|
|
|
Case
Identification
Date of Decision: 10 April 2001 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt Case Number: A.R. 1122/00 Parties: N.V. C. V.
B.V. A. Seller’s Country: Belgium (Plaintiff) Buyer’s Country: Netherlands (Defendant) Goods Involved: Steel plates Judges: C. Beerten, H. Leroi and R. Geerts Status: Unpublished Classification
of issues present
Application of CISG: Yes Provisions of the CISG applied: Arts. 1(1)(a), 4, 38 & 57 Jurisdiction – art. 5(1) of Brussels Convention - place of performance
– payment – according to CISG – residence of seller – Belgium –
Belgian court has jurisdiction Examination of goods – short period, taking circumstances into account
– in some cases – problem only seen when goods used – not in this case
– too late Damages – determined in conditions – validity – CISG has no
provisons – lexcontractus – Belgian law Text of the
Decision
De Rechtbank van Koophandel te Hasselt, vierde kamer,
heeft het volgende vonnis uitgesproken: in zake : N.V. C., met zetel te 3550 Heusden-Zolder..., eiseres, verweerster op tegeneis, verschijnende door Mter
B. Windey loco Mter L. Panis, advocaat te 3600 Genk....
tegen: B.V. A. met maatschappelijke zetel te NL-1511 BE
OOSTZAAN..., handelsregister Zaandam... verweerster, eiseres op tegeneis, verschillende door Mter
M. Sahin loco Mter R. Vanhoyland, advocaat te 3500 Hasselt... Volgt het vonnis. Gelet de inleidende dagvaarding dd 21.3.00 waarbij
aanlegster de betaling vordert van verweerster van een bedrag van 17 800,30
NGL, om te zetten in Belgische franken, meer de gerechtelijke interesten
vanaf de dag der inleidende dagvaarding tot de dag der algehele betaling en
de kosten; Gelet
op de door partijen genomen besluiten en neergelegde stukken; Gehoord
de raadslieden van partijen in hun mondelinge pleidooien ter zitting van
3.4.01; 1. Op 13.10.99 bestelde verweerster bij aanlegster een
reeks staalplaten, te leveren op 20.10.99. Bij faxbericht van dezelfde dag liet aanlegster weten dat
de levering van de platen slechts kon gebeuren in de 44e week van
99. Op
5.11.99 leverde aanlegster de platen, die op 4.11.99 voor een bedrag van 15
633,30 NGL werden gefactureerd. Onder verwijzing naar een telefonische klacht van 23.11.99
deelde verweerster bij faxbericht van 2.12.99 aan aanlegster mede dat de
staalplaten een zeer slechte vlakheid vertoonden, waardoor ze in de machine,
die de platen moest bewerken, waren vastgelopen, zodat 8 platen
onherstelbaar waren beschadigd en de overige platen moesten worden aangepast
om bewerkt te kunnen worden. Verweerster berekende haar schade op 7 907,60
NGL. In haar faxbericht van 2.12.99 betwistte aanlegster als
zou de telefonische oproep van verweerster dd 23.11.99 een klacht zijn
geweest. Voorts
wees aanlegster erop dat de platen zonder enige opmerking op 5.11.99 werden
in ontvangst genomen en dat de platen werden bewerkt zodat de klacht van
verweerster niet kon worden aanvaard. Verdere contacten tussen partijen gaf als resultaat dat
aanlegster, samen met de fabrikant van de platen, de NV A. S., op 28.1.00
zich ter plaatse van de toestand gingen vergewissen. Op 3.2.00 deelde de NV A. S. aan aanlegster mede dat, daar
de platen bewerkt waren, niet meer kon worden vastgesteld of deze hetzij
krom werden afgeleverd dan wel krom getrokken werden ingevolge de bewerking. Op 8.2.00 deelde aanlegster het standpunt van de fabrikant
van de platen mede en verwierp zij de klacht van verweerster. Nadien voerden partijen nog een uitgebreide
briefwisseling, die echter tot geen resultaat leidde zodat aanlegster tot
dagvaarding van verweerster, in betaling van de factuur, overging. 2. Verweerster is, op grond van de bepalingen van het EEX
van oordeel dat de Belgische rechtbanken territoriaal niet bevoegd zijn om
kennis te nemen van de vordering. Ter zake gaat om de verkoop van roerende lichamelijke
zaken. In België geldt in dat verband sinds 1.11.97 het Weens
Koopverdrag. Ook
in Nederland is sedert 1.1.92 het CISG van toepassing. Wanneer landen waar de koper en verkoper gevestigd zijn,
op het ogenblik dat zij de verkoop sloten, verdragstaten zijn van het CISG,
dan dient de Belgische rechter het CISG toe te passen (art 1 lid a CISG).
Overeenkomstig art 57 CISG dient de koper de koopprijs te betalen op
de plaats van de vestiging van de verkoper. Krachtens
art 5.1 EEX kan de verweerder, die zijn woonplaats heeft in een
verdragsluitende staat (in casu Nederland), ten aanzien van verbintenissen
uit overeenkomst, worden opgeroepen voor de gerechten van een andere
verdragsluitende staat en meer bepaald, voor het gerecht van de plaats waar
de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, moet worden uitgevoerd.
De
verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is de betaling van de factuur
van aanlegster. Daar
deze krachtens art 57 CISG moet worden betaald op de plaats van de vestiging
van de verkoper, hetzij Heusden-Zolder, en dus de verbintenis die aan de eis
ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd in het gerechtelijk arrondissement
Hasselt, zijn de Belgische rechtbanken en meer bepaald de rechtbank te
Hasselt territoriaal bevoegd om kennis te nemen van de vordering. 3. Aanlegster houdt voor dat verweerster zich niet meer
kan beroepen op de non-conformiteit van de geleverde platen daar zij de
platen niet binnen een zo kort mogelijke termijn heeft laten keuren zoals
voorgeschreven door art 38 CISG. De platen werden op 5.11.99 geleverd. Vanaf dat ogenblik
begon de termijn, voorzien in art 38 CISG te lopen. Art 38 CISG bepaalt dat de koper de zaken binnen een,
gelet op de omstandigheden, zo kort mogelijke termijn moet keuren. De duur van de korte termijn dient te worden bepaald met
inachtneming van alle mogelijke omstandigheden. Hierbij speelt de mate van waarneembaarheid van de
afwijking een belangrijke rol. Indien het gaat om zichtbare afwijkingen kan worden
aangenomen dat de korte termijn aan de onmiddellijkheid grenst (H. Van
Houtte ena Het Weens koopvedrag, Intersentia Rechtswetenschappen, 1997, p
172). Indien het gaat om gebreken die slechts kunnen worden
ontdekt na het gebruik ervan kan de voorgeschreven korte termijn langer
uitvallen. Verweerster
houdt voor dat het gebrek slechts kon worden vastgesteld naar aanleiding van
de bewerking van de platen (waarmee op 22.11.99 een aanvang werd genomen)
zodat zij de korte termijn van art 38 CISG heeft geëerbiedigd. In haar faxbericht van 2.12.99 deelt verweerster mede dat
de platen een zeer slechte vlakheid hebben.
Uit
deze beschrijving van het gebrek dient te worden afgeleid dat het gebrek
voor een professioneel, die verweerster is, bij een eerste onderzoek kon
worden vastgesteld en het dus niet gaat om een gebrek dat slechts bij de
bewerking van de platen kon worden ontdekt. Uitgaande van die vaststelling dient te worden besloten
dat verweerster de korte termijn niet heeft gerespecteerd door slechts op
22.11.99 de gebreken vast te stellen. Er kan evenwel niet worden voorbijgegaan aan het feit dat
aanlegster samen met de fabrikant van de staalplaten ter plaatse is gegaan
om de klachten van verweerster te onderzoeken. Door zulks te doen heeft aanlegster te kennen gegeven de
klacht (en dus ook de keuring) niet als laattijdig te beschouwen zodat het
niet respecteren van de in de art: 38 en 38 CISG bedoelde korte termijn niet
door aanlegster kan worden ingeroepen. 4. Indien verweerster voorhoudt dat de levering niet
conform is aan het bestelde omdat de platen waren gekromd, dient zij zulks
te bewijzen. De bewijslast rust immers op de koper (De Groot S.,
Non-conformiteit volgens het Weens koopvedrag, TPR, 1999, p 650-651). Aanlegster betwist haar verantwoordelijkheid, erop wijzend
dat niet is aangetoond dat de platen gekromd werden geleverd en dat de
kromming kan veroorzaakt zijn door de bewerking van de platen. Aan de hand van de voorliggende stukken kan niet worden
afgeleid dat de platen gekromd werden geleverd. Derhalve
bewijst verweerster niet dat er een niet-conforme levering zou hebben plaats
gehad. Hieruit volgt dat aan het zich beroepen op het in de
factuurvoorwaarden van aanlegster opgenomen eigendomsvoorbehoud en op de
bepalingen van art 68 CISG, zoals verweerster doet, geen rechtsgevoel kan
worden verleend. 5. Aan de hand van het voorgaande dient te worden besloten
dat verweerster gehouden is tot volledige betaling van de factuur van
aanlegster. Naast
het eigenlijke factuurbedrag vordert aanlegster een schadevergoeding gelijk
aan 10% van het nog verschuldigde bedrag en dit op grond van een in de
factuurvoorwaarden van aanlegster opgenomen schadebeding. Verweerster
stelt dat, op grond van art 32 WHPC, het schadebeding nietig is. De
bepalingen van de WHPC kunnen door verweerster niet worden ingeroepen nu
deze wet de bescherming van de belangen van de consument beoogt, waarbij als
consument wordt aanzien iedere natuurlijke of rechtspersoon die, uitsluitend
voor niet beheersmatige doeleinden, op de markt gebrachte producten of
diensten verwerft of gebruikt. Krachtens art 4 CISG heeft het CISG geen betrekking op de
geldigheid van de overeenkomst of van de daarin vervatte bedingen dan wel de
bindende kracht van de gewoonte. Er dient, toepassing makend van de lex contracten (i.e. de
Belgische wetgeving), nagegaan te worden of de bedingen waarop aanlegster
zich beroept rechtsgeldig zijn en deel uitmaken van de tussen partijen
afgesloten overeenkomst. Krachtens de Belgische wetgeving zijn factuurvoorwaarden
tegenstelbaar wanneer zij niet door de geadresseerde werden geprotesteerd. In casu heeft verweerster de factuurvoorwaarden nooit
geprotesteerd zodat ze worden verondersteld deel uit te maken van de tussen
partijen afgesloten overeenkomst. Aanlegster kan aldus aanspraak maken op een
schadevergoeding, die herleid werd tot 10% van het nog te betalen bedrag. Dezelfde redenering kan worden aangehouden mbt de
gevorderde interesten (zie ook Antwerpen, 20.12.1999, RW, 2000-01, 523). 6.
De toewijzing van de eis van aanlegster impliceert afwijzing van de tegeneis
van verweerster. De voorschriften van art. 2-30 van de wet van 15 juni 1935
op het gebruik van de talen in gerechtszaken werden nageleefd. OM
DEZE REDENEN: de rechtbank, rechtdoende op tegenspraak: Verklaart de eis van aanlegster ontvankelijk en gegrond; Verklaart de tegeneis van verweerster ontvankelijk, doch
ongegrond; Veroordeelt
verweerster om aan aanlegster een bedrag te betalen van 17 196,30 NGL, om te
zetten in Belgische franken, meer de verwijlinteresten aan een rentevoet van
10% per jaar op 15 633,30 NGL van 4.11.99 tot 21.3.00, meer de gerechtelijke
interesten op 17 196,30 NGL aan de wettelijke rentevoet vanaf de dag der
betekening van de inleidende dagvaarding tot de dag der volledige betaling
en de kosten, deze laatste in hoofde van aanlegster begroot op 22 390 fr
meer 91,53 NGL; Verklaart
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zonder borgtocht en niettegenstaande
alle verhaal; (...)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |