|
|
|
Case Identification Date of Decision: 29 January 2001 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Rechtbank van Koophandel,
Ieper Case Number: (?) Parties: M. S.P.A. v. N Seller’s Country: Italy
(Plaintiff) Buyer’s Country: Belgium
(Defendant) Goods Involved: Cooling
installations Judges: P. Deseyne, J.P. Bonduelle, J. Bonte Status: Published in Rechtskundig
Weekblad 2001-02, p. 1396,
note by Kristof Roox; Tijdschrift@ipr.be: Tijdschrift van het Instituut voor Internationaal
Privaatrecht, Universiteit Gent; March 2002, nr. 1, p. 21-26 Classification of issues present Application of CISG: Yes CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(a), 6,
9, 19, 35, 38, 39, 75
& 100 Applicable law – both countries party to CISG – CISG applicable Applicable law on counterclaim – before CISG in force in Belgium - Convention
on the law applicable to the contracts for the international sale of goods
(Hague Conference, June 15, 1955) – law of residence of seller – Italy
– CISG Notice
of non-conformity – reasonable period – longer – resale –
non-conformity only became known later Obligation
to examine – not true obligation – non-conformity could only become
known after continued use Prescription
– supplementary law – Italian – Italy not party to Convention on the
Limitation Period in the International Sale of Goods (New York 14 June1974)
– Italian Civil Code Interests
– freedom of contract – rate which parties agreed upon – in casu –
no agreement – lex contractus – unknown – à rato English Summary A Belgian buyer bought cooling installations from an Italian seller. The CISG was applicable since both Italy and Belgian were contracting states. The counter-claim originated from a contract of 1993, thus before the CISG was applicable in Belgium. The applicable law had to be found by way of the Hague Convention on the law applicable to the contracts for the international sale of goods (15 June 1955), which pointed to the law of residence of seller, thus Italy. Italy was party to the CISG so that the CISG had to be applied. Prescription was not regulated by the CISG and had to be determined according to Italian law. Italy was not party to the New York Convention on the Limitation Period in the International Sale of Goods of 1974 and the Italian civil code had to be applied. Interests might be agreed contractually, but in this case it was not proved that the General Conditions were part of the contract. Therefore the interest rate of the lex contractus, thus Italian law, had to be applied. The judge did not know that rate and he applied the Belgian interest rate.
Text of the Decision De vennootschap naar Italiaans recht M S.P.A. met maatschappelijke zetel te Italie (...), Eiseres op hoofdeis, verweerster op tegeneis, (...) tegen De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid N, verweerster op hoofdeis, eiseres op tegeneis, (...) De
feiten en de vorderingen. Standpunten van partijen. 1. Bij dagvaarding d.d. 31/5/ 1999 vordert eiseres ten aanzien van
verweerster de betaling van 92.224.000 Italiaanse lire in hoofdsom,
samengesteld als volgt: 2. Verweerster betwist als zodanig niet de voormelde facturen verschuldigd
te zijn, doch wijst er enerzijds op dat zij op 17/2/2000 een bedrag van
45.020.821 Lit. (of 936.433. Bef.) betaald heeft en anderzijds dat zij
gerechtigd is op een schadevergoeding lastens eiseres n.a.v. een eerdere
transactie, die plaatsgreep in het jaar 1993, welke zij bij tegeneis vordert
en begroot op een gelijk bedrag als het saldo van 47.203.173 Lit. (of
981.826 Bef), zodat zij mits gerechtelijke compensatie niets meer
verschuldigd is. 3. In conclusie verwerpt hoofdeiseres het verweer en de tegeneis en
vordert zij bovendien vergoedende intrest à rato van 8% per jaar vanaf de ingebrekestelling d.d. 10
september 1998 en à rato van 7% per jaar vanaf de datum van dagvaarding. BEOORDELING 1.
