|
|
|
Case Identification Date of Decision: 10 July 2001 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Oudenaarde Case Number: A.R. 44/97 Parties: SRL L.E. v. NV B. Seller’s Country: Buyer’s Country: Belgium (Defendant) Goods Involved: Textiles Judges: M.D. Desimpelaere, H. van den Daele, F. Valcke Status: Unpublished Classification of issues present Application of CISG: Yes CISG Provisions applied: Arts. 14, 18, 19, 23, 33 and 78 Jurisdiction - Art. 2 of Brussels Convention - residence of defendant - Belgium - Belgian Court has jurisdiction Applicable law - Convention
on the law applicable to the contracts for the international sale of goods
(Hague Conference, June 15, 1955) Alteration by party of type of textile - not modification, but counter-offer Acceptance by buyer of postponement of delivery - if delivery in this time - not late delivery Interest rate - residence of debtor - Belgian rate
Text of the Decision
INZAKE VAN: SRL L.E. vennootschap naar Italiaans recht, met maatschappelijke zetel in Italië te Vaiano-Loc. (...), ingeschreven in het handelsregister te Prato (...), eiseres op hoofdeis-verweerster op tegeneis, (...) TEGEN: NV B, met maatschappelijke zetel te Haaltert- Heldergem (...) , ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde (...), verweerster
op hoofdeis-eiseres op tegeneis (...) De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden terzake toegepast. Gelet op het exploot van dagvaarding, aan de verwerende partij betekend door gerechtsdeurwaarder Ivan RAVELINGIEN met standplaats te Zottegem op 8 januari 2001. Gelet op het tussenvonnis van 22 juni 1999. De
partijen hebben de debatten hernomen voor de anders samengestelde zetel van
de rechtbank ter terechtzitting van 22
mei 2001. De rechtbank nam kennis van de stukken. 1.
PROCEDURALE RETRO-AKTEN. 1. In het tussenvonnis d.d. 22.06.1999 werden de feiten en het
voorwerp van het geding uiteengezet en worden alhier voor herhaald aanzien. Alvorens in rechte te statueren, heeft de
rechtbank ambtshalve de heropening van de debatten bevolen, teneinde
partijen toe laten te concluderen nopens de toepasselijke wetgeving en de
rechtsgevolgen die daaruit voortvloeien, gelet op het feit dat de vordering
die aan de oorsprong ligt van huidige procedure haar oorsprong vindt in
grensoverschrijdende koop-verkoopovereenkomsten van roerende goederen. 2. In hun conclusies, neergelegd nà het tussenvonnis,
zijn beide partijen het erover eens dat het Weens Koopverdrag van 11.04.1980
van toepassing is. 2.
BEOORDELING. A.
Nopens de bevoegdheid. Artikel 2 van het Europees Executieverdrag van
27 september 1968 bevat de basisbevoegdheidsregel die toelaat de verweerder
die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende staat op te
roepen voor de gerechten van die staat. Aangezien verweerster op hoofdeis haar
maatschappelijke zetel heeft in Haaltert-Heldergem, is deze rechtbank,
krachtens het voormeld artikel 2, dan ook bevoegd om van het geschil kennis
te nemen. B.
Nopens de toepasselijke wetgeving. 1.
Zoals reeds aangestipt heeft de contractuele relatie tussen partijen
betrekking op drie internationale koop-verkoopovereenkomsten van
roerende lichamelijke goederen, meer bepaald textielstoffen. De toepasselijke IPR-regels op deze
rechtsverhouding worden beheerst door het Verdrag van Den Haag van 15 juni
1955. Het feit dat België dit Verdrag heeft
opgezegd en dat deze opzegging met ingang van 01.09.1999 uitwerking heeft
gekregen (B.S. 30.06.1999, 24535),
belet niet dat in casu, gelet op de datum van de ter discussie staande
koopovereenkomsten (maart, april en mei 1995), de in het voormeld Verdrag
voorkomende verwijzingsregels moeten worden toegepast. Dit Verdrag poneert als verwijzingsregel een
tweetrapsregel : ·
als eerste, deze van de wilsautonomie van partijen; de aanwijzing van
het toepasselijk recht moet gebeuren bij uitdrukkelijk beding of
onbetwistbaar voortvloeien uit de bepalingen van de overeenkomst (artikel
2); ·
als tweede, bij gebreke aan rechtskeuze door de partijen, is de wet van
het land waar de verkoper zijn gewoon verblijf heeft op het ogenblik dat hij
de order ontvangt toepasselijk (artikel 3). (VAN NECK F., “Over de bevoegde rechter, het
toepasselijk recht, herroepingsbedingen en de Belgische internationale
openbare orde” A.J.T., 1998-99,
944 e.v.) In casu blijkt uit de voorliggende stukken
niet dat partijen uitdrukkelijke of impliciete rechtskeuze hebben gedaan.
Dienvolgens is de wet van de verblijfplaats van de verkoper, in casu het
Italiaans recht, van toepassing. 2.
Het Weens Koopverdrag behoort tot het Italiaanse materiële recht
sinds 01.01.1988. De betwiste koopovereenkomsten dateren van
maart, april en mei 1995 en zijn dienvolgens tot stand gekomen nà de
inwerkingtreding van het Verdrag in Italië, zodat het Weens Koopverdrag in
casu van toepassing is. C.
Nopens de hoofdeis. Verweerster op hoofdeis betwist de hoofdeis
wegens (1) verschillende laattijdige leveringen en (2) het niet levereren
van de stof KABUL door eiseres op hoofdeis. (1)
Artikel 33 van het Weens Koopverdrag voorziet dat, indien de
koopovereenkomst of een later akkoord van partijen de datum voor de
aflevering bepaald heeft, hetzij uitdrukkelijk, hetzij bij verwijzing naar
een bepaalde gebeurtenis, die datum zich opdringt aan de verkoper (HERBOTS
J., “ Verplichtingen van de verkoper ” in Het
Weens Koopverdrag, eds. VAN HOUTTE H. e.a., Intersentia, 1997, p.109). De rechtbank dient aldus na te gaan of er in
casu sprake is van laattijdige leveringen door eiseres op hoofdeis. Hierbij
dient rekening te worden gehouden met de tussen partijen overeengekomen
data en niet met de door verweerster op hoofdeis gevraagde leveringsdata op
de bestelbrieven : ·
nopens de bestelling nr. 21463 d.d. 30.03.1995:
alwaar verweerster op hoofdeis in haar bestelbrief d.d. 30.03.1995 gevraagd
had om te leveren uiterlijk eind april (1995), heeft eiseres op hoofdeis in
haar bevestiging van de bestelling van 05.04.1995 geantwoord dat het bijna
onmogelijk was om te leveren eind april; in een fax-bericht van 13.04.1995
heeft eiseres op hoofdeis vervolgens bevestigd dat de bestelling zou
geleverd worden op 10.05.1995, waarop verweerster op hoofdeis niet meer
gereageerd heeft, zodat mag aangenomen worden dat ze akkoord was met de door
eiseres op hoofdeis voorgestelde leveringsdatum. Deze bestelling werd op
05.05.1995 geleverd. ·
nopens de bestelling nr. 21713 d.d. 20.04.1995:
alwaar verweerster op hoofdeis in haar bestelbrief d.d. 20.04.1995 gevraagd
had om zo spoedig mogelijk te leveren en zeker vóór eind mei (1995), heeft
eiseres op hoofdeis in haar bevestiging van de bestelling van 12.05.1995
geantwoord dat ze niet zou kunnen leveren vóór 15.06.1995.
In een fax-bericht van 24.05.1995 heeft eiseres op hoofdeis
daarenboven meegedeeld dat twee artikelen
van de bestelling slechts zouden kunnen geleverd worden
eind juni 1995-begin juli 1995, terwijl de overige artikelen zouden
gelever worden
halverwege juni.
In een fax-bericht van 24.05.1995 heeft verweerster op hoofdeis
geantwoord dat ze de levering wenste,
uiterlijk halverwege juni (1995), bij gebreke waaraan ze de
levering niet zou aanvaarden.
In een fax-bericht van 05.06.1995 vroeg eiseres op hoofdeis de
bevestiging van verweerster op
hoofdeis dat ze de goederen die pas eind juni-begin juli (1995)
zouden geleverd worden zou aanvaarden.
In een fax-bericht van 06.06.1995 antwoordde verweerster op hoofdeis
dat de bestelde goederen vóór
07.07.1995 in haar bezit dienden te zijn. Deze bestelling werd gedeeltelijk geleverd op 09.06.1995,
terwijl het saldo werd geleverd
tijdens de eerste week van juli 1995. ·
nopens de bestelling nr. 22105 d.d.16.05.1995
: in haar bestelbrief d.d. 16.05.1995 had verweerster op hoofdeis geen
leveringstermijn vooropgesteld. Deze bestelling werd op 09.06.1995 geleverd. Uit de voorliggende stukken blijkt dat de
bestellingen nrs. 21463 en 22105 geleverd zijn binnen de voorgestelde data
en zelfs vroeger dan voorzien. Aangaande bestelling nr. 21713 van 20.04.1995
was er aanvankelijk een akkoord tussen partijen dat er zou geleverd worden
halverwege juni 1995. Verweerster op hoofdeis heeft zich in haar fax-bericht
van 06.06.1995 evenwel uitdrukkelijk akkoord verklaard met het door eiseres
op hoofdeis vooropgestelde uitstel van de leveringstermijn tot 07.07.1995
voor twee artikelen van de bestelling. Aangezien deze nieuw overeengekomen
leveringstermijn gerespecteerd werd door eiseres op hoofdeis, kan er geen
laattijdige levering in hoofde van eiseres op hoofdeis weerhouden worden. (2)
Krachtens artikel 23 van het Weens Koopverdrag komt een overeenkomst tot
stand op het tijdstip waarop de aanvaarding van het aanbod van kracht wordt. Een voorstel tot het sluiten van een
overeenkomst, gericht tot één of meer bepaalde personen vormt een aanbod,
indien het voldoende bepaald is en daaruit blijkt van de wil van de
aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn (artikel 14, 1°
Weens Koopverdrag). Artikel 18, 1° van het Weens Koopverdrag
stipuleert dat een verklaring afgelegd door, of een andere gedraging van de
wederpartij, waaruit blijkt van instemming met een aanbod, een aanvaarding
is. Artikel 19, 1° van het Weens Koopverdrag
voorziet dat een antwoord op een aanbod dat tot aanvaarding strekt maar
aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen bevat, als een verwerping
van het aanbod geldt en een tegenaanbod vormt. In casu heeft verweerster op hoofdeis een
aanbod gedaan, in de zin van het voormeld artikel 14, 1° Weens Koopverdrag,
om 100 meter KABUL-stof
aan te kopen in haar bestelbrief d.d. 20.04.1995. In tegenstelling tot wat verweerster op
hoofdeis voorhoudt, is er tussen partijen geen overeenkomst tot stand
gekomen met betrekking tot de stof KABUL. In haar antwoordschrijven van 21.04.1995 op
het aanbod van verweerster op hoofdeis, heeft eiseres op hoofdeis een
wijziging voorgesteld, in de zin van artikel 19,1° van het Weens
Koopverdrag, met betrekking tot de stof KABUL, meer bepaald om de stof LIMA
te leveren als alternatief voor de stof KABUL. Zoals blijkt uit de verdere briefwisseling
heeft verweerster op hoofdeis dit tegenaanbod niet aanvaard. In haar schrijven van 16.05.1995 stelde
eiseres op hoofdeis dan ook zeer duidelijk dat ze de bestelling van de KABUL
stof niet kon bevestigingen (“nous
ne pouvons pas confirmer cet article”). Naderhand heeft eiseres op hoofdeis nog een
ander tegenaanbod gedaan, alwaar ze voorstelde om de produktie van de stof
KABUL alsnog op te starten, mits een minimum bestelling van 1000 meter doch
ook op dit tegenaanbod is verweerster op hoofdeis niet willen ingaan. In die omstandigheden kunnen er dan ook geen
contractuele wanprestaties in hoofde van eiseres op hoofdeis weerhouden
worden. Eiseres op hoofdeis kan dan ook aanspraak
maken op de betaling van het openstaand saldo van de factuur nr. 581 van
05.05.1995. Daarnaast kan zij ook aanspraak maken op
interesten (artikel 78 Weens Koopverdrag). Er is geen ingebrekestelling vereist opdat de
interesten lopen (VAN HOUTTE H., “ Het Weens Koopverdrag in het Belgisch
recht ”, T.B.H., 1998, 353),
zodat de interesten kunnen worden toegekend vanaf de vervaldag van de
factuur, in casu vanaf 05.06.1995. Artikel 78 Weens Koopverdrag bepaalt niet
welke interestvoet moet worden gehanteerd. De interestvoet die moet worden toegepast, is
de wettelijke interestvoet van de plaats waar de debiteur is gevestigd
(NEUMAYER, K. en MING, C., Convention de Vienne sur les contrats de ventes
internationales de marchandises, Cedidac, 1993, 303) of die uit het recht van de betaalmunt (VAN
HOUTTE H., o.c., 352).
In beide gevallen dient de wettelijke rentevoet zoals van kracht in
België (de debiteur-verweerster op hoofdeis is gevestigd in België en de
betaalmunt is Belgisch) te worden toegepast. De hoofdeis komt dan ook gegrond voor. D.
Nopens de tegeneis. Gezien voorgaande, komt de tegeneis ongegrond
voor. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, rechtsprekend op tegenspraak, alle meer omvattende of strijdige besluiten afwijzend als niet terzake dienend, Verklaart de hoofd- en tegeneis ontvankelijk, Verklaart de hoofdeis gegrond, Veroordeelt verweerster op hoofdeis om aan eiseres op hoofdeis te betalen, de tegenwaarde in Belgische Frank aan de hoogste wisselkoers op datum van betaling van TWAALF MILJOEN VIJFHONDERDZEVENENENZESTIGDUIZEND EN VIERENZEVENTIG ITALIAANSE LIRE (12.567.074 Italiaanse Lire), te vermeerderen met de verwijlsinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 05.06.1995 tot de betaling, vanaf de dagvaarding te aanzien als gerechtelijke interesten. Verklaart de tegeneis ongegrond. Veroordeelt verweerster op hoofdeis tot de gedingkosten; begroot deze kosten op heden in hoofde van eiseres op hoofdeis volgens opgave op de som van 21.317 frank ( dagv.: 8.417 Fr. + RPV: 12.900 Fr.) en in hoofde van verweerster op hoofdeis volgens opgave op de som van 12.900 frank aan rechtsplegingsvergoeding. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling. Zegt dat er geen redenen voorhanden
zijn om het kantonnement uit te sluiten. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |