K.U.Leuven
CISG Belgium 2001-02-14

Case Identification

Date of Decision: 14 February 2001

Tribunal: Hof van Beroep, Gent

Case Number: 1999/AR/9

Case History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Gent, 10 November 1998;

Later decision of Hof van Beroep, Gent, 20 October 2004

Parties: NV Van Heygen Staal v. GmbH Stahl- und Metalhandel Klockner

Seller’s Country: Germany (Plaintiff; Respondent on Appeal)

Buyer’s Country: Belgium (Defendant; Appellant)

Goods Involved: steel coils

Judge: J. Delbake, P. Vanherpe, J. Baudrez

Status: Unpublished  

 

Classification of issues

Application of CISG: Yes

Refusal to accept delivery without allowing extra time for delivery – fundamental breach

Belgian subsidiary of German seller as agent – correspondence with that subsidiary – did not cancel contract

Expert appointed to assess damage

 

Text of the Decision

 

1999/AR/0009 - In de zaak van:

N.V. VAN HEYGHEN STAAL

ingeschreven in het handelsregister te Gent…,

met zetel gevestigd te 9040 Evergem…

APPELLANTE,

hebbende als raadsman Meester Rik Torrekens, advokaat te 9000 Gent…,

tegen:

STAHL-UND METALHANDEL KLOCKNER GmbH

vennootschap naar Duits recht, met zetel te D 47057,Duisburg…,

ingeschreven in het handelsregister te Brussel…,

woonstkiezende ten kantore van gerechtsdeurwaarder Gilbert De Wilde te 9000 Gent…

GEÏNTIMEERDE,

hebbende als raadsman Meester Luc Van Dorpe, advokaat te 8500 Kortrijk…,

velt het Hof het volgend arrest:

Partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten ter openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.

Appellante heeft op tijdige en rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis gewezen op 10 november 1998 door de rechtbank van koophandel te Gent, derde kamer.

Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

Akte wordt genomen van het akkoord vanwege geïntimeerde bij monde van haar raadsman dat de laatste besluiten voor appellante, neergelegd op 19 april 2000, tot ingebrekestelling bij conclusie overeenkomstig art. 1154 B.W. mede in beraad mogen worden genomen.

PROCEDURELE EN FEITELIJKE VOORAFGAANDEN

Bij dagvaarding van 12 juni 1996 vordert de vennootschap naar Duits recht "GmbH Stahl- und Metahlhandel Klöckner", geïntimeerde, de veroordeling van de NV Van Heyghen Staal, appellante, tot betaling van 12.395.933 fr., meer de compensatoire intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 1 april 1996 tot dagvaardingsdatum en vanaf dan de gerechtelijke intresten tot de dag van de effectieve betaling, meer de gerechtskosten.

Geïntimeerde houdt voor dat er een koop-verkoopovereenkomst tot stand gekomen is tussen haar en appellante omtrent de aankoop van 3.400 ton warmgewalste platen in coils aan de prijs van 610 DEM/Ton.

Appellante zou deze overeenkomst ten onrechte eenzijdig hebben geannuleerd.

Geïntimeerde vordert:

- supplementaire stockeringskosten:                                                                  1.700.000 fr.

- derving van intresten:                                                                          1..420.690 fr.

- derving van winst:                                                                                           9.275.243 fr.

------------------

12.395.933 fr.

 

HET BESTREDEN VONNIS

De eerste rechter stelt vast dat er een overeenkomst tot stand gekomen is tussen partijen en dat appellante ten onrechte geweigerd heeft de levering te aanvaarden, zodat geïntimeerde gerechtigd was de overeenkomst te verbreken.

De eerste rechter kent evenwel slechts de volgende bedragen toe als schade:

opslagkosten (12.231,22 DEM x 20,55 BEF =)                                      251.351 fr.

winstderving 57 DEM X 3.400 ton x 20,55 BEF =                               3.982.590 fr.

---------------

4.233.941 fr.

meer de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 april 1996 zoals gevorderd en de gerechtelijke intresten vanaf dagvaardingsdatum.

Appellante wordt veroordeeld tot alle gerechtskosten.

GRIEVEN EN STANDPUNT DER PARTIJEN

a.

Appellante houdt in eerste orde voor dat er geen overeenkomst is tot stand gekomen tussen haar en geïntimeerde, doch wel met de NV K1öckner Harelbeke, zodat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als onontvankelijk had dienen te zijn afgewezen.

Wat de grond van de zaak betreft, appellante poneert dat geïntimeerde de leveringstermijn niet is nagekomen, noch in juni-juli 1995 (overeenkomst met de NV K1öcknerHarelbeke), noch in augustus-september 1995 (in de hypothese van een - nieuwe - overeenkomst met geïntimeerde) en zelfs niet kon nakomen in oktober of november 1995 gezien de zeetransportschade.

Ook legt appellante voor dat er geen sprake kan zijn van aanbod van een conforme levering, daar er een overeenkomst was omtrent staal afkomstig van Zuid-Afrika en niet dat het staal afkomstig zou zijn van Mexico.

Ondergeschikt stelt appellante dat de overeenkomst nietig dient verklaard te worden wegens het ontbreken van goede trouw in hoofde van geïntimeerde en wegens culpa in contrahendo gepleegd door geïntimeerde.

Aldus vordert appellante de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als niet-toelaatbaar, minstens ongegrond.

In subsidiaire orde vordert appellante dat de overeenkomst, zoals deze zou bestaan en weergegeven zijn in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 nietig verklaard wordt ten nadele van geïntimeerde en dat voor recht zou worden gezegd dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde geen rechtsgrond heeft.

b.

Geïntimeerde vraagt de afwijzing van het principaal beroep en formuleert incidenteel beroep tot toekenning van de door haar voor de eerste rechter oorspronkelijk gevorderde bedragen.

Ondergeschikt wordt de aanstelling van een deskundige gevraagd tot bepaling van de schade die zij geleden heeft als gevolg van de weigering tot afname in oktober 1995 en de daaruit volgende ontbinding van de koop-verkoop van 3.400 ton staal aan 610 DEM/ton.

BEOORDELING

1.

Op goede gronden die het Hof tot de zijne maakt en alhier als uitdrukkelijk herhaald aanziet, heeft de eerste rechter de vordering van geïntimeerde lastens appellante ontvankelijk verklaard.

Er is wel degelijk een contractuele relatie tot stand gekomen tussen geïntimeerde als verkoper enerzijds en anderzijds appellante als koper.

De wil tot schuldvernieuwing in hoofde van appellante ligt vast. De vaststellingen dat er een drietal maand verlopen is tussen de aanvankelijke overeenkomst van maart 1995 tussen appellante en de NV Klöckner Harelbeke en de nieuwe overeenkomst in juni 1995, dat er belangrijke modaliteiten van de overeenkomst van maart 1995 zijn gewijzigd door de orderbevestiging van 12 juni 1995 en dat de overeenkomst door de vernieuwing gebeurlijk aan een ander recht onderworpen zou worden ‑ bvb. nationaal ("sensu stricto") dan wel verdragsrechtelijk het LUVI-verdrag ofwel het Verdrag van Wenen ‑ maken uiteraard op zich een schuldvernieuwing niet onmogelijk.

Vooreerst is er de totale afwezigheid van enige betwisting binnen redelijke termijn vanwege appellante op de orderbevestiging uitgaande van geïntimeerde d.d. 12 juni 1995 (…). De vaststelling dat de orderbevestiging niet is ondertekend is volledig irrelevant; nopens de oorsprong van het stuk kon noch kan er enige twijfel zijn.

Appellante is ongeloofwaardig in haar bewering dat zij deze opdrachtbevestiging zonder verder nakijken heeft geklasseerd. Niet alleen is de opdrachtbevestiging opgesteld in de Duitse taal (die tot dan nog niet was gehanteerd), doch de opdrachtbevestiging betreft een bestelling van staal die een totale waarde overstijgt van 40 miljoen frank wat een meer dan gewone aandacht bij de geadresseerde dient te veronderstellen.

Er mag in deze context evenmin uit het oog worden verloren dat de hele zaak een commercieel karakter heeft.

Vervolgens zij er onderstreept dat appellante zelf, met haar schrijven d.d. 28 juni 1995 (…) uitdrukkelijk naar het orderbevestigingnummer van geïntimeerde (nr. 110880) verwijst en overigens voor de orderbevestiging expliciet dankt.

Deze expliciete en schriftelijke bevestiging houdt in hoofde van appellante de ondubbelzinnige en duidelijke wil tot schuldvernieuwing in.

De opmerking vanwege appellante dat het schrijven d.d. 28 juni 1995 van een andere - blijkbaar onbevoegde - dienst van haar firma zou uitgegaan zijn, dient afgewezen te worden. Niet alleen blijkt deze bewering nergens uit, doch dergelijk verweer mag hoegenaamd niet in aanmerking worden genomen op risico elke handelsrelatie onmogelijk te maken.

Het feit dat appellante nadien nog correspondentie heeft gevoerd met de NV Klöckner Harelbeke - overigens ook met de concrete verwijzing naar het nummer van de orderbevestiging van geïntimeerde - brengt niet met zich mee dat de overeenkomst die tot stand gekomen is met geïntimeerde bij voormelde briefwisseling d.d. 12 juni 1995 en 28 juni 1995, zou zijn komen te vervallen. Nergens blijkt dit uit enige bewoording in die briefwisseling.

Zoals de eerste rechter terecht overweegt is het in de staalsector gebruikelijk dat buitenlandse staalbedrijven, via hun Belgische dochterondernemingen, overeenkomsten met Belgische bedrijven afsluiten. Hierbij stellen de Belgische dochterondernemingen zich op als vertegenwoordigers voor hun buitenlandse moederonderneming.

Het gebruik van "onze" en "we" in het schrijven d.d. 9 augustus 1995 vanwege de NV Klöckner Harelbeke (…) leidt dan ook niet tot de conclusie dat hiermee de overeenkomst de NV Klöckner Harelbeke als verkopende partij zou hebben. Dit klemt des te meer daar - het zij herhaald - ook in dat schrijven van de NV Klöckner Harelbeke uitdrukkelijk verwezen wordt naar de referenties van de orderbevestiging die uitging van geïntimeerde.

De eerste rechter heeft dan ook terecht de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde ontvankelijk verklaard.

II.

A.

a.

Mede op grond van wat voorafgaat dient besloten te worden dat de modaliteiten van de verkoopovereenkomst tussen appellante en geïntimeerde neergelegd zijn in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 uitgaande van geïntimeerde, ook indien deze afwijken van de modaliteiten in de aanvankelijke overeenkomst met de NV K1öcknerHarelbeke.

Desbetreffend zij opnieuw verwezen naar het reeds vermelde schrijven d.d. 28 juni 1995 vanwege appellante, waarbij appelante zelf uitdrukkelijk verwijst naar de leverperiode augustus-september 1995.

Dit is een belangrijke modaliteit die vermeld staat in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 en die duidelijk afwijkt van de aanvankelijke afspraak met de NV Klöckner Harelbeke die een leverperiode juni-juli 1995 voorzag.

Zo is de overeengekomen levertermijn deze van augustus-september 1995.

De betekenis van de daaropvolgende vermelding "U.V.", met name "onder voorbehoud" (: "unter Vorbehalt") kan appellante onmogelijk zijn ontgaan.

In haar schrijven d.d. 9 augustus 1995 (zie ook onder punt b. infra) wijst de NV K1öckner Harelbeke op "de levertijd augustus/september o.v." (: 'onder voorbehoud'); deze "o.V." heeft geen diligente reactie vanwege appellante ontlokt.

De overige modaliteiten die de technische aspecten van het te leveren staal aangaan liggen evenzeer vast (zie tweede alinea "Auftragsbestaetigung nr. 11080" d.d. 12 juni 1995…).

De afkomst van het te leveren staal ligt ook vast: de vermelding "Mexiko" op de tweede bladzijde van de voormelde orderbevestiging kan desbetreffend voor geen interpretatie in aanmerking komen.

b.

Teneinde gebeurlijk terug te keren op de modaliteiten van de overeenkomst neergelegd in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 en die van de overeenkomst van maart 1995 in te roepen, verwijst appellante tevergeefs naar haar aangetekend schrijven d.d. 8 augustus 1995 (…).

Dit schrijven is duidelijk ingegeven door de vaststelling dat de staalmarktprijzen zichtbaar aan het dalen waren.

Appellante heeft alsdan gepoogd van alle wol garen te spinnen, hierbij bewust dan wel onbewust afwijkend van de overeenkomst met geïntimeerde.

Met schrijven d.d. 9 augustus 1995 heeft geïntimeerde via de NV Klöckner Harelbeke terecht appellante "tot de orde geroepen" door de mogelijkheid van prijsbespreking af te wijzen en te wijzen op de overeengekomen levertijd van augustus-september 1995.

B.

a.

Waar de basisovereenkomst een levertermijn augustus-september 1995 onder voorbehoud voorzag, kan 30 september 1995 geenszins als een automatische vervaltermijn worden aangezien.

Naar welk mogelijk toepasselijk recht dan ook, het LUVI-verdrag, het Weense Koopverdrag dan wel het Belgische recht ("sensu stricto" - burgerlijk wetboek), had appellante, bij vaststelling dat einde september 1995 overschreden werd, ofwel een aanvullende redelijke termijn aan geïntimeerde dienen te verlenen (cf. LUVI en Weense Koopverdrag), ofwel geïntimeerde in gebreke dienen te stellen weerom met verlening van een redelijke termijn om geïntimeerde in staat te stellen vooralsnog aan haar verbintenissen te voldoen.

Appellante heeft evenwel, zonder eerst over te gaan tot het verlenen van een redelijke termijn aan geïntimeerde, de overeenkomst eenzijdig geannuleerd met aangetekend schrijven gedateerd op 27 september 1995, verstuurd op 3 oktober 1995.

Gezien de voorliggende basisovereenkomst die in beginsel een lichte overschrijding van eind september 1995 als einde van levertermijn toestond, gezien overigens ook de aard van het transport (over de zee), was appellante geenszins gerechtigd om zonder enige verlening van een redelijke bijkomende termijn over te gaan tot eenzijdige beëindiging van de overeenkomst.

Het Hof neemt anderzijds ook voor waar aan dat er reeds op 15 september 1995 vanwege geïntimeerde aan de heer Van Heyghen van de firma van appellante is medegedeeld dat het staal eind september 1995 in Antwerpen zou aankomen. Dit feit is aangetekend aan appellante medegedeeld met schrijven d.d. 4 oktober 1995 (…) en is door appellante in haar daaropvolgend aangetekend schrijven d.d. 11 oktober 1995 (…) waarin zij haar eenzijdige annulering herhaalt, als dusdanig niet tegengesproken.

Met aangetekend schrijven d.d. 4 oktober 1995 heeft de NV Klöckner Harelbeke bevestigd dat de lading in Antwerpen is gearriveerd, wat overigens ook blijkt uit de bevestiging van de BVBA Stute-Montan aan de NV Klöckner Harelbeke, d.d. 4 oktober 1995 (…).

De aankomst te Antwerpen blijkt ook uit stuk nr. 22 neergelegd door geïntimeerde, met name het schaderapport van de BVBA Broeckx, blz. 2, in fine (op één dag verschil na: 28 september 1995 i.p.v. 27 september 1995).

Hiermee heeft geïntimeerde geleverd binnen de aanvaarde, minstens aanvaardbare termijn.

Appellante was dan ook niet gerechtigd om eenzijdig de overeenkomst te annuleren wegens overschrijding van de levertermijn.

Met faxen d.d. 23 en 31 oktober 1995 heeft geïntimeerde nog aangedrongen tot afname en laten verstaan dat zij bereid was tot bespreking van de prijs.

Ten onrechte is appellante hierop niet willen ingaan.

b.

Uit het schaderapport van de BVBA Broeckx, voorgelegd onder stuk nr. 22 door geïntimeerde, blijkt dat verscheept staal averij heeft opgelopen.

Appellante grijpt deze vaststelling aan om voor te houden dat er hoe dan ook toch niet kon geleverd worden, ook niet in oktober of november 1995.

 

De vaststelling van averij heeft geen invloed op de hierboven vastgelegde conclusie dat appellante ten onrechte de overeenkomst heeft geannuleerd wegens beweerde overschrijding van de levertermijn.

De annulering is immers geschied voordat geïntimeerde kennis had van mogelijke averij, terwijl anderzijds appellante ten onrechte niet is ingegaan op het voorstel van geïntimeerde tot afname en onderhandeling over de prijs.

De averij kan echter wél gevolgen hebben voor de aanspraken vanwege geïntimeerde tot schadevergoeding wegens onterechte contractbreuk door appellante (zie hieronder).

C.

Daargelaten de overweging dat appellante de overeenkomst heeft geannuleerd wegens niet nakoming van de levertermijn en niet wegens het niet conform zijn van de levering, zij er vastgesteld dat de afkomst van het staal op grond van de door appellante aanvaarde orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 hoe dan ook was vastgelegd en overeengekomen; met name stond vast dat het staal afkomstig zou zijn van Mexico.

De a posteriori-overweging vanwege appellante dat het staal afkomstig diende te zijn van Zuid-Afrika (zoals vastgelegd in de overeenkomst van maart 1995 met de NV Klöckner Harelbeke) dient dan ook te worden afgewezen.

De in deze context door appellante geformuleerde vraag dat geïntimeerde zou verplicht worden haar bestellingen in Zuid-Afrika respectievelijk Mexico voor te leggen, stoelt dan ook nergens op.

D.

Het verweer van appellante dat betrekking heeft op beweerde kwade trouw in hoofde van geïntimeerde alsook op culpa in contrahendo gepleegd door de laatstgenoemde, dient eveneens te worden afgewezen.

Geïntimeerde heeft een opdrachtbevestiging op 12 juni 1995 naar appellante gestuurd en appellante heeft er uitdrukkelijk haar instemming mee betuigd op 28 juni 1995 - zie eveneens supra - .

Een en ander is niet tersluiks geschied.

Enige kwade trouw, laat staan culpa in contrahendo of zelfs bedrog, kan niet worden weerhouden in hoofde van geïntimeerde.

De totstandkoming van de overeenkomst tussen appellante en geïntimeerde in juni 1995 is door geen enkel wilsgebrek aangetast noch in hoofde van appellante, noch in hoofde van geïntimeerde.

III.

A.

Geïntimeerde kan aanspraak maken op schadevergoeding lastens appellante op grond van de onterechte annulering van de overeenkomst door de laatstgenoemde.

Geïntimeerde vordert de supplementaire opslagkosten, intrestderving en winstderving.

B.

a.

Uit het schaderapport blijkt dat er slechts een fractie van de gehele lading van het verscheepte warmgewalst staal aangetast was door water. Uit de vergelijking van de door appellante bestelde hoeveelheden met de verscheepte hoeveelheden blijkt eveneens dat de bestelling van appellante slechts een onderdeel was van de hele lading van warmgewalst staal.

Indien zou blijken dat geïntimeerde door de averij - mede doordat zij hoe dan ook andere bestellingen diende te honoreren of door nog andere redenen - niet in staat (meer) was te leveren aan appellante, spreekt het vanzelf dat geïntimeerde uit oorzaak van de annulering geen schade heeft opgelopen.

In deze hypothese heeft zij uit oorzaak van de averij schade geleden; dergelijke schade kan zij bezwaarlijk verhalen op appellante.

Een en ander staat evenwel thans nog niet vast.

De stukken geven hieromtrent in allegeval geen enkel uitsluitsel.

Een expertise zal desbetreffend meer duidelijkheid dienen te verschaffen.

Anderzijds blijkt geïntimeerde slechts voor de helft van de bestelde rouwkoopfacturen voor te leggen.

Wat is er geschied met de overige helft? Zit in die overige helft misschien de 750 ton door averij aangetaste staal?

Is er sprake "zuiver" verlies (schrootwaarde), doordat voor bepaalde delen of resten niet is kunnen worden overgegaan tot verkoop?

In welke abnormale dan wel normale omstandigheden hebben de rouwverkopen plaatsgevonden (hoeveelheden, dimensioneringen, toenmalige conjunctuur, invloed van bestaande voorraden bij geïntimeerde...)?

Een en ander zal mede bepalend zijn voor de vastlegging van de schade.

b.

De door geïntimeerde gevorderde supplementaire opslagkosten zijn eveneens afhankelijk van de vaststellingen van de expert m.b.t de gevolgen van de averij op de leveringsmogelijkheden van geïntimeerde.

Anderzijds mogen hoogstens opslagkosten worden verhaald die effectief betaald zijn door geïntimeerde, slaande op een termijn die abnormaal is t.o.v. wat mocht verwacht worden in normale (in de hypothese van afname der goederen) omstandigheden en die betrekking hebben op niet door averij aangetaste goederen besteld door en bestemd voor appellente.

c.

Ook de door geïntimeerde gepostule~rde intrestderving is, minstens, ten dele eveneens afhankelijk van de mogelijke invloed van de averij.

Uit de toepasselijke modaliteiten neergelegd in de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 volgt dat er betaling diende te zijn 30 dagen na einde maand waarin levering is geschied ("30 Tage nach Liefermonatsende"), zodat geïntimeerde ten vroegste per 1 december 1995 betaling mocht verwachten.

De aangestelde expert zal in zijn opdracht mede met voorgaande overwegingen rekening dienen te houden.

IV.

De voorlopige conclusie is dat de eerste rechter terecht de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk en principieel als gegrond heeft aanvaard.

Wat de uiteindelijke door appellante verschuldigde schadevergoeding betreft, dient een expert te worden aangesteld teneinde advies dienomtrent te verschaffen.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak

Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het principaal beroep en incidenteel beroep ontvankelijk;

Wat de gegrondheid betreft:

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk en principieel gegrond verklaart;

Alvorens verder recht te doen, meer bepaald nopens de schadevergoeding die aan geïntimeerde toekomt:

Benoemt als deskundige-bedrijfsrevisor de heer Joris MERTENS, wonende te 9450 Haaltert...,

die zich in voorkomend geval mag laten bijstaan door een specialist terzake, op voorwaarde dat de expert de conclusie van deze laatste tot de zijne maakt, en die overeenkomstig de art. 962 tot en met 991 Ger.W. binnen de zes maanden na de aanvaarding van zijn taak de volgende opdracht vervult:

1. partijen aangetekend verwittigen met een tussentijd van vier vrije dagen van plaats, dag en uur der uitvoering van zijn opdracht;

partijen horen, de bescheiden vragen en alle nuttige inlichtingen inwinnen, zo nodig bij derden;

2. de schade-eis en stavingstukken van geïntimeerde en de door appellante voorgelegde stukken onderzoeken en gemotiveerd advies te verlenen nopens welke schade (winstderving, supplementaire opslagkosten en intrestderving) door geïntimeerde is geleden als gevolg van de hierboven als onterecht bestempelde weigering vanwege appellant tot afname in oktober 1995 en de daaruit volgende ontbinding van de koopverkoop van 3.400 staal aan 610 DEM/ton zoals blijkt uit de orderbevestiging d.d. 12 juni 1995 uitgaande van geïntimeerde;

hierbij rekening houdend met de niet-exhaustief geformuleerde overwegingen onder punt IILb. van de motivering van onderhavig arrest;

3. antwoorden op alle vragen van de partijen, nuttig voor de oplossing van het geschil;

pogen partijen tot verzoening te brengen;

4. het voorverslag aan iedere partij sturen met bede om gemotiveerde bezwaren binnen de twintig dagen van de datum postmerk;

deze beantwoorden en het verslag neerleggen;

5. op de dag van de neerlegging van het met de wettelijke eedformule beklede eindverslag ter griffie, aan de partijen aangetekend een eensluidend verklaard afschrift van zijn verslag zenden, met daarin verwerkt, zijn staat van kosten en ereloon;

Beveelt dat geïntimeerde de kosten en ereloon van de deskundige zal voorschieten;

Verwijst het geschil inmiddels naar de bijzondere rol;

Houdt de definitieve beslissing omtremt de kosten aan;

(...)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be