Toepasselijk recht Hoofdeiseres vordert betaling van de prijs n.a.v. internationale verkopen
van roerende lichamelijke zaken (nl. koelinstallaties en/of toebehoren);
beide partijen zijn het eens dat de bepalingen van het Weens Koopverdrag van
11 april 1980 (CISG) dienen toegepast te worden en de rechtbank treedt deze
stellingname bij. Vermits de litigieuze verkopen dateren van 1998 en de beide gedingvoerende
partijen gevestigd zijn in verdragsluitende staten, die sinds een eerder
tijdstip door het CISG gebonden zijn (in Italië is het CISG in werking
getreden op 1/1/1988 en in België op 1/11/1997), dienen in casu zonder meer
de verdragsregelen toegepast te worden, zonder een omweg via de
verwijzingsregels (art. 1-n sit. 100-2 “tan hot
080; zig a en art 100-2 van het CISG; zie J. Meeusen, "Belgisch
internationaal contractenrecht in Europees perspectief", in: X..,
"Overeenkomstenrecht", XXVIste Postuniversitaire cyclus, Willy
Delva, 1999-2000, nr. 490 p. 388). Ten onrechte maken de partijen in die omstandigheden nog gewag van het
zgn. IPR-verdrag van Den Haag d.d. 15 juni 1955 nopens de op de
internationale koop van onroerende lichamelijke zaken toepasselijke wet; dat
verdrag werd overigens door België opgezegd (cf. B.S. 30 juni 1999, blz.
24535) en is alhier buiten werking sinds 1/9/1999, Terzake de tegeneis evenwel gaat het om een internationale verkoop uit het
jaar 1993, als wanneer in België het CISG nog niet in werking was getreden. In dat verband dient bijgevolg wel - bij gebreke aan duidelijke en
onbetwijfelbare rechtskeuze terzake van de partijen - de verwijzingsregel
van art. 3 van voormeld IPR-verdrag van 15 juni 1955 toegepast te worden,
nl. dat die koop-verkoop uit het jaar 1993 beheerst wordt door de interne
wet van het land van de verkoper, ten dezen van hoofdeiseres, die in Italië
gevestigd is. Evenwel is sinds 1/1/1988 het CISG van toepassing in Italië
zodat ook voor de berechting van de tegeneis in eerste instantie toepassing
moet gemaakt worden van die verdragsbepalingen (art. 1-1-b en art. 100-2 van
het CISG; J. Meeusen. o.c., nrs. 489-490). 2.
Hoofdeis Hoofdverweerster betwist als zodanig niet het bestaan en het bedrag noch
de opeisbaarheid van hetgeen hoofdeiseres vordert op basis van de in de
dagvaarding opgesomde facturen, zodat de hoofdeis alvast gegrond is ten
belope van de factuurhoofdsommen ad 92.224.000 Lit., weliswaar onder aftrek
van hetgeen sinds de dagvaarding werd betaald, weze een saldo in hoofdsom
van 47.203.173 Lit. Omtrent de gevorderde interesten wordt hierna geoordeeld (infra, nr. 4). 3.
Tegeneis Volgens factuur d.d. 15/2/1993 (bundel verweerster, stuk nr 13) heeft
hoofdeiseres een zgn. diepvrieseiland", type Fagus 5. met toebehoren
verkocht aan hoofdverweerster, die het op haar beurt verkocht aan een derde
(de S.V. Ankra to Sint-Amandsberg). Uit het verslag d.d. 28/5/1996 van een gerechtelijk deskundigenonderzoek
door Ir. Dirk Christiaens te Kortrijk, daartoe aangesteld bij beschikkingen
in kort geding d.d. 20/ 10/ 1994, 12/ 1 / 1995 en 9/2/ 1995 van de
Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, blijkt dat 3 van de
4 eilandelementen barstvorming vertoonden van de polyesterkuip onder de
koelbatterij; volgens de deskundige vond die scheurvorming haar oorsprong in
het ontwerp en de fabricatie en was ze dienvolgens technisch en feitelijk
aan hoofdeiseres toe te rekenen (bundel verweerster, stuk nr. 3). Wanneer precies dit gebrek zich gemanifesteerd heeft, staat niet vast of
kan althans op basis van de voorgelegde stukken niet met zekerheid
uitgemaakt worden; enkel kan vastgesteld worden dat hoofdverweerster voor
het eerst naspeurbaar per brief d.d. 27/10/1994 haar beklag gemaakt heeft
nopens een vastgestelde "barst in een diepvriesmeubel over de volledige
lengte" (bundel verweerster, stuk nr. 12). In dezelfde brief is er
sprake van een eerder schrijven d.d. 20/10/1994 (dat niet wordt voorgelegd)
en van een eerdere telefonische contactname. Anderzijds heeft hoofdeiseres in een fax d.d. 16/11/1994 een
"oplossing" aangeboden middels vervanging van 2 koelbanken en
heeft zij ook per fax d.d. 16/2/1996 bevestigd dat zij "sinds het
begin" verkoos de zaak aldus te regelen (bundel verweerster, stukken
nrs. 11 en 14). Er kan, rekening houdend met de gekende feitelijke elementen der zaak op
basis van de voorgelegde stukken, aangenomen worden dat het gebrek zich
eerst na verloop van tijd gemanifesteerd heeft ingevolge het gebruik van
koelbanken door de S.V. Ankra, aan wie hoofdverweerster ze verkocht had.
Waar hoofdeiseres gesteld en bevestigd heeft bereid te zijn geweest om de
zaak "sinds het begin" in der minne te regelen, impliceert dit ook
dat zij van het gebrek op de hoogte werd gebracht van zodra hoofdverweerster
er ingevolge klachten van haar klant kennis van gekregen heeft. Aldus dient
aanvaard te worden dat hoofdverweerster voldaan heeft aan het voorschrift
van art. 39.1 CISG om binnen een redelijke termijn de aldaar voorziene
kennisgeving aan hoofdeiseres te doen. Eveneens dient gesteld te worden dat hoofdverweerster haar
onderzoeksplicht (art. 35-1 CISG) in casu niet miskend heeft. Kwestieuze
keuringsplicht is trouwens geen eigenlijke verplichting voor de koper - en
houdt als zodanig geen verbintenis in om b.v. "verborgen" gebreken
te ontdekken, meer bepaald dusdanige gebreken die niet kunnen ontdekt worden
door een redelijke inspectie van de goederen op grond van art. 38 CISG, wat
ten dezen precies het geval is vermits de scheurvorming pas ingevolge een
voortgezet gebruik van de koelbanken over een zekere periode aan het licht
gekomen is (cf. H. Van Houtte e.a, "Het Weens Koopverdrag", nrs.
4.61 en 5.29). Bijgevolg is hoofdverweerster in casu en op grond van de regelen van het CISG
niet vervallen van haar recht om zich op de niet-conformiteit van de in 1993
geleverde koelbanken te beroepen tegenover hoofdeiseres. Het feit zelf van de niet-conformiteit der kwestieuze koelbanken dient
overigens aangenomen te worden op grond van de bevindingen van deskundige
Christiaens, die terzake een tegensprekelijk onderzoek gedaan heeft dat aan
hoofdeiseres tegenstelbaar is vermits de kwestieuze expertise, aanvankelijk
bevolen bij beschikking 20/10/1994 op verzoek van de S. V. Ankra t.a.v.
huidige hoofdverweerster, op verzoek van laatstgenoemde aan hoofdeiseres
verbindend en tegenstelbaar werd verklaard bij navolgende beschikking d.d.
9/12/1995 (bundel verweerster, stukken nrs. 1-2). Hoofdeiseres werpt echter de verjaring tegen waar de hoofdverweerster voor
het eerst uit dien hoofde een vordering stelt bij wijze van tegeneis in
besluiten, neergelegd op 17/2/2000. De verjaring als zodanig wordt niet geregeld in het CISG maar wordt
overgelaten aan het toepasselijke nationale recht (Antwerpen, 20/ 12/ 1999,
R.W., 2000-2001, 523; H. Van Houtte e.a., o.c., nrs. 4.66 en 5.57), in casu
het Italiaans recht (supra, nr. 1). Het Verdrag inzake de verjaring bij internationale koop van roerende zaken
gesloten te New York op 14 juni 1974 (gewijzigd door het Protocol van 11
april 1980), werd niet geratificeerd door Italië en is aldaar niet in
werking. Art. 1495, derde alinea, van het Italiaans Burgerlijk Wetboek bepaalt dat
de vordering voor verborgen gebreken verjaart door verloop van één jaar
vanaf de levering; de verjaring van de tegeneis dient aldus vastgesteld te
worden. 4. Terzake de bij hoofdeis gevorderde interesten dient te worden
vastgesteld dat art. 6 CISG het beginsel van de partijautonomie huldigt (de
partijen kunnen de toepassing ervan uitsluiten, dan wel afwijken van de
bepalingen ervan of het gevolg ervan wijzigen) en dat art. 9 CISG daarbij de
bindende kracht vooropstelt van de gewoonten waarmee de partijen ingestemd
hebben en van de tussen hen gebruikelijke handelwijzen. Daartegenover staat
art. 19 CISC dat strikte regels inhoudt terzake van aanbod, aanvaarding en
wijziging van voorwaarden, waarbij steeds volledige wilsovereenstemming
nodig is vooraleer het contract tot stand komt; daarbij geldt louter
stilzwijgen niet als aanvaarding (J. Meeusen, Totstandkoming van de
overeenkomst; N. Van Houtte e.a., o.c., nrs. 3.56, 3.58 en 3.60, p. 91-94;
volgens H. Van Houtte komt de Belgische opvatting dat de factuurvoorwaarden
bindend zijn omdat de koper deze stilzwijgend aanvaard heeft zelfs op de
helling te staan in het Weens Koopverdrag: zie T.B.H., 1998, 350; cf. Kh.
Hasselt, 2 december 1998, R.W., 1999-2000. 648). In casu ligt er geen bewijs voor dat hoofdverweerster, bij de
totstandkoming van de koop-verkoopvoorwaarden, die het voorwerp uitmaken van
de bij dagvaarding opgevorderde facturen, kennis genomen heeft van de
algemene voorwaarden van hoofdeiseres en deze alsdan aanvaard heeft; de
factuurvoorwaarden van hoofdeiseres kunnen derhalve geen toepassing vinden.
Het enkele feit dat partijen reeds vóór 1998 met elkaar in handelsrelatie
gestaan hebben, levert in casu geen bewijs op dat de verkoopsvoorwaarden van
hoofdeiseres door hoofdverweerster aanvaard werden als deel uitmakend van
hun handelsbetrekking - hetzij als gewoonte waarmede zij ingestemd heeft,
hetzij als gebruikelijke handelwijze. De algemene voorwaarden van
hoofdeiseres zijn trouwens in het Italiaans gesteld, terwijl tussen partijen
het Nederlands of het Frans als voertaal werd gebruikt (bundel eiseres, stuk
nr. 15 en bundel verweerster, stukken nrs. 11 - 12 - 14 - 15 – 16 - 17).
Bovendien kan de rechtbank op basis van de voorgelegde stukken niet eens
uitmaken op welke documenten de algemene voorwaarden van hoofdeiseres
voorkomen; de voorgelegde kopies van facturen bevatten alleszins die
voorwaarden niet en op die facturen valt er evenmin een verwijzing naar
algemene voorwaarden te bespeuren (bundel eiseres, stukken nrs. 1 - 4). Hoofdeiseres kan wél aanspraak maken op rente wegens laattijdige betaling
ingevolge art. 75 CISG; waar eet CISG zelf de interestvoet niet bepaalt,
wordt deze naar Belgisch IPR. volgens de lex contractus vastgesteld (cf. H.
Van Houtte e.a., o.c., nrs. 8.2 en 8.4, p. 276-278). Hoofdeiseres duidt niet
aan welke de wettelijke rentevoet is volgens het Italiaans recht, doch
beperkt zich ertoe 8% rente vanaf de ingebrekestelling dal. 10/8/19981 te
vorderen en 7% (de Belgische wettelijke rente) vanaf de dagvaarding. Bij
gebreke aan gegevens terzake kent de rechtbank rente à rato van 7% per jaar
toe vanaf de ingebrekestelling d.d. 10/8/1998 (bundel eiseres, stuk nr. 5). 5. Waar hoofdeiseres op stereotiepe wijze de uitsluiting vordert van de
mogelijkheid tot kantonnement - wat een principieel recht is voor de
schuldenaar -, dient zij te bewijzen dat de vertraging in de regeling haar
aan een ernstig nadeel blootstelt en volstaat een dergelijke bewering niet.
Nu hoofdeiseres terzake geen bewijzen voorlegt, kan op haar verzoek tot
uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement niet worden ingegaan (zie
Gent, 1 ste kamer, 17 april 1997, A. R. 1997/564 inzake Mafar/ Fenestra). Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op bet
gebruik der talen in gerechtszaken. OM
DEZE REDENEN DE
RECHTBANK, wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak, alle verdere besluiten
afwijzend, Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate: Veroordeelt hoofverweerster, B.V.B.A. N, om aan hoofdeiseres, M S.P.A., te
betalen de som van zevenenveertig miljoen tweehonderdendrieduizend honderd
drieenzeventig Italiaanse lire (47.203.173 Lit.), te vermeerderen met de
rente à rato van 7% per jaar: (...) Wijst het meergevorderde van de hoofdeis of als ongegrond. Stelt de verjaring van de tegeneis vast. Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad. (…) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |