K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 19 September 2001

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt

Case Number: A.R.01/1771

Case History: Following judgment: Rechtbank van Koophandel, Hasselt, 31 October 2001

Parties: F.M. N.V.v. D.C.

Seller’s Country: Belgium (Plaintiff)

Buyer’s Country: The Netherlands (Defendant)

Goods Involved: Repairs to vehicle

Judges: P. Valhelmont, H. Warson, N. Bronckaers

Status: Unpublished

  

Classification of issues present

 

Application of CISG: ?

CISG applicable? – sale or service – debate re-opened

Jurisdiction – Brussels Convention arts. 5(1) and 17 – no valid forum clause – place of performance – Belgium

Belgian court has jurisdiction

Text of the Decision

 

in zake:

 

<F.M. N.V.>, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3550 Heusden-Zolder (...), ingeschreven in het H.R. Hasselt (...);

aanlegster, verschijnende door meester V. Engelen, advocaat te 3530 Houthalen-Helchteren (...);

 

tegen:

 

<D.C.>,

handelaar, handeldrijvende onder de benaming "C.D.M." ingeschreven bij de Kamer van Koophandel Midden-Brabant (Nederland) (...), wonende te 5126 NO Gilze (Nederland) (...);

verweerder, verschijnende door meester Sol, advocaat te NL. 4531 EE Terneuzen (Nederland) (...);

 

volgt het vonnis.

 

Bij inleidend exploot van het ambt van R. Smeets, plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder A. Smeets te Neerpelt dd. 28 mei 2001 liet aanlegster dagvaarding uitreiken aan verweerster teneinde deze te horen veroordelen tot betaling van 125.223,-BEF meer gerechtelijke intresten en kosten.

Het bedrag van 125.223,-BEF is samengesteld als volgt:

factuur dd. 24/10/2000:                                                                   290.470,-BEF

reeds betaald:                                                                                -181.385,- BEF

                                                                                                      109.085,- BEF

conventionele intresten 10%:                                                               5.230,- BEF

conventioneel schadebeding 10%:                                                 +  10.908,- BEF

                                                                                                      125.223,- BEF

Aanlegster heeft herstellingen uitgevoerd aan een voertuig Marcos Mantis. Dat voertuig zou eigendom zijn geweest van een zekere Z.. Verweerster zou tijdens een oefenrace op het circuit van Assen in Nederland het voertuig van Z. hebben beschadigd en met deze overeengekomen zijn dat het voertuig op kosten van verweerder kon worden hersteld.

Volgens verweerder heeft Z. daarvoor aanlegster ingeschakeld en werd tussen partijen overeengekomen dat aanlegster de factuur rechtstreeks kon overmaken aan verweerder. Volgens verweerder is er geen rechtstreeks contact geweest tussen hemzelf en aanlegster; Verweerster houdt voor dat aanlegster veel verder is gegaan dan het herstel van de gevolgen van het ongeval; zo zouden onder meer de schijfremmen aan twee kanten zijn vervangen (en niet alleen aan de beschadigde kant). Daardoor zou Z. een voertuig hebben terug ontvangen dat meer waard was. Verweerder is van oordeel dat hij voor die meerwaarde niet moet opdraaien.

Aanlegster heeft op 24 oktober 2000 een factuur overgemaakt aan verweerder ad 290.470,-BEF. Deze ontkent blijkbaar niet de factuur te hebben ontvangen. De factuurvoorwaarden voorzien dat de facturen contant betaalbaar zijn te Heusden-Zolder en dat het Belgisch recht van toepassing is op de rechtsbetrekkingen voorkomend uit verkoop en leveringen van goederen en diensten die het Voorwerp uitmaken van de factuur.

Blijkbaar hebben partijen faxverkeer gehad op l2 december 2000. Alleszins brengt aanlegster een detail bij van de onderdelen die zij heeft vervangen aan het voertuig.

Op 19 december 2000 heeft aanlegster aangetekend een ingebrekestelling gestuurd aan verweerder.

Verweerster houdt voor op 24 februari 2001 volgende brief te hebben verstuurd aan aanlegster:

Hierbij willen wij graag reageren op uw factuur met nummer 2001/0075 d.d. 24/10/ 2000.

Genoemd factuur heeft betrekking op het raceklaar maken van een Marcos Mantis, als gevolg van een schade welke is opgelopen tijdens een vrije training op maandag 7 augustus 2000 op het circuit van Assen.

In de specificatie van uw factuur worden een aantal zaken genoemd welke naar onze mening geen betrekking hebben op reparatiewerkzaamheden die in direct verband staan met schade als gevolg van de crash zelf. Hieromtrent is reeds enkele malen telefonisch overleg geweest met de heer D..

Dientengevolge zijn wij ook niet bereid om de gehele factuur te voldoen, vermits u, middels het overleggen van overtuigend bewijsmateriaal, een andere melding aannemelijk kunt maken.

Wij zijn op dit moment bereid om een bedrag van Euro 4.500,00 te betalen en zullen dit ook direct voldoen.

Indien u de schadeherstelwerkzaamheden en de bijbehorende onderdelen niet kunt verantwoorden, dan wensen wij voor het verschil een creditnota te ontvangen.

Wij stellen u in de gelegenheid om binnen een termijn van één maand, na datum postmerk, schriftelijk te reageren.

Wij hopen dat u begrip heeft voor ons standpunt in deze en vertrouwen er op u hiermede voorlopig voldoende te hebben gediend.

Uw verdere reacties zien we met interesse tegemoet.

Aanlegster ontkent deze brief ontvangen te hebben. Een bewijs van aangetekende verzending ligt niet voor.

Begin maart 2001 laat verwerende partij aan aanleggende partij 151.385,-BEF toekomen. Het stortingsbewijs is niet medegedeeld.

Bij aangetekend schrijven van 12 maart 2001 stelt aanlegster in gebreke voor het saldo.

Op 18 maart 2001 antwoordt verweerder/ hij wijst naar zijn brief van 24 februari 2001:

Het feit dat deze brief niet aangetekend werd verstuurd, is voor u blijkbaar dé gelegenheid geweest om een houding in te nemen alsof de brief niet zou zijn ontvangen… Behalve dat dit als zeer onprofessioneel en kinderachtig wordt ervaren, geeft het meteen een indruk omtrent de betrouwbaarheid van u als partij in deze… Wij willen u er nogmaals op attenderen dat de bereidheid aanwezig is om het volledige factuurbedrag te voldoen, mits u gespecifiëerd en met voldoende overtuigend bewijs aan kunt tonen dat voornoemde factuur volledig op de schade ten gevolge van de crash kan worden afgewend. Ondanks het feit dat hier meerdere keren contact is geweest, heeft u dit op geen enkele wijze aan kunnen tonen en heeft u zelfs hier geen enkele poging toe ondernomen.

Op 17 april 2001 antwoordt de raadsman van aanlegster dat het eerste protest van 18 maart 2001 laattijdig is. Hij bevestigt dat enkel de gevolgen van het ongeval te Assen van 07/08/2000 worden hersteld.

Daarop volgt dagvaarding.

Verweerder betwist dat de Belgische rechtbanken rechtsmacht hebben voor dit geschil.

Aanlegster beroept zich op art. 5.1 EEX.

Verweerder stelt dat, vermits er geen overeenkomst is tot stand gekomen tussen partijen, er geen verbintenis is die aan de eis ten grondslag ligt, zodat art. 5.1 EEX niet kan worden toegepast.

Aanlegster houdt voor dat wel degelijk een overeenkomst tussen partijen tot stand kwam, hetgeen blijkt uit het feit dat de factuur niet tijdig werd geprotesteerd, verweerder zonder voorbehoud een deel van de factuur betaalde en verweerder bij schrijven van 18 maart 2001 zich bereid toonde het volledige factuurbedrag te voldoen. Zij is van oordeel dat wel degelijk een overeenkomst tussen partijen tot stand kwam, met name te Heusden-Zolder, zodat de rechtbanken te Hasselt bevoegd zijn. Aanlegster houdt voor, zich beroepend op rechtspraak van het Europees Hof, dat een partij zich niet onbevoegd kan maken door te beweren dat het ingeroepen contract niet bestaat.

 

BEOORDELING:  

-1-

Hoewel de factuur een bevoegdheidsbeding bevat dat de rechtbanken te Hasselt bevoegd maakt, beroept aanlegster zich terecht niet op dit beding, vermits ter zake aan art. 17 EEX niet is voldaan.

-2-

Overeenkomstig art. 5.1 EEX kan een verweerder die woonplaats heeft in een verdragsluitende staat in een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt is de verbintenis tot het betalen van het saldo van de door aanlegster aan verweerder op 24 oktober 2001 toegestuurde factuur.

De plaats waar de overeenkomst zou tot stand gekomen zijn of de plaats waar aanlegster haar verbintenis zou hebben uitgevoerd, is dus van geen belang. Enkel van belang voor de toepassing van art. 5.1 EEX in casu is de plaats waar verweerder moet betalen.

Het feit dat verweerder betwist dat hij een verbintenis heeft met aanlegster sluit de toepassing van art. 5.1 niet uit (H.v.J., 4 maart 1982; Jur., 1982; 825 en J.T., 1982, 599). Onder art. 5.1 EEX vallen met name de geschillen die over de rechtsgeldige totstandkoming van een overeenkomst oprijzen of over de ongeldigheid of het geldig voortbestaan ervan (J. Erauw, “Niet uitsluitende bevoegdheidsgronden” in Van Hautte H. en Sender Pertegas M. (ed.), Europese I.P.R.-verdragen, Acco Leuven Amersfoort, 1997, p. 84, randnummer 3.30).

De vraag is dus waar verweerder dient te betalen. Blijkbaar betwist verweerder niet echt dat dat in België dient te gebeuren. Overigens heeft verweerder reeds een deelbetaling in België verricht. Volledigheidshalve herinnert de rechtbank eraan dat de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in de zin van art. 5.1 EEX wordt bepaald overeenkomstig het recht dat volgens de collusieregels van de aangezochte rechten van toepassing is, welk recht de bepalingen van een verdrag houdend een eenvormige wet kan omvatten, tenzij partijen deze plaats zelf bepalen door middel van een clausule die volgens het nationale recht dat de overeenkomst beheerst, geldig is, onder voorbehoud dat die plaats een reëel verband houdt met de overeenkomst.

Partijen hebben geen conclusies genomen over het recht dat de verbintenis van verweerder beheerd. De rechtbank is nochtans van oordeel dat welk recht het ook moge zijn, dit in alle geval tot gevolg zou hebben dat de verbintenis waarover het geschil gaat, in België dient uitgevoerd te worden.

Ofwel gaat het ter zake om internationale koop: in dat geval is het Weens Koopverdrag van toepassing, nu dit in België en Nederland geldt (art. 1 lid a van het Verdrag). Overeenkomstig art. 57 van het Weens Koopverdrag moet de koper de koopprijs betalen in de vestiging van de verkoper.

Ofwel gaat het ter zake om aanneming. In dat geval zou Belgisch recht van toepassing zijn, ofwel op basis van art. 3.1 EVo (de bepaling in de factuur over het toepasselijk recht), ofwel op basis van art 4.2 EVo (aanlegster voert de kenmerkende prestatie uit). In geval van Belgisch recht gaat het om een factuur die, voor zover ze tijdig geprotesteerd zou zijn, slechts ten dele geprotesteerd is en met name niet geprotesteerd is in die mate dat zij voorziet dat de facturen contant betaalbaar zijn te Heusden-Zolder.

In die omstandigheden hebben de Belgische rechtbanken wel degelijk internationale rechtsmacht voor dit geschil.

-3-

Blijft nochtans de vraag ten gronde of ter zake het Weens Koopverdrag dan wel het Belgisch recht van toepassing is en of, in geval het Weens Koopverdrag van toepassing zou zijn, de rechtsvragen door dit bedrag worden beheerst.

De vraag of het Weens Koopverdrag van toepassing is, dient opgelost volgens art. 3.2 van het Verdrag.

Nu de rechtbank een en ander ambtshalve opwerpt, worden in dat verband de debatten heropend om partijen toe te laten standpunt in te nemen.

De voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de Wet van 15 juni 1935, op het gebruik van de talen in gerechtszaken, werden nageleefd.

 

OM DEZE REDENEN,

beslist de rechtbank, na beraadslaging, op tegenspraak:

Zij zegt voor recht dat de Belgische rechtbanken ter zake rechtsmacht hebben.

Zij heropent, alvorens verder te oordelen, ambtshalve de debatten in verband met het hierboven aangehaalde.

Zij stelt de zaak daartoe ter zitting van 24 oktober 2001 om 9u30.

Zij behoudt de kosten voor

Zij verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zonder borgtocht en niettegenstaande alle verhaal.

(…)

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be