|
|
|
Case
Identification
Tribunal:
Hof van Beroep, Gent Case
Number: 1999/AR/9 Case
History: Appeal from Rechtbank van
Koophandel, Gent, 10 November 1998; Later decision of Hof van Beroep,
Gent, 20 October 2004 Parties: NV Van Heygen Staal v. GmbH Stahl- und
Metalhandel Klockner Seller’s
Country: Germany (Plaintiff; Respondent on
Appeal) Buyer’s
Country: Belgium (Defendant; Appellant) Goods
Involved: steel coils Judge: J. Delbake,
P. Vanherpe, J. Baudrez Status:
Unpublished Classification
of issues
Refusal
to accept delivery without allowing extra time for delivery – fundamental
breach Belgian
subsidiary of German seller as agent – correspondence with that subsidiary –
did not cancel contract Expert
appointed to assess damage Text of the Decision
1999/AR/0009
- In de zaak van: N.V.
VAN HEYGHEN STAAL ingeschreven
in het handelsregister te Gent…, met
zetel gevestigd te 9040 Evergem… APPELLANTE, hebbende
als raadsman Meester Rik Torrekens, advokaat te 9000 Gent…, tegen: STAHL-UND
METALHANDEL KLOCKNER GmbH vennootschap
naar Duits recht, met zetel te D 47057,Duisburg…, ingeschreven
in het handelsregister te Brussel…, woonstkiezende
ten kantore van gerechtsdeurwaarder Gilbert De Wilde te 9000 Gent… GEÏNTIMEERDE, hebbende
als raadsman Meester Luc Van Dorpe, advokaat te 8500 Kortrijk…, velt
het Hof het volgend arrest: Partijen
werden gehoord in hun middelen en besluiten ter openbare terechtzitting en de
stukken werden ingezien. Appellante
heeft op tijdige en rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis
gewezen op 10 november 1998 door de rechtbank van koophandel te Gent, derde
kamer. Het
incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. Akte
wordt genomen van het akkoord vanwege geïntimeerde bij monde van haar raadsman
dat de laatste besluiten voor appellante, neergelegd op 19 april 2000, tot
ingebrekestelling bij conclusie overeenkomstig art. 1154 B.W. mede in
beraad mogen worden genomen. PROCEDURELE
EN FEITELIJKE VOORAFGAANDEN Bij
dagvaarding van 12 juni 1996 vordert de vennootschap naar Duits recht "GmbH
Stahl- und Metahlhandel Klöckner", geïntimeerde, de veroordeling van de
NV Van Heyghen Staal, appellante, tot betaling van 12.395.933 fr., meer de
compensatoire intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum
van 1 april 1996 tot dagvaardingsdatum en vanaf dan de gerechtelijke
intresten tot de dag van de effectieve betaling, meer de gerechtskosten. Geïntimeerde
houdt voor dat er een koop-verkoopovereenkomst tot stand gekomen is tussen haar
en appellante omtrent de aankoop van 3.400 ton warmgewalste platen in coils
aan de prijs van 610 DEM/Ton. Appellante
zou deze overeenkomst ten onrechte eenzijdig hebben geannuleerd. Geïntimeerde
vordert: -
supplementaire stockeringskosten:
1.700.000 fr. -
derving van intresten:
1..420.690 fr. -
derving van winst:
9.275.243 fr. ------------------ 12.395.933
fr. HET
BESTREDEN VONNIS De
eerste rechter stelt vast dat er een overeenkomst tot stand gekomen is tussen
partijen en dat appellante ten onrechte geweigerd heeft de levering te
aanvaarden, zodat geïntimeerde gerechtigd was de overeenkomst te verbreken. De
eerste rechter kent evenwel slechts de volgende bedragen toe als schade: opslagkosten
(12.231,22 DEM x 20,55 BEF =)
251.351 fr. winstderving
57 DEM X 3.400 ton x 20,55 BEF =
3.982.590 fr. --------------- 4.233.941
fr. meer
de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 april 1996 zoals
gevorderd en de gerechtelijke intresten vanaf dagvaardingsdatum. Appellante
wordt veroordeeld tot alle gerechtskosten. GRIEVEN
EN STANDPUNT DER PARTIJEN a. Appellante
houdt in eerste orde voor dat er geen overeenkomst is tot stand gekomen tussen
haar en geïntimeerde, doch wel met de NV K1öckner Harelbeke, zodat de
oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als onontvankelijk had dienen te
zijn afgewezen. Wat
de grond van de zaak betreft, appellante poneert dat geïntimeerde de
leveringstermijn niet is nagekomen, noch in juni-juli 1995 (overeenkomst
met de NV K1öcknerHarelbeke), noch in augustus-september 1995 (in de
hypothese van een - nieuwe - overeenkomst met geïntimeerde) en zelfs niet kon
nakomen in oktober of november 1995 gezien de zeetransportschade. Ook
legt appellante voor dat er geen sprake kan zijn van aanbod van een conforme
levering, daar er een overeenkomst was omtrent staal afkomstig van Zuid-Afrika
en niet dat het staal afkomstig zou zijn van Mexico. Ondergeschikt
stelt appellante dat de overeenkomst nietig dient verklaard te worden wegens het
ontbreken van goede trouw in hoofde van geïntimeerde en wegens culpa in
contrahendo gepleegd door geïntimeerde. Aldus
vordert appellante de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van
de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als niet-toelaatbaar, minstens
ongegrond. In
subsidiaire orde vordert appellante dat de overeenkomst, zoals deze zou bestaan
en weergegeven zijn in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 nietig
verklaard wordt ten nadele van geïntimeerde en dat voor recht zou worden gezegd
dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde geen rechtsgrond heeft. b. Geïntimeerde
vraagt de afwijzing van het principaal beroep en formuleert incidenteel beroep
tot toekenning van de door haar voor de eerste rechter oorspronkelijk gevorderde
bedragen. Ondergeschikt
wordt de aanstelling van een deskundige gevraagd tot bepaling van de schade die
zij geleden heeft als gevolg van de weigering tot afname in oktober 1995 en de
daaruit volgende ontbinding van de koop-verkoop van 3.400 ton staal aan 610 DEM/ton. BEOORDELING 1. Op
goede gronden die het Hof tot de zijne maakt en alhier als uitdrukkelijk
herhaald aanziet, heeft de eerste rechter de vordering van geïntimeerde lastens
appellante ontvankelijk verklaard. Er
is wel degelijk een contractuele relatie tot stand gekomen tussen geïntimeerde
als verkoper enerzijds en anderzijds appellante als koper. De
wil tot schuldvernieuwing in hoofde van appellante ligt vast. De vaststellingen
dat er een drietal maand verlopen is tussen de aanvankelijke overeenkomst van
maart 1995 tussen appellante en de NV Klöckner Harelbeke en de nieuwe
overeenkomst in juni 1995, dat er belangrijke modaliteiten van de
overeenkomst van maart 1995 zijn gewijzigd door de orderbevestiging van 12 juni 1995
en dat de overeenkomst door de vernieuwing gebeurlijk aan een ander recht
onderworpen zou worden ‑ bvb. nationaal ("sensu stricto") dan
wel verdragsrechtelijk het LUVI-verdrag ofwel het Verdrag van Wenen ‑
maken uiteraard op zich een schuldvernieuwing niet onmogelijk. Vooreerst
is er de totale afwezigheid van enige betwisting binnen redelijke termijn
vanwege appellante op de orderbevestiging uitgaande van geïntimeerde d.d. 12 juni 1995
(…). De vaststelling dat de orderbevestiging niet is ondertekend is volledig
irrelevant; nopens de oorsprong van het stuk kon noch kan er enige twijfel zijn.
Appellante
is ongeloofwaardig in haar bewering dat zij deze opdrachtbevestiging zonder
verder nakijken heeft geklasseerd. Niet alleen is de opdrachtbevestiging
opgesteld in de Duitse taal (die tot dan nog niet was gehanteerd), doch de
opdrachtbevestiging betreft een bestelling van staal die een totale waarde
overstijgt van 40 miljoen frank wat een meer dan gewone aandacht bij de
geadresseerde dient te veronderstellen. Er
mag in deze context evenmin uit het oog worden verloren dat de hele zaak een
commercieel karakter heeft. Vervolgens
zij er onderstreept dat appellante zelf, met haar schrijven d.d. 28 juni 1995
(…) uitdrukkelijk naar het orderbevestigingnummer van geïntimeerde (nr.
110880) verwijst en overigens voor de orderbevestiging expliciet dankt. Deze
expliciete en schriftelijke bevestiging houdt in hoofde van appellante de
ondubbelzinnige en duidelijke wil tot schuldvernieuwing in. De
opmerking vanwege appellante dat het schrijven d.d. 28 juni 1995 van
een andere - blijkbaar onbevoegde - dienst van haar firma zou uitgegaan zijn,
dient afgewezen te worden. Niet alleen blijkt deze bewering nergens uit, doch
dergelijk verweer mag hoegenaamd niet in aanmerking worden genomen op risico
elke handelsrelatie onmogelijk te maken. Het
feit dat appellante nadien nog correspondentie heeft gevoerd met de NV Klöckner
Harelbeke - overigens ook met de concrete verwijzing naar het nummer van de
orderbevestiging van geïntimeerde - brengt niet met zich mee dat de
overeenkomst die tot stand gekomen is met geïntimeerde bij voormelde
briefwisseling d.d. 12 juni 1995 en 28 juni 1995, zou zijn
komen te vervallen. Nergens blijkt dit uit enige bewoording in die
briefwisseling. Zoals
de eerste rechter terecht overweegt is het in de staalsector gebruikelijk dat
buitenlandse staalbedrijven, via hun Belgische dochterondernemingen,
overeenkomsten met Belgische bedrijven afsluiten. Hierbij stellen de Belgische
dochterondernemingen zich op als vertegenwoordigers voor hun buitenlandse
moederonderneming. Het
gebruik van "onze" en "we" in het schrijven d.d. 9 augustus 1995
vanwege de NV Klöckner Harelbeke (…) leidt dan ook niet tot de conclusie dat
hiermee de overeenkomst de NV Klöckner Harelbeke als verkopende partij zou
hebben. Dit klemt des te meer daar - het zij herhaald - ook in dat schrijven van
de NV Klöckner Harelbeke uitdrukkelijk verwezen wordt naar de referenties van
de orderbevestiging die uitging van geïntimeerde. De
eerste rechter heeft dan ook terecht de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde
ontvankelijk verklaard. II. A. a. Mede
op grond van wat voorafgaat dient besloten te worden dat de modaliteiten van de
verkoopovereenkomst tussen appellante en geïntimeerde neergelegd zijn in de
orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 uitgaande van geïntimeerde, ook
indien deze afwijken van de modaliteiten in de aanvankelijke overeenkomst met de
NV K1öcknerHarelbeke. Desbetreffend
zij opnieuw verwezen naar het reeds vermelde schrijven d.d. 28 juni 1995
vanwege appellante, waarbij appelante zelf uitdrukkelijk verwijst naar de
leverperiode augustus-september 1995. Dit
is een belangrijke modaliteit die vermeld staat in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995
en die duidelijk afwijkt van de aanvankelijke afspraak met de NV Klöckner
Harelbeke die een leverperiode juni-juli 1995 voorzag. Zo
is de overeengekomen levertermijn deze van augustus-september 1995. De
betekenis van de daaropvolgende vermelding "U.V.", met name
"onder voorbehoud" (: "unter Vorbehalt") kan appellante
onmogelijk zijn ontgaan. In
haar schrijven d.d. 9 augustus 1995 (zie ook onder punt b. infra)
wijst de NV K1öckner Harelbeke op "de levertijd augustus/september o.v."
(: 'onder voorbehoud'); deze "o.V." heeft geen diligente reactie
vanwege appellante ontlokt. De
overige modaliteiten die de technische aspecten van het te leveren staal aangaan
liggen evenzeer vast (zie tweede alinea "Auftragsbestaetigung nr.
11080" d.d. 12 juni 1995…). De
afkomst van het te leveren staal ligt ook vast: de vermelding "Mexiko"
op de tweede bladzijde van de voormelde orderbevestiging kan desbetreffend voor
geen interpretatie in aanmerking komen. b. Teneinde
gebeurlijk terug te keren op de modaliteiten van de overeenkomst neergelegd in
de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 en die van de overeenkomst van
maart 1995 in te roepen, verwijst appellante tevergeefs naar haar
aangetekend schrijven d.d. 8 augustus 1995 (…). Dit
schrijven is duidelijk ingegeven door de vaststelling dat de staalmarktprijzen
zichtbaar aan het dalen waren. Appellante
heeft alsdan gepoogd van alle wol garen te spinnen, hierbij bewust dan wel
onbewust afwijkend van de overeenkomst met geïntimeerde. Met
schrijven d.d. 9 augustus 1995 heeft geïntimeerde via de NV Klöckner
Harelbeke terecht appellante "tot de orde geroepen" door de
mogelijkheid van prijsbespreking af te wijzen en te wijzen op de overeengekomen
levertijd van augustus-september 1995. B. a. Waar
de basisovereenkomst een levertermijn augustus-september 1995 onder
voorbehoud voorzag, kan 30 september 1995 geenszins als een automatische
vervaltermijn worden aangezien. Naar
welk mogelijk toepasselijk recht dan ook, het LUVI-verdrag, het Weense
Koopverdrag dan wel het Belgische recht ("sensu stricto" - burgerlijk
wetboek), had appellante, bij vaststelling dat einde september 1995 overschreden
werd, ofwel een aanvullende redelijke termijn aan geïntimeerde dienen te
verlenen (cf. LUVI en Weense Koopverdrag), ofwel geïntimeerde in gebreke dienen
te stellen weerom met verlening van een redelijke termijn om geïntimeerde in
staat te stellen vooralsnog aan haar verbintenissen te voldoen. Appellante
heeft evenwel, zonder eerst over te gaan tot het verlenen van een redelijke
termijn aan geïntimeerde, de overeenkomst eenzijdig geannuleerd met aangetekend
schrijven gedateerd op 27 september 1995, verstuurd op 3 oktober 1995. Gezien
de voorliggende basisovereenkomst die in beginsel een lichte overschrijding van
eind september 1995 als einde van levertermijn toestond, gezien overigens ook de
aard van het transport (over de zee), was appellante geenszins gerechtigd om
zonder enige verlening van een redelijke bijkomende termijn over te gaan tot
eenzijdige beëindiging van de overeenkomst. Het
Hof neemt anderzijds ook voor waar aan dat er reeds op 15 september 1995
vanwege geïntimeerde aan de heer Van Heyghen van de firma van appellante is
medegedeeld dat het staal eind september 1995 in Antwerpen zou aankomen.
Dit feit is aangetekend aan appellante medegedeeld met schrijven d.d. 4 oktober 1995
(…) en is door appellante in haar daaropvolgend aangetekend schrijven d.d. 11 oktober 1995
(…) waarin zij haar eenzijdige annulering herhaalt, als dusdanig niet
tegengesproken. Met
aangetekend schrijven d.d. 4 oktober 1995 heeft de NV Klöckner Harelbeke
bevestigd dat de lading in Antwerpen is gearriveerd, wat overigens ook blijkt
uit de bevestiging van de BVBA Stute-Montan aan de NV Klöckner Harelbeke, d.d.
4 oktober 1995 (…). De
aankomst te Antwerpen blijkt ook uit stuk nr. 22 neergelegd door geïntimeerde,
met name het schaderapport van de BVBA Broeckx, blz. 2, in fine (op één dag
verschil na: 28 september 1995 i.p.v. 27 september 1995). Hiermee
heeft geïntimeerde geleverd binnen de aanvaarde, minstens aanvaardbare termijn. Appellante
was dan ook niet gerechtigd om eenzijdig de overeenkomst te annuleren wegens
overschrijding van de levertermijn. Met
faxen d.d. 23 en 31 oktober 1995 heeft geïntimeerde nog aangedrongen tot afname
en laten verstaan dat zij bereid was tot bespreking van de prijs. Ten
onrechte is appellante hierop niet willen ingaan. b. Uit
het schaderapport van de BVBA Broeckx, voorgelegd onder stuk nr. 22 door geïntimeerde,
blijkt dat verscheept staal averij heeft opgelopen. Appellante
grijpt deze vaststelling aan om voor te houden dat er hoe dan ook toch niet kon
geleverd worden, ook niet in oktober of november 1995. De
vaststelling van averij heeft geen invloed op de hierboven vastgelegde conclusie
dat appellante ten onrechte de overeenkomst heeft geannuleerd wegens beweerde
overschrijding van de levertermijn. De
annulering is immers geschied voordat geïntimeerde kennis had van mogelijke
averij, terwijl anderzijds appellante ten onrechte niet is ingegaan op het
voorstel van geïntimeerde tot afname en onderhandeling over de prijs. De
averij kan echter wél gevolgen hebben voor de aanspraken vanwege geïntimeerde
tot schadevergoeding wegens onterechte contractbreuk door appellante (zie
hieronder). C. Daargelaten
de overweging dat appellante de overeenkomst heeft geannuleerd wegens niet
nakoming van de levertermijn en niet wegens het niet conform zijn van de
levering, zij er vastgesteld dat de afkomst van het staal op grond van de door
appellante aanvaarde orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 hoe dan ook was
vastgelegd en overeengekomen; met name stond vast dat het staal afkomstig zou
zijn van Mexico. De
a posteriori-overweging vanwege appellante dat het staal afkomstig diende te
zijn van Zuid-Afrika (zoals vastgelegd in de overeenkomst van maart 1995 met de
NV Klöckner Harelbeke) dient dan ook te worden afgewezen. De
in deze context door appellante geformuleerde vraag dat geïntimeerde zou
verplicht worden haar bestellingen in Zuid-Afrika respectievelijk Mexico voor te
leggen, stoelt dan ook nergens op. D. Het
verweer van appellante dat betrekking heeft op beweerde kwade trouw in hoofde
van geïntimeerde alsook op culpa in contrahendo gepleegd door de
laatstgenoemde, dient eveneens te worden afgewezen. Geïntimeerde
heeft een opdrachtbevestiging op 12 juni 1995 naar appellante gestuurd en
appellante heeft er uitdrukkelijk haar instemming mee betuigd op 28 juni 1995 -
zie eveneens supra - . Een
en ander is niet tersluiks geschied. Enige
kwade trouw, laat staan culpa in contrahendo of zelfs bedrog, kan niet worden
weerhouden in hoofde van geïntimeerde. De
totstandkoming van de overeenkomst tussen appellante en geïntimeerde in juni
1995 is door geen enkel wilsgebrek aangetast noch in hoofde van appellante, noch
in hoofde van geïntimeerde. III. A. Geïntimeerde
kan aanspraak maken op schadevergoeding lastens appellante op grond van de
onterechte annulering van de overeenkomst door de laatstgenoemde. Geïntimeerde
vordert de supplementaire opslagkosten, intrestderving en winstderving. B. a. Uit
het schaderapport blijkt dat er slechts een fractie van de gehele lading van het
verscheepte warmgewalst staal aangetast was door water. Uit de vergelijking van
de door appellante bestelde hoeveelheden met de verscheepte hoeveelheden blijkt
eveneens dat de bestelling van appellante slechts een onderdeel was van de hele
lading van warmgewalst staal. Indien
zou blijken dat geïntimeerde door de averij - mede doordat zij hoe dan ook
andere bestellingen diende te honoreren of door nog andere redenen - niet in
staat (meer) was te leveren aan appellante, spreekt het vanzelf dat geïntimeerde
uit oorzaak van de annulering geen schade heeft opgelopen. In
deze hypothese heeft zij uit oorzaak van de averij schade geleden;
dergelijke schade kan zij bezwaarlijk verhalen op appellante. Een
en ander staat evenwel thans nog niet vast. De
stukken geven hieromtrent in allegeval geen enkel uitsluitsel. Een
expertise zal desbetreffend meer duidelijkheid dienen te verschaffen. Anderzijds
blijkt geïntimeerde slechts voor de helft van de bestelde rouwkoopfacturen voor
te leggen. Wat
is er geschied met de overige helft? Zit in die overige helft misschien de 750 ton
door averij aangetaste staal? Is
er sprake "zuiver" verlies (schrootwaarde), doordat voor bepaalde
delen of resten niet is kunnen worden overgegaan tot verkoop? In
welke abnormale dan wel normale omstandigheden hebben de rouwverkopen
plaatsgevonden (hoeveelheden, dimensioneringen, toenmalige conjunctuur, invloed
van bestaande voorraden bij geïntimeerde...)? Een
en ander zal mede bepalend zijn voor de vastlegging van de schade. b. De
door geïntimeerde gevorderde supplementaire opslagkosten zijn eveneens
afhankelijk van de vaststellingen van de expert m.b.t de gevolgen van de averij
op de leveringsmogelijkheden van geïntimeerde. Anderzijds
mogen hoogstens opslagkosten worden verhaald die effectief betaald zijn
door geïntimeerde, slaande op een termijn die abnormaal is t.o.v. wat mocht
verwacht worden in normale (in de hypothese van afname der goederen)
omstandigheden en die betrekking hebben op niet door averij aangetaste
goederen besteld door en bestemd voor appellente. c. Ook
de door geïntimeerde gepostule~rde intrestderving is, minstens, ten dele
eveneens afhankelijk van de mogelijke invloed van de averij. Uit
de toepasselijke modaliteiten neergelegd in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995
volgt dat er betaling diende te zijn 30 dagen na einde maand waarin levering is
geschied ("30 Tage nach Liefermonatsende"), zodat geïntimeerde ten
vroegste per 1 december 1995 betaling mocht verwachten. De
aangestelde expert zal in zijn opdracht mede met voorgaande overwegingen
rekening dienen te houden. IV. De
voorlopige conclusie is dat de eerste rechter terecht de oorspronkelijke
vordering van geïntimeerde ontvankelijk en principieel als gegrond heeft
aanvaard. Wat
de uiteindelijke door appellante verschuldigde schadevergoeding betreft, dient
een expert te worden aangesteld teneinde advies dienomtrent te verschaffen. OP
DEZE GRONDEN, HET
HOF, Recht
doende op tegenspraak Toepassing
makend van artikel 24 van de Wet van 15juni 1935 op het taalgebruik in
gerechtszaken; Verklaart
het principaal beroep en incidenteel beroep ontvankelijk; Wat
de gegrondheid betreft: Bevestigt
het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde
ontvankelijk en principieel gegrond verklaart; Alvorens
verder recht te doen, meer bepaald nopens de schadevergoeding die aan geïntimeerde
toekomt: Benoemt
als deskundige-bedrijfsrevisor de heer Joris MERTENS, wonende te 9450 Haaltert..., die
zich in voorkomend geval mag laten bijstaan door een specialist terzake, op
voorwaarde dat de expert de conclusie van deze laatste tot de zijne maakt, en
die overeenkomstig de art. 962 tot en met 991 Ger.W. binnen de zes maanden na de
aanvaarding van zijn taak de volgende opdracht vervult: 1.
partijen aangetekend verwittigen met een tussentijd van vier vrije dagen van
plaats, dag en uur der uitvoering van zijn opdracht; partijen
horen, de bescheiden vragen en alle nuttige inlichtingen inwinnen, zo nodig bij
derden; 2.
de schade-eis en stavingstukken van geïntimeerde en de door appellante
voorgelegde stukken onderzoeken en gemotiveerd advies te verlenen nopens welke
schade (winstderving, supplementaire opslagkosten en intrestderving) door geïntimeerde
is geleden als gevolg van de hierboven als onterecht bestempelde weigering
vanwege appellant tot afname in oktober 1995 en de daaruit volgende ontbinding
van de koopverkoop van 3.400 staal aan 610 DEM/ton zoals blijkt uit de
orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 uitgaande van geïntimeerde; hierbij
rekening houdend met de niet-exhaustief geformuleerde overwegingen onder punt
IILb. van de motivering van onderhavig arrest; 3.
antwoorden op alle vragen van de partijen, nuttig voor de oplossing van het
geschil; pogen
partijen tot verzoening te brengen; 4.
het voorverslag aan iedere partij sturen met bede om gemotiveerde bezwaren
binnen de twintig dagen van de datum postmerk; deze
beantwoorden en het verslag neerleggen; 5.
op de dag van de neerlegging van het met de wettelijke eedformule beklede
eindverslag ter griffie, aan de partijen aangetekend een eensluidend verklaard
afschrift van zijn verslag zenden, met daarin verwerkt, zijn staat van kosten en
ereloon; Beveelt
dat geïntimeerde de kosten en ereloon van de deskundige zal voorschieten; Verwijst
het geschil inmiddels naar de bijzondere rol; Houdt
de definitieve beslissing omtremt de kosten aan; (...) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |