .

- rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep :                                                     € 436,29

Verwijst partijen voor het overige in de eigen kosten.

(…)

 

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be