K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 19 April 2001

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Kortrijk

Case Number: A.R. 01706/00

Parties: CE v. CD and AR

Seller’s Country: Belgium (Defendant)

Buyer’s Country: Netherlands (Plaintiff)

Goods Involved: Bread bags

Judges: P. Vanwettere, I. Rodenbach, F. Vankeirsbilck, E. Dursin

Status: Unpublished

  

Classification of issues present

 

Application of CISG: No

CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(a), 6 & 31

Exclusion of CISG - possible

Use of Incoterm to determine place of delivery - not exclusion of CISG, but amendment 

Exclusion of CISG - may occur after conclusion of contract - clear intention - in advocates conclusions - valid exclusion

Application of the Belgian Civil Code

 

English Summary

A Dutch buyer bought bread bags from a Belgian seller. The buyer brought an action to avoid the contract and claim damages from the seller since the bread bags were not suitable for use by the Dutch consumer that typically took the bag from the freezer to take out a few slices of bread and put the bag back again (several times) although the buyer stated, when requesting the price, that the bags had to be “freezer proof”. The glue came loose if the bags were kept under 0°C. Since both The Netherlands and Belgium were contracting states to the CISG and the case concerned the international sale of moveable goods, that convention was applicable. However, the parties might exclude the application of the CISG (art. 6). The mere reference to the Incoterms did not amount to an exclusion of the CISG, but rather a deviation, which was possible under article 31. The exclusion of the CISG could also take place after the conclusion of the contract, and even implicitly. The fact that the buyer relied on the Belgian civil code to institute an action for latent defects, which did not exist as a separate action under the CISG, and the seller responded by references to the Belgian civil code, pointed to a choice for Belgian law. Only in his fourth conclusions the advocate of the seller stated that the CISG was applicable to the dispute. The court stated that the fact that the entire arguments had been based on the Belgian civil code, indicated that the CISG had been excluded and proceeded according to Belgian law.

 

Text of the Decision

   

In de zaak nr. 01706/00 der algemene rol

De besloten vennootschap CD, vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te Breda (Nederland) (...) ingeschreven in de Kamer van Koophandel te Breda (...);

eiseres, (...);  

 

tegen :

 

De naamloze vennootschap CE, met maatschappelijke zetel te Wevelgem (...), ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk (...);

verweerster, eiseres in vrijwaring (...);

 

mede in zake:

 

De naamloze vennootschap AR (...) met maatschappelijke zetel te Brussel (...), ingeschreven in het handelsregister te Brussel (...);

vrijwillig tussenkomende partij, verweerster in vrijwaring (...).

De rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van hun middelen en besluiten. Toepassing werd gemaakt van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Voorwerp van de vorderingen

1.Met dagvaarding van 8 mei 2000 vordert eiseres dat de verkoopovereenkomst die zij op 19 mei 1999 gesloten heeft met verweerster voor de levering van broodzakken, zou ontbonden worden ten laste van verweerster en dat verweerster zou veroordeeld worden tot betaling van een schadevergoeding van 2.560.000 BEF, te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 19 mei 1999, de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding en de kosten van het geding. In haar conclusie, neergelegd op 29 augustus 2000, vordert eiseres bovendien dat de opslagkosten van de niet gebruikte zakken en de kosten voor terugname van de zakken voorlopig zouden begroot worden op 1 BEF provisioneel.

Ondergeschikt vordert zij dat, alvorens ten gronde geoordeeld wordt, het getuigenverhoor bevolen wordt van de heren K, C en L, en dat de partijen worden ondervraagd over de inhoud van de besprekingen gevoerd in de loop van de maanden februari en maart 1999 naar aanleiding van de offerte geplaatst door CD op 22 februari 1999, betreffende aanmaak en levering van papieren broodzakken met venster, diepvriesbestendig. Eiseres vordert dat specifiek aan de heer K en de heer C de vraag gesteld wordt of zij tijdens deze besprekingen op de hoogte werden gebracht van het feit dat de broodzakken bestemd waren om verspreid te worden op de Nederlandse markt, evenals van het gedrag van de Nederlandse consument dat gekenmerkt wordt door een veelvuldig manipuleren van dezelfde broodzak (het uit de diepvries halen van de broodzak en het openen van de zak om er een aantal sneetjes brood uit te halen en vervolgens het restant van het brood terug in de diepvries te leggen).

2. Met verzoekschrift, neergelegd op 23 augustus 2000, is de N.V. AR, die verzekeraar uitbating is van verweerster, vrijwillig in het geding tussengekomen.

3. In haar conclusie, neergelegd op 9 oktober 2000, vordert verweerster dat voor recht zou worden gezegd dat de vrijwillig tussenkomende partij waarborg aan haar verschuldigd is in zoverre de vordering van eiseres betrekking heeft op een gevorderde provisie van 750.000 BEF schadevergoeding wegens onder meer verlies aan goede naam, gederfde winst, opslagkosten niet gebruikte zakken en kosten retourneren zakken.

 

Relevante feitelijke gegevens – standpunt van de partijen

4. Eiseres deed op 22 februari 1999 een prijsaanvraag voor levering van broodzakken met venster. In deze prijsaanvraag werd vermeld dat deze broodzakken “diepvriesbestendig” dienden te zijn (stuk 1 van eiseres). Bovendien werden de kwaliteit, het formaat en de bedrukking van de broodzakken opgegeven. Tenslotte vermeldde de prijsaanvraag dat de gewenste orders groot zouden zijn (250.000 stuks per formaat). Aan verweerster werd gevraagd om nog dezelfde dag prijs te geven voor deze broodzakken.

5. Deze prijsaanvraag werd volgens verweerster verstuurd nadat hierover eerder telefonisch contact was geweest tussen de heer L, zaakvoerder van eiseres, en de heer C, gedelegeerd-bestuurder van verweerster.

Eiseres houdt voor dat in de maand na deze prijsaanvraag intensief contact plaats vond tussen de heren C en K van verweerster en L van eiseres. Bij die gelegenheid zou eiseres verweerster gewezen hebben op het feit dat de broodzakken bestemd waren voor de Nederlandse markt en dat het gedrag van de Nederlandse consument zich hierdoor kenmerkt, dat hij de gewoonte heeft om een brood voor langere tijd in de diepvries te bewaren en naar gelang van de behoefte, een aantal sneetjes uit de broodzak te halen en het restant terug in de diepvries te steken. Dit impliceert dat de broodzak diverse manipulaties ondergaat. Eiseres stelt verder dat zij verweerster op de hoogte bracht van een eerdere slechte ervaring in dit verband. In 1994 had zij bij de Nederlandse producent van verpakkingen RV B.V. opdracht gegeven om diepvriesbestendige papieren broodzakken met venster aan te maken. Dit gaf aanleiding tot problemen, omdat het ingeplakt venster losscheurde van de papieren broodzak. RV bevestigde dit in een brief d.d. 5 juli 2000 aan de raadsman van eiseres (stuk 10 van eiseres).

Verweerster stelt dat haar enkel was gevraagd of de zakken geschikt waren voor bewaring in de diepvries, wat zij had bevestigd. Zij had meegedeeld dat zij jaarlijks miljoenen dergelijke broodzakken met venster uitvoerde naar Zweden en had een monster van een dergelijke zak aan eiseres gezonden (stuk 2 van verweerster). Tijdens de precontractuele besprekingen werd volgens verweerster enkel overleg gevoerd over de concrete uitwerking van de zakken. Verweerster ontkent dat eiseres haar een monster zou hebben getoond of overhandigd van de zakken die zij indertijd door RV had laten maken. Evenmin was haar meegedeeld dat de zakken veelvuldig werden gemanipuleerd door de Nederlandse consument.

6. Op 23 maart 1999 plaatste eiseres een eerste bestelling van 2 x 100.000 stuks vensterzakken (stuk 2 van eiseres). Op de bestelling werd vermeld “diepvries !”. De zakken dienden uiterlijk op 26 april 1999 geleverd te worden.

Eiseres deelde de tekst mee die op de zakken diende gedrukt te worden. Daarin werd met betrekking tot de zak vermeld: “Dit heerlijke brood verdient een speciale verpakking, vandaar de papieren zak, deze zorgt er voor dat het brood zolang mogelijk krokant blijft. Het brood kan in deze verpakking bewaard worden in de diepvries” (stuk 4 van verweerster).

In mei 1999 plaatste eiseres dan een bestelling van 2.000.000 dergelijke broodzakken (stuk 3 van eiseres).  Deze bestelling werd op 12 mei 1999 door verweerster bevestigd, onder toepassing van haar algemene verkoopsvoorwaarden. De levering zou gebeuren in verschillende fasen, meer bepaald in de weken 22, 24 en 29, namelijk in de maanden juni en juli (stukken 6 tot 8 van eiseres).

7. Op 2 maart 2000 stuurde eiseres een faxbericht aan verweerster, waarin zij liet weten: “de lijm laat los als de zakken “onder nul zijn”. Stijgt de temperatuur, dan kleven de zakken weer”(stuk 6 van verweerster). Op 14 maart 2000 volgde dan een uitvoeriger faxbericht, waarin verwezen werd naar een telefonisch onderhoud van een dag eerder met de heer K (stuk 4 van eiseres). Eiseres wees er op dat gebleken was dat, wanneer je de zak uit de diepvries haalt, het venster aan één of aan twee zijden loslaat. Het feit dat het venster later weer aan de zak kan vastgeplakt worden, doet volgens eiseres geen afbreuk aan het feit dat de consument dit loskomen als een scheuren van de zak beschouwt. Eiseres stelde dat haar klant (de warenhuisketen A&P) was gestopt met het afnemen van de betreffende zakken. Zij benadrukte dat, vooraleer tot de aanschaf van de zakken was overgegaan, een en ander nochtans uitvoerig was besproken.  Zij vroeg dan ook aan verweerster om de zakken die zij nog in voorraad had te mogen retourneren en haar een creditnota te sturen (stuk 4 van eiseres).

8. In een antwoordschrijven d.d. 15 maart 2000 vroeg verweerster bijkomende informatie over de omstandigheden waarin het door eiseres ingeroepen probleem zich voordeed. Verder verklaarde verweerster het fenomeen van het loskomen van het venster in polypropyleen door een verkeerde manipulatie van de zakken op het ogenblik dat de aangebrachte lijm haar glastemperatuur bereikt, dit is de temperatuur, waarbij de stof haar flexibiliteit verliest en broos wordt. Volgens verweerster doet dit probleem zich echter niet voor bij een normale invriestemperatuur van –18° C.

Verweerster uitte nog haar verwondering over de klacht. Zij wees er op dat zij sinds jaren miljoenen dergelijke zakken produceert en nog nooit een klacht daaromtrent had ontvangen. Bovendien stelde zij dat de reactie van eiseres laattijdig was, nu de eerste leveringen dateerden van juni 1999 (stuk 8 van verweerster). Op 4 april 2000 deelde verweerster dan mee dat zij haar verzekeraar op de hoogte had gebracht (stuk 9 van verweerster).

9. Bij brief van 12 april 2000 van haar raadsman herhaalde eiseres dat zij de bestelling van de kwestieuze broodzakken had geplaatst omdat verweerster bevestigd had dat de zakken voor diepvriesgebruik geschikt waren. Zij had eind 1999 vastgesteld dat haar klant de betreffende broodzakken niet meer wenste af te nemen.  Blijkens een door eiseres voorgelegd verslag zou zij op 4 januari 2000 door de klant A&P van het probleem op de hoogte zijn gesteld, naar aanleiding van een klacht bij het filiaal van A&P te Kaatsheuvel (stuk 12 van eiseres).

Eiseres liet verder nog opmerken dat verweerster tijdens de besprekingen die aan het plaatsen van de bestelling voorafgingen, op geen enkel ogenblik gerept had over de gebruiksonvriendelijkheid van de betrokken broodzakken. De heer C zou tijdens een telefoongesprek van 7 april 2000 bevestigd hebben dat hij wist dat plastiek lost van karton bij lage temperaturen. Hij zou dit evenwel tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan de contractsluiting niet hebben meegedeeld. 

Verweerster werd formeel in gebreke gesteld voor de ontstane schade. Tenzij verweerster de gebrekkige zakken zou terugnemen en vervangen door zakken die wel voldeden aan de orderbevestiging, zou tot dagvaarding worden overgegaan (stuk 9 van eiseres).

Verweerster maakte deze brief over aan haar verzekeraar (stuk 11). Aangezien eiseres op 27 april 2000 nog geen antwoord had ontvangen, kondigde zij aan dat zij de dagvaarding zou laten betekenen.

 

Beoordeling

10. Eiseres vordert de ontbinding van de koop-verkoopovereenkomst die zij op 19 mei 1999 - bedoeld wordt 10 mei 1999 - met verweerster heeft gesloten. Haar vordering steunt op de aansprakelijkheid van verweerster voor verborgen gebreken op grond van de artikelen 1641 e.v. van het Burgerlijk Wetboek.  Volgens verweerster is aan de voorwaarden voor de toepassing van deze bepalingen niet voldaan.

Om de rechtbank toe te laten de vordering ten gronde te beoordelen, dient vooreerst onderzocht te worden welk recht van toepassing is op de rechtsverhouding tussen de partijen.

 

Toepasselijk recht

11. Het geschil tussen partijen heeft betrekking op een koop-verkoopovereenkomst van roerende zaken tussen een handelsvennootschap naar Belgisch recht waarvan de zetel gevestigd is in België en een handelsvennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel in Nederland. Het verdrag van 11 april 1980 houdende het recht voor de internationale koop-verkoop van roerende lichamelijke zaken (hierna: het Weens Koopverdrag) is sedert 1 januari 1992 in Nederland en sedert 1 november 1997 in België van toepassing op overeenkomsten inzake internationale koop-verkoop van roerende zaken (cfr. Erauw, J., Wanneer is het Weens Koopverdrag van toepassing ?, in: Van Houtte, H., Erauw, J. en Wautelet, P., (eds.), Het Weens Koopverdrag, p. 21). Aangezien zowel België als Nederland “verdragsluitende Staten” zijn, is dit verdrag op grond van zijn artikel 1 a) toepasselijk op de koop-verkoopovereenkomst tussen eiseres en verweerster. Dit territoriaal toetsingscriterium moet rechtstreeks toegepast worden zonder een omweg via de Belgische verwijzingsregels, namelijk het Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955 voor wat de koopovereenkomsten betreft die gesloten zijn vóór 1 september 1999 (cfr. Meeusen, J., Belgisch internationaal contractenrecht in Europees perspectief, XXVIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1999-2000, p. 9; Traest, M., De opzegging door België van het Haagse Verdrag van 15 juni 1955 nopens de op de internationale koop van lichamelijke zaken toepasselijke wet, DAOR, afl. 50, 1999, p. 45-47; Kh. Hasselt, 27 oktober 1999, A.J.T., 1999-2000, 383). 

12. Krachtens artikel 6 van dit verdrag kunnen de partijen evenwel de toepassing ervan uitsluiten of van elk van de bepalingen ervan afwijken. Volgens eiseres hebben de partijen de toepassing van dit Verdrag uitgesloten, zowel bij de totstandkoming als nadien.

Dit zou vooreerst blijken uit het feit dat in de overeenkomst verwezen werd naar de Incoterms. De rechtbank stelt evenwel vast dat noch de bestellingen, noch de orderbevestigingen, noch de algemene voorwaarden bedingen dat de Incoterms van toepassing zijn op de overeenkomst tussen partijen. Het loutere feit dat de partijen overeengekomen zijn dat de levering “franco huis” diende te geschieden en dat zij aldus ter bepaling van de plaats van levering een begrip uit de Incoterms hebben gebruikt, volstaat niet om te besluiten dat zij de toepassing van het Weens Koopverdrag hebben uitgesloten. Artikel 31 van dit verdrag voorziet trouwens uitdrukkelijk in de mogelijkheid om af te wijken van hetgeen daarin is bedongen over de plaats van levering. De afwijking van specifieke bepalingen uit het Weens Koopverdrag, verhindert niet dat dit Verdrag voor het overige de rechtsverhouding tussen de partijen blijft beheersen (cfr. Erauw, J., Wanneer is het Weens Koopverdrag van toepassing ?, in: Van Houtte, H. e.a., Het Weens Koopverdrag, p. 49-51). 

De overeenkomst tussen partijen bevat geen andere bedingen die er op wijzen dat de partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag hebben uitgesloten.

13. Volgens eiseres werd ook na de totstandkoming van de overeenkomst afstand gedaan van de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag.

Er is geen bezwaar tegen het feit dat de partijen hun rechtskeuze maken of wijzigen na het tot stand komen van de overeenkomst, of zelfs tijdens het geding (Erauw, J., Wanneer is het Weens Koopverdrag van toepassing ?, nr. 1.57, p. 47, met verwijzing naar Von Caemmerer E., en Schlechtriem, P. (eds.), Kommentar zum Einheitlichen UN-Kaufrecht: das Übereinkommen den Vereinten Nationen über Vertrage über internationalen Warenkauf, 1995, p. 85; vergelijk Erauw, J., en Roox, K., Overzicht van Rechtspraak, Internationaal Privaatrecht en Nationaliteitsrecht (1993-98), T.P.R., 1998, nr. 190, p. 1473 en de daar aangehaalde rechtspraak, die evenwel betrekking heeft op het hier niet toepasselijke EVO-verdrag). De wil om dit Verdrag uit te sluiten moet duidelijk zijn, maar mag ook stilzwijgend gegeven zijn.

Eiseres vorderde de ontbinding van de koop-verkoopovereenkomst wegens verborgen gebreken. Haar vordering steunde op de artikelen 1641 e.v. B.W. Het Weens Koopverdrag voorziet niet in de mogelijkheid om de ontbinding van de koop-verkoop te vorderen wegens verborgen gebreken. Dit verdrag kent slechts één uniform conformiteitsbegrip en maakt geen onderscheid, zoals het Belgisch recht tussen de vrijwaring voor verborgen gebreken en de leveringsplicht (De Groot, S., Non-conformiteit volgens het Weens Koopverdrag, T.P.R., 1999, p. 635 e.v., inzonderheid p. 638-62; Kh. Kortrijk, 20 april 1998, T.W.V.R., 1999, p. 70).

Verweerster heeft in haar eerste, tweede én derde conclusie verweermiddelen ingeroepen, steunend op de bepalingen van de artikelen 1641 e.v. van het B.W. Pas in haar vierde conclusie, opgesteld nadat de pleidooien waren gehouden en de zaak in voortzetting was vastgesteld, heeft zij de vordering getoetst aan de bepalingen van het Weens Koopverdrag en gesteld dat dit Verdrag op de overeenkomst van toepassing was.

Eiseres werpt terecht op dat uit de vaststelling dat beide partijen het volledige debat ten gronde omtrent het geschil dat ontstaan was in verband met deze internationale koop-verkoopovereenkomst gevoerd hebben op grond van het intern Belgisch recht, blijkt dat zij de toepassing van het Weens Koopverdrag hebben uitgesloten.

 

De vordering wegens verborgen gebreken

14. Eiseres stelt dat de door verweerster geleverde broodzakken behept zijn met een verborgen gebrek. Dit gebrek bestaat er volgens haar in dat, wanneer de zakken uit de diepvries worden gehaald, het venster in polypropyleen loskomt van het papier. Als de temperatuur stijgt, kleeft het polypropyleen opnieuw aan het papier (stuk 6 van verweerster). De zak blijkt niet bestand te zijn tegen de manipulaties die ermee verricht worden door de Nederlandse consument, die de gewoonte blijkt te hebben om naar behoefte een aantal sneetjes uit de broodzak te halen en het restant terug in de diepvries te stoppen.

Verweerster betwist niet dat, in gevolge de verschillende glastemperatuur tussen papier, polypropyleen en lijm, bij een manipulatie van de zak onder deze glastemperatuur, een breuk kan ontstaan tussen papier en polypropyleen.  Wanneer de zak met het brood evenwel gewoon uit de diepvries wordt gehaald om te ontdooien, bekomt men opnieuw een perfecte verlijming. Over het door eiseres als “gebrek” omschreven verschijnsel, bestaat aldus geen betwisting tussen de partijen. Alleen doet dit probleem zich volgens verweerster niet voor bij een normale invriestemperatuur, maar pas vanaf een temperatuur van minder dan – 25°C. 

Verweerster betwist evenwel de vordering door er vooreerst op te wijzen dat eiseres, voorafgaand aan de bestelling van de zakken, de mogelijkheid gehad heeft om ze op hun geschiktheid te onderzoeken. Voorts stelt zij dat eiseres geen ontbinding kan vorderen van de overeenkomst, aangezien zij de goederen aanvaard heeft. Bovendien betwist verweerster dat de geleverde broodzakken met een verborgen gebrek zouden behept zijn. Volgens haar is de vordering van eiseres trouwens laattijdig ingesteld. Tenslotte beroept verweerster zich op een exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden.

15. Na de eerste prijsaanvraag d.d. 22 februari 1999 van eiseres, heeft verweerster haar een monster gestuurd van de broodzak bestemd voor diepvriesgebruik, die zij levert aan een Zweedse klant. De vaststelling dat eiseres aldus de gelegenheid gehad heeft om de “diepvriesbestendigheid” van een dergelijke zak te controleren, impliceert niet dat verweerster zou bevrijd zijn van haar aansprakelijkheid voor eventuele verborgen gebreken waarmee de door haar geleverde zakken, die overigens van formaat en kleur verschilden van het meegedeelde staal, zouden behept zijn.

16. Uit het feit dat eiseres de geleverde zakken heeft aanvaard, volgt dat zij te kennen heeft gegeven dat ze overeenstemden met wat zij had aangekocht. Dit sluit uit dat zij nog klachten formuleert over zichtbare gebreken (Dekkers, Handboek Burgerlijk Recht, II, blz. 462, nr. 804; Fredericq, Handelsrecht, III, nr. 1441; Herbots J.H., e.a., Overzicht van Rechtspraak, T.P.R., 1989, p. 1080, nr. 42; Simont, L., en De Gavre, J., Examen de Jurisprudence, R.C.J.B., 1995, nr. 38, p. 171; Herbots, J.H., e.a., Overzicht van Rechtspraak, T.P.R., 1997, p. 717-718, nr. 87-89).

In de mate dat bij nader gebruik van de geleverde goederen zou gebleken zijn dat zij niet beantwoordden aan het bestelde, waarbij dient vast te staan dat het gebrek bestond ten tijde van de koop, dat daardoor het geleverde niet kon gebruikt worden zoals eiseres het zich had voorgenomen en dat zij, indien zij het gebrek gekend had, de geleverde goederen niet of slechts aan een mindere prijs zou gekocht hebben, kon eiseres nog enkel overeenkomstig de artikelen 1641 e.v. B.W. een vordering instellen wegens verborgen gebreken (cfr. Cass., 17 mei 1984, Arr. Cass., 1983-84, 1205; Cass., 19 juni 1980, R.W., 1981-82, 940; Herbots, J.H. e.a., T.P.R., 1989, nr. 43, p. 1080-1081). 

17. Om te kunnen beoordelen of de door verweerster geleverde broodzakken een “gebrek” vertonen, is het van belang te weten voor welk gebruik deze zakken, volgens de verklaring van eiseres aan verweerster op het ogenblik van de bestelling, bestemd waren. Opdat de verkoper aansprakelijk zou kunnen gesteld worden, dient hij kennis te hebben gehad van de bestemming die de koper aan deze zakken wenste te geven (cfr. Cass., 17 mei 1984, Arr. Cass., 1983-84, 1205).  

Uit de bestellingen die eiseres plaatste blijkt dat de zakken “diepvriesbestendig” moesten zijn. Volgens eiseres betekent dit dat deze zakken bestand dienden te zijn tegen het herhaaldelijk in en uit de diepvries halen, waarbij telkens een aantal sneetjes brood uit de zak gehaald worden, die daarna opnieuw in de diepvries wordt geplaatst. Eiseres stelt dat dit een gewoonte is van de Nederlandse consument, waarvan zij verweerster op de hoogte heeft gebracht vooraleer de bestelling te plaatsen. Verweerster betwist dit.

In de overgelegde stukken is enkel sprake van “diepvrieszakken met venster”, “diepvries!” en “diepvriesbestendig” (zie stukken 1 tot 3 van eiseres).

“Bestendig”, als tweede lid in een samenstelling, betekent: “bestand tegen het in het eerste lid genoemde” (Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, twaalfde druk, p. 334). Wanneer gevraagd werd dat de broodzakken “diepvriesbestendig” waren, betekende dit volgens het normaal taalgebruik dat zij bestand waren tegen de diepvries, m.a.w. dat ze, alhoewel grotendeels uit papier vervaardigd, konden gebruikt worden om het brood in de diepvries te bewaren.  Dit stemt overeen met de tekst die eiseres op de zakken liet aanbrengen: “Het brood kan in deze verpakking bewaard worden in de diepvries” (stuk 13 van verweerster). 

18. Indien de broodzakken bestemd waren om het brood in de diepvries te bewaren, d.w.z. dat de consument het brood gedurende een bepaalde tijd in de diepvries bewaart en het dan laat ontdooien om het te gebruiken, is het verschijnsel dat de partijen hebben beschreven, geen gebrek dat de zak ongeschikt maakt voor het gebruik waarvoor hij is bestemd. Het polypropyleen komt dan weliswaar los van het papier, wanneer de lijm zich onder zijn glastemperatuur bevindt, doch wanneer het vervroren brood in zijn verpakking uit de diepvries wordt genomen en ontdooid, zullen het polypropyleen en het papier opnieuw aan elkaar kleven, zodat de zak in ontdooide toestand kan gebruikt worden. Dit is de wijze van gebruik van de zak, zoals hij vermeld wordt op de zak voor “oerbrood”, die verweerster als stuk 20 voorlegt.

19. Wanneer de zak daarentegen dient om gebruikt te worden op de wijze zoals eiseres ze beschrijft, dan zal de herhaalde manipulatie van de broodzak, op een ogenblik dat de aangebrachte lijm zich onder zijn glastemperatuur bevindt, aanleiding geven tot de “breuken”, waarvan sprake in het schrijven d.d. 15 maart 2000 van verweerster en zal de broodzak niet langer bruikbaar zijn. Dan zou er desgevallend wel sprake kunnen zijn van een gebrek, indien zou aangetoond worden dat dit verschijnsel zich voordoet bij het invriezen aan de normale invriestemperaturen in een diepvries voor huishoudelijk gebruik. Indien in dat geval een gebrek zou bewezen worden, dan zou het bovendien een “verborgen” gebrek zijn. Het kan immers niet opgemerkt worden door een normaal persoon aan de hand van een attent onderzoek (cfr. Herbots, e.a., T.P.R., 1997, nr. 88, p. 717). Het blijkt pas bij het gebruik van het goed (cfr. Brussel, 15 maart 1996, J.L.M.B., 1996, 785).

Uit de hoger aangehaalde gegevens van het dossier, blijkt dat aan verweerster was meegedeeld dat de bestelde zakken moesten kunnen gebruikt worden om brood in de diepvries te bewaren. Eiseres toont daarentegen niet aan dat aan verweerster was meegedeeld dat de zakken moesten bestand zijn tegen het herhaaldelijk in- en uit de diepvries nemen en manipuleren met het oog op het uitnemen van enkele sneetjes brood. Wanneer de broodzakken voor een dergelijk gebruik moesten dienen, zoals eiseres beweert, dan is het wel verwonderlijk vast te stellen dat eiseres daarvan niet expliciet melding gemaakt heeft bij de bestelling van de zakken, temeer aangezien zij beweert in 1994 reeds een probleem te hebben gehad met dergelijke vensterzakken.

Eiseres biedt aan om door middel van een “getuigenverhoor” van de heren K, C en L te bewijzen dat zij verweerster geïnformeerd had over dit specifiek gebruik van de broodzakken door de Nederlandse consument. De heren C en L zijn de wettelijke vertegenwoordigers van de respectieve partijen en kunnen derhalve niet als getuige worden gehoord, terwijl hun persoonlijke verschijning niet vereist is, aangezien hun standpunten ter zake voldoende gekend zijn.

Er kan slechts aanleiding zijn om de heer K als getuige te horen, indien zou blijken dat zijn getuigenis van belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil. Dit zou slechts het geval kunnen zijn indien de vordering van eiseres niet laattijdig werd ingesteld, zoals verweerster voorhoudt en laatstgenoemde zich niet kan beroepen op het exoneratiebeding uit haar algemene voorwaarden. Deze verweermiddelen dienen eerst onderzocht te worden.

20. De vordering op grond van verborgen gebreken moet door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd (art. 1648 B.W.) . Deze korte tijd wordt beoordeeld, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, met name de aard van het verkochte en de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van partijen en de door hen verrichte buitengerechtelijke en gerechtelijke handelingen (Cass., 23 maart 1984, Arr. Cass., 1983-84, 969).  De ratio legis van de bepaling van artikel 1648 B.W. dat de rechtsvordering op grond van een koopvernietigend gebrek binnen een korte termijn moet worden ingesteld, is hierin gelegen dat het onderzoek naar de oorsprong van het gebrek en de staat van het verkochte goed bij de levering niet in het gedrang mag komen (cfr. Antwerpen, 20 september 1995, R.W., 1997-98, 880; Antwerpen, 7 november 1995, A.J.T., 1995-96, 570). De korte termijn moet worden berekend vanaf het tijdstip dat het gebrek werd ontdekt en niet vanaf het tijdstip waarop het verkochte goed werd geleverd (Bergen, 11 maart 1994, J.L.M.B., 1994, 1294).

21. Rekening gehouden met de omstandigheden van de zaak, is de rechtbank van oordeel dat de vordering binnen een korte tijd werd ingesteld.

Eiseres stelt dat zij begin januari 2000 door haar klant A&P van het ingeroepen gebrek op de hoogte werd gebracht. Zij legt een intern document d.d. 4 januari 2000 van A&P voor waarin melding gemaakt wordt van het loskomen van het papier en het transparant gedeelte van de zakken (stuk 12 van eiseres). Verweerster toont niet aan dat zij eerder kennis kreeg van dit verschijnsel. De eerste aanwijsbare melding van het probleem aan verweerster dateert van 2 maart 2000. In de periode tussen 2 maart en 8 mei 2000, datum van dagvaarding, volgde dan briefwisseling tussen partijen, waarbij eiseres poogde via minnelijke weg te bekomen dat verweerster de zakken zou terugnemen en een creditnota zou opstellen. De dagvaarding, ruim vier maanden na de vaststelling van het beweerde gebrek, is niet laattijdig, mede gelet op het feit dat er als zodanig geen betwisting bestaat omtrent het verschijnsel dat eiseres als een gebrek omschrijft, noch over de oorzaak ervan. Deze betwisting bestaat wel over de precieze omstandigheden waarin dit verschijnsel zich voordoet, doch dit kan aan de hand van de broodzakken die zich nog bij eiseres bevinden, nog vastgesteld worden.

22. Verweerster beroept zich op het exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden, waarin bepaald wordt dat haar verantwoordelijkheid niet verder reikt dan de technische kenmerken eigen aan de bestelde goederen. In tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, maken deze algemene voorwaarden wel degelijk deel uit van de overeenkomst tussen partijen. In de orderbevestigingen die verweerster op 12 mei 1999 aan eiseres zond, ter bevestiging van haar bestelling, werd uitdrukkelijk gestipuleerd dat deze bestelling werd aanvaard onder toepassing van haar algemene voorwaarden (stukken 6, 7 en 8 van eiseres). Eiseres heeft deze orderbevestigingen niet geprotesteerd, noch voorbehoud gemaakt bij deze algemene voorwaarden, zodat zij geacht moet worden ze aanvaard te hebben. De verplichting tot protesteren heeft in handelszaken immers een algemene draagwijdte (Gent, 4 maart 1998, inzake A.R. 1995/2022, onuitgegeven). Overigens blijkt dat er regelmatige handelsbetrekkingen bestonden tussen partijen en verweerster ook in het verleden de bestellingen van eiseres aanvaardde onder toepassing van haar algemene voorwaarden (zie stuk 22 van verweerster).

Alhoewel de algemene voorwaarden derhalve van toepassing zijn op de litigieuze overeenkomst, kan verweerster zich niet beroepen op het voormeld exoneratiebeding om aan haar eventuele aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken te ontsnappen.  Uit artikel 1643 B.W. volgt immers dat de beroepsverkoper zijn aansprakelijkheid voor verborgen gebreken niet kan uitsluiten (cfr. Cass., 25 mei 1989, J.T., 1989, 620).

23. Rekening gehouden met het voorgaande dient eiseres toegelaten te worden tot het getuigenbewijs van het feit dat zij verweerster op de hoogte gebracht heeft van het specifieke gebruik waarvoor de broodzakken bestemd waren.

 

OP DEZE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak;

Alle andere besluiten afwijzend als niet dienend, minstens voorlopig onverlet latend;

Verklaart de vordering van eiseres toelaatbaar.

Verleent akte aan de naamloze vennootschap AR van haar vrijwillige tussenkomst en verklaart deze tussenkomst toelaatbaar, evenals de tussenvordering van eiseres tegen de naamloze vennootschap AR.

En, vooraleer recht te doen ten gronde, staat aan eiseres toe om het bewijs met getuigen te leveren van het feit dat zij, tijdens de besprekingen, naar aanleiding van de offerte d.d. 22 februari 1999 en vóór de bestelling van 10 mei 1999, verweerster op de hoogte gebracht heeft van het feit dat de bestelde broodzakken bestemd waren voor de Nederlandse markt én van het feit dat het gedrag van de Nederlandse consument gekenmerkt wordt door een veelvuldig manipuleren van dezelfde broodzak (uit de diepvries halen van de broodzak en het openen van de zak om er een aantal sneetjes brood uit te halen en vervolgens het restant van het brood terug in de diepvries leggen).

Wijst de rechter Eric Dursin aan om het getuigenverhoor te houden.

Bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in de raadkamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op woensdag 13 juni 2001 om 14 uur.

Houdt de uitspraak over de kosten aan.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.  

(...)

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be