K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 25 May 2000

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel,

Case Number: A.R. 4456/99

Parties: I v. C

Seller’s Country: Belgium (Plaintiff)

Buyer’s Country: France (Defendant)

Goods Involved: Cooling room

Status: Unpublished

  

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(a), 18, 19 and 57

Jurisdiction - Art. 5(1) of Brussels Convention, - place of performance - obligation to pay - residence of seller - Belgium - Belgain court has jurisdiction

Choice of forum - Art. 17 of Brussels Convention - defendant pleads forum choice and at same time lack of consent - no consent for forum choice proven

Application of CISG - both states are contracting states

Goods delivered by  and payment to be made to different party than contracting party - does not amount to amendment

Means and time of paying - if altered - counter-offer and not amendment

 

Text of the Decision

 

Gezien de dagvaarding betekend op 4 oktober 1999 ;

Gezien de door partijen neergelegde conclusies en stukken ;

Gehoord de partijen ter zitting van 27 april 2000 waarop de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen ;

 

De feiten en de vordering. Standpunten van partijen.

1.      Bij dagvaarding d.d. 4/10/1999 vordert eiseres ten aanzien van verweerster de betaling van 19.705,20 Franse franken in hoofdsom, te vermeerderen met de conventionele rente aan 12 % op 17.546,50 Franse franken en de kosten van het geding.

Voormelde hoofdsom is samengesteld als volgt :

- factuur nr. 9812486 d.d. 02/07/1999 :                                   17.546,50 FRF.         

- vervallen conventionele verwijlrente (12 %) :                               404,00 FRF.

- verhogingsbeding (10 %) :                                                       1.754,70 FRF.

                                                                                               19.705,20 FRF.

 

Kwestieuze factuur behelst de aanrekening door eiseres van de prijs voor de verkoop van een frigokamer met afmetingen 330 x 210 x 240 (bundel eiseres, stuk nr. 5).

Eiseres zet in de dagvaarding uiteen dat zij de betaling van voormelde bedragen vordert uit hoofde van een koop-verkoop en dat verweerster “niettegenstaande diverse ingebreke-stelling(en) nalaat deze schuld te vereffenen”.

2.      Verweerster betwist vooreerst de bevoegdheid van deze rechtbank nu zij op basis van het forumbeding van haar algemene voorwaarden had dienen gedagvaard te worden voor de Rechtbank van koophandel te Montpellier (Frankrijk).

Verder werpt zij een gebrek aan rechtsband op tussen eiseres en haarzelf nu zij met een andere rechtspersoon gecontracteerd heeft, m.n. de Franse vennootschap “I France S.A.”.

Ten gronde stelt zij dat er geen koop-verkoop tot stand is gekomen nu er geen wilsovereenstemming werd bereikt omtrent het tijdstip van betaling ; de kwestieuze goederen werden trouwens niet geleverd.

3.      Eiseres verantwoordt de bevoegdheid van deze rechtbank met beroep op het forumbeding van haar eigen algemene voorwaarden en, subsidiair, met beroep op de regel van art. 5.1 EEX.

Voor het overige meent zij dat de koop-verkoop afdoende blijkt uit de orderbevestigingen, zodat verweerster tot betaling van de prijs en de gevorderde aanhorigheden gehouden is.

 

Beoordeling.

1.      Bevoegdheid en toepasselijk recht.

Om de bevoegdheid van deze Rechtbank te verantwoorden beroept eiseres zich in subsidiaire orde terecht op art. 5.1 van het EEX-verdrag d.d. 27/9/1968 dat voorziet dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een gebonden staat, in een andere gebonden staat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, uitgevoerd is of moet worden uitgevoerd.

Het bepalen van de verbintenis die het voorwerp van de betwisting uitmaakt, dient te gebeuren op basis van hetgeen de eiser in het inleidend exploot stelt, d.w.z. naar het onderwerp van de vordering zoals het in de dagvaarding omschreven is (Cass., 6 maart 1987, Pas., 1987, I, 810 ; Cass., 19 december 1985, R.W., 1986-1987, 279). De term “verbintenis” in art. 5.1 EEX dient begrepen te worden als de verbintenis die uit het contract voortvloeit ten laste van de verwerende partij en waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd door de eisende partij als grondslag voor haar vordering (zie Cass., 6 april 1978, Pas., 1978, I, 871).

In casu vordert eiseres luidens de dagvaarding de betaling van de prijs n.a.v. een internationale koop van een roerende lichamelijke zaak, nl. een frigokamer. Derhalve is de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, ten dezen de in hoofde van verweerster vooropgestelde verbintenis tot betaling van de prijs voor de verkoop van kwestieuze frigokamer. Dat verweerster ten gronde betwist dat een koop-verkoop tot stand gekomen is, is in het kader van het onderzoek naar de bevoegdheid irrelevant ; in dat kader dient enkel rekening gehouden te worden met de door de eiser in zijn inleidend exploot in hoofde van de verweerder vooropgestelde verbintenis waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd. Indien vervolgens bij de beoordeling ten gronde zou blijken dat tussen partijen inderdaad geen wilsovereenstemming tot stand is gekomen, derwijze dat er geen sprake is van een koop-verkoop en van de eruit voortvloeiende betalingsverbintenis in hoofde van de koper, dan kan zulks enkel leiden tot de afwijzing van de vordering als ongegrond.

Vermits in casu de beide gedingvoerende partijen gevestigd zijn in verdragsluitende staten die door het Weens Koopverdrag (CISG) van 11 april 1980 gebonden zijn, dienen zonder meer de territoriale toetsingscriteria van het CISG toegepast te worden, zonder een omweg via de geldende collisieregels (art. 1-1-a van het CISG ; zie J. Meeusen, “Belgisch internationaal contractenrecht in Europees perspectief”, XXVIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1999- 2000, nr. 9 ; M. Traest, “De opzegging door België van het Haagse Verdrag van 15 juni 1955”, DAOR, afl. 50, 1999, blz. 46).

Luidens art. 57 van het CISG moet de koper, in beginsel en behoudens andersluidend beding, betalen ter plaatse van de vestiging van de verkoper. Enig andersluidend beding wordt in casu niet ingeroepen noch bewezen ; vermits verweerster aldus dient te betalen ter plaatse van de vestiging van eiseres te Bavikhove, is deze rechtbank bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Ten onrechte beroepen beide partijen – en inzonderheid verweerster die zoals voormeld de onbevoegdheid van deze rechtbank opwerpt – zich elk op het forumbeding van hun eigen algemene voorwaarden.

Art. 17 EEX bepaalt strikte voorwaarden voor de geldigheid van een forumbeding, die erop neerkomen dat duidelijk en specifiek een gerecht van een verdragsluitende staat moet aangewezen worden die overeenkomstig de wil van de partijen bij uitsluiting bevoegd is. Het Hof van Justitie heeft dienaangaande in het arrest Casteletti van 16 maart 1999 herhaald en gepreciseerd (overweging nummer 48) dat één van de doelstellingen van het Executieverdrag de rechtzekerheid is ; de aangezochte nationale rechter moet zich “gemakkelijk” over zijn bevoegdheid kunnen uitspreken op basis van de regels van het verdrag, zonder daarbij gedwongen te zijn de zaak ten gronde te onderzoeken.

Waar verweerster ten dezen in één en dezelfde conclusie neergelegd op 22/12/1999 (dossier van de rechtspleging, stuk nr. 4) stelt dat de overeenkomst tot stand gekomen is op basis van haar bestelbon nr. 1180 d.d. 31/5/1999 en dat zodoende de aldaar opgenomen prorogatieclausule uitwerking dient te krijgen (blz. 4), om vervolgens ten gronde het gebrek aan wilsovereenstemming op te werpen en derhalve het bestaan zelf van een overeenkomst te ontkennen (blz. 7), noopt zij de rechtbank bij de beoordeling van de bevoegdheid tot een onderzoek ten gronde van de zaak, hetgeen niet kan gevolgd worden.

Hoe dan ook ligt geen bewijs voor van het akkoord tussen partijen tot aanwijzing van één bevoegd rechter, meer bepaald ligt geen bewijs voor van de vaststaande instemming en de onbetwiste aanvaarding door eiseres om aan de Rechtbank van koophandel te Montpellier de bevoegdheid tot te kennen om kennis te nemen van huidig geschil, zoals ten dezen door verweerster voorgestaan (cf. arrest d.d. 12 januari 2000 van het Hof van Beroep te Gent, 23ste kamer, A.R. 1997/1424 inzake Riva/Veronica).

Anderzijds en terzake het toepasselijk recht dienen, gelet op art. 1-1-a van het CISG, eveneens en zonder meer de (materiële) regels van het CISG toegepast te worden (Kh. Hasselt, 19 mei 1999, R.W., 1999-2000, 1242 ; J. Meeusen, o.c.).

           

2.      Ten gronde.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat :

-         verweerster op 31 mei 1999 een schriftelijke bestelling (“commande”) geplaatst heeft per telefax bij “I” op het nummer (...) van panelen voor koelcellen volgens het voorstel van I d.d. 15/9/1998. Als betalingstermijn wordt “60 dagen einde maand, de 10de van de volgende maand zonder korting” bedongen en de bevestiging (“confirmation”) van de bestelling wordt uitdrukkelijk (en “per kerende”) gevraagd (bundel eiseres, stuk nr. 1 ; bundel verweerster, stuk nr. 4) ;

-         eiseres op 4 juni 1999 een schriftelijke orderbevestiging aan verweerster stuurt ; als betalingsvoorwaarde wordt “kontant bij levering” bedongen (bundel eiseres, stuk nr. 2) ;

-         eiseres, zonder enige aantoonbare reactie zijdens verweerster op voormelde orderbevestiging, op 9 juni 1999 een pro-forma factuur uitschrijft waarbij als betalingsvoorwaarde “overschrijving vóór verzending” wordt bedongen (bundel eiseres, stuk nr. 3) ;

-         voormelde pro-forma factuur in het bundel van verweerster (haar stuk nr. 5) de vermelding van het woord “neen” (“non”) bevat met verwijzing naar de (nieuwe) betalingsvoorwaarde (“overschrijving vóór verzending”) ;

-         de vertegenwoordiger van I France, de heer F, per fax d.d. 19 juli 1999 zijn beklag maakt tegenover verweerster nopens de annulatie der bestelling ; hij dringt alsnog aan op een betaling per bankoverschrijving (bundel verweerster, stuk nr. 6) ;

-         verweerster in haar antwoord per aangetekende brief d.d. 20 juli 1999 aan voormelde vertegenwoordiger de annulatie der bestelling bevestigt en verantwoordt omwille van het niet tot stand gekomen zijn van een akkoord nopens de betalingsvoorwaarde (bundel verweerster, stuk nr. 7).

Waar verweerster het gebrek aan rechtsband met eiseres opwerpt nu zij enkel gehandeld heeft met een andere vennootschap, nl. de S.A. I France, dient vastgesteld te worden dat zij inderdaad haar bestelling d.d. 31 mei 1999 per fax gestuurd heeft naar de heer F die optreedt als technisch-commercieel afgevaardigde van I France voor de regio “Sud-Est” van Frankrijk en wiens telefax-nummer (...) is (bundel verweerster, stuk nr. 6).

Het op basis daarvan gevoerde verweer kan evenwel niet aangenomen worden. Een uitdrukkelijke bevestiging van haar bestelling door verweerster gevraagd zijnde, heeft zij deze ontvangen van huidige eiseres (I België). Tegen het enkele feit op zich dat de bevestiging uitging van I België en niet van I France, heeft verweerster als zodanig geen bezwaar gemaakt. Dat de levering der frigokamer en de facturatie ervan zouden gebeuren door I België, aan dewelke verweerster dan ook de prijs zou dienen te betalen (i.p.v. I France), maakt derhalve géén aanvulling of afwijking uit die de voorwaarden van het aanbod van verweerster (nl. het aanbod d.d. 31 mei 1999 van verweerster aan I France om een welbepaalde frigokamer tegen een welbepaalde prijs aan te kopen, daarbij onbetwistbaar blijk gevend van haar wil om ingeval van aanvaarding verbonden te zijn) wezenlijk aantasten (art. 19.2 CISG ; cf. Landgericht Krefeld, 24 november 1992, aangehaald in H. Van Houtte e.a., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, nr. 3.57).

Blijft dan de discussie omtrent de betalingsvoorwaarde.

Het voormelde door verweerster per fax d.d. 31 mei 1999 geformuleerde aanbod werd door eiseres op 4 juni 1999 beantwoord met een aanvaarding die een wijziging bevatte op het vlak der betalingsconditie (nl. kontante betaling bij levering i.p.v. betaling “60 dagen einde maand, de 10de van de volgende maand zonder korting” – cf. supra). Dergelijke afwijkende conditie wordt geacht de voorwaarden van het aanbod wezenlijk aan te tasten (art. 19.3 CISG) en geldt derhalve als een verwerping van het oorspronkelijk aanbod vanwege verweerster ; het vormt een tegenaanbod vanwege eiseres (art. 19.1 CISG).

Door op de pro-forma factuur d.d. 9 juni 1999 bovendien nogmaals de betalingsconditie te wijzigen en girale betaling vóór de verzending der goederen te eisen, heeft eiseres andermaal een voorwaarde gesteld die wezenlijk van het oorspronkelijk aanbod van verweerster afweek, en derhalve opnieuw een tegenaanbod gedaan.

Noch het eerste, noch het tweede tegenaanbod van eiseres werden door verweerster aanvaard ; stilzwijgen of niet reageren gelden immers op zichzelf niet als aanvaarding (art. 18.1 CISG) en ten dezen bewijst eiseres geen bijzondere omstandigheden waardoor het stilzwijgen of niet reageren van verweerster als aanvaarding zouden moeten geïnterpreteerd worden.

Integendeel doen de vermelding van het woord “neen” bij de gewijzigde betalingsconditie op de pro-forma factuur van eiseres alsmede de ondubbelzinnige bewoordingen van de brief d.d. 20/7/1999 vanwege verweerster, genoegzaam blijken van de niet-aanvaarding door verweerster van het tegenaanbod van eiseres.

Het proces van opeenvolgende stappen van aanbod en tegenaanbod(en) waar géén aanvaarding op gevolgd is, heeft ten dezen niet geresulteerd in wilsovereenstemming en er is geen koop-verkoop tot stand gekomen.

De vordering is ongegrond.

Gelet  op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ;

 

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,  wijzende in  eerste  aanleg  en  op tegenspraak,  alle verdere besluiten afwijzend,

verklaart zich bevoegd ;

verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond ;

veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze gevallen aan de zijde van verweerster begroot op 12.900 fr. ten titel van rechtsplegingsvergoeding ;

verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